NJB 2012/2106:Procesrecht. De rechtbank heeft een incidentele vordering tot afgifte van beeld- en geluidmateriaal toegewezen en de beslissing in de hoofdzaak aangehouden. In het hoger beroep tegen het incidentele vonnis weigert het hof appellant toe te laten tot pleidooi. Het hof verklaart appellant niet-ontvankelijk op de grond dat (volgens het hof) tussentijds appel niet is opengesteld en er daarom een wettelijk appelverbod geldt, waarbij de aangevoerde doorbrekingsgrond wordt verworpen. HR: 1. Openstelling. Het oordeel dat tussentijds appel niet is opengesteld, is onjuist. 2. Recht op pleidooi. Incident. In beginsel hebben partijen recht op pleidooi in het incident. 3. Tussentijds appel. De ‘doorbrekingsjurisprudentie’ is niet van toepassing in het geval van art. 337 lid 2 Rv dat de bevoegdheid tot appel niet uitsluit, maar slechts het moment regelt waarop deze bevoegdheid kan worden uitgeoefend. 4. Doorbrekingsgronden. De doorbrekingsgrond betreffende de veronachtzaming van een fundamenteel rechtsbeginsel doet zich niet voor als de lagere rechter een onjuist oordeel heeft gegeven, ook al betreft dat oordeel art. 10 EVRM