Einde inhoudsopgave
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/7.2.3.3
7.2.3.3 Art. 10a Wet VPB 1969: Winstdrainage
dr. F.J. Elsweier, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
dr. F.J. Elsweier
- JCDI
JCDI:ADS395938:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Richtige heffing is opgenomen in art. 31 AWR en fraus legis is rechtersrecht. De toepassingsvoorwaarden voor beide leerstukken zijn mijns inziens gelijk (motiefvereiste en normvereiste), maar de uitwerking kan heel verschillend zijn (omdat bij richtige heffing rechtshandelingen (consequent) moeten worden weggedacht). Richtige heffing wordt door de fiscus al geruime tijd niet meer toegepast omdat met fraus legis eenvoudiger hetzelfde resultaat is te bereiken. In het hiernavolgende wordt daarom nog slechts van fraus legis gerept.
Zie hieromtrent ook HR 24 februari 2012, nr. 10/03465, BNB 2012/229, waarin de Hoge Raad oordeelt dat valutawinsten op geldleningen die onder art. 10a vallen dienen te worden gesaldeerd met de renten en kosten van en met eventueel geleden valutaverliezen op dergelijke leningen. Indien het gezamenlijke bedrag van valutawinsten hoger is dan het gezamenlijke bedrag van renten, kosten en valutaverliezen is vervolgens het resterende gedeelte niet belast. Voor een uiteenzetting van dit arrest zie F.J. Elsweier/J. van Strien, Valutaresultaten en renteaftrekbeperkingen; de gevolgen van HR 24 februari 2012, WFR 2012/628.
Het begrip “verbonden lichaam” staat in art. 10a lid 4, 5, 6 Wet VPB 1969. Er is sprake van verbondenheid bij een belang van 1/3 of meer. Voor verbondenheid in de zin van art. 10a Wet VPB 1969 is volgens de Hoge Raad in zijn arrest gepubliceerd in HR 8 april 2011, nr. 10/00651, BNB 2011/156 geen zeggenschap vereist maar is een financieel belang van voldoende omvang voldoende. Voor een uiteenzetting van het begrip belang verwijs ik naar A. Rozendal, Het begrip belang in de Nederlandse belastingwetgeving, SDU 2014, hoofdstuk 5. Per 1 januari 2017 is het verbondenheidscriterium uitgebreid in die zin dat ook een “samenwerkende groep” (met individueel een belang van minder dan 1/3) sprake is van verbondenheid. Voor een kritische beschouwing op deze uitbreiding R.P.C.W.M Brandsma, Een samenwerkende groep is een groep die samenwerkt, WFR 2017/28.
Zie omtrent het noodzakelijke verband tussen lening van een verbonden lichaam en besmette transactie art. 10a lid 2 Wet VPB 1969 en HR 8 oktober 2004, nr. 39435, BNB 2005/51 en HR 17 juni 2005, nr. 40819, BNB 2005/304.
In HR 5 juni 2015, nr. 14/00343, BNB 2015/165c (Mauritius-arrest) gaat de Hoge Raad nader in op de zakelijkheidstoets in art. 10a lid 3 Wet VPB 1969 en met name op de vraag of sprake is van een zogenoemde onzakelijke omleiding. Dit arrest is onder andere in de volgende artikelen nader uiteengezet: R.P.C.W.M. Brandsma/J.I. van Leeuwen, Eén Dodo maakt van 10a nog geen dode letter: de Mauritiuszaak, WFR 2016/118; R. Degano/A.W. Ravelli, Art. 10a Wet op de Vennootschapsbelasting 1969: de dubbele zakelijkheidstoets onder art. 10a Wet VPB 1969 na het ‘Mauritius-arrest’, MBB 2015/11 en N.M. Ligthart, De zakelijkheidstoets bij externe acquisities, NTFR-B 2016/2. Daarnaast is HR 8 juli 2016, nr. 15/00914, BNB 2016/197 (Telecomarrest) een belangrijk arrest over de zakelijkheid van rechtshandelingen binnen concern. Tot slot wijs ik op de arresten HR 21 april 2017, nr. 16/03669, V-N 2017/22.9 t/m 22.12 (Credit Suisse), waarin de Hoge Raad onder meer uitgebreid ingaat op fraus legis en de tegenbewijsregeling van art. 10a Wet VPB 1969. De Hoge Raad maakt onder andere duidelijk dat bij het rechtens dan wel in feite direct of indirect inlenen van een externe partij via een verbonden lichaam en een besmette rechtshandeling art. 10a lid 1 van toepassing is om vervolgens uit te komen bij art. 10a lid 3. Als belastingplichtige aannemelijk maakt dat sprake is van voldoende parallelliteit tussen de externe financiering en de interne lening is aan de dubbele zakelijkheidstoets voldaan. De wetgever heeft dit gerepareerd (Belastingplan 2018) door een extra zinsnede op te nemen in art. 10a lid 3, onderdeel a Wet VPB 1969. Hieruit blijkt dat ook bij een uiteindelijk externe financiering de rechtshandeling afzonderlijk getoetst moet worden op zakelijkheid. Zie omtrent dit arrest en de renteaftrekaspecten ook M.H.C. Ruijschop, Alchemie, NTFRB 2017/49 en R.J. de Vries, Winstdrainagebepaling in de vennootschapsbelasting op de schop, WFR 2017/209.
Besluit staatssecretaris, 25 maart 2013, BLKB2013/110M, BNB 2013/136. Voor een uiteenzetting van het besluit verwijs ik naar F.J. Elsweier/J. van Strien, Het nieuwe ‘art. 10a-be-sluit’; de teugels worden aangetrokken, NTFR-A 2013/9 en Q.W.J.C.H. Kok/ R.J. de Vries, Winstdrainageperikelen, WFR 2014/116.
Met ingang van 1 januari 1997 is art. 10a Wet VPB 1969 in werking getreden. De problematiek waarop art. 10a Wet VPB 1969 ziet, staat bekend als winstdrainage, ook wel uitholling van de belastinggrondslag genoemd. Het gaat hierbij om (kunstmatige) structuren waarbij in Nederland belastbare winst wordt geërodeerd door middel van het creëren van een renteaftrek ten gunste van veelal laag belaste buitenlandse of binnenlandse groepsvennootschappen met verliesverrekeningsmogelijkheden. Die lage belastingdruk komt veelal voort uit een laag tarief, of speciale faciliteiten waardoor de grondslag waarover belasting wordt geheven in vergelijking met Nederland laag is. De rente is in Nederland aftrekbaar tegen het normale vennootschapsbelastingtarief, terwijl de daartegenover staande rentebate – bijvoorbeeld ontvangen in een tax haven – tegen een laag effectief belastingtarief wordt belast. In de jaren tachtig van de vorige eeuw zijn deze structuren in zwang gekomen en bij gebreke aan specifieke wetgeving op dit punt heeft de fiscus deze structuren primair bestreden met een beroep op richtige heffing en/of fraus legis.1 Toen gaandeweg duidelijk werd dat het beroep op fraus legis niet steeds tot het door de fiscus gewenste resultaat leidde, is echter met ingang van 1 januari 1997 met de introductie van art. 10a Wet VPB 1969 paal en perk gesteld aan deze structuren. Art. 10a Wet VPB 1969 ziet in zijn algemeenheid op situaties waarin, vanuit de groep van verbonden lichamen (concern) bezien, eigen vermogen naar een Nederlands lichaam uit die groep wordt gepresenteerd als vreemd vermogen. Art. 10a Wet VPB 1969 heeft een tweeledig doel. Enerzijds is de bepaling een codificatie van op fraus legis gebaseerde jurisprudentie van de Hoge Raad en anderzijds een bijstelling van deze jurisprudentie in een door de fiscus meer gewenste richting.2 Met ingang van 1 januari 2007 is art. 10a Wet VPB 1969 uitgebreid naar externe acquisities en verving het daarmee tevens de renteaftrekbeperkingen voor overnameholdings die oorspronkelijk waren opgenomen in art. 15ad, art. 14a lid 8 en 14b lid 6 Wet VPB 1969 (oud). Art. 10a Wet VPB 1969 sluit de aftrek van rente uit. Onder rente moet ook worden verstaan kosten en valutaresultaten.3 In het kort houdt art. 10a lid 1 Wet VPB 1969 in dat rente op een schuld aan een verbonden lichaam4 (of een verbonden natuurlijk persoon) in bepaalde situaties niet aftrekbaar is. Het gaat om schulden die verband houden5 met:
een winstuitdeling of een teruggaaf van gestort kapitaal aan een verbonden lichaam of verbonden natuurlijk persoon,
een kapitaalstorting in een verbonden lichaam, of
de verwerving of uitbreiding van een belang in een lichaam dat na deze verwerving of uitbreiding een verbonden lichaam is.
In art. 10a lid 3 Wet VPB 1969, is de zogenoemde tegenbewijsregeling opgenomen. De rente die valt onder de aftrekbeperking van artikel 10a lid 1, mag toch in aftrek worden gebracht indien de belastingplichtige aannemelijk maakt:
dat aan zowel de schuld als de daarmee verband houdende rechtshandeling in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen (dubbele zakelijkheidstoets),6 of
dat over de rente per saldo een naar Nederlandse maatstaven redelijke heffing plaatsvindt (compenserende heffingstoets). Voor deze compenserende heffingstoets geldt dat een naar de winst geheven belasting naar Nederlandse maatstaven redelijk is indien deze resulteert in een heffing naar een tarief van ten minste 10% over een naar Nederlandse maatstaven bepaalde belastbare winst, waarbij artikel 12b buiten toepassing blijft. Ondanks het feit dat over de rente per saldo een naar Nederlandse maatstaven redelijke heffing plaatsvindt, komt die rente toch niet in aftrek ingeval de inspecteur aannemelijk maakt:
dat de schuld is aangegaan met het oog op het verrekenen van verliezen of andersoortige aanspraken, welke in het jaar zelf zijn ontstaan dan wel op korte termijn zullen ontstaan, of
dat aan de schuld of de daarmee verband houdende rechtshandeling niet in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen (tekst vanaf 1 januari 2008).
Op 25 maart 2013 heeft de staatssecretaris een voor de praktijk belangrijk besluit7 over de toepassing van art. 10a Wet VPB 1969 geactualiseerd naar aanleiding van gewijzigde wetgeving en nieuwe jurisprudentie. Dit besluit bevat verschillende beleidspunten van de staatssecretaris ten aanzien van diverse art. 10a-onderdelen.
Tot slot merk ik op dat de regering in het op 10 oktober 2017 gepubliceerde regeerakkoord heeft aangekondigd dat als gevolg van de implementatie van de earningsstrippingsmaatregel per 1 januari 2019 enkele bestaande specifieke renteaftrekbeperkingen worden afgeschaft, met uitzondering van de specifieke renteaftrekbeperking gericht tegen winstdrainage. Ik maak hier uit op dat de wetgever niet voornemens is art. 10a Wet VPB 1969 in de toekomst te schrappen.