HR, 17-07-2026, nr. 24/02707
ECLI:NL:HR:2026:1297
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
17-07-2026
- Zaaknummer
24/02707
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:1297, Uitspraak, Hoge Raad, 17‑07‑2026; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2024:1641
Beroepschrift, Hoge Raad, 17‑07‑2026
- Vindplaatsen
NLF 2026/1449 met annotatie van mr. J. Graaff
NDFR Nieuws 2026/1144
Viditax (FutD) 2026071708
FutD 2026-1261
V-N 2026/32.24 met annotatie van Redactie
NTFR 2026/1374 met annotatie van mr. C.J.M. Perraud
FED 2026/102 met annotatie van R.M.P.G. Niessen-Cobben, Redactie
Uitspraak 17‑07‑2026
Inhoudsindicatie
Belasting van personenauto's en motorrijwielen; procesrecht; Unierecht; art. 28c Invorderingswet 1990; heffing van griffierechten; recht op integrale proceskostenvergoeding bij constatering overschrijding redelijke termijn van berechting; kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de bezwaarfase; differentiatie in vergoeding tussen belasting- en premiezaken enerzijds en overige zaken anderzijds; HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/02707
Datum 17 juli 2026
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 5 juni 2024, nrs. BK-23/264 en BK-23/2651., op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 21/4243 en SGR 21/4367) betreffende door belanghebbende op aangifte voldane bedragen aan belasting van personenauto's en motorrijwielen.
1. Geding in cassatie
1.1
Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.F.M.J. Verhoeven, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
1.2
Belanghebbende heeft bij portaalbericht van 14 juli 2026 verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1
Belanghebbende heeft in het jaar 2020 belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) voldaan met het oog op registratie van twee personenauto’s in het Nederlandse kentekenregister. Belanghebbende heeft tegen de beide voldoeningen op aangifte bezwaar gemaakt.
2.2.1
De Inspecteur heeft op 4 juni 2021 respectievelijk 8 juni 2021 uitspraken op bezwaar gedaan. De uitspraak van 4 juni 2021 houdt in dat de Inspecteur het bezwaar van belanghebbende afwijst.De uitspraak van 8 juni 2021 houdt in dat de Inspecteur het bezwaar gegrond verklaart, dat belanghebbende recht heeft op teruggaaf van bpm ten bedrage van € 1.194, en dat voor de terugbetaling met de daarmee gepaard gaande rentevergoeding aan belanghebbende nog een aparte kennisgeving zal worden gestuurd.
2.2.2
In verband met deze teruggaaf heeft de Inspecteur belanghebbende een vergoeding van € 530 toegekend voor de ter zake van de behandeling van het bezwaar gemaakte kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Bij het berekenen van de hoogte van deze vergoeding is de Inspecteur uitgegaan van twee proceshandelingen (bezwaarschrift en horen), wegingsfactor 1, en de waarde per punt van het in punt 1 van onderdeel B2 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna het Besluit) vermelde bedrag (€ 265; tekst 2021).
2.3.1
De Rechtbank heeft op 1 maart 2023 het tegen de hiervoor bedoelde uitspraken op bezwaar ingestelde beroep ongegrond verklaard.De Rechtbank heeft – in hoger beroep onbestreden – vastgesteld dat de Inspecteur na het doen van uitspraak op bezwaar bij een beschikking als bedoeld in artikel 30j, lid 1, AWR aan belanghebbende belastingrente heeft vergoed ter zake van de hiervoor in 2.2.1 bedoelde teruggaaf. Overeenkomstig artikel 30ha AWR is aan belanghebbende een bedrag van € 17 aan belastingrente vergoed over de periode van 1 april 2021 tot 6 augustus 2021. Voor zover belanghebbende in de onderhavige procedure aanspraak maakt op een rentevergoeding over een langer tijdvak dan voortvloeit uit hoofdstuk VA AWR, moet belanghebbende zich op de voet van artikel 28c van de Invorderingswet 1990 (hierna: IW 1990) wenden tot de ontvanger, aldus de Rechtbank. Zo een dergelijk verzoek is gedaan, ligt de beslissing daarover niet in deze zaak voor, aldus de Rechtbank.
2.3.2
Omdat de als redelijk aan te merken termijn voor de behandeling van het bezwaar en het beroep tezamen met elf maanden is overschreden, heeft de Rechtbank geoordeeld dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade van € 1.000. Aangezien die termijnoverschrijding aan beide fases valt toe te rekenen, heeft de Rechtbank zowel de Inspecteur als de Staat veroordeeld tot het betalen van een aan ieder aan hen toe te rekenen deel van die schade, alsmede ieder van hen veroordeeld tot vergoeding van de helft van de proceskosten en het door belanghebbende betaalde griffierecht.Bij het berekenen van de hoogte van de vergoeding voor de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand is de Rechtbank uitgegaan van twee proceshandelingen (beroepschrift en verschijnen ter zitting), de waarde per punt als vermeld in punt 2 van onderdeel B1 (€ 837; tekst 2023) van de bijlage bij het Besluit, en een wegingsfactor 0,5 voor het gewicht van de zaak.
2.3.3
De Rechtbank heeft geoordeeld dat zij geen aanleiding ziet voor een hogere vergoeding van kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand dan de vergoeding zoals die voortvloeit uit toepassing van artikel 2, lid 1, letter a, van het Besluit, en ook niet voor een integrale vergoeding van proceskosten. Het standpunt van belanghebbende dat aan artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie het recht op een hogere vergoeding of zelfs een integrale vergoeding kan worden ontleend, vindt naar het oordeel van de Rechtbank geen steun in het recht. Verder heeft belanghebbende ook niet gesteld dat het haar vanwege de proceskosten onmogelijk of uiterst moeilijk is gemaakt om een beroep te doen op het Unierecht, aldus de Rechtbank.
2.4
Het Hof heeft bij uitspraak van 5 juni 2024 de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
3. Beoordeling van de middelen
3.1
Middel I voert aan dat in het geval dat het recht op vergoeding van rente voortvloeit uit de vaststelling dat belasting in strijd met het Unierecht is geheven, de inspecteur van rechtswege moet beslissen dat belanghebbende recht heeft op rentevergoeding, niet alleen over het tijdvak zoals voorgeschreven in hoofdstuk VA AWR maar ook over het tijdvak zoals dat voortvloeit uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Volgens het middel heeft het Hof ten onrechte het oordeel van de Rechtbank bevestigd dat belanghebbende zich voor de vergoeding van die aanvullende rente op de voet van artikel 28c IW 1990 moet wenden tot de ontvanger. Anders dan het Hof heeft geoordeeld, stelt het middel dat de keuze van de wetgever in strijd is met het Unierecht. De Unierechtelijke verplichting tot het vergoeden van rente wegens in strijd met het Unierecht geheven heffingen valt volgens het middel niet onder de procedurele autonomie van de lidstaten. Indien de Hoge Raad die opvatting niet deelt, verzoekt het middel de Hoge Raad prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie.
3.2
Bij de behandeling van middel I wordt het volgende vooropgesteld.
3.2.1
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.3.1 is vermeld, staat vast dat de Inspecteur na het doen van uitspraak op bezwaar belanghebbende ter zake van de hiervoor in 2.2.1 bedoelde teruggaaf van bpm uit eigen beweging bij beschikking belastingrente heeft vergoed met inachtneming van het bepaalde in hoofdstuk VA AWR. Die beschikking is in deze procedure geen voorwerp van geschil. Het belang van belanghebbende bij middel I is gelegen in het verkrijgen van een aanvullende rentevergoeding, te weten voor zover de periode waarover de Inspecteur overeenkomstig hoofdstuk VA van de AWR belanghebbende belastingrente heeft vergoed, niet overeenstemt met de langere periode waarover volgens het arrest van het Hof van Justitie van 18 april 2013, Mariana Irimie, C-565/11, ECLI:EU:C:2013:250, nationale rente moet worden vergoed in gevallen waarin belasting in strijd met het Unierecht is geheven.2.Middel I gaat uit van de opvatting dat het in artikel 28c, lid 1, IW 1990 neergelegde voorschrift dat invorderingsrente ter zake van in strijd met het Unierecht geheven belasting alleen op verzoek van de belanghebbende wordt vergoed, in strijd is met het Unierecht.
3.2.2
Volgens artikel 28c, lid 1, IW 1990 wordt op verzoek aan de belastingschuldige invorderingsrente vergoed voor zover de ontvanger op grond van een beschikking van de inspecteur is gehouden belasting terug te geven omdat de desbetreffende belasting in strijd met het Unierecht is geheven. De te vergoeden invorderingsrente bij teruggaaf wordt volgens het tweede lid van artikel 28c IW 1990 berekend over de periode vanaf de dag na die waarop de belasting is voldaan of afgedragen tot op de dag voorafgaand aan de terugbetaling. Deze vergoeding wordt niet berekend over dagen waarover ingevolge Hoofdstuk VA AWR belastingrente wordt vergoed of waarover ingevolge artikel 28b IW 1990 invorderingsrente wordt vergoed.
3.2.3
Op grond van artikel 30, lid 1, IW 1990 beslist de ontvanger op het hiervoor bedoelde verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking. Dit betekent dat bij uitsluiting de ontvanger bevoegd is om bij voor bezwaar vatbare beschikking vast te stellen of en in hoeverre op grond van artikel 28c IW 1990 invorderingsrente wordt vergoed. Pas daarna kan de belastingrechter toekomen aan de beoordeling van die beschikking inzake invorderingsrente.3.Sinds 1 januari 2015 is de belastingrechter niet bevoegd de inspecteur te gelasten om over in strijd met het Unierecht geheven belasting meer rente te vergoeden dan het bedrag dat de inspecteur op grond van artikel 30ha AWR moet vergoeden, ook niet in voorkomende gevallen als (neven)beslissing op de voet van artikel 8:73 Awb onderscheidenlijk artikel 8:90 Awb.4.
3.2.4
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.2.3 is overwogen, kan middel I niet tot cassatie leiden. Hetgeen middel I beoogt te bereiken, te weten dat de Inspecteur wordt gelast om de hiervoor in 3.2.2 bedoelde invorderingsrente te betalen, kan in deze procedure namelijk niet vallen binnen de grenzen van het geschil in beroep respectievelijk hoger beroep vanwege het voor belastingzaken geldende gesloten stelsel van rechtsmiddelen.Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende zich voor een vergoeding van rente over de verleende teruggaaf van bpm tot de ontvanger dient te wenden (artikel 28c IW 1990). In dit oordeel ligt besloten het oordeel dat in deze procedure geen uitspraak kan worden gedaan over de klacht van belanghebbende dat de hiervoor in 3.2.2 bedoelde invorderingsrente alleen op verzoek van de belastingschuldige wordt uitbetaald. Dat oordeel is juist.Bij deze stand van zaken kan in deze cassatieprocedure niet aan behandeling van de door de klacht opgeworpen rechtsvraag worden toegekomen. Het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie, waarop middel I aandringt, kan dan ook niet bijdragen aan de beslechting van deze zaak.
3.2.5
Opmerking verdient dat indien belanghebbende volhardt in het opeisen van de hiervoor in 3.2.2 bedoelde invorderingsrente zonder daartoe aan de ontvanger een verzoek te doen, zij zich bij het ontbreken van een voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in artikel 30, lid 1, IW 1990, en dus bij gebreke van een rechtsingang bij de belastingrechter, moet wenden tot de burgerlijke rechter.
3.3.1
Middel II klaagt erover dat het Hof het standpunt van belanghebbende heeft verworpen dat het Unierecht de lidstaten verbiedt voor te schrijven dat rechtzoekenden voor het verkrijgen van toegang tot de rechter griffierecht naar een vast tarief moeten betalen. Dat is niet terecht geweest. Volgens middel II was het Hof ook niet bevoegd dat oordeel te geven omdat alleen het Hof van Justitie bevoegd is om het Unierecht uit te leggen en toe te passen.
3.3.2
De klachten van middel II falen. Op de gronden die zijn vermeld in rechtsoverwegingen 3.1.2 tot en met 3.4 respectievelijk rechtsoverwegingen 3.7.1 tot en met 3.7.4 van het arrest van de Hoge Raad van 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915 (hierna: het arrest van 12 juni 2026), ziet de Hoge Raad geen aanleiding prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen.
3.4.1
Middel III is gericht tegen het oordeel van het Hof dat het geen aanleiding ziet voor het toekennen van een hogere of zelfs integrale vergoeding van de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand ter zake van het behandelen van het bezwaar en van de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het geding voor de Rechtbank. Het middel stelt dat in deze zaak gekwalificeerde schendingen van het Unierecht hebben plaatsgevonden waaraan het gevolg moet worden verbonden dat belanghebbende op grond van het Unierecht per definitie recht heeft op een volledige of nagenoeg volledige vergoeding van de door haar werkelijk gemaakte kosten.
3.4.2
De klachten van middel III kunnen niet tot cassatie leiden. Anders dan middel III stelt, volgt uit de vaststellingen van de Rechtbank dat de redelijke termijn van berechting wat betreft de fase in eerste aanleg met elf maanden is overschreden en dat deze overschrijding is toe te rekenen aan de Inspecteur en de Staat, niet dat een gekwalificeerde schending van het Unierecht heeft plaatsgevonden.Anders dan middel III verder stelt, komt zelfs indien een gekwalificeerde schending van het Unierecht heeft plaatsgevonden, de belanghebbende niet méér schadevergoeding toe dan de vergoeding van immateriële schade die verband houdt met de door de belanghebbende als gevolg van de duur van de procedure ondervonden spanning en frustratie, en – in geval van schade in de vorm van kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand – de kosten voor zover zij betreffen het doen van het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting.5.De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende voor de Rechtbank of het Hof niet heeft gesteld dat zij ter zake van het doen van het verzoek om immateriële schade meer kosten heeft gemaakt dan de hiervoor in 2.3.2 bedoelde vergoeding die de Rechtbank haar heeft toegekend.Gelet op het voorgaande, is het voor de beslechting van dit geschilpunt niet noodzakelijk prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen.
3.5.1
Middel IV voert met betrekking tot de hiervoor in 2.2.2 weergegeven berekening van de vergoeding van de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand ter zake van het behandelen van het bezwaar verder aan dat de Inspecteur ten onrechte is uitgegaan van de in punt 1 van onderdeel B2 van de bijlage bij het Besluit (tekst 2021) vermelde waarde per punt (€ 265), en niet van de in punt 2 van onderdeel B2 van die bijlage vermelde waarde per punt (€ 534). Het middel concludeert dat de Hoge Raad, in lijn met het arrest van 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060 (hierna: het arrest van 12 juli 2024), dat is gewezen nadat het Hof op 5 juni 2024 uitspraak had gedaan, die vergoeding moet verhogen.
3.5.2
Het middel slaagt op de gronden die zijn vermeld in rechtsoverwegingen 5.8.1 en 5.8.2 van het arrest van 12 juli 2024.
3.6
Middel V is gericht tegen de oordelen van het Hof dat de Rechtbank en het Hof niet zijn gehouden om bij de behandeling van zaken waarin toepassing van het Unierecht aan de orde is, zoals het geval is in deze procedure, het Hof van Justitie prejudiciële vragen te stellen over de uitleg van dat Unierecht teneinde geschillen over die uitleg te beslechten. De klachten van middel V falen. Op de gronden die zijn vermeld in rechtsoverwegingen 3.7.1 tot en met 3.7.4 van het arrest van 12 juni 2026, ziet de Hoge Raad geen aanleiding prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen.
3.7
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.5.2 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De Hoge Raad stelt de vergoeding van de door belanghebbende gemaakte kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de fase van bezwaar vast op € 1.332, uitgaande van twee proceshandelingen (bezwaarschrift en horen), wegingsfactor 1, en de waarde per punt zoals deze ten tijde van het wijzen van dit arrest geldt.6.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Met betrekking tot de hoogte van de vergoeding van deze kosten overweegt de Hoge Raad in onderdeel 5 als volgt.
5. Nader feitenonderzoek door de Hoge Raad
5.1
Aangezien de uitspraak van het Hof is bekendgemaakt in 2024, moet voor de hoogte van de vergoeding van proceskosten ter zake van deze cassatieprocedure acht worden geslagen op de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm,7.gelet op het bepaalde in artikel IV van die wet. Gelet op hetgeen de Hoge Raad in onderdeel 3 van zijn arrest van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46 (hierna: het arrest van 17 januari 2025), heeft overwogen, moet worden beoordeeld of het geval van belanghebbende met het oog op die proceskostenvergoeding is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025.
5.2
De Hoge Raad is in dit stadium van het geding niet in staat een beslissing te nemen over de hoogte van de vergoeding van kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand in deze cassatieprocedure. De stukken van het geding bieden namelijk onvoldoende aanknopingspunten om de hiervoor in 5.1 bedoelde beoordeling te maken.
5.3
Aangezien het arrest van 17 januari 2025 is gewezen nadat belanghebbende beroep in cassatie had ingesteld, hoefde belanghebbende niet bedacht te zijn op de in de rechtsoverwegingen 3.5.1 en 3.5.2 van dat arrest geformuleerde regels. Daarom zal de Hoge Raad, die hier als feitenrechter optreedt, alvorens een beslissing te nemen over de omvang van de vergoeding van de kosten van de cassatieprocedure, belanghebbende in de gelegenheid stellen om nadere gegevens te verstrekken ter voldoening aan de op dit punt op belanghebbende rustende bewijslast. De Staatssecretaris zal daarna in de gelegenheid worden gesteld daarop schriftelijk te reageren.
6. Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure
Belanghebbende heeft op 14 juli 2026 verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep.De Staat wordt in de gelegenheid gesteld zich over dit verzoek uit te laten.
7. Beslissing
De Hoge Raad houdt elke verdere beslissing aan totdat de hiervoor in 5.3 en 6 beschreven procedures zijn gevolgd.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 17‑07‑2026
Vgl. HvJ 22 februari 2024, Gemeente Dinkelland, C-674/22, ECLI:EU:C:2024:147.
Vgl. HR 3 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:341, rechtsoverweging 2.2.4.
Vgl. HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1790, rechtsoverweging 4.2.
Vgl. HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526, rechtsoverweging 5.2.
Vgl. HR 17 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1203, rechtsoverweging 2.3.
Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet waardering onroerende zaken en de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 in verband met het herwaarderen van de proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm), Stb. 2023, 507.
Beroepschrift 17‑07‑2026
Hoge Raad der Nederlanden
Belastingkamer
Postbus 20303
2500 EH DEN HAAG
[…] 26 augustus2024
Ons kenmerk; […]
Procedurenummer rechtbank; SGR 21/4243 en 21/4367
Procedurenummer gerechtshof; BK-SGR 23/264 en 23/265
Betreft; cassatieberoep
CASSATIEBEROEP
[…] BV
Gemachtigde: | […] |
Kantooradres: | […] |
Postadres: | […] |
Optredend als gemachtigde voor:
Belanghebbende: | […] BV |
Voorheen gevestigd te: | […] |
Thans gevestigd te: | […] |
Hierna te noemen; | Belanghebbende of […]; |
In cassatie tegen de beslissing van de Inspecteur der Rijksbelastingen, in cassatie verte genwoordigd door:
De publiekrechtelijke rechtspersoon: | Staatssecretaris van Financiën |
Kantoorhoudende te: | Korte Voorhout 7, 2511 CW DEN HAAG; |
Hierna te noemen; Inspecteur of Staatssecretaris;
Edelhoogachtbaar college, geachte voorzitter,
Hierbij herstel ik namens belanghebbende de verzuimen.
In cassatie is o.m. het volgende van belang.
Belanghebbende heeft een tweetal uit een andere lidstaat afkomstige, gebruikte voertuigen doen registreren in het nationaal kentekenregister en was daartoe registratiebelasting BPM verschuldigd.
Belanghebbende heeft de verschuldigde belasting voldaan.
Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur der Rijksbelastingen het bezwaar tegen de verschuldigde belasting van de Mercedes S-klasse (r.o. 2.3 gerechtshof) gegrond verklaard, een teruggaaf verleend van € 1.194,00 (zonder rente).
Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding in de bezwaarfase toegekend van € 530,00 voor het indienen van het bezwaarschrift en het voeren van een hoorgesprek.
Vast staat dat in de Inspecteur der Rijksbelastingen registratiebelasting BPM terug betaald, deze in strijd met artikel 110 VWEU is geheven.
Door de rechtbank is aan belanghebbende een schadevergoeding toegekend wegens het niet eerbiedigen van de redelijke termijn van berechting ex. artikel 47, tweede alinea Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.
Door de rechtbank is aan belanghebbende op basis van nationale bepalingen een proceskostenvergoeding toegekend van € 759,00, zijnde een punt volgens de nationale bepalingen Besluit proceskosten bestuursrecht, factor 0,5 wegens ‘lichte’ zaak.
Vooraf.
Toepassingsbereik Unierecht.
Vooraf is van belang op te merken dat de rechtstreekse werking van artikel 110 VWEU, zoals die is erkend in het arrest van 16 juni 1966, Lütticke (57/65, Jurispr. blz. 346, EU:C: 1966:34), impliceert, dat een particulier moet kunnen betwisten, dat de nationale regelgeving die de wettelijke criteria of tabellen bevat welke zijn toegepast ter berekening van de belasting op zijn ingevoerde gebruikte voertuig, met die bepaling verenigbaar is. Dit laatste is hoe dan ook slechts mogelijk, indien het criterium of de criteria op basis waarvan de forfaitaire vermindering is berekend, ter kennis zijn gebracht van het publiek (Hof van Justitie, 22 februari 2001, Gomes Valente, EU:C:2001:109, r.o. 33 en 34).
Artikel 110 VWEU werkt rechtstreeks en met voorrang en dus moet de wettelijke grond slag gevonden worden in het recht van de Unie en niet in nationale bepalingen, de Wet BPM 1992.
Ik merk op dat volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie de heffing van registratiebelasting rechtstreeks en met voorrang getoetst moet worden aan artikel 110 VWEU en als zodanig dus met de heffing van registratiebelasting BPM uitvoering wordt gegeven aan het recht van de Unie ex. artikel 51, lid 1 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en belanghebbende dus succesvol een beroep kan doen op de rechten die vervat zijn in de autonome rechtsorde van de Unie.
Artikel 110 VWEU wordt geschonden wanneer sprake is van verschillende heffings- en/of betalingsmodaliteiten, ten nadele van te importeren, gebruikte voertuigen.
Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie moet bij de toepassing van artikel 110 VWEU niet slechts worden gelet op het tarief van de binnenlandse belasting, die al dan niet rechtstreeks op nationale en ingevoerde producten wordt geheven, doch ook op de grondslag en de heffingsmodaliteiten ervan (Hof van Justitie, 22 maart 1977,Ianel-li/Volpi, EU:C: 1977:51, r.o. 21).
Zodra er verschillende modaliteiten worden toegepast, ten nadele van te importeren, gebruikte voertuigen is strijd met artikel 110 VWEU en is de modaliteit verboden.
Verbod tot uitlegging/begrenzing bevoegdheidsverdeling Hof van Justitie/nationale rechterlijke instanties.
Het is vaste rechtspraak van het Hof van Justitie dat het Hof van Justitie exclusief en bij uitsluiting bevoegd is om het Unierecht bindend en rechtsgeldig uit te leggen (Hof van Justitie, 22 februari 2022, RS, EU:C:2022:99, r.o. 52 en 72).
Contra legem impliceert dat dat een nationale rechter kennelijk — buiten elke mogelijke twijfel verheven — onbevoegd is het Unierecht bindend en rechtsgeldig uit te leggen en is dus elke uitlegging van nationale rechterlijke instanties kennelijk — volgens de vaste uitlegging van het Hof van Justitie — rechtsongeldig en onverbindend.
De rechtbank, het gerechtshof en uiteraard ook Uw Raad zijn aldus kennelijk onbevoegd om het Unierecht bindend en rechtsgeldig uit te leggen.
De andersluidende uitlegging van de Hoge Raad der Nederlanden is kennelijk — buiten elke mogelijke twijfel verheven — onrechtmatig en onverbindend (Hof van Justitie, 22 februari 2022, RS, EU:C:2022:99, r.o. 52 en 72).
Zie in gelijke zin, Hof van Justitie, Hochtief Solutions AG, EU:C:2018:340;
‘86.
De tweede uitzonderingssituatie is door het Hof uiteengezet in het arrest Lucchini, waarin het heeft geoordeeld dat het Unierecht zich verzet tegen de toepassing van een nationaalrechtelijke bepaling waarin het beginsel van eerbiediging van het gezag van gewijsde is neergelegd, voor zover toepassing daarvan in de weg staat aan de terugvordering van staatssteun die in strijd met het Unierecht is verleend:(39) De achterliggende gedachte van die uitzondering was dat de nationale beslissing doordat zij in strijd met de verdeling van de bevoegdheden tussen de lidstaten en de Europese Unie was gegeven, zelfs niet in kracht van gewijsde kon zijn gegaan. Het Hof heeft vervolgens het uitzonderlijke karakter van de zaak Lucchini benadrukt en daarbij opgemerkt dat over die zaak was beslist in een zeer bijzondere context die met de voornoemde verdeling van bevoegdheden te maken had.(40)’
Ik verwijs Uw Raad achtereenvolgens naar artikel 1 VEU, waarin de lidstaten door toetreding tot de Unie bevoegdheden onomkeerbaar en definitief overdragen aan de Unie, waaronder begrepen de exclusieve bevoegdheid, zoals vervat in artikel 267, letter a VWEU, om uitlegging te geven over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie, teneinde het Hof van Justitie zijn fundamentele taak uit te oefenen die het is opgedragen bij artikel 19, lid 1, eerste alinea, VEU, om de ‘eerbiediging van het recht bij de uitlegging en toepassing van de Verdragen’ te verzekeren.
Het treden op het exclusieve domein van de Unierechter, in casu artikel 267, letter a VWEU, door uitlegging te geven over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie door nationale rechterlijke instanties, is a priori in strijd met het recht van de Unie, vgl. in gelijke zin prof. dr. mr. baron Koenraad Lenaerts en prof. mr. Piet van Nuffel, Uitgeverij Intersentia, Europees recht, blz. 119, par. 85 e.v.;
- ‘85.
Exclusieve bevoegdheden zijn bevoegdheden die door eenvoudige overdracht aan de Gemeenschap definitief en onomkeerbaar verloren zijn gegaan voor de lidstaten. Een gemeenschapsbevoegdheid is exclusief wanneer uit de tekst of de context van de betrokken Verdragsbepalingen volgt dat elk optreden van de lidstaten ermee in strijd zou zijn.
- 89.
Wanneer een bevoegdheid van de Gemeenschap exclusief is, houdt dit in dat elk optreden van een lidstaat op hetzelfde domein a priori in strijd is met het Verdrag.’
Aldus moet worden vastgesteld dat volgens vaste uitlegging van het Hof van Justitie, die exclusief bevoegd is tot uitlegging over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie, de niet-nakoming van de verwijzingsplicht ex. artikel 267, tweede en derde alinea VWEU, een schending van Unierecht oplevert, te meer omdat daartoe de betrokken nationale instantie, die de hem voorgelegde vragen van Unierecht zelfstandig oplost, treedt op het exclusieve domein van de Unierechter, namelijk artikel 267, letter a VWEU.
Wanneer een nationale rechter aldus uitlegging geeft over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie, is die uitlegging kennelijk onbevoegd en met misbruik van bevoegdheid en misbruik van recht genomen en is deze uitlegging onverbindend en rechtsongeldig.
Een dergelijke nationale beslissing komt tot stand in strijd met de verdeling van de bevoegdheden tussen de lidstaten en de Europese Unie en kan zelfs niet in kracht van gewijsde kon zijn gegaan.
Ten aanzien van de werking van artikel 47 Handvest.
Aangaande artikel 47 van het Handvest volgt uit de rechtspraak van het Hof dat deze bepaling op zich volstaat en niet hoeft te worden verduidelijkt door bepalingen van Unie recht of van nationaal recht, om particulieren een als zodanig inroepbaar recht te verlenen (arresten van 17 april 2018, Egenberger, C-414/16, EU:C:2018:257, punt 78, en 29 juli 2019, Torubarov, C-556/17, EU:C:2019:626,punt 56).
Artikel 6, lid 1 EVRM is niet van toepassing op belastinggeschillen. De bepalingen van het EVRM zijn niet van toepassing op dit geschil.
Uitvoering geven aan bepalingen van Unierecht.
Uw Raad gaf uitlegging over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie, onverbindend, rechtsongeldig, in strijd met de verdeling van de bevoegdheden tussen de lidstaten en het Hof van Justitie, tredend op het exclusieve domein van de Unierechter, meer bepaald artikel 267, letter a VWEU, in zijn uitspraak van 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1917en oordeelde, kort gezegd dat artikel 51 Handvest van de Grond rechten van de Europese Unie slechts bij een schending aan de orde is;
‘4.2.3.
(…) (…) Met het heffen van bpm ter zake van de registratie van personenauto's, motorrijwielen en bestelauto's wordt op zichzelf dus niet het recht van de Unie ten uitvoer gebracht.Dit is niet anders indien de heffing van bpm de registratie betreft van een gebruikte, uit een andere lidstaat overgebrachte personenauto. Het recht van de Unie moet echter wel worden geacht ten uitvoer te zijn gebracht wanneer de inspecteur of in voorkomend geval de rechter, tot de slotsom komt dat toepassing van de Wet heeft geleid tot een bezwarend besluit waarmee de grens is overschreden die artikel 110 VWEU aan de nationale bevoegdheid stelt.’
Die uitlegging van bepalingen van Unierecht is aldus niet alleen met misbruik van recht en misbruik van bevoegdheid tot stand gekomen, hetgeen uiterst, uiterst ernstig is, maar dagdagelijkse praktijk voor een rechterlijke instantie die buiten elke mogelijke twijfel verheven gebleken en aangetoond geen rechterlijke instantie is in de zin van artikel 47, lid 1 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, nu Uw Raad treedt op het exclusieve domein van de Unierechter en deze uitlegging onverbindend en rechtsongeldig is en een dergelijke nationale beslissing komt tot stand in strijd met de verdeling van de bevoegdheden tussen de lidstaten en de Europese Unie en zelfs niet in kracht van gewijsde kon zijn gegaan.
Maar bovenal, uit de recente uitlegging van de exclusief bevoegde rechter, zijnde een rechterlijke instantie in de zin van artikel 47, lid 1 Handvest, de Unierechter blijkt dat de gegeven zelfstandige oplossing — het Hof zijn fundamentele taak onthoudend (wederom een uiterst ernstige schending van fundamentele rechtstaatbeginselen) blijkt de gegeven oplossing faliekant onjuist.
Het Hof legt uit in zijn arrest van 29 juli 2024, Protectus, EU:C:2024:657, dictum;
‘Artikel 51 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
moet aldus worden uitgelegd dat
- —
de rechtmatigheidsbeoordeling door een nationale rechter van een besluit waarbij als gevolg van de intrekking van dat attest een industrieel veiligheidscertificaat wordt ingetrokken dat toegang geeft tot gerubriceerde EU-informatie van de Europese Unie in de zin van artikel 11 en bijlage V bij besluit 2013/488/EU van de Raad van 23 september 2013 betreffende de beveiligingsvoorschriften voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie, betrekking heeft op een handeling die het Unierecht ten uitvoer brengt in de zin van dat artikel 51, lid 1.’
Een rechtmatigheidsbeoordeling volstaat in elk geval om de bepalingen van het Hand vest te kunnen toepassen!
De rechtspraak van de Hoge Raad der Nederlanden is van dien aard is dat daardoor bij de justitiabelen legitieme twijfel kan ontstaan over de vraag of deze rechterlijke instantie niet gevoelig is voor externe factoren, in het bijzonder voor directe of indirecte invloed van de wetgevende en uitvoerende macht, en of deze instantie onpartijdig is ten opzichte van de met elkaar strijdende belangen en, derhalve, of deze combinatie ertoe kan leiden dat deze instelling niet de indruk geeft onafhankelijk en onpartijdig te zijn, hetgeen het vertrouwen kan ondermijnen dat de rechterlijke macht in een democratische samenleving bij deze justitiabelen moet wekken.
Tussenconclusie.
Ten aanzien van artikel 110 VWEU.
Artikel 110 VWEU werkt rechtstreeks en met voorrang en hoeft niet te worden verduidelijkt door nationale bepalingen om voor justitiabelen rechten te doen ontstaan.
Artikel 110 VWEU wordt geschonden wanneer sprake is van verschillende heffings- en/of betalingsmodaliteiten, ten nadele van te importeren, gebruikte voertuigen.
Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie moet bij de toepassing van artikel 110 VWEU niet slechts worden gelet op het tarief van de binnenlandse belasting, die al dan niet rechtstreeks op nationale en ingevoerde producten wordt geheven, doch ook op de grondslag en de heffingsmodaliteiten ervan (Hof van Justitie, 22 maart 1977, Ianelli/Volpi, EU:C:1977:51, r.o. 21).
Ten aanzien van de verdeling van bevoegdheden tussen de lidstaten en het Hof van Justitie.
De lidstaten hebben ondubbelzinnig en onomkeerbaar bevoegdheden overgedragen aan de Unie. Artikel 267, letter a VWEU is de overdracht van de lidstaten aan het Hof van de exclusieve bevoegdheid van uitlegging over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie.
Het Hof van Justitie is aldus exclusief en bij uitsluiting bevoegd om het Unierecht uit te leggen.
De lidstaten zijn exclusief en bij uitsluiting bevoegd om de uitlegging van het Hof toe te passen.
Het Hof van Justitie verklaart zich volgens vaste en overvloedige rechtspraak onbevoegd om uitlegging te geven over nationale bepalingen.
Uw Raad heeft er een vast ritueel van gemaakt zoveel mogelijk en zo vaak mogelijk te treden op het exclusieve domein van de Unierechter, door structureel en in ongekende omvang uitlegging te geven over de draagwijdte en de bepalingen van het recht van de Unie.
Uw Raad is dan ook op louter objectieve gronden geen rechterlijke instantie in de zin van artikel 47, lid 1 Handvest, buiten elke mogelijke twijfel verheven.
Uw Raad treedt voortdurend, met misbruik van recht en misbruik van bevoegdheid op het exclusieve domein van de Unierechter, geeft zelfstandig uitlegging, onttrekt zich aan zijn wettelijke verwijzingsplicht en geeft de indruk gevoelig te zijn voor externe factoren, waaronder de invloed van de nationale heffende en wetgevende autoriteit.
Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie is die uitlegging van Uw Raad over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie achtereenvolgens;
- 1.
Rechtsongeldig
- 2.
Onverbindend
- 3.
Kan niet in kracht van gewijsde gaan.
Uw Raad treft het verwijt binnen de Europese Unie alle denkbare rechtstaatbeginselen te schenden. Uw Raad geeft structureel blijk van geen enkel respect jegens de bevoegde, hogere rechter en het hoogste recht, het Unierecht, de exclusieve bevoegdheid van die Unierechter om het Unierecht bindend en rechtsgeldig uit te leggen, zijn wettelijke verplichtingen, nada, helemaal niks.
Uit het arrest Lucchini, EU:C: 2007:434 volgt dat een dergelijke uitlegging rechtsongeldig is, onverbindend en dat Deze regel geldt in de nationale rechtsorde ten gevolge van het beginsel van voorrang van het gemeenschapsrecht.
Volgens het feitelijk handelen van Uw Raad is lidstaat Nederland de uitzondering op de regel…. Onrechtmatige, onverbindende, rechtsongeldige uitlegging van het recht van de Unie door Uw Raad heeft voorrang op de volle werking van het recht van de Unie.
Het is voor een normaal denkend, eerlijk geschapen mens niet meer te bevatten tot welk niveau de rechtspraak in lidstaat Nederland is afgedaald…
Ten aanzien van de toepassing van het Handvest/artikel 51 Handvest.
Uw Raad gaf uitlegging over het toepassingsbereik van artikel 51 Handvest, hetgeen dus a priori in strijd is met het recht van de Unie, omdat Uw Raad niet bevoegd is om uitlegging te geven over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie, maar die uitlegging is gebleken niet alleen kennelijk onrechtmatig en kennelijk onregelmatig, maar ook kennelijk onjuist.
Uw Raad legt uit dat sprake moet zijn van een schending van artikel 110 VWEU om onder het toepassingsbereik van het Unierecht te vallen, maar het Hof van Justitie, WEL een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie, legt uit in zijn arrest van 24 juli 2024 dat slechts een rechtmatigheidsbeoordeling (dus een beoordeling, red. JV) er toe leidt dat sprake is van een handeling die het Unierecht ten uitvoer brengt in de zin van dat artikel 51, lid 1.
Uw Raad handelt niet alleen met misbruik van recht, misbruik van bevoegdheid, on rechtmatig, onregelmatig, schendt alle denkbare fundamentele rechtstaatbeginselen, waaronder artikel 267, letter a VWEU en artikel 267, derde alinea VWEU, maar onthoudt bovenal de exclusief bevoegde rechter, de Unierechter, zijn fundamentele taak om de eenvormige uitlegging en toepassing van het recht van de Unie in alle lidstaten te verzekeren.
Het is erger dan erg, niemand kan zich blijkbaar voorstellen in welke ongekende omvang de fundamentele rechtstaatbeginselen in lidstaat Nederland worden geschonden door de rechtspraak.
Een aan de rechter voorgelegde rechtmatigheidsbeoordeling, zoals in casu de rechtmatigheid van een naheffingsaanslag BPM maakt dat sprake is van een handeling die het Unie recht ten uitvoer brengt in de zin van dat artikel 51, lid 1.
Uw Raad zou eens eerlijk, effectief, onafhankelijk en onpartijdig recht moeten gaan spreken, evenals de gerechtshoven en de rechtbanken. Dan ontstaat er een daadwerkelijk, effectief eerlijk proces voor een onafhankelijke en onpartijdige rechter in een lidstaat van de Unie!
Het is uitgesloten dat de rechter in laatste aanleg over een discretionaire bevoegdheid beschikt om uit te maken of de door partijen opgeworpen vraag al dan niet gegrond is, of om te beslissen of het voor de uitspraak relevante punt van gemeenschapsrecht door hemzelf dan wel door het Hof van Justitie moet worden beoordeeld.
Dat gezegd hebbende, als iemand die principieel uit is op eerlijke rechtspraak, maar op basis van sec objectieve gegevens helaas moet vaststellen dat zoiets in lidstaat Nederland apert onmogelijk is omdat Uw Raad alle fundamentele rechtstaatbeginselen massaal schendt, kom ik toe aan de middelen.
Ten gronde.
De middelen.
Middel I.
verzuim van vormen, meer bepaald artikel 1 VEU, artikel 2 VEU, artikel 4, lid 3 VEU, artikel 19 VEU, artikel 47 Handvest, artikel 110 VWEU, artikel 344 VWEU, doordat het gerechtshof uitlegging geeft over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie door uit te leggen — bij gebrek aan enige bevoegdheid — dat belanghebbende zich voor een vergoeding van rente over de verleende teruggaaf tot de Ontvanger dient te wenden op grond van artikel 28c IW 1990.
En passant legt het gerechtshof uit dat Uw Raad heeft uitgelegd dat deze keuze van de wetgever niet in strijd is met het recht van de Unie, zoals — onbevoegd en rechtsongeldig en onverbindend — door Uw Raad — die daarmee alle fundamentele rechtstaatbeginselen terzijde stelt, uitgelegd in zijn uitspraken van 13 april 2018 en 3 maart 2017.
Toelichting.
Vooropgesteld zij — buiten elke mogelijke twijfel verheven — dat het gerechtshof getreden is op het exclusieve domein van de Unierechter, artikel 267, letter a VWEU, door uitlegging te geven over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie, meer bepaald de draagwijdte en de betekenis van het artikel 110 VWEU, door uit te leggen dat het binnenlands belastingstelsel in lidstaat Nederland niet in strijd is met artikel 110 VWEU, zonder prejudicieel te verwijzen, waartoe het gerechtshof wettelijk gehouden is, nu hem als ‘lagere rechter’ een vraag van Unierecht wordt voorgelegd die uitlegging behoeft.
Die uitlegging mag bij uitsluiting in de autonome rechtsorde van de Unie gegeven worden door de Unierechter, waardoor verwijzingsplicht ontstaat (Hof van Justitie, Hans Akerberg Fransson, 26 februari 2013, EU:C:2013:105, r.o. 30 en 47).
Het gerechtshof handelt dus kennelijk — buiten elke mogelijke twijfel verheven — in strijd met de meest fundamentele rechtstaatbeginselen van het recht van de Unie door te treden op het exclusieve domein van de Unierechter.
Anders dan het gerechtshof ogenschijnlijk vermoed en mogelijk opmaakt uit artikel 267, tweede alinea VWEU, bestaat een soort van discretionaire bevoegdheid voor het gerechtshof om de Unierechter te bevragen.
Die opvatting is kennelijk onjuist. Artikel 267, tweede en derde alinea VWEU verschillen in dier voege van elkaar dat het is uitgesloten dat de rechter in laatste aanleg over een discretionaire bevoegdheid beschikt om uit te maken of de door partijen opgeworpen vraag al dan niet gegrond is, of om te beslissen of het voor de uitspraak relevante punt van gemeenschapsrecht door hemzelf dan wel door het Hof van Justitie moet worden beoordeeld, dus altijd een wettelijke verwijzingsplicht heeft behoudens de 3 uitzonderingen, en de feitenrechter slechts verwijzingsplicht heeft wanneer hem een vraag van Unierecht wordt voorgelegd die uitlegging behoeft.
Alle fundamentele rechtstaatbeginselen in lidstaat Nederland worden massaal en ongekend geschonden doordat de Hoge Raad massaal zijn verwijzingsplicht ex. artikel 267, derde alinea VWEU schendt, blijkbaar omdat hij denkt dat hij over enige bevoegdheid beschikt om uit te maken of de door partijen opgeworpen vraag al dan niet gegrond is, of om te beslissen of het voor de uitspraak relevante punt van gemeenschapsrecht door hemzelf dan wel door het Hof van Justitie moet worden beoordeeld en de feitenrechter meent dat hij nooit of te nimmer enige verwijzingsplicht heeft en massaal over gaat tot schending van artikel 267, letter a VWEU.
Middel I is aldus kennelijk gegrond doordat het oordeel van het gerechtshof kennelijk — buiten elke mogelijke twijfel verheven — met misbruik van recht en misbruik van bevoegdheid tot stand is gekomen doordat het gerechtshof is getreden op het exclusieve domein van de Unierechter, artikel 267, letter a VWEU.
Daarnaast geeft de met misbruik van bevoegdheid tot stand gekomen uitlegging van het gerechtshof blijk van een kennelijk onjuiste rechtsopvatting.
Vooropgesteld zij dat het gerechtshof had moeten verwijzen naar het Hof, teneinde het Hof de mogelijkheid te bieden uitlegging te geven over de rechtmatigheid van het binnenlandse belastingstelsel in lidstaat Nederland.
Maar bovenal, de uitlegging van Uw Raad van 3 maart 2017 en 13 april 2018 is buiten elke mogelijke twijfel verheven niet alleen onrechtmatig, rechtsongeldig en onverbindend, maar ook nog een faliekant onjuist.
Wat is er in Godshemelsnaam aan de hand in deze lidstaat? Waarom bestaat er geen effectieve, eerlijke rechtspraak in lidstaat Nederland? Welke belangen naast eerlijke rechtspraak worden er nagestreefd zou ik denken?
De Unierechtelijke verplichting van rentevergoeding wegens in strijd met het Unierecht geheven heffingen valt niet onder de procedurele autonomie van de lidstaten (Hof van Justitie, Grafendorfer, EU:C:2022:14, r.o. 49;
‘49.
Ook het antwoord op die vraag moet mijns inziens in het Unierecht worden gevonden en hangt niet af van de nationale rechtsorden. Met andere woorden, de omvang van het recht op rentebetaling valt niet onder de nationale procedurele autonomie. Dat begrip heeft betrekking op de bevoegdheden van de lidstaten om in hun rechtsstelsel materiële en procedurele kwesties te regelen die van belang zijn voor de aanwending van Unierechtelijke rechtsmiddelen (zoals het recht op terugbetaling of het recht op schadevergoeding krachtens het Unierecht), wanneer voor de toepassing daarvan noodzakelijke Unierechtelijke voorschriften ontbreken.’
Daarmee is de gegeven uitlegging van het gerechtshof ook gebleken onjuist. Ter rechtvaardiging van zijn oordeel verwijst het gerechtshof naar uitlegging van Uw Raad, welke uitlegging aangaande een uit het Unierecht zelf voortkomende verplichting a priori kennelijk onrechtmatig en kennelijk onverbindend en rechtsongeldig is.
Het is vaste rechtspraak van het Hof van Justitie dat in strijd met het Unierecht geheven belasting (of heffingen of rechten of anderszins) van rechtswege terugbetaald moet worden. In die gevallen vloeit de betalingsverplichting rechtstreeks voort uit het Unierecht en ontstaat zij dus van rechtswege zonder dat het recht op vergoeding afhankelijk is van een specifiek bevel tot betaling van rente over de hoofdsom (Hof van Justitie, Wörtmann, EU:C:2016:663, r.o. 70).
Conclusie:
De gegeven uitlegging van het gerechtshof is a priori onrechtmatig, nu deze in strijd met de bevoegdheidsverdeling tussen het Hof en de lidstaten tot stand is gekomen.
Daarnaast is de uitlegging ook nog eens een keer faliekant onjuist en in strijd met vaste en overvloedige uitlegging van het Hof inzake de terugbetaling van in strijd met het Unierecht geheven belasting, vermeerderd met een passende rentevergoeding.
De terugbetalingsverplichting van € 1.194,00 in casu, vloeit rechtstreeks voort uit het Unierecht en ontstaat zij dus van rechtswege zonder dat het recht op vergoeding afhankelijk is van een specifiek bevel tot betaling van rente over de hoofdsom (Hof van Justitie, Wörtmann, EU:C:2016:663, r.o. 70).
De rechtspraak van de Hoge Raad der Nederlanden is van dien aard is dat daardoor bij de justitiabelen legitieme twijfel kan ontstaan over de vraag of deze rechterlijke instantie niet gevoelig is voor externe factoren, in het bijzonder voor directe of indirecte invloed van de wetgevende en uitvoerende macht, en of deze instantie onpartijdig is ten opzichte van de met elkaar strijdende belangen en, derhalve, of deze combinatie ertoe kan leiden dat deze instelling niet de indruk geeft onafhankelijk en onpartijdig te zijn, hetgeen het vertrouwen kan ondermijnen dat de rechterlijke macht in een democratische samenleving bij deze justitiabelen moet wekken.
Het is buiten elke mogelijke twijfel verheven dat Uw Raad alle fundamentele rechtstaatbeginselen tot op het bot weet te schenden, elke keer weer opnieuw.
Het is voor mij een raadsel, net als voor veel justitiabelen in Nederland lijkt me, waarom Uw Raad geen eerlijke rechtspraak waarborgt?!
Het is niet uit te leggen dat Uw Raad in weerwil met vaste en overvloedige rechtspraak van het Hof 'een eigen interne rechtsorde creëert en handhaaft die kennelijk niet strookt met het recht van de Unie.'
Middel I is kennelijk gegrond. Het gerechtshof miskend alle fundamentele rechtstaatbeginselen, meent dat Uw Raad bevoegd is, dat de onrechtmatige en onregelmatige uitlegging van Uw Raad voorrang behoeft op de uitlegging van de exclusief bevoegde rechter en ga zo nog maar even door… Ongelooflijk!
Middel II.
Als tweede middel van cassatie stelt belanghebbende voor schending van het recht en/of verzuim van vormen, meer bepaald artikel 267, letter a VWEU, artikel 267, tweede alinea VWEU, artikel 4, lid 2 VEU, artikel 1 VEU, artikel 2 VEU, artikel 344 VWEU, artikel 47 Handvest, doordat het gerechtshof uitlegging geeft over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie, meer bepaald de heffing van griffierecht, zoals uitgelegd door het gerechtshof in r.o. 5.5.1. e.v.
Toelichting.
Het gerechtshof gaat op de stoel zitten van de exclusief bevoegde rechter, de Unierechter en legt uit dat het vooraf heffen van griffierecht (overeenkomstig artikel 8:41 Awb) terug te geven bij een gegrond beroep zonder rente, niet in strijd is met het recht van de Unie.
Het gerechtshof geeft in 5.5.2. uitlegging over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie, meer bepaald artikel 110 VWEU en legt uit dat de BPM een nationale belasting is en het lidstaten vrij staat nationale belastingen te heffen.
Het gaat hier al helemaal fout met de onbevoegde en rechtsongeldige en onverbindende uitlegging van het gerechtshof den Haag.
BPM is geen nationale belasting. Een door een lidstaat op de registratie van motorvoertuigen op zijn grondgebied met het oog op het in het verkeer brengen ervan geheven belasting, een binnenlandse belasting vormt en dus aan artikel 110 VWEU moet worden getoetst (zie in die zin arrest van 7 april 2011, Tatu, C-402/09, Jurispr. blz. 1–2711, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
De registratiebelasting BPM is een grensoverschrijdende belastingheffing, die getoetst moet worden aan artikel 110 VWEU.
Artikel 110 VWEU werkt rechtstreeks, met voorrang en hoeft niet te worden verduidelijkt door nationale bepalingen om voor justitiabelen rechten te doen ontstaan. Artikel 110 VWEU is juridisch perfect (Hof van Justitie, Alphons Lütticke, 21 juni 1966, EU:C: 1966:34, r.o. 1).
Artikel 110 VWEU behelst een discriminatieverbod dat al duidelijk en onvoorwaardelijk is te beschouwen (Hof van Justitie, Alphons Lütticke, 21 juni 1966, EU:C:1966:34, r.o. 1).
Ik ga er vanuit dat daarmee het gerechtshof de link naar het Handvest wenst te maken.
Het gerechtshof gaat verder, legt uit dat het vooraf heffen van griffierecht niet in strijd is met het recht van de Unie, en dat niet gezegd kan worden dat de hoogte van het griffierecht in het onderhavige geval een belemmering voor belanghebbende vormt, nu het griffierecht tijdig en volledig is voldaan.
Het gerechtshof miskend het recht van de Unie.
Het Hof legde uit in zijn arrest Edwards, EU:C:2013:221;
‘45
Het vereiste dat een gerechtelijke procedure niet buitensporig kostbaar is, mag door een nationale rechter derhalve niet anders worden beoordeeld al naargelang hij uitspraak doet na een procedure in eerste aanleg, een hoger beroep of een tweede hoger beroep.
46
Derhalve mag de nationale rechter, wanneer hij in het in punt 41 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte kader uitspraak moet doen over het buitensporig kostbare karakter voor de betrokkene van een gerechtelijke milieuprocedure, zich niet uitsluitend op diens economische situatie baseren, maar moet hij eveneens een objectieve analyse maken van het bedrag van de kosten. Voorts kan hij rekening houden met de situatie van de betrokken partijen, de redelijke kans van slagen van de verzoeker, het belang dat voor de verzoeker en voor de bescherming van het milieu op het spel staat, de complexiteit van het toepasselijke recht en van de toepasselijke procedure, het eventueel roekeloze karakter van de verschillende beroepstadia en het bestaan van een nationaal stelsel van rechtsbijstand of een regeling tot beperking van de proceskosten.
47
Daarentegen volstaat de omstandigheid dat de betrokkene er in de praktijk niet van is weerhouden om een rechtsvordering in te stellen, op zich niet om ervan uit te gaan dat de procedure voor hem niet buitensporig kostbaar is.’
Daar gaan we weer… Het is echt onvoorstelbaar wat er allemaal gebeurd.
Conclusie:
Het gerechtshof is gehouden het Unierecht te waarborgen. Nu griffierecht — ook in de beleving van het gerechtshof — vervat is in artikel 47 Handvest — had het gerechtshof slechts hoeven toe te passen de toets van beperkingen uit artikel 52, lid 1 Handvest.
Had het gerechtshof dat gedaan, dan had het slechts tot het oordeel kunnen komen dat griffierecht heffen, voorafgaande aan de inleiding van een geschil, teruggegeven bij een gegrond beroep zonder rentevergoeding, niet evenredig is, nu het achteraf heffen bij een ongegrond beroep veel evenrediger is en geen rentevergoeding vereist.
Als klap op de vuurpijl legt het gerechtshof uit dat dat de Nederlandse regeling niet in strijd is het recht van de Unie.
Het gerechtshof miskend dat een dergelijk oordeel voorbehouden is aan de exclusief bevoegde rechter, de Unierechter. Die is bevoegd om uit te leggen of een nationale regeling zoals artikel 8:41 Awb in strijd is met het recht van de Unie.
Middel II is kennelijk gegrond. Het gerechtshof had moeten verwijzen naar het Hof van Justitie en de prejudiciële vraag moeten stellen of het vooraf heffen van griffierecht, terug te geven bij een gegrond beroep zonder rente, evenredig is met de beperking die heffing van griffierecht impliceert, nu achteraf heffen bij een ongegrond beroep veel evenrediger is.
Ik merk op dat rechters in andere lidstaten wel oordelen dat achteraf heffen van griffierecht evenrediger is en die lidstaten heffen dan ook achteraf een bijdrage voor de rechtsbedeling.
Het was aldus geen acte clair en ook geen acte éclairé. En het was relevant voor de beslissing van het geschil, nu het gerechtshof uitlegging gaf.
Middel II is kennelijk gegrond.
Middel III.
Als derde middel van cassatie stelt belanghebbende voor schending van het recht en/of verzuim van vormen, meer bepaald artikel 47 Handvest, doordat het gerechtshof uitlegging geeft over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie en daarbij notabene vaste rechtspraak van het Hof van Justitie terzijde stelt om een voor de wetgevende en heffende autoriteit gewenste rechtsverhouding te creëren, nu het gerechtshof oordeelt dat de overschrijding van de redelijke termijn van berechting — anders dan gemachtigde stelt — niet tot een integrale proceskostenvergoeding moet leiden.
Toelichting.
Het gerechtshof miskend de rechtstreekse werking met voorrang van artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, geeft uitlegging over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie, met misbruik van bevoegdheid, en stelt vaste en overvloedige uitlegging van het Hof terzijde.
Dit is werkelijk ongekend? Wat is er in Godshemelsnaam aan de hand in dit land?
De schending van de redelijke termijn van berechting is een schending van artikel 47, tweede alinea Handvest, nu belastingzaken niet onder het bereik van het EVRM vallen en zonder schending geen schadevergoeding volgt.
Er wordt immers uitvoering gegeven aan het recht van de Unie (artikel 51, lid 1 Hand vest), nu registratiebelasting wordt geheven en registratiebelasting altijd onder het bereik van het recht van de Unie valt (Hof van Justitie, 19 december 2013, C-437/12, EU:C:2013:857, r.o. 20).
Het Hof van Justitie legt uit dat gelet op een en ander moet worden vastgesteld dat de voor de rechtbank gevoerde procedure schending van artikel 47, tweede alinea, van het Handvest oplevert, doordat de nationale autoriteiten in strijd hebben gehandeld met de vereisten rond de inachtneming van de redelijke procestermijn, hetgeen een voldoende gekwalificeerde schending vormt van een rechtsregel die ertoe strekt particulieren rechten toe te kennen (arrest van 4 juli 2000, Bergaderm en Goupil/Commissie, C-352/98 P, Jurispr. blz. 1-5291, punt 42) en de schade in causaal verband staat met de schending.
Om te beginnen moet eraan worden herinnerd dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft verklaard dat in geval van overschrijding van een redelijke procestermijn, als procedurele onregelmatigheid die inbreuk maakt op een grondrecht, voor de betrok ken partij een effectief rechtsmiddel voorhanden moet zijn waarmee zij passende genoegdoening kan krijgen (zie EHRM, arrest Kudla/Polen van 26 oktober 2000, Recueil des arrêtsetdécisions2000 XI, § 156 en 157).
Aldus is sprake van een inbreuk op een rechtstreeks werkend artikel uit het recht van de Unie, dat particulieren een recht verleend, de inbreuk is voldoende gekwalificeerd, omdat sprake is van een miskenning van de rechtspraak van het Hof inzake artikel 110 VWEU, nu het Hof heeft uitgelegd dat een lidstaat zijn binnenlands belastingstelsel zodanig moet in richten dat het in alle gevallen is uitgesloten dat er een hogere heffing kan ontstaan, en de schade staat in causaal verband met de schending.
In die gevallen moet de werkelijke proceskostenvergoeding, of iets wat het sterk benadert worden toegekend, teneinde de volle doeltreffendheid van artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie te waarborgen (Hof van Justitie, Sole-Mizo, EU:C:2019:708, r.o. 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Het gerechtshof is kennelijk niet bevoegd bindend en rechtsgeldig uitlegging te geven over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie (Hof van Justitie, 22 februari 2022, RS, EU:C:2022:99, r.o. 52 en 72). Zie ook de codificatie in het recht van de Unie, meer bepaald artikel 267, letter a VWEU.
Het gerechtshof schendt alle fundamentele rechtstaatbeginselen door;
- a)
Uitlegging te geven over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie, en
- b)
Vaste uitlegging van het Hof terzijde te stellen, en
- c)
Een proceskostenvergoeding die volgens het nationaal wettelijk systeem slechts een fractie van de kosten van rechtsbijstand beoogt te vergoeden (Hoge Raad 12 juli 2024) bevestigt, ergo deze ook nog deelt door 2 en daarmee ook nog eens het Unierechtelijk gelijkwaardigheidsbeginsel en het Unierechtelijk doeltreffendheidsbeginsel schendt!
- d)
Veel meer dan de indruk wekt gevoelig te zijn voor externe factoren, meer bepaald de invloed van de heffende en wetgevende autoriteit, en
- e)
Blijk geeft op objectieve gronden geen rechterlijke instantie in de zin van artikel 47, lid 1 Handvest te zijn.
Uw Raad moet doen wat de rechtbank en het gerechtshof hadden moeten doen.
Middel III is kennelijk gegrond.
Middel IV.
Als vierde middel van cassatie stelt belanghebbende voor schending van het recht en/of verzuim van vormen, meer bepaald artikel 47 eerste en tweede alinea Handvest, subsidiair artikel 1 van de Grondwet, doordat de Inspecteur der Rijksbelastingen in de bezwaarfase een proceskostenvergoeding volgens het lage tarief heeft toegekend, welke toekenning in rechte in stand is gebleven.
Toelichting.
Uw Raad oordeelde op 12 juli 2024 dat het lage tarief voor Rijksbelastingen in strijd is met artikel 1 van de Grondwet. Een dergelijke schending is ook een schending van artikel 47 Handvest, red. JV, waarvan akte, nu een gegrond beroep inzake het door artikel 110 VWEU beheerste geschil van registratiebelasting een Unierechtelijke grondslag heeft en leidt tot een lagere vergoeding dan nationale schendingen!
Uw Raad moet doen wat hij behoort te doen, de proceskosten in bezwaar verhogen tot het hogere tarief van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de kosten in beroep en hoger beroep evenredig toekennen.
Middel V.
Als vijfde middel van cassatie stelt belanghebbende voor schending van het recht en/of verzuim van vormen, meer bepaald artikel 47 eerste en tweede alinea Handvest, artikel 1 VEU, artikel 2 VEU, artikel 4, lid 3 VEU, artikel 344 VWEU, artikel 19 VEU, doordat het gerechtshof uitlegt dat hij niet gehouden is aan vaste uitlegging van het Hof van Justitie, nl. dat de Unierechter exclusief en bij uitzondering bevoegd is uitlegging te geven over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie, nu dat juridisch niet juist is en praktisch onuitvoerbaar.
Het gerechtshof gaat verder met zijn uitlegging en poneert dat het zich houdt aan de belangrijke uitgangspunten, maar feitelijk natuurlijk het tegenovergestelde doet.
Toelichting.
De aanval is de beste verdediging moet het gerechtshof gedacht hebben…
Het gerechtshof schendt werkelijk alle fundamentele rechtstaatbeginselen tot het niet meer kan, zo erg.
Hij rechtvaardigt zijn ernstige schendingen door te overwegen dat het praktisch onuitvoerbaar is….
Het is niet te geloven. In normaal Nederlands zegt het gerechtshof eigenlijk dat het niet gehouden is aan het recht van de Unie, aan de vaste en overvloedige uitlegging van het Hof, als dat naar zijn mening praktisch onuitvoerbaar is…….
Het is echt ongelooflijk als je dat kunt opschrijven… En dan een regel verder stellen dat je je houdt aan de belangrijke uitgangspunten…
Het Unierecht is een autonome rechtsorde, waarin de bevoegdheid tot uitlegging van de draagwijdte en de betekenis van het recht is gecodificeerd in het Unierecht zelf, namelijk in artikel 267, letter a VWEU.
Het Hof geeft uitlegging over die bepaling en daarmee is het helemaal klaar. Het Hof van Justitie is exclusief en bij uitsluiting bevoegd om uitlegging te geven over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie.
Dat volgt ook uit artikel 1 VEU, de reden waarom de Unie is opgericht;
Bij dit Verdrag richten de HOGE VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN tezamen een EUROPESE UNIE op, hierna ‘Unie’ te noemen, waaraan de lidstaten bevoegdheden toedelen om hun gemeenschappelijke doelstellingen te bereiken.
De lidstaten hebben bij de oprichting van de Unie de lidstaten de exclusieve, onomkeerbare en definitieve bevoegdheid toebedeeld om uitlegging te geven over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie, teneinde hun gemeenschappelijke doelstellingen te bereiken, zoals daar o.m. zijn;
- —
de ontwikkeling van de universele waarden van de onschendbare en onvervreemdbare rechten van de mens en van vrijheid, democratie, gelijkheid en de rechtsstaat;
- —
de beëindiging van de deling van het Europese continent en de noodzaak solide grondslagen voor de opbouw van het toekomstige Europa te leggen,
- —
hun gehechtheid aan de beginselen van vrijheid, democratie en eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden en van de rechtsstaat,
- —
de democratische en doelmatige werking van de instellingen verder te ontwikkelen, teneinde hen in staat te stellen de hun toevertrouwde taken beter uit te voeren, in één enkel institutioneel kader,
- —
de versterking en de convergentie van hun economieën te verwezenlijken en een economische en monetaire unie tot stand te brengen met, overeenkomstig het bepaalde in dit Verdrag en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, één enkele en stabiele munteenheid,
- —
de economische en sociale vooruitgang van hun volkeren te bevorderen, met inacht neming van het beginsel van duurzame ontwikkeling en in het kader van de voltooiing van de interne markt en van versterkte cohesie en milieubescherming, en een beleid te voeren dat er borg voor staat dat de vooruitgang op het gebied van de economische integratie en de vooruitgang op andere terreinen gelijke tred met elkaar houden,
Daartoe hebben de lidstaten besloten het Hof de fundamentele taak uit te oefenen die het is opgedragen bij artikel 19, lid 1, eerste alinea, VEU, om de ‘eerbiediging van het recht bij de uitlegging en toepassing van de Verdragen’ te verzekeren.
Het Hof moet de eenvormige en eenduidige uitlegging waarborgen en daartoe is uiteraard geen enkele ruimte voor een nationale rechterlijke instantie om het Unierecht uit te leggen, omdat daarmee uiteenlopende uitlegging — een fundamenteel beginsel van de Unie — wordt geriskeerd.
Het gerechtshof schendt alle fundamentele rechtstaatbeginselen en meent er een niet toe doende — rechtsongeldige en onverbindende — rechtvaardiging voor te hebben die kennelijk niet strookt met het recht van de Unie.
De rechtspraak van gerechtshof den Haag is van dien aard is dat daardoor bij de justitiabelen legitieme twijfel kan ontstaan over de vraag of deze rechterlijke instantie niet gevoelig is voor externe factoren, in het bijzonder voor directe of indirecte invloed van de wetgevende en uitvoerende macht, en of deze instantie onpartijdig is ten opzichte van de met elkaar strijdende belangen en, derhalve, of deze combinatie ertoe kan leiden dat deze instelling niet de indruk geeft onafhankelijk en onpartijdig te zijn, hetgeen het vertrouwen kan ondermijnen dat de rechterlijke macht in een democratische samenleving bij deze justitiabelen moet wekken.
Tot slot.
Dit cassatieberoep maakt maar weer eens ondubbelzinnig duidelijk hoe de rechtsstaat in lidstaat Nederland tot een ongekend bedenkelijk niveau is afgedaald. Alle fundamenten van de rechtstaat worden met voeten getreden door de bevoegde, nationale rechterlijke instanties.
Mooi voorbeeld is ook de bij het Hof aanhangige procedure C-767/23 (Remling) waarin de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State het Hof bevraagt. Het antwoord is op voorhand kenbaar, Nederland schendt al jarenlang de meest fundamentele rechtstaatbeginselen van het recht van de Unie, is niet loyaal en niet onafhankelijk en niet onpartijdig in de zin van artikel 47 Handvest, al dan niet gelezen in samenhang met artikel 267 VWEU.
Het is te triestig voor woorden dat fundamentele grondrechten blijkbaar geen enkele daadwerkelijke waarde hebben in lidstaat Nederland. Het is de ene schending aan de andere rijgen en de burger ontdoen van zijn rechten.
Eindelijk na 36 jaar schending krijgt het Hof de gelegenheid recht te spreken over de praktijken in lidstaat Nederland van de hoogste rechtscolleges!!
Moge het Hof hem behagen duidelijk recht te spreken en mijn stellingen en weren in volle omvang te bevestigen, namelijk dat het is uitgesloten dat de rechter in laatste aanleg over een discretionaire bevoegdheid beschikt om uit te maken of de door partijen opgeworpen vraag al dan niet gegrond is, of om te beslissen of het voor de uitspraak relevante punt van gemeenschapsrecht door hemzelf dan wel door het Hof van Justitie moet worden beoordeeld.
Dat dat slechts anders is wanneer sprake is van de 3 uitzonderingen en wanneer de nationale rechter afziet van zijn wettelijke verwijzingsplicht uit de motivering van de beslissing moet blijken dat de gegeven oplossing buiten elke redelijke twijfel even evident is voor het Hof en rechters in andere lidstaten.
Idem voor de uitlegging die het gerechtshof heeft in deze kwestie. Het gerechtshof acht zich niet gehouden aan de vaste uitlegging van het Hof van Justitie omdat dat ‘praktisch onuitvoerbaar is’. Echt ongelooflijk datje dat als ‘rechter’ durft op te schrijven en durft uit te dragen, volkomen respectloos jegens alles en nog wat.
En dan een regeltje verder typen datje de belangrijke uitgangspunten van het Unierecht respecteert, terwijl je een arrest de ene fundamentele schending na de andere pleegt…
Het is echt ongelooflijk voor de justitiabele die banden heeft met lidstaat Nederland. Lidstaat Nederland schendt de fundamentele beginselen van het recht van de Unie en meent in de praktische onuitvoerbaarheid een rechtvaardiging te vinden. Echt ongekend ongelooflijk in de 21e eeuw…
Moge het Hof hem behagen Nederland te duiden als een lidstaat die niet behept is met rechters die voldoen aan de vereiste van artikel 47, lid 1 Handvest.
Nog een klein jaar en we weten het zeker. Zeker is alvast dat Nederland 36 jaar het recht van de Unie geschonden heeft, alle fundamentele rechtstaatbeginselen geschonden heeft, een rechtvaardiging zoekt en vindt in het EVRM, maar het EVRM is geen Unierecht, nu het Unierecht volstrekt anders georganiseerd is dan het EVRM.
Nog nooit in de historie van de Unie is komen vast te staan dat een lidstaat massaal en in ongekende omvang verzaakt in zijn wettelijke verwijzingsplicht!
Het is van het grootste belang dat lidstaat Nederland tot de orde geroepen wordt door het Hof van Justitie (en mogelijk onder verscherpt toezicht wordt geplaatst).
Dan kan de uitkomst slechts zijn dat er geheel geen enkele rechtsstaat bestaat in Nederland, dat alles is voor ‘het oog van het kerkvolk’ en de burger, zoals in casu, van zijn Unierechtelijke aanspraken ontdaan wordt middels een interne rechtsorde die kennelijk niet strookt met het recht van de Unie.
Wij moeten in lidstaat Nederland naar een daadwerkelijk effectief, eerlijk proces in rechte voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. De rechtsstaat is een fundamenteel beginsel van onze samenleving, die — door mij aangetoond en bewezen — in lidstaat Nederland de nodige gebreken kent.
Alle uitlegging over de draagwijdte en de betekenis van bepalingen van Unierecht door nationale rechterlijke instanties is;
- —
rechtsongeldig,
- —
onverbindend,
- —
onrechtmatig,
- —
met misbruik van recht en misbruik van bevoegdheid tot stand gekomen, en
- —
kan geen kracht van gewijsde verkrijgen doordat de nationale beslissing in strijd met de verdeling van de bevoegdheden tussen de lidstaten en de Europese Unie was gegeven.