Hof Den Haag, 08-06-2021, nr. 200.260.870
ECLI:NL:GHDHA:2021:1329, Hoger beroep: (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Instantie
Hof Den Haag
- Datum
08-06-2021
- Zaaknummer
200.260.870
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHDHA:2021:1329, Uitspraak, Hof Den Haag, 08‑06‑2021; (Hoger beroep kort geding)
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHDHA:2021:590
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2019:6497, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
ECLI:NL:GHDHA:2021:590, Uitspraak, Hof Den Haag, 15‑02‑2021; (Wraking)
Einduitspraak: ECLI:NL:GHDHA:2021:1329
Uitspraak 08‑06‑2021
Inhoudsindicatie
Vervolg op tussenarrest hof Den Haag 9 maart 2021. Gebod zich te onthouden van publicatie van persoonlijke gegevens; beperking in duur. Dwangsom; hoogte en maximering. Gebod tot verwijdering van gepubliceerde persoonlijke gegevens.
GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel recht
Zaaknummer : 200.260.870/01
Zaaknummer rechtbank : C/10/570819 / KG ZA 19-270
Arrest van 8 juni 2021
inzake
[appellant],
wonende te [woonplaats 1],
appellant in principaal appel,
geïntimeerde in incidenteel appel,
nader te noemen: [appellant],
advocaat: mr. S. van Buuren te 's-Gravendeel,
tegen:
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats 2],
geïntimeerde in principaal appel,
appellant in incidenteel appel,
nader te noemen: [geïntimeerde],
advocaat: mr. J.A.K. van den Berg te Amsterdam.
Het verdere geding
Voor het procesverloop tot 9 maart 2021 verwijst het hof naar zijn tussenarrest van die datum. Bij dit tussenarrest heeft het hof de behandeling van de zaak geschorst in afwachting van de beslissing van de wrakingskamer van het hof op het voorwaardelijk wrakingsverzoek van [appellant] in verband met de vervulling van de voorwaarde.
Bij beslissing van 10 mei 2021 heeft de wrakingskamer van het hof [appellant] niet-ontvankelijk verklaard in zijn wrakingsverzoek en bepaald dat een volgend wrakingsverzoek van [appellant] niet in behandeling wordt genomen.Vervolgens is arrest bepaald op vandaag.
Verdere beoordeling van het hoger beroep
1. Het hof blijft bij wat in het tussenarrest is overwogen en beslist.
2. In het tussenarrest heeft het hof geoordeeld dat het principaal hoger beroep ongegrond is en is het bewijsaanbod van [appellant] als niet terzake dienend gepasseerd.Daarmee was de voorwaarde waaronder [appellant] zijn voorwaardelijk wrakingsverzoek had gedaan vervuld, om welke reden het hof de behandeling van dit kort geding heeft geschorst in afwachting van de beslissing van de wrakingskamer van dit hof op het wrakingsverzoek van [appellant]. Nadat de wrakingskamer van dit hof [appellant] in zijn wrakingsverzoek niet-ontvankelijk heeft verklaard, is de behandeling van de zaak hervat.
3. Het principaal hoger beroep is in het tussenarrest beslist, zodat alleen het incidenteel hoger beroep nog moet worden behandeld.
4. Grief 1 in het incidenteel hoger beroep is gericht tegen de overwegingen 4.7 en 4.8 juncto 5.1 en 5.2 van het bestreden vonnis. Daarin heeft de voorzieningenrechter het jegens [appellant] toegewezen gebod zich te onthouden van de publicatie van persoonlijke adresgegevens van [geïntimeerde] in duur beperkt tot 24 maanden en aan dit gebod een dwangsom verbonden van € 250 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [appellant] hieraan niet voldoet, met een maximum van € 10.000.In de toelichting op de grief heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat de voorzieningenrechter ten onrechte, en zonder dat daar enig partijdebat over was geweest, het gebod in duur heeft beperkt. Zeker nu [appellant] de gegevens (inmiddels) daadwerkelijk heeft gepubliceerd en de dreiging dat hij dat weer zal doen levensgroot is, is er geen aanleiding het gebod in duur te beperken, aldus [geïntimeerde]. Ook maakt [geïntimeerde] bezwaar tegen de maximering van de opgelegde dwangsom tot € 10.000,--, een bedrag dat significant lager is dan de gevorderde dwangsom van € 50.000,-- per dag. Het toegewezen maximum is een aantoonbaar onvoldoende prikkel tot nakoming van het gebod. Nu de gevolgen van publicatie van privé (adres)gegevens van [geïntimeerde], met name als deze online geschiedt en niet direct door [geïntimeerde] wordt opgemerkt, niet zijn te overzien, heeft hij er alle belang bij dat de dwangsom wordt verhoogd naar € 50.000,-- voor iedere dag of ieder dagdeel dat [appellant] de gegevens publiceert en/of gepubliceerd houdt, aldus [geïntimeerde].
5. [geïntimeerde] heeft in dit verband gesteld dat [appellant] op 27 juli 2019, dus nadat het bestreden vonnis is gewezen, is overgegaan tot publicatie van het privé-adres van [geïntimeerde], via twee verschillende door hem gecreëerde Twitteraccounts. In het bericht dat hij via een van die accounts plaatste, heeft [appellant] bovendien de namen en geboortedata van de vriendin van [geïntimeerde] en hun kinderen geplaatst. [geïntimeerde] heeft uitdraaien van deze publicaties overgelegd. Hij heeft daarbij opgemerkt dat [appellant], na een daartoe strekkend verzoek van [geïntimeerde], beide berichten dezelfde dag heeft verwijderd. Op 29 juli 2019 heeft [appellant] echter opnieuw een ander twitteraccount gecreëerd, en daarop weer een bericht geplaatst dat de privé-adresgegevens van [geïntimeerde] bevat. Ook dit bericht heeft [appellant] na een verzoek daartoe overigens weer verwijderd, aldus [geïntimeerde]. [geïntimeerde] vordert dat het gebod aan [appellant] zich te onthouden van publicatie van persoonlijke adresgegevens van hemzelf wordt uitgebreid met de gegevens van zijn huisgenoten.
6. [geïntimeerde] heeft – bij door het hof toelaatbaar geachte eiswijziging bij pleidooi; zie tussenarrest rov. 8 – verder nog een grief gericht tegen rov. 4.9 van het bestreden vonnis. Daarin heeft de voorzieningenrechter het onder (ii) gevorderde gebod tot verwijdering van persoonlijke adresgegevens van [geïntimeerde] van websites en andere media afgewezen op de grond dat, nu [geïntimeerde] ter zitting heeft verklaard dat er (op dat moment) geen door [appellant] op internet of een ander medium geplaatste persoonlijke adresgegevens van [geïntimeerde] zijn aangetroffen, onvoldoende aannemelijk is dat [appellant] persoonlijke adresgegevens van [geïntimeerde] heeft gepubliceerd. In de toelichting op deze grief heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat na het instellen van het incidentele appel [appellant] diverse berichten op Twitter heeft geplaatst die adresgegevens van [geïntimeerde] bevatten. Naar [geïntimeerde] heeft gesteld, heeft [appellant] aan het verzoek van de advocaat van [geïntimeerde] om die adresgegevens te verwijderen geen gehoor gegeven. [geïntimeerde] heeft ter onderbouwing van deze stelling stukken overgelegd waaruit blijkt dat [appellant] in februari en maart 2020 op een door hem gecreëerd twitteraccount tweets heeft geplaatst waarin het woonadres van [geïntimeerde] wordt genoemd. [geïntimeerde] verzoekt het hof daarom alsnog de vordering onder (ii) toe te wijzen.
7. De grieven in het incidenteel appel lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
8. Gelet op het door [geïntimeerde] overgelegde bewijs is het hof van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat [appellant] verschillende malen is overgegaan tot publicatie van persoonlijke adresgegevens van niet alleen [geïntimeerde], maar ook van zijn vriendin en zijn kinderen. Ter zitting van het hof heeft [appellant] dit ook niet (langer) betwist (zie tussenarrest rov. 20). Gezien de handelwijze van [appellant] is er geen aanleiding (meer) het onder (i) toegewezen gebod in duur te beperken. Verder zal het gebod worden uitgebreid tot het onthouden van publicatie van de persoonlijke (adres)gegevens van de huisgenoten van [geïntimeerde]. Nu [appellant] het door de voorzieningenrechter opgelegde gebod tot het zich onthouden van publicatie meermalen heeft overtreden, ondanks de daaraan verbonden dwangsom, is ook een verhoging van de dwangsom op haar plaats. Grief 1 in het incidenteel appel is dus gegrond. Datzelfde geldt voor grief 2. Gelet op de handelwijze van [appellant] is de vordering om hem te gebieden de door hem gepubliceerde persoonlijke adresgegevens van [geïntimeerde] te (doen) verwijderen en verwijderd te houden, alsnog toewijsbaar. Het hof merkt op dat het hierbij alleen gaat om tot de datum van betekening van dit arrest al door [appellant] gepubliceerde adresgegevens van [geïntimeerde]. Aan de niet-nakoming van dit gebod zal, zoals gevorderd, eveneens een dwangsom worden verbonden.
9. De door [geïntimeerde] in hoger beroep verzochte dwangsom van € 50.000 per overtreding acht het hof niet proportioneel. Rekening houdend met de voorgeschiedenis acht het hof het wel gerechtvaardigd zowel de dwangsom als het maximum fors te verhogen. Het hof zal de dwangsom vaststellen op € 2.500 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [appellant] hieraan niet voldoet met een maximum van € 100.000. Ter voorkoming van misverstanden merkt het hof op dat tot de datum van betekening van dit arrest al – wegens overtreding van het in het bestreden vonnis toegewezen gebod – verbeurde dwangsommen in stand blijven en niet vallen onder dit (nieuwe) maximum. De in dit arrest opgelegde (hogere) dwangsom gaat in op de datum van betekening van dit arrest en wordt verbeurd als [appellant] vanaf deze datum één van de hierbij opgelegde geboden overtreedt, te weten: (i) het gebod om door hem al gepubliceerde adresgegevens van [geïntimeerde] en/of zijn gezinsleden te verwijderen en (ii) het gebod om zich te onthouden van nieuwe publicaties van adresgegevens van [geïntimeerde] en/of zijn gezinsleden.
10. De gegrondheid van de grieven in het incidenteel appel brengt mee dat het bestreden vonnis zal worden vernietigd, voor zover daarin het gebod aan [appellant] zich te onthouden van de publicatie van persoonlijke adresgegevens van [geïntimeerde] is beperkt tot de duur van 24 maanden na betekening van het vonnis en voor zover daarin het door [geïntimeerde] gevorderde gebod tot verwijdering van zijn persoonlijke adresgegevens van websites en andere media is afgewezen. Het vonnis zal voor het overige worden bekrachtigd, waarbij het dictum van het te bekrachtigen deel van het vonnis zal worden aangevuld zoals hieronder vermeld.
11. [appellant] zal als de (overwegend) in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van zowel het principaal als het incidenteel appel.
Beslissing
Het hof:
- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 7 mei 2019, voor zover daarin het gebod aan [appellant] zich te onthouden van de publicatie van persoonlijke adresgegevens van [geïntimeerde] is beperkt tot de duur van 24 maanden na betekening van het vonnis en voor zover in dit vonnis het door [geïntimeerde] gevorderde gebod tot verwijdering van persoonlijke adresgegevens van [geïntimeerde] van websites en andere media is afgewezen;
en, in zoverre opnieuw rechtdoende,
- gebiedt [appellant] zich te onthouden van de publicatie – in welke vorm en op welke plaats dan ook – van persoonlijke (adres)gegevens van [geïntimeerde] en/of zijn huisgenoten;
- gebiedt [appellant] om door hem al gepubliceerde persoonlijke (adres)gegevens van [geïntimeerde] en/of zijn huisgenoten te verwijderen van elke website en/of ander medium waarop of waarin hij die gegevens openbaar heeft gemaakt en deze verwijderd te houden;
- bekrachtigt het vonnis voor het overige;
- veroordeelt [appellant] om aan [geïntimeerde] een dwangsom te betalen van € 2.500,-- voor elke nieuwe publicatie van persoonlijke adresgegevens van [geïntimeerde] en/of zijn huisgenoten en voor elke dag dat hij nalaat een nieuwe of ten tijde van het wijzen van dit arrest reeds bestaande publicatie van persoonlijke adresgegevens van [geïntimeerde] en/of zijn huisgenoten te verwijderen na de dag van betekening van dit arrest, tot een maximum van € 100.000,-- is bereikt;
- veroordeelt [appellant] in de kosten van zowel het principaal als het incidenteel hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 338,-- aan verschotten en € 3.342,-- aan salaris advocaat in het principaal hoger beroep en € 1.671,-- aan salaris advocaat in het incidenteel hoger beroep;
- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst af het anders of meer gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. C.J. Verduyn, J.M.T. van der Hoeven-Oud en J. van der Kluit en ondertekend en in het openbaar uitgesproken door mr. J.E.H.M. Pinckaers, rolraadsheer, op 8 juni 2021.
Uitspraak 15‑02‑2021
Inhoudsindicatie
Wrakingsverzoek; niet-ontvankelijk
GERECHTSHOF DEN HAAG
Zaaknummer: 200.260.870/01
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakings- en verschoningsverzoeken van 15 februari 2021
inzake het verzoek tot wraking gedaan door
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker,
hierna te noemen: [verzoeker] .
Het geding
Bij het hof is een procedure in kort geding aanhangig tussen [verzoeker] als appellant en [geïntimeerde] als geïntimeerde. Op 22 december 2020 is in die procedure een pleidooizitting gehouden. [verzoeker] heeft blijkens het proces-verbaal van die zitting een voorwaardelijk verzoek tot wraking gedaan van mrs. C.J. Verduyn, voorzitter, J.M.T. van der Hoeven-Oud en J. van der Kluit, leden.
Voorts heeft [verzoeker] een schriftelijk wrakingsverzoek ingediend, welk verzoek door wrakingskamer van het hof (hierna: de wrakingskamer) is ontvangen op 21 januari 2021.
De wrakingskamer heeft naast voornoemd proces-verbaal kennisgenomen van de volgende stukken:
- het faxbericht van [verzoeker] van 21 januari 2021,
- de brief van mr. S. van Buuren, de advocaat van [verzoeker] , van 15 januari 2021,
- de e-mail van de coördinator van de wrakingskamer aan [verzoeker] van 22 januari 2021,
- de e-mail van [verzoeker] aan de coördinator van de wrakingskamer van 22 januari 2021.
Voorts heeft de wrakingskamer kennisgenomen van de e-mail van [verzoeker] van 11 februari 2021 aan de coördinator van de wrakingskamer. In die e-mail komt stelt [verzoeker] zich op het standpunt dat de voorzitter van de combinatie van de wrakingskamer die zijn wrakingsverzoek(en) van 22 december 2020 en 21 januari 2021 behandelt, mr. Schmitz, zich terug dient te trekken (i) omdat hij eerder met mr. Schmitz te maken heeft gehad in een rechterlijke procedure en in het kader van haar nevenfunctie bij het Centraal Tuchtcollege Gezondheidszorg (hierna: CTG) en (ii) vanwege de formulering van een van haar nevenfuncties. Als zij daaraan geen gehoor geeft, zal hij haar wraken, aldus [verzoeker] in zijn e-mail.
De voorzitter ziet in de e-mail van [verzoeker] geen aanleiding om zich terug te trekken.
De wrakingskamer beschouwt de e-mail van [verzoeker] van 11 februari 2021 als een wrakingsverzoek. Over dat verzoek wordt het volgende overwogen.
Art 9.1 onder i en laatste alinea van het toepasselijke Wrakingsprotocol maakt het mogelijk dat de wrakingskamer een wrakingsverzoek buiten behandeling laat indien dat verzoek evident misbruik van recht oplevert. De HR heeft overwogen dat daarvan sprake kan zijn bij een opeenstapeling van wrakingsverzoeken waarbij eerst de zittingsrechter en vervolgens de wrakingskamer wordt gewraakt (zie HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1770 rov. 4.7). Naar het oordeel van de wrakingskamer doet dat geval zich hier voor.
Het wrakingsverzoek van 11 februari 2021 volgt op wrakingsverzoeken in de hoofdzaak van 22 december 2020 en 21 januari 2021. De enkele omstandigheid dat een verzoeker eerder met een rechter te maken heeft gehad hetzij in een rechterlijke procedure en/of in het kader van een nevenfunctie van die rechter kan, evenals de formulering van een nevenfunctie, naar objectieve maatstaven gemeten niet worden verstaan als blijk van vooringenomenheid. Het verzoek van 11 februari 2021 kan dan ook in redelijkheid niet anders worden verstaan dan als de aanwending van de bevoegdheid tot wraking voor een ander doel dan waarvoor deze is gegeven.
De wrakingskamer laat daarom het wrakingsverzoek van 11 februari 2021 buiten beschouwing.
Beoordeling van (de ontvankelijkheid van) de verzoeken
1. Het verzoek dient te worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden;
2. Het verzoek geschiedt schriftelijk en is gemotiveerd. Na de aanvang van een zitting kan het ook mondeling geschieden;
3 Alle feiten of omstandigheden moeten tegelijk worden voorgedragen;
[…].
2. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van 22 december 2020 heeft [verzoeker] onder meer het volgende naar voren gebracht:
“Uw hof maakt er een zooitje van. Ik heb niemand gehoord en er zijn geen bewijsopdrachten geweest. Er is een motiveringsgebrek. Dit is reden om u voorwaardelijk te wraken. (…)
U vraagt mij hoe het hof het voorwaardelijke wrakingsverzoek moet begrijpen. Hierop antwoord ik dat de voorwaardelijkheid van het verzoek zit in het horen van [geïntimeerde] . Dat is van fundamenteel belang voor deze zaak. Als u mij niet toestaat getuigen te mogen horen dan wraak ik u. De wraking treedt pas in als deze voorwaarde niet wordt ingewilligd. Dit volgt uit jurisprudentie van de Hoge Raad.”
3. De wrakingskamer stelt vast dat de voorwaarde waaronder het ter zitting gedane wrakingsverzoek is ingesteld, nog niet is vervuld. Dit betekent dat dit voorwaardelijke wrakingsverzoek nog niet bij de wrakingskamer aanhangig is. Mocht de voorwaarde in vervulling gaan vóórdat in de hoofdzaak eindarrest wordt gewezen, dan zal in de hoofdzaak het geding moeten worden geschorst, en het wrakingsverzoek ter verdere behandeling naar de wrakingskamer moeten worden verwezen.
4. De door [verzoeker] op 21 januari 2021 aan het hof verzonden fax houdt onder meer in:
“De diverse partijdige uitlatingen, het geklungel ten aanzien van het procesrecht en het weigeren van een processtuk in dit stadium van de procedure leveren diverse feiten op van partijdigheid. Graag zie ik mijn wrakingsverzoek zo spoedig mogelijk behandeld.”
5. Een door de griffier van de wrakingskamer op 22 januari 2021 aan verzoeker verzonden email houdt onder meer in:
“In deze procedure is sprake van verplichte procesvertegenwoordiging. Dit betekent dat het indienen van een wrakingsverzoek ook via uw advocaat dient te verlopen.
Ik stel u in de gelegenheid dit verzuim te herstellen.”
6. Een e-mail van verzoeker aan de griffier van de wrakingskamer van 23 januari 2021 houdt onder meer in:
“Na overleg met mijn advocaat mevrouw Van Buuren stel ik mij op het standpunt, dat de meest logische route is het wrakingsverzoek te behandelen, nu deze al tijdens de zitting is gedaan in december.
De aard van de wraking is echter wel gewijzigd, namelijk van voorwaardelijke wraking naar directe wraking.
Nu zoals gezegd wraking reeds is gedaan, zien mevrouw Van Buuren en ik niet in dat er sprake zou zijn van verzuim.
Ter onderbouwing verwijs ik naar de ingediende brieven.
Graag ontvang ik de uitnodiging van de wrakingskamer.”
7. De wrakingskamer stelt vast dat het verzoek zoals ingediend op 21 januari 2021 andere gronden tot wraking bevat dan het verzoek gedaan op 22 december 2020. Het verzoek van 21 januari 2021 is niet ondertekend door een advocaat, terwijl het verzoek gedaan is in een zaak met verplichte procesvertegenwoordiging. Gelet op het bepaalde in artikel 4, tweede lid van het toepasselijke Wrakingsprotocol dient de wrakingskamer [verzoeker] niet-ontvankelijk te verklaren in dat verzoek.
8. Gelet op het bepaalde in artikel 9, eerste lid onder a van het Wrakingsprotocol ziet de wrakingskamer geen reden om dit wrakingsverzoek verder mondeling te behandelen.
Beslissing
De wrakingskamer van het hof:
- verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn schriftelijke wrakingsverzoek van 21 januari 2021;
- verstaat dat het op de zitting van 22 december 2020 gedane voorwaardelijke wrakingsverzoek (nog) niet bij de wrakingskamer aanhangig is;
- bepaalt dat een afschrift van deze beslissing wordt toegezonden aan (de advocaat van) [verzoeker] , (de advocaat van) [geïntimeerde] , en de raadsheren van wie wraking is verzocht.
Deze beslissing is gegeven door mrs. Th.W.H.E. Schmitz, W.M.G. Visser en J.W. Frieling, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 februari 2021 in aanwezigheid van de griffier.