Vgl. HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, rechtsoverweging 3.3.1.
HR, 11-10-2024, nr. 23/02341
ECLI:NL:HR:2024:1425
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
11-10-2024
- Zaaknummer
23/02341
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 11‑10‑2024
ECLI:NL:HR:2024:1425, Uitspraak, Hoge Raad, 11‑10‑2024; (Cassatie)
- Vindplaatsen
NDFR Nieuws 2024/1664
Sdu Nieuws Belastingzaken 2024/1186
NLF 2024/2288 met annotatie van Wendy Nent
NTFR 2024/1704 met annotatie van mr. E.C.G. Okhuizen
Viditax (FutD) 2024101102
FutD 2024-2128
Beroepschrift 11‑10‑2024
CASSATIEBEROEP
[A] H.O.D.N. VOF [X]
Gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven/Hefna BV
Kantooradres: […];
Postadres: Idem
Optredend als gemachtigde voor:
Belanghebbende: [X]
Gevestigd te: [Z];
Hierna te noemen; Belanghebbende of [X];
In cassatie tegen de beslissing van de Inspecteur der Rijksbelastingen, in cassatie vertegenwoordigd door:
De publiekrechtelijke rechtspersoon: Staatssecretaris van Financiën
Kantoorhoudende te: Korte Voorhout 7, 2511 CW DEN HAAG;
Hierna te noemen; Inspecteur of Staatssecretaris;
Edelhoogachtbaar college, geachte voorzitter, beste topcriminelen,
Hierbij doe ik de grootst denkbare criminele organisatie in Europa, de Hoge Raad der Naaiderlanden, mogelijk zelfs daarbuiten, mijn gronden toekomen.
De rechtbank Gelderland, bij monde van mevrouw A.F. Germs-de Goede, in de jaren 90 nog een talentvol iemand, thans binnen de rechtspraak opgegaan in het liegen, bedreigen, naaien en leegzuigen van belastingplichtigen en dus feitelijk acterend als een hoer, die tegen betaling burgers leegzuigt en naait, meer is het niet meer en daartoe alle fundamentele rechtstaatbeginselen schendt tot op het bot heeft mijn dient genaaid en hij vindt dat niet lekker! Naaien doet ze thuis maar, of op haar werk in de pauze, of in de bosjes, wat ze wil, maar niet mijn klanten die dat niet willen!!
De nationale wetgever zou eens tenminste minimale integriteits-, fatsoens- en gedragsnormen moeten opnemen in wettelijke bepalingen waaraan ‘rechters’ in Naaiderland moeten voldoen. Germs-de Goede voldoet er zeer zeker niet aan, buiten elke mogelijke twijfel. Zij heeft aantoonbaar bewezen de focus op naaien en bedotten, in casu wordt dat weer ondubbelzinnig aangetoond en bewezen.
De feiten.
Belanghebbende heeft een teruggaaf belasting BPM ontvangen, die teruggegeven is naar aanleiding van een ingesteld bezwaar/beroep tegen de strijdig met het Unierecht zijnde heffing.
De belasting BPM in Naaiderland — die volgens vaste uitlegging van het Hof van justitie (Hof van Justitie, 18 december 2013, EU:C:2013:857, r.o. 20) altijd in strijd met artikel 110 VWEU wordt geheven en om die reden moet worden teruggegeven — wordt in Naaiderland teruggegeven met rente naar nationale bepalingen.
De teruggaaf bedraagt € 167,00, op grond van nationale bepalingen.
Bij uitspraak buiten zitting heeft een ander gemeen gedrocht van de rechtbank, ene Zippelius, uitspraak buiten zitting gedaan, omdat het griffierecht overeenkomstig nationale bepalingen niet voorafgaande aan de inleiding van het geschil betaald is.
Daartegen is verzet ingesteld en dat verzet is ongegrond verklaard.
Daartegen heeft belanghebbende cassatieberoep ingesteld bij de grootst denkbare georganiseerde misdaadorganisatie van deze aardkloot, de Hoge Raad der Naaiderlanden.
De middelen.
Als eerste middel van cassatie stelt belanghebbende voor schending van het recht en/of verzuim van vormen, meer bepaald artikel 267, letter a VWEU, artikel 267, tweede en derde alinea VWEU, artikel 1 VEU, artikel 2 VEU, artikel 4, lid 3 VEU, artikel 19 VEU, artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, doordat de rechtbank uitlegging heeft gegeven over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie, zelfstandig het geschil heeft opgelost en ter rechtvaardiging van zijn oordeel heeft verwezen naar de met misbruik van recht en misbruik van bevoegdheid, onrechtmatig en onregelmatig tot stand gekomen uitlegging van de grootste criminele gajesbende van onze samenleving, de Hoge Raad der Naaiderlanden, die uitlegging geeft in zijn uitspraak van 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579, daarmee alle fundamentele rechtstaatbeginselen tot op het bot schendend.
Toelichting.
Germs-de Goede, die voor geen halve millimeter deugt in haar werk, zij naait te pas en te onpas justitiabelen die voor het hekje komen, geeft uitlegging over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie, door te verwijzen, ter rechtvaardiging van het verval van recht volgens nationale bepalingen indien niet vooraf, binnen 4 weken, het griffierecht wordt betaald, door te verwijzen naar uitlegging van de Hoge Raad der Naaiderlanden van 11 oktober 2019.
Zij miskend de meest fundamentele beginselen van het recht van de Unie, namelijk dat het is uitgesloten dat de rechter in laatste aanleg over een discretionaire bevoegdheid beschikt om uit te maken of de door partijen opgeworpen vraag al dan niet gegrond is, of om te beslissen of het voor de uitspraak relevante punt van gemeenschapsrecht door hemzelf dan wel door het Hof van Justitie moet worden beoordeeld.
Zij verwijst aldus ter rechtvaardiging van haar kennelijk onrechtmatige en kennelijk onregelmatige oordeel, waarin zij treedt op het exclusieve domein van de Unierechter, de bevoegdheid tot bindende en rechtsgeldige uitlegging van bepalingen van Unierecht door de hoogste nationale rechter in Naaiderland, om belanghebbende te naaien wat ze kan.
Direct uit de functie ontzetten en levenslang bannen uit elke verantwoordelijke privaatrechtelijke of publiekrechtelijke functie teneinde te voorkomen dat ze nog meer onheil kan aanrichten in dit kutland.
Het is vaste rechtspraak van het Hof inmiddels dat hij exclusief bevoegd is bindend en rechtsgeldig uitlegging te geven over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie (Hof van Justitie, 22 februari 2022, RS, EU:C:2022:99, r.o. 52 en 72).
Aldus is de zelfstandige uitlegging van de Hoge Raad der Naaiderlanden, waarnaar Germs-de Goede verwijst ter rechtvaardiging van haar gegeven oordeel, niet alleen onverbindend en rechtsongeldig, maar tevens een onrechtmatige overheidsdaad, een kennelijk gekwalificeerde schending, omdat het Hof van Justitie al in 1982 heeft uitgelegd, hetgeen ook volgt uit artikel 1 VEU en artikel 267, letter a VWEU, dat het is uitgesloten dat de rechter in laatste aanleg over een discretionaire bevoegdheid beschikt om uit te maken of de door partijen opgeworpen vraag al dan niet gegrond is, of om te beslissen of het voor de uitspraak relevante punt van gemeenschapsrecht door hemzelf dan wel door het Hof van Justitie moet worden beoordeeld.
Dat zijn ongekend misdadige praktijken van Germs-de Goede, in navolging van onrechtmatige en onregelmatige uitlegging van de allergrootst denkbare georganiseerde misdaadorganisatie in Europa, de Hoge Raad der Naaiderlanden, intens vieze gajesclub.
Het is buiten elke mogelijke twijfel immers, dat de Hoge Raad niet bevoegd is (bindend en rechtsgeldig) uitlegging te geven over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie.
Hetzelfde geldt voor Germs-de Goede en Zippelius.
Aldus staat buiten elke mogelijke twijfel verheven vast, dat Germs-de Goede getreden is op het exclusieve domein van de Unierechter, artikel 267, letter a VWEU, hetgeen a priori in strijd is met het recht van de Unie.
Het cassatieberoep is kennelijk gegrond.
Middel II.
Als tweede middel van cassatie stelt belanghebbende voor schending van het recht en/of verzuim van vormen, doordat Germs-de Goede verzuimd heeft de beantwoording van de zaak te beperken tot sec de voorgelegde rechtsvraag van het geschil en daarmee blijk heeft gegeven kennelijk partijdig en kennelijk afhankelijk te zijn en de oplossing van het geschil zoekt buiten de aangevoerde rechtsgronden en verzuimt om het geschil te beslechten overeenkomstig de voorgelegde rechtsvraag.
Toelichting.
Eenmaal gajes, altijd gajes, gaat zeker ook op voor mevrouw Germs-de Goede. Zij deugt niet, dast hebben we al genoegzaam vastgesteld, mogelijk bij gebrek aan minimale integriteits- fatsoens- en gedragsnormen die onontbeerlijk zijn voor een dergelijke belangrijke functie als medewerker van de rechterlijke macht.
De voorgelegde vraag in verzet is de vraag van Unierecht, of de nationale bepalingen van artikel 8:41 Awb, waaruit volgt dat het griffierecht, voorafgaande aan de inleiding van het geschil, terugbetaald bij een gegrond beroep, een barrière vormt die wordt opgeworpen om een inhoudelijke behandeling van de zaak te verkrijgen.
Een dergelijke heffing(systematiek) beperkt de daadwerkelijk, effectieve toegang tot de rechter, zoals besloten ligt in artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, die in Nederland dan gebleken en aangetoond sowieso niet onpartijdig en onafhankelijk is, en is verboden, nu deze heffing niet strikt noodzakelijk is, de grondrechten in de kern aantast en niet voldoet aan het evenredigheidsbeginsel, aldus belanghebbende in zijn verzetschrift.
Die vraag moet beantwoord worden, niet over de hoogte van het griffierecht, zoals door de Hoge Raad der Naaiderlanden, met misbruik van recht en misbruik van bevoegdheid, onverbindend en rechtsongeldig is beantwoord in zijn ‘arrest’ van 11 oktober 2019.
Wanneer Germs-de Goede de vraag sec beantwoord had, had zij onmogelijk tot de andere conclusie kunnen komen dat de heffing van griffierecht voorafgaande aan de inleiding van een geschil, terugbetaald (zonder rente) bij een gegrond beroep, in strijd is met het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel, zoals vervat in artikel 52, lid 1 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Maar ja, als je van naaien je werk hebt gemaakt, waarom zou je dan de fundamentele rechtstaatbeginselen waarborgen? Waarom zou je de fundamentele grondrechten van Unieburgers waarborgen? Waarom zou de rechtstaat van de Unie waarborgen?
Nada, niks van dat alles, burgers naaien en leegzuigen was haar taak, haar passie en haar beroep!! Een regelrechte schande voor elk fatsoenlijk land. Deze mevrouw moet echt heel snel op non-actief gezet worden door de rechtspraak, die kan je niet hebben in een systeem waar hoge eisen gesteld worden aan de integriteit, onafhankelijkheid, onpartijdigheid en de allerhoogst denkbare gedragsnormen.
Middel II is kennelijk gegrond. De vraag ligt inmiddels in Luxemburg bij het Hof van Justitie, omdat belanghebbende eerder al geconfronteerd is met dergelijke misstanden. Het Hof wordt buiten de deur gehouden door de grootste criminele gajesbende van Europa, de Hoge Raad der Naaiderlanden. Het Hof zal recht spreken. De schade zal niet te overzien zijn wanneer de betrokken belanghebbenden een gegrond beroep hebben in Luxemburg.
Middel III.
Als derde middel van cassatie stelt belanghebbende voor schending van artikel 4, lid 3 VEU, artikel 267, letter a VWEU, artikel 267, tweede en derde alinea VWEU, artikel 19, lid 1 VEU, artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, doordat deze seut van de rechtbank Gelderland, die liegen en bedriegen als basisbehoefte in haar pakket heeft zitten, blijkbaar, kennelijk, uitlegt dat zij mede gezien het gegeven oordeel van de Hoge Raad der Naaiderlanden van 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579, geen aanleiding ziet prejudiciële vragen te stellen aan de exclusief bevoegde rechter, de Unierechter.
Toelichting.
Mevrouw Germs-de Goede heeft het naaien en leegzuigen van justitiabelen tot een ware kunst ontwikkeld. Zij kan zo bij de Hoge Raad der Naaiderlanden gaan werken, samen met gekend supergajes als Melvin Pauwels, Petertje Wattel, Dineke de Groot, Feteris, e.v.a…
Zij motiveert haar beslissing, op 12 mei 2023, dus ruim na de uitlegging van de Unierechter in zijn arrest van 22 februari 2022, RS, EU:C:2022:99, r.o. 52 en 72, waarin het Hof uitlegt dat hij exclusief bevoegd is om bindend en rechtsgeldig uitlegging te geven over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie, door te verwijzen naar dus onrechtmatige, onverbindende en rechtsongeldige uitlegging over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie van de Hoge Raad der Naaiderlanden.
Daarbij komt dus nog dat het Hof reeds in 1982 heeft uitgelegd dat het is uitgesloten dat de rechter in laatste aanleg over een discretionaire bevoegdheid beschikt om uit te maken of de door partijen opgeworpen vraag al dan niet gegrond is, of om te beslissen of het voor de uitspraak relevante punt van gemeenschapsrecht door hemzelf dan wel door het Hof van Justitie moet worden beoordeeld. Dat volgt ook uit artikel 1 VEU, in samenhang gelezen met artikel 267, letter a VWEU.
De Hoge Raad der Naaiderlanden geeft dus uitlegging, stelt 2 fundamentele prejudiciële uitleggingen van het Hof terzijde, verzuimd in zijn wettelijke verplichting ex. artikel 267, derde alinea VWEU, stelt de meest fundamentele rechtstaatbeginselen terzijde, toont volstrekte anarchie jegens de grondrechten van Unieburgers, naait alles en iedereen wat voorbij komt, is aangetoond de allergrootst denkbare georganiseerde misdaadorganisatie van deze planeet, en met die onrechtmatige en onregelmatige uitlegging over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie door zulks een ongekend boeventuig tracht Germs-de Goede de burger te naaien en leeg te zuigen?
Hoe gekend crimineel kun je worden? Van net iemand in de zaak Groningen/Raatgever, tot doorwinterde mega supercrimineel?! Tuig van de richel! Kenmerkend voor een land dat andere lidstaten naait voor 50 miljard belastinggeld, het allergrootste kutland van de wereld, Noord-Korea aan de Noordzee…
Middel III is kennelijk gegrond. Germs-de Goede was verplicht vragen voor te leggen aan de Unierechter, nu haar vragen werden voorgelegd van Unierecht die uitlegging behoeven (Hof van Justitie, 26 februari 2013, Hans Akerberg Fransson, EU:C:2013:105, r.o. 30 en 47, zgn. ‘acte éclairé’ van het Hof.
Middel IV.
Als vierde middel van cassatie stelt belanghebbende voor schending van artikel 4, lid 3 VEU, artikel 267, letter a VWEU, artikel 267, tweede en derde alinea VWEU, artikel 19, lid 1 VEU, artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, doordat deze seut van de rechtbank Gelderland, die liegen en bedriegen als basisbehoefte in haar pakket heeft zitten, blijkbaar, kennelijk, uitlegt dat zij mede gezien het gegeven oordeel van de Hoge Raad der Naaiderlanden van 2 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1128, welk oordeel met misbruik van recht, misbruik van bevoegdheid, kennelijk onrechtmatig en kennelijk onregelmatig tot stand is gekomen, voortbordurend op kennelijk onrechtmatige, onverbindend en rechtsongeldige uitlegging van de meest criminele georganiseerde misdaadorganisatie van Europa, mogelijk ver daarbuiten, feitelijk oordeelt dat een geschil over de rentevergoeding over een teruggaaf van BPM niet kan worden aangemerkt als een geschil over de hoofdzaak.
Toelichting.
Vooropgesteld zij, buiten elke mogelijke twijfel verheven, kennelijk dus, is de uitlegging die de georganiseerde misdaadorganisatie met maffiose trekken, de Hoge Raad der Naaiderlanden geeft in zijn ‘arrest’ van 2 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1128 onrechtmatig en onregelmatig tot stand gekomen, met misbruik van recht, met misbruik van bevoegdheid, tredend op het exclusieve domein van de Unierechter.
Allereerst is daarbij van belang op te merken dat het is uitgesloten dat de Hoge Raad der Naaiderlanden als rechter in laatste aanleg over een discretionaire bevoegdheid beschikt om uit te maken of de door partijen opgeworpen vraag al dan niet gegrond is, of om te beslissen of het voor de uitspraak relevante punt van gemeenschapsrecht door hemzelf dan wel door het Hof van Justitie moet worden beoordeeld.
Kutland Naaiderland heeft Bij toetreding tot de Unie als Verdragsluitende Partij, ter oprichting van een Europese Unie, onomkeerbaar en definitief de Unie bevoegdheden toebedeeld om hun gemeenschappelijke doelstellingen te bereiken.
Daartoe heeft kutland Naaiderland overeenkomstig de codificatie in artikel 267, letter a VWEU, de bevoegdheid overgedragen om uitlegging te geven over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie aan de Unierechter.
De Unierechter is exclusief bevoegd om bindend en rechtsgeldig uitlegging te geven over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie (Hof van Justitie, 22 februari 2022, EU:C:2022:99, r.o. 52 en 72).
Aldus is de uitlegging van de Hoge Raad der Naaiderlanden van 2 september 2022 in strijd met de meest fundamentele rechtstaatbeginselenl! Zonneklaar, 0,00000% twijfel mogelijk. Kenmerkend voor het super geboefte, werkzaam bij de Hoge Raad der Naaiderlanden, het allergrootst denkbare criminele spul van onze samenleving!!!!!!!
Nog maar een fundamentele insteek. Wanneer een fundamenteel grondrecht, zoals het recht op schadevergoeding als gevolg van het niet eerbiedigen van de redelijke procestermijn ex. artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, onderworpen zou zijn aan een feitelijke beoordeling of zoals in casu sprake is van een hoofdzaak, een bijzaak, een kutzaak of een serieuze zaak of een zaak met beperkt financieel belang, of zoals Uw intens criminele gajesbende uitlegt, onrechtmatig en onregelmatig, zoals genoegzaam bekend en gebleken, viespeuken pur sang het klootjesvolk bij de Hoge Raad der Naaiderlanden, dat er sprake moet zijn van spanning en frustratie, verdraagt zich natuurlijk niet met het recht van de Unie, nu het niet in alle lidstaten eenvormig kan worden uitgelegd.
Aldus stellen wij vast dat de uitlegging, waarnaar die criminele gans in Arnhem verwijst, ter rechtvaardiging van haar intens criminele oordeel, ongekend datje je laat verlagen tot zulke viezigheid en vunzigheid, tenminste in strijd is met 3 uiterst fundamentele rechtstaatbeginselen.
Voldoende is dat de redelijke termijn van berechting niet is eerbiedigt. Dat is in kutland Naaiderland na 2 jaar en dan volgt een forfaitaire schadevergoeding van € 500,00 per halfjaar overschrijding, zonder dat onderzocht hoeft te worden of er sprake is van een hoofdzaak, tuchtzaak, bijzaak, auto van de zaak, of al wat niet meer, zonder dat onderzocht hoeft te worden of spanning en frustratie aan de orde is.
Overschrijding is sec voldoende. In casu is dat vanaf 11 maart 2019, de ontvangst van het pro forma bezwaarschrift, tot 12 mei 2023, de uitspraak van de rechtbank.
Totaal meer dan 2 jaar overschrijding, dus heeft de rechtbank mijn belanghebbende weer voor meer dan 4 rooitjes proberen te naaien!! Dat zijn hele vieze, smerige praktijken!!!
Deze mevrouw Germs-de Goede moet onmiddellijk ontzet worden uit elke mogelijke publieke functie bij gebrek aan de hoogste gedragsnormen die noodzakelijk zijn voor de invulling van een zulks ongekend belangrijke functie als die van onderdeel van de rechterlijke macht.
Middel IV is kennelijk gegrond. De rechtbank had voor een vraag van Unierecht nooit of te nimmer aansluiting mogen zoeken bij onrechtmatige en onregelmatige uitlegging van de grootste criminele gajesbende van deze aardkloot, de Hoge Raad der Naaiderlanden.
Types als Feteris, de Groot, Wattel, Pauwels, mega, mega supercriminelen waarbij Redouan Taghi en Willem Holleeder en Jos Brech volledig verbleken en verworden tot kruimeldiefjes… Viezer tuig bestaat er niet!! Mensen die alle fundamentele grondrechten van justitiabelen verneuken en vernachelen in het belang van de nationale staatskas. Zielig!!
Conclusie.
Je wordt genaaid, opgelicht en belazerd door de rechtspraak in Nederland. De Hoge Raad is de grootst denkbare criminele organisatie van deze wereld, de verwijzingen door Germs-de Goede naar die onrechtmatige en onverbindende en rechtsongeldige uitlegging is evenzeer zwaar crimineel. Zij moet niet verwijzen naar uitlegging van dat gajes, maar naar uitlegging van de exclusief bevoegde rechter, de Unierechter, die wel gebleken onafhankelijk en onpartijdig is!! Dat is rechtspreken, niet de interne rechtsorde creëren en handhaven, zoals massaal en structureel geschied in het grootste kutland van de wereld, Noord-Korea aan de Noordzee.
De nationale wetgever zou integriteitsnormen moeten aanleggen, zodat hetgeen blootgelegd wordt in deze casus, uitgesloten zou zijn!!!!!!!!
Met behoud van rechten en weren,
Uitspraak 11‑10‑2024
Inhoudsindicatie
Belastingrente; art. 8:73 Awb; recht op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in zaken die uitsluitend een geschil over een beschikking inzake belastingrente betreffen; berekening vergoeding van immateriële schade voor fase van bezwaar en beroep bij niet-ontvankelijk beroep.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 23/02341
Datum 11 oktober 2024
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
1. de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
2. de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 12 mei 2023, nr. AWB 21/83, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank van 26 oktober 2021 betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking inzake belastingrente. De uitspraak van de Rechtbank op het verzet is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.F.M.J. Verhoeven, heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank op het verzet beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2. Beoordeling van de middelen
2.1.1
De Inspecteur heeft aan belanghebbende op de voet van artikel 30ha AWR bij beschikking van 26 februari 2019 een bedrag van € 191 aan belastingrente vergoed naar aanleiding van een verleende teruggaaf van belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm). Belanghebbende heeft tegen die beschikking bezwaar gemaakt. Het bezwaarschrift heeft de Inspecteur op 21 februari 2019 ontvangen. Hij heeft bij uitspraak van 10 december 2020 het bezwaar ongegrond verklaard.
2.1.2
Belanghebbende heeft op 7 januari 2021 tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Bij uitspraak van 26 oktober 2021 heeft de Rechtbank het beroep, met toepassing van artikel 8:54 Awb, niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betalen van het verschuldigde griffierecht.
2.1.3
Belanghebbende heeft tegen die uitspraak verzet gedaan en daarbij verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de termijn van twee jaren die als redelijk moet worden beschouwd voor berechting van een zaak in eerste aanleg.
2.2.1
De Rechtbank heeft bij uitspraak van 12 mei 2023 het verzet ongegrond verklaard en daarbij het verzoek om vergoeding van immateriële schade afgewezen.Aan de afwijzing van het verzoek om vergoeding van immateriële schade heeft de Rechtbank het hiernavolgende ten grondslag gelegd.
2.2.2
De Rechtbank heeft uit het arrest van de Hoge Raad van 2 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1128 (hierna: het arrest van 2 september 2022), afgeleid dat de immateriële schade moet zijn gelegen in de spanning en frustratie die een belastingplichtige ondervindt ten gevolge van het geschil over de belastingheffing dat hem en de inspecteur verdeeld houdt, hetgeen de Rechtbank in haar uitspraak verder heeft aangeduid als de hoofdzaak. Die door de belastingplichtige ondervonden spanning en frustratie moeten, aldus de Rechtbank, worden geacht ten einde te zijn gekomen na een uitspraak waarmee de hoofdzaak is beslecht, hetzij met een uitspraak op bezwaar hetzij met een rechterlijke uitspraak. Wanneer de rechter na de beëindiging van het geschil inzake de belastingheffing nog moet beslissen op verzoeken die met het verloop van de procedure verband houden, is het daarmee gemoeide tijdsverloop niet van invloed op de termijn waarbinnen het geschil over de belastingheffing is of behoorde te zijn beëindigd.
2.2.3
Vervolgens heeft de Rechtbank geoordeeld dat een geschil over rentevergoeding over een teruggaaf van op aangifte voldane bpm of over een vermindering van een naheffingsaanslag in de bpm niet kan worden aangemerkt als een geschil over de hoofdzaak waarover tussen de inspecteur en de belastingplichtige een geschil bestaat. De belastingrente wordt weliswaar vastgesteld bij een afzonderlijke, voor bezwaar vatbare beschikking, maar is niettemin inhoudelijk en procedureel volledig accessoir aan de hoofdzaak. De rentebeschikking mist, aldus de Rechtbank, zelfstandigheid ten opzichte van de hoofdzaak. Dat tegen een rentebeschikking een afzonderlijke procedure kan worden gevoerd, wil daarom niet zeggen dat die procedure een zelfstandig belastinggeschil is dat een eigen spanning en frustratie kan opleveren terwijl het geschil inzake de belastingheffing al is beëindigd, aldus nog steeds de Rechtbank.
2.3
Middel IV is gericht tegen de hiervoor in 2.2.1 tot en met 2.2.3 weergegeven oordelen van de Rechtbank en voert aan dat ook een geschil over een rentevergoeding ter zake van een teruggaaf van bpm moet worden aangemerkt als een geschil over de hoofdzaak.
2.4
Anders dan de Rechtbank uit het arrest van 2 september 2022 heeft afgeleid, is in belastingzaken de immateriële schade die bij overschrijding van de redelijke termijn voor berechting voor vergoeding in aanmerking komt, niet beperkt tot spanning en frustratie die een belastingplichtige ondervindt ten gevolge van de duur van een procedure over een of meer belastingaanslagen. Spanning of frustratie kan ook worden ondervonden ten gevolge van de duur van een procedure met betrekking tot elke andere voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in artikel 26, lid 2, AWR waarover de belastingplichtige een afzonderlijke procedure voert1., zoals de onderhavige belastingprocedure die enkel een in artikel 30j, lid 1, AWR bedoelde beschikking inzake belastingrente betreft.De hiervoor in 2.2.1 tot en met 2.2.3 weergegeven oordelen van de Rechtbank geven dus blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Middel IV slaagt.
2.5
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van de Rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
2.6.1
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.4 is overwogen, kan de uitspraak van de Rechtbank op het verzet niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
2.6.2
Voor de fase van bezwaar en beroep bij de rechtbank geldt een redelijke termijn van twee jaar. In deze termijn is de duur van een eventuele verzetprocedure begrepen, indien de rechtbank uitspraak doet na vereenvoudigde behandeling op de voet van artikel 8:54 Awb en tegen die uitspraak verzet wordt gedaan als bedoeld in artikel 8:55 Awb. De redelijke termijn van berechting in eerste aanleg eindigt twee jaar na de ontvangst van het bezwaarschrift door de inspecteur en eindigt ingeval de rechtbank het verzet ongegrond verklaart, op de datum waarop de rechtbank die beslissing neemt.2.
2.6.3
Belanghebbende heeft op 21 februari 2019 bezwaar gemaakt tegen de beschikking inzake belastingrente. De Rechtbank heeft op 12 mei 2023 uitspraak op het verzet gedaan. Dit betekent dat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg met afgerond 2 jaren en 3 maanden (27 maanden) is overschreden.In een geval als dit, waarin het beroep niet-ontvankelijk is verklaard, kan een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor berechting alleen betrekking hebben op de procedure bij de Rechtbank.3.Belanghebbende heeft op 7 januari 2021 beroep ingesteld. Van de overschrijding van de redelijke termijn is, afgerond, 11 maanden toe te rekenen aan de procedure bij de Rechtbank. De Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) moet daarom € 1.000 aan belanghebbende betalen.
3. Proceskosten
3.1
De Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 23/02348 met deze zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit).
3.2.1
Hoewel het bij de Rechtbank gedane verzet ongegrond is, geeft de omstandigheid dat belanghebbende een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de beroepsprocedure wordt toegekend, aanleiding om de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) ook te veroordelen in de kosten in verband met de behandeling van het verzet, bestaande uit kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
3.2.2
Bij de berekening van de vergoeding voor die beroepsmatig verleende rechtsbijstand wordt tot uitgangspunt genomen dat (i) een verzoek om schadevergoeding een proceshandeling is waaraan 1 punt wordt toegekend, en (ii) op een dergelijk verzoek wegingsfactor 0,25 (zeer licht) van toepassing is, zoals voorzien in de bijlage bij het Besluit.4.
3.2.3
Gelet op artikel IV van de Ministeriële regeling van 22 december 20235.en de op die regeling gegeven toelichting moeten de hiervoor bedoelde kosten worden berekend naar de waarde per punt zoals deze ten tijde van het wijzen van dit arrest geldt, dat wil zeggen naar een waarde per punt van € 875.6.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank op het verzet, maar alleen voor zover deze betreft de beslissing op het verzoek van belanghebbende om vergoeding van immateriële schade,
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding aan belanghebbende van de aan de beroepsfase toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op € 1.000,
- draagt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 548,
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op de helft van € 3.500, oftewel € 1.750, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de kosten van belanghebbende voor het geding voor de Rechtbank, vastgesteld op € 219 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2024.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 11‑10‑2024
Vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverwegingen 3.3.1 en 3.4.2.
Vgl. HR 2 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2712, rechtsoverweging 2.3.3.
Vgl. HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526, rechtsoverweging 5.2.
Regeling van de Minister voor Rechtsbescherming van 22 december 2023, nr. 5110503, tot indexering van bedragen in de Algemene wet bestuursrecht, het Besluit proceskosten bestuursrecht en de Wet griffierechten burgerlijke zaken, Stcrt. 2023, 35874.
Vgl. HR 18 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1657, rechtsoverweging 2.7.3.