Einde inhoudsopgave
Intellectuele eigendom in het conflictenrecht (R&P nr. IE1) 2009/8.2.1.b.ii
8.2.1.b.ii Keuze voor één van de betrokkenen
mr. S.J. Schaafsma, datum 25-06-2009
- Datum
25-06-2009
- Auteur
mr. S.J. Schaafsma
- JCDI
JCDI:ADS468825:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht / Algemeen
Internationaal privaatrecht / Conflictenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Een andere vraag is of de daadwerkelijke scheppers niet een zwakke partij zijn ten opzichte van hun werkgevers, uitgevers, platenmaatschappijen, enz. Die vraag speelt hier echter niet.
Carrascosa González 2004, p. 118 (cursiveringen van Carrascosa González).
Andere hiervoor gebruikte termen zijn bijvoorbeeld `source country approach' en 'single law approach'.
Centrale aanknoping laat zich ook spiegelbeeldig denken (één rechtsstelsel dat goed voorspelbaar is voor de gebruiker; zie alinea 1138 hierna) maar dat is hoogst ongebruikelijk. In deze studie wordt met centrale aanknoping gedoeld op de benadering waarbij wordt gezocht naar één toepasselijk rechtsstelsel dat voor de rechthebbende goed voorspelbaar is.
De aanknopingsfactor is dan dus de plaats van eerste publicatie. Voor niet-gepubliceerde werken wordt dan traditioneel teruggegrepen op de nationaliteit van de auteur (vgl. art. 5 lid 4 onder c Berner Conventie). Onder de lex originis-verwijzing wordt hier ook begrepen de verwijzing naar het recht van het 'vaderland' van het werk; de aanknopingsfactor is dan de 'nationaliteit' van het werk. Dat komt vrijwel altijd op hetzelfde neer, omdat die nationaliteit vrijwel altijd wordt gedefinieerd aan de hand van de plaats van eerste publicatie. Ook de 'verkregen-rechten-theorie' van Pillet komt feitelijk neer op een lex originis-verwijzing (vgl. Pillet 1903, p. 546-550).
De aanknopingsfactor is dan de nationaliteit van de auteur. Volgens het Hof van Justitie EG vallen plaats van eerste publicatie en nationaliteit, ook heden ten dage, doorgaans samen, zie HvJ EG 30 juni 2005, nr. C-28/04, Jur. 2005, p. 1-5781 (Tod's/Heyraud), to. 24-26 (zie alinea 48 hiervoor).
De aanknopingsfactor is dan de woonplaats van de auteur (kortheidshalve wordt hier verder alleen over woonplaats gesproken; men denke evenwel ook aan verblijfplaats en vestigingsplaats). Ook is wel voorgesteld om te verwijzen naar de woonplaats van de schepper (zie noot 206 van dit hoofdstuk 8).
Andere aanknopingsfactoren/conflictregels zijn voor de rechthebbende uit het oogpunt van voorspelbaarheid minder of niet aantrekkelijk. Dat geldt bijvoorbeeld voor de proper law-verwijzing, de rechtskeuze, de lex foriverwijzing, en de aanknoping aan de gemeenschappelijke nationaliteit of woonplaats van rechthebbende en gebruiker/inbreukmaker. De lex loci protectionis-verwijzing is wel voorspelbaar in die zin dat de rechthebbende weet dat voor elk land de lokale wet wordt toegepast, maar wat minder goed voorspelbaar in die zin dat de rechthebbende niet altijd weet in welk land feitelijk inbreuk zal worden gemaakt en met welk recht hij dus te maken zal krijgen.
Ondertussen kan de gebruiker uit het oogpunt van voorspelbaarheid ook tevreden zijn met de lex loci protectionis-verwijzing Hij weet waar hij wil gaan 'gebruiken' en kan dus nagaan welke normen daar gelden. Bovendien zal de gebruiker vaak in eigen land opereren, zodat zijn eigen vertrouwde recht van toepassing is (De Boer & Van Lingen 1978, p. 44). Zo bezien werkt de lex loci protectionis-verwijzing dus wat betreft voorspelbaarheid in het voordeel van de gebruiker.
Uit het oogpunt van voorspelbaarheid is de lex loci protectionis-verwijzing dus zo slecht nog niet. Zij mag dan licht in het voordeel van de gebruiker uitpakken, maar zij weet het evenwicht wel veel beter te bewaren dan de centrale-aanknopingsvarianten.
Ondertussen bestaat tot op zekere hoogte de mogelijkheid om te manipuleren: een auteur kan het land van eerste publicatie kiezen (internet maakt dit zeer eenvoudig; dat komt apart in par. 8.2.1 onder (c)(ii) ter sprake). Vgl. niettemin HvJ EG 30 juni 2005, nr. C-28/04, Jur. 2005, p. 1-5781 (Tod's/Heyraud), to. 24-26 (zie alinea 48 hiervoor). Bij aanknoping aan nationaliteit en woonplaats is die manipulatiemogelijkheid natuurlijk veel kleiner.
Dat probleem laat zich alleen oplossen door een keuze voor het begunstigingsbeginsel, maar dat wordt in de context van het intellectuele-eigendomsrecht (terecht) vrijwel nooit bepleit. Vgl. ook par. 5.3.2 onder (b)(v). Zie over het begunstigingsbeginsel Strikwerda 1986; Schaafsma 1994, p. 73 e.v. Specifiek met betrekking tot het auteursrecht: De Boer 1993, p. 5; Van Eechoud 2003, p. 175.
Zie met name alinea's 164 en 247 hiervoor, en noot 95 van hoofdstuk 5.
Neuhaus 1976 (Freiheit); Schack 1979, p. 36 e.v.; Schack 2007, p. 417.
Zie noot 94 en noot 96 van hoofdstuk 5 (vgl. ook noot 133 van hoofdstuk 5). Vgl. ook Dessemontet 2004, p. 75-76.
Zoals in alinea 199 hiervoor aan de orde kwam, kan dit nog worden geoptimaliseerd door middel van dépegage.
In sterkere mate, omdat de mogelijkheid tot manipulatie veel kleiner is (zie noot 101 van dit hoofdstuk 8).
Om misverstanden te voorkomen zij benadrukt dat in deze paragraaf dus niet wordt gezegd dat alle voorstanders van centrale aanknoping (mede) worden geïnspireerd door imperialistische motieven.
Zie onder meer par. 2.1.2 onder (b).
Dan wordt het immers mogelijk het eigen hoge beschermingsniveau te exporteren.
Het is in de geschiedenis slechts een enkele keer voorgekomen dat de lex originis-verwijzing per saldo positief mag worden genoemd, zie par. 2.1.2 onder (a).
Patry 1994, p. 1093; zie nader noot 94 van hoofdstuk 5. Zie ook Drexl 2006, p. 822, noot 38.
1133. Een partijkeuze. Andere rechtspolitieke opvattingen zijn ook denkbaar. Men kan er ook voor kiezen om de belangen van de rechthebbende te laten prevaleren, of juist de belangen van de `Allgemeinheit', de 'gebruikers'. Uit het voorgaande moge duidelijk zijn dat ik deze partijdige opvattingen niet deel — deze belangenafweging is m i immers voorbehouden aan iedere rechtsgemeenschap voor zich.
1134. Wiens belangen? Allereerst rijst de vraag wiens belangen men zwaarder laat wegen: die van de rechthebbende of die van de gebruiker? Deze keuze kan op grond van verschillende overwegingen worden gemaakt. Een overweging die m.i. in ieder geval niet deugdelijk is, maar geregeld wel — vaak onuitgesproken of onbewust — een rol speelt, is de bescherming van de zwakker geachte partij. Dat is geen deugdelijke grond omdat in de onderhavige verhouding niet valt te zeggen wie in het algemeen de zwakkere partij is. De auteursrechthebbende kan een eenzame auteur zijn, maar ook een machtige platenmaatschappij; de octrooirechthebbende kan een arme uitvinder zijn, maar ook een groot farmaceutisch concern; de merkrechthebbende kan een kleine neringdoende zijn, maar ook een softwaregigant.1 En ook aan de gebruikerskant kan sprake zijn van sterke of van zwakke partijen. Niettemin leeft, met name in het auteursrecht, vaak nog onbewust het beeld dat de auteur de zwakkere partij is, die moet worden gesteund. Dat beeld stamt uit de negentiende eeuw en de tijd daarvoor, toen auteurs inderdaad vaak aan het kortste eind trokken; en dat beeld is in later tijden ook gebruikt om wetgevers te bewegen om het beschermingsniveau te verhogen. En zo ligt ook in conflictenrechtelijke betogen soms de (al dan niet uitgesproken) gedachte besloten dat een conflictregel op de een of andere manier ten gunste van de rechthebbende, met name de auteursrechthebbende, moet werken. Die overweging is naar mijn mening dus, als gezegd, niet deugdelijk.
1135. Welke belangen? Wanneer men dan — op grond van andere overwegingen de ene of de andere partij beschermingswaardiger vindt en kiest voor diens belangen, dan rijst de volgende vraag: om welke belangen gaat het?
1136. Belang 1: hanteerbaar en voorspelbaar. Een vaak aangevoerd belang is hanteerbaarheid en voorspelbaarheid. Heeft men partij gekozen voor de rechthebbende, dan luidt de gedachte dat het in diens belang is dat één rechtsstelsel van toepassing is. Dat is veel beter hanteerbaar dan de veelheid van toepasselijke rechtsstelsels die de lex loci protectionis-verwijzing meebrengt. Eén toepasselijk rechtsstelsel vergemakkelijkt voor de rechthebbende de internationale exploitatie. Carrascosa González zegt ronduit:
"The rule of Lex loci protectionis is an economically negative rule for authors and owners of intellectual property rights: it multiplies the number of `national laws' which have to be known and handled by the authors."2
1137. Centrale aanknoping. Vanuit deze gedachte begint dan een zoektocht naar een conflictregel die één rechtsstelsel toepasselijk verklaart, dus naar een centrale aanknopingsfactor. En daar komt het belang van voorspelbaarheid in het spel: de rechthebbende heeft er vanzelfsprekend belang bij dat dat ene toepasselijke rechtsstelsel voor hem goed voorspelbaar is. Dan weet hij immers altijd en overal waar hij aan toe is. Voor deze benadering wordt hierna verder de overkoepelende term 'centrale aanknoping' gebruikt.3 Dat is dus de benadering waarbij wordt gezocht naar één toepasselijk rechtsstelsel dat voor de rechthebbende partij goed voorspelbaar is.4 Verschillende centrale-aanknopingsvarianten zijn voorgesteld, met name in de auteursrechtelijke context. Bekend is de lex originis-verwijzing, waarbij wordt verwezen naar het recht van het land waar het werk voor het eerst is gepubliceerd (het land van oorsprong).5 Ook denkbaar is verwijzing naar het recht van het vaderland van de auteur6, of — een modernere variant — verwijzing naar het recht van het land waar de auteur woont.7 Al deze aanknopingsfactoren zijn voor de rechthebbende goed voorspelbaar — en ingeval van aanknoping aan zijn nationaliteit of woonplaats krijgt de rechthebbende bovendien zelfs altijd en overal zijn eigen, vertrouwde recht.8
1138. Gebruiker. Omgekeerd — wanneer men partij heeft gekozen voor de gebruiker — geldt natuurlijk dat de gebruiker er belang bij heeft dat al zijn intellectueleeigendomsrechtelijk relevante handelingen worden beoordeeld aan de hand van één voor hem voorspelbaar rechtsstelsel. Men denke aan zijn nationale recht of het recht van zijn woonplaats. Deze gebruikersvriendelijke oplossingen zijn bij mijn weten echter nog nooit voorgesteld.9
1139. Problemen. Maar welke partij men ook kiest, een knagend probleem is dat verbetering van de hanteerbaarheid en voorspelbaarheid voor de ene partij betekent dat de hanteerbaarheid en voorspelbaarheid voor de andere partij drastisch afneemt. Als de hanteerbaarheid en voorspelbaarheid voor de rechthebbende bijvoorbeeld wordt veiliggesteld met toepasselijkheid van de lex originis, dan zal de gebruiker — zeker in een geïnternationaliseerde wereld — zich geconfronteerd weten met een veelheid van verschillende rechtsstelsels. Hij weet niet meer waar hij aan toe is. Voor de `Allgemeinheit' wordt de zaak onhanteerbaar en onvoorspelbaar. Het omgekeerde geldt ook: als men bijvoorbeeld de nationale wet van de gebruiker tot toepasselijke wet verheft, wordt de zaak voor de rechthebbende onhanteerbaar en onvoorspelbaar. Nu kan men daar schouderophalend aan voorbijgaan onder het motto: voor de belangen van de andere partij heb ik nu eenmaal niet gekozen. Maar het blijft natuurlijk wel knagen, het evenwicht is zoek.10
1140. Belang 2: beschermingsniveau. Een ander probleem is dat deze benadering haaks kan komen te staan op een ander belang van de uitverkoren partij, namelijk het belang bij een hoog of juist een laag beschermingsniveau. Beperken wij ons tot de partijkeuze voor de auteursrechthebbende, die vanzelfsprekend belang heeft bij een hoog beschermingsniveau. Als gezegd, wil de centrale-aanknopingsbenadering één rechtsstelsel toepasselijk verklaren om de zaak voor de rechthebbende hanteerbaar en voorspelbaar te maken, bijvoorbeeld het recht van het land van eerste publicatie, van het vaderland van de auteur, of van het land waar de auteur woont. Maar het is heel goed mogelijk dat dat rechtsstelsel een laag beschermingsniveau kent. Dan wordt de auteur overal ter wereld getrakteerd op dat lage beschermingsniveau. Zeker, hij weet waar hij aan toe is: overal zijn 'eigen' inferieure bescherming.11 Daarmee is hij dus inhoudelijk per saldo slechter af dan met de lex loci protectionis-verwijzing.12 Het belang van de auteur bij een hoog beschermingsniveau is hier niet mee gediend. Nu is het natuurlijk óók goed mogelijk dat het als enige toepasselijke rechtsstelsel een hoog beschermingsniveau heeft. Dan valt de rechthebbende overal ter wereld dit hoge beschermingsniveau ten deel. En dan heeft hij twee vliegen in een klap geslagen: én hij geniet optimale hanteerbaarheid en voorspelbaarheid, én hij geniet overal zijn 'eigen' hoge beschermingsniveau. Dat is wel erg voordelig.
1141. Dat brengt ons bij een interessant punt: voor zover in de loop van de geschiedenis centrale aanknoping werd bepleit of toegepast — dat is overigens niet vaak geweest —, gebeurde dat vrijwel altijd in landen met een hoog beschermingsniveau en een grote productie van intellectuele voortbrengselen. Zoals eerder in deze studie bleek, vond en vindt deze benadering enige gehoor in met name Frankrijk13, een enkele keer in Duitsland,14 en tegenwoordig ook wel in de Verenigde Staten.15 Daarentegen wordt centrale aanknoping niet of nauwelijks bepleit in landen met een laag beschermingsniveau of een kleine of laagwaardige productie van intellectuele voortbrengselen.
1142. Imperialisme? Zo laadt de centrale-aanknopingsbenadering de verdenking op zich dat zij (mede) is ingegeven door een streven naar uitbreiding van de invloedssfeer op politiek-economisch en cultureel gebied, dus door imperialistische motieven: men exporteert de eigen hoge bescherming naar het buitenland, de eigen rechthebbenden genieten optimale hanteerbaarheid en voorspelbaarheid, en het buitenland wordt afgescheept met zijn eigen lage bescherming.16 In de hedendaagse context: rechthebbenden uit Westerse landen krijgen overal ter wereld, ook in ontwikkelingslanden, het hoge Westerse beschermingsniveau; rechthebbenden uit ontwikkelingslanden worden overal afgescheept met hun eigen lagere beschermingsniveau. Verkapte discriminatie dus.
1143. Dát is een verborgen werkelijkheid achter centrale aanknoping, dus achter de lex originis-verwijzing en, zelfs in sterkere mate, achter aanknoping aan nationaliteit of woonplaats.17 Het is de vraag of alle voorstanders van centrale aanknoping zich dit realiseren.18 Voor wie de geschiedenis van het internationale intellectuele-eigendomsrecht overziet, mag deze werkelijkheid in ieder geval geen verbazing wekken. Wij zagen het al in Deel I: het idee van een 'land van oorsprong' is in de loop der tijd voornamelijk door de koplopers gebruikt voor weinig nobele, vreemdelingenrechtelijke doeleinden: voor vreemdelingenrechtelijke materiële-reciprociteitstoetsen waarmee de bescherming van vreemde auteurs, werken, merkhouders, enz. uit achterblijvende landen kon worden gekortwiekt19 — een rol die verder werd uitgebouwd op conflictenrechtelijk vlak, namelijk door het land van oorsprong als aanknopingsfactor voor een conflictregel voor te stellen (de lex originis-verwijzing).20 De antecedenten van de lex originis-verwijzing zijn dus weinig flatteus.21 Dit alles maakt de lex originis-verwijzing op zijn minst verdacht, en dat geldt ook voor de andere centrale-aanknopingsvarianten zoals aanknoping aan nationaliteit of woonplaats. Patry legt een veelzeggende vinger op de zere plek waar hij over de lex loci protectionis-verwijzing opmerkt: "(...) this approach may be inconsistent with efforts of U.S. industries to have U.S. work-forhire law apply in foreign countries."22