Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/16.3.4
16.3.4 De aard van het tijdelijke bestuurderschap
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS367328:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken TK 9596, nr. 5 (Voorlopig Verslag) p. 20 en nr. 6 (MvA), p. 16.
De Belgische evenknie van de tijdelijke aanstelling van een bestuurder, bestaat uit de mogelijkheid om een “voorlopige bewindvoerder” aan te stellen. Zie Byttebier, François, Janssens en Van de Gehuchte par. III.4. De Belgische evenknie van gewone bestuurders worden aangeduid met “bestuurder” of “zaaksvoerder”.
Asser/Maeijer, Van Solinge en Nieuwe Weme 2-II*, nrs. 438 en 806. Sinninghe Damste, Borrius, par. II en III, Krop, Scholten en Verburgt, par. 4. Vgl. Compendium 2013, p. 1788 t/m 1789.
HR 9 februari 2010, NJ 2010, 296 m.nt. Van Schilfgaarde; JOR 2010/92 m.nt. Schmieman, Ondernemingsrecht 2010-6, p. 279 e.v. m.nt. Rensen.
Hof Amsterdam (OK) 30 oktober 2013, JOR 2013/337 m.nt. Josephus Jitta (Novero).
Dat een tijdelijke bestuurder niet meer bevoegdheden dan een gewone bestuurder blijkt uit Hof Amsterdam (OK) 28 april 2016, JOR 2016/302 m.nt. Bulten (Deus ex Machina). Daarin oordeelde de ondernemingskamer dat de tijdelijke bestuurder van een moedermaatschappij die geen bestuurder is van de dochtermaatschappijen niet dezelfde bevoegdheden toekomen als een (feitelijke) bestuurder van de dochtermaatschappijen. Dat neemt niet weg dat de tijdelijke bestuurder zijn bevoegdheden als bestuurder van de moedermaatschappij kan aanwenden om bestuurder van de dochtermaatschappijen te worden. Zie Hof Amsterdam (OK) 20 december 2012, ARO 2013/23 (Rosenberg Van der Does).
Hof Amsterdam (OK) 27 januari 2006, ARO 2006/34 (Begemann).
Hof Amsterdam (OK) 20 december 2012, ARO 2013/23 (Rosenberg Van der Does), r.o. 3.12.
Kamerstukken II 2011/12, 32 887, nr. 6 (NnavV), p. 4. Zie echter de kanttekening in par. 3.6.
Zie daarover par. 16.3.3, 16.3.4 en 16.3.5.
Tijdens de parlementaire behandeling1 van art. 54a WvK (oud, thans art. 2:356 sub c BW) is er welbewust voor gekozen om de ondernemingskamer de bevoegdheid te geven om tijdelijk een bestuurder aan te stellen en niet een daarvan te onderscheiden “beheerder”.2 Dat neemt niet weg dat in theorie tijdelijke bestuurders en gewone bestuurders rechtens van elkaar te onderscheiden rechtsposities kunnen zijn. In de literatuur wordt echter verdedigd dat voor een tijdelijke bestuurder geen andere regels gelden dan voor een buiten de enquêteprocedure aangestelde bestuurder.3 Die opvatting vindt steun in de rechtspraak en parlementaire behandeling van de aanpassing van het enquêterecht uit 2013.
In de Fuldauer-beschikking4 ging de Hoge Raad ook in op de bevoegdheden van bestuurders die tijdelijk zijn aangesteld door de rechter. Geoordeeld werd dat een tijdelijke bestuurder in beginsel “dezelfde” wettelijke en statutaire bevoegdheden heeft als een “gewone” bestuurder van de desbetreffende rechtspersoon. In haar Novero-beschikking5 herhaalde de ondernemingskamer dit nog eens.6
Uit het feit dat een tijdelijke bestuurder dezelfde bevoegdheden heeft als een gewone bestuurder, volgt mijns inziens dat een tijdelijke bestuurder ook dezelfde verantwoordelijkheden heeft. Ook die opvatting vindt steun in de rechtspraak en parlementaire behandeling van de aanpassing van het enquêterecht uit 2013. In haar Begemann-beschikking7 overwoog de ondernemingskamer dat de door haar tijdelijk aangestelde bestuurder en commissaris de volle verantwoordelijkheid voor het beleid droegen. In de Rosenberg Van der Does-beschikking8 overwoog de ondernemingskamer dat tijdelijke bestuurders zich dienen te richten op het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming, hetgeen ook geldt voor gewone bestuurders. De Hoge Raad liet zich hierover nog niet in algemene zin uit. In de Fuldauer-beschikking ging de Hoge Raad wel in op de taak van de tijdelijke bestuurder, maar beperkte hij zich daarbij tot het tijdelijke karakter van de aanstelling. Tijdens de parlementaire behandeling van de aanpassing van het enquêterecht uit 2013 stelde de minister van Veiligheid en Justitie dat voor tijdelijke bestuurders en gewone bestuurders hetzelfde aansprakelijkheidsregime diende te gelden.9 Dat neemt niet weg dat de precieze inhoud van de bestuurstaak steeds dient te worden bepaald aan de hand van de omstandigheden en tijdelijke bestuurders in bijzondere omstandigheden functioneren.10