De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/12.2.2.1:12.2.2.1 Geen algemene wettelijke regeling
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/12.2.2.1
12.2.2.1 Geen algemene wettelijke regeling
Documentgegevens:
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS370905:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bevat geen algemene regeling die specifiek ziet op de rechtsgevolgen van het vernietigen van een civielrechtelijke rechtelijke uitspraak. Wel bevatten sommige wettelijke regelingen een lex specialis ten aanzien van de gevolgen van een dergelijke vernietiging. Deze regelingen zullen in par. 12.2.2.2 worden besproken.
Als de wet een algemene regeling bevat ten aanzien van vernietiging van een civielrechtelijke rechtelijke uitspraak dan is deze in Boek 3 BW te vinden. Art. 3:53 BW bevat een regeling voor de vernietiging van vermogensrechtelijke rechtshandelingen die op grond van art. 3:59 BW ook buiten het vermogensrecht geldt, tenzij de aard van de rechtshandeling of de rechtsbetrekking zich daartegen verzet. Of die uitzondering zich voordoet, is bij mijn weten nog niet (expliciet) bepaald in de rechtspraak. Betoogd kan worden dat de vernietigde rechterlijke uitspraak de rechtshandeling is die wordt vernietigd.
Art. 3:53 lid 1 BW bepaalt dat vernietiging terugwerkt tot het tijdstip waarop de rechtshandeling is verricht. De hoofdregel ten aanzien van de gevolgen van de vernietiging van een rechtshandeling is derhalve dat de rechtsverhouding tussen de partijen wordt hersteld in de staat waarin deze zou hebben verkeerd als deze rechtshandeling niet was verricht.1
Art. 3:53 lid 2 BW biedt de mogelijkheid om van deze hoofdregel af te wijken in het geval de reeds ingetreden rechtsgevolgen van de rechtshandeling bezwaarlijk ongedaan kunnen worden gemaakt. In dat geval kan de rechter die de vernietiging uitspreekt daaraan geheel of ten dele haar werking ontzeggen. Bijvoorbeeld, door te bepalen dat de vernietiging geen (volledige) terugwerkende kracht heeft of geen goederenrechtelijke werking.2 De desbetreffende rechter kan aan een partij die daardoor onbillijk wordt bevoordeeld, de verplichting opleggen om een bedrag te betalen aan de partij die benadeeld wordt. Daarnaast kunnen ook derdenbeschermingsbepalingen, zoals art. 2:16 lid 2 BW en art. 3:86 BW, uitkomst bieden tegen de eventuele onwenselijke gevolgen van de vernietiging van een rechtshandeling. Hoewel deze derdenbeschermingsbepalingen onderlinge verschillen vertonen, komen zij er in de kern op neer dat (het gevolg van) de vernietiging in ieder geval niet kan worden ingeroepen tegen partijen die geen rekening hoefden te houden met deze mogelijkheid.
In de volgende paragraaf zal ter sprake komen dat het er op lijkt dat in ieder geval het eerste lid van art. 3:53 lid 1 BW en mogelijk ook het tweede lid van toepassing is op het vernietigen van civielrechtelijke rechterlijke uitspraken, zij het dat dit nauwelijks expliciet wordt gemaakt.