De reden voor de vrijspraak was dat het hierna te noemen NFI-rapport zich niet in het strafdossier bevond.
HR, 21-01-2025, nr. 23/01253
ECLI:NL:HR:2025:2
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
21-01-2025
- Zaaknummer
23/01253
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:2, Uitspraak, Hoge Raad, 21‑01‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1147
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2023:949
ECLI:NL:PHR:2024:1147, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 12‑11‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:2
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0023
Uitspraak 21‑01‑2025
Inhoudsindicatie
Woninginbraak, art. 311.1.5 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklachten. HR: Om redenen vermeld in CAG faalt middel. CAG: Deelklacht dat resultaten van DNA-onderzoek waarop bewezenverklaring uitsluitend of in beslissende mate is gebaseerd niet zijn voorgehouden aan verdachte, faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Deelklacht dat hof heeft nagelaten verdachte expliciet in de gelegenheid te stellen voor die resultaten een aannemelijke, ontzenuwende verklaring te geven, faalt eveneens, nu daarmee eis wordt gesteld die het recht niet kent. Volgt verwerping.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/01253
Datum 21 januari 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 21 maart 2023, nummer 20-001444-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.A.J. Verploegh, advocaat in Den Haag, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring.
2.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 27 juli 2021 tot en met 1 augustus 2021 te Fijnaart, gemeente Moerdijk, een horloge dat aan een ander toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en dat weg te nemen horloge onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming.”
2.3
Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in (de aanvulling op) het arrest van het hof. Verder heeft het hof in zijn arrest een bewijsoverweging opgenomen.
2.4
Het cassatiemiddel faalt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de plaatsvervangend advocaat-generaal.
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van vier maanden en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 januari 2025.
Conclusie 12‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie plv. AG. Jaddoe. M1: middel over niet voorhouden van voor bewijs gebezigd NFI-rapport faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. M2: inzendtermijn. Conclusie strekt tot vernietiging, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/01253
Zitting 12 november 2024
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1.1
De verdachte is – nadat hij in eerste aanleg door de rechtbank integraal was vrijgesproken van het hem tenlastegelegde1.– bij arrest van 21 maart 2023 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens "diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met aftrek van voorarrest.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en R.A.J. Verploegh, advocaat in 's‑Gravenhage, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel
2.1
Het middel valt uiteen in twee deelklachten en klaagt – althans zo begrijp ik – dat i) de resultaten van het (door het NFI verrichte) DNA-onderzoek waarop de bewezenverklaring uitsluitend of in beslissende mate is gebaseerd door het hof niet aan de verdachte zijn voorgehouden en dat ii) het hof heeft nagelaten de verdachte expliciet in de gelegenheid te stellen om voor die resultaten een aannemelijke, ontzenuwende verklaring te geven.
2.2
De eerste deelklacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 7 maart 2023 houdt immers in dat – zo wordt door de steller van het middel ook erkend – het betreffende NFI-rapport aan het dossier is toegevoegd en dat “de voorzitter kort de stukken voor[houdt] van de zaak voor zover betrekking hebbend op het laste gelegde” en “de advocaat-generaal en de raadsvrouw [desgevraagd] mede[delen] dat het dossier met betrekking tot het ten laste gelegde voldoende is besproken en dat alle stukken in het dossier voor zover hierop betrekking hebbend bekend zijn en als volledig voorgehouden kunnen worden beschouwd”.
2.3
Voornoemd proces-verbaal houdt bovendien in dat de door de verdachte uitdrukkelijk gemachtigde raadsvrouw aldaar naar voren heeft gebracht dat zij “bevestiging [ik, MvW, begrijp: van het tot vrijspraak strekkende vonnis] [vraagt] ondanks het, redelijk laat aan het dossier toegevoegde, DNA-rapport”, zodat het ervoor moet worden gehouden dat door de verdediging op de in het middel genoemde resultaten daadwerkelijk acht is geslagen en de verdediging daar dus op kon reageren.2.
2.4
De tweede deelklacht faalt eveneens, nu daarmee een eis wordt gesteld die het recht niet kent.
2.5
Het middel faalt in al zijn onderdelen.
Het tweede middel
3.1
Het middel klaagt dat de inzendtermijn in de cassatiefase is overschreden.
3.2
Door de verdachte is op 30 maart 2023 cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft de gedingstukken op 15 mei 2024 ontvangen. De redelijke termijn voor het inzenden van de stukken is daarmee met ruim vijf maanden overschreden. Deze overschrijding kan niet meer worden gecompenseerd door een voortvarende afdoening, zodat deze zaak in aanmerking komt voor strafvermindering.
Afronding
4.1
Het eerste middel faalt. Het tweede middel slaagt.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 12‑11‑2024
Overigens zag dit rapport slechts op de DNA-match tussen een aangetroffen bloedspoor en de verdachte en niet op de vraag of dat bloedspoor ook een daderspoor is. Alleen die laatste vraag is door de verdediging aan de orde gesteld bij de rechtbank, het hof en in cassatie.