Beheer van familievermogen door middel van certificering
Einde inhoudsopgave
Beheer van familievermogen door middel van certificering (AN nr. 185) 2024/6.5.2:6.5.2 Gevolgen van overlijden van de certificaathouder
Beheer van familievermogen door middel van certificering (AN nr. 185) 2024/6.5.2
6.5.2 Gevolgen van overlijden van de certificaathouder
Documentgegevens:
mr. A.M. Steegmans, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. A.M. Steegmans
- JCDI
JCDI:ADS958030:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De wetgever gaf aan: “Het gaat immers niet aan, de legitimaris te dwingen genoegen te nemen met het legaat van een dubieuze of pas na geruime tijd inbare vordering.” Kamerstukken II 1962/63, 3771, nr. 6, p. 52.
Hij heeft dan wel de mogelijkheid tot opleg, waardoor hij alsnog alle certificaten krijgt uitgekeerd. Art. 4:122 lid 1. Hij moet dan wel over voldoende middelen beschikken om de opleg uit te kunnen voldoen.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zowel vanuit de verhouding tussen de stak als juridisch rechthebbende en de certificaathouder als economisch belanghebbende als vanuit de verhouding tussen de certificaathouders onderling maakt het voor de gevolgen van het overlijden van de certificaathouders geen verschil welk goed is gecertificeerd. Voor de mogelijke invloed vanuit deze verhoudingen bij het overlijden van de certificaathouder, wordt verwezen naar paragraaf 6.5.2.2.
Ook maakt het voor de invloed die de certificaathouder als testateur kan uitoefenen niet uit welke goederen zijn gecertificeerd. Er is geen verschil in de uiterste wilsbeschikkingen die hij ten aanzien van de certificaten kan maken.
In de acties die de nabestaanden hebben, zijn wel verschillen zichtbaar. Allereerst ten aanzien van de beoogde opvolgend certificaathouder die de certificaten niet wil ontvangen. In onderdeel I van paragraaf 5.5.2.2.4 is beschreven wat de gevolgen zijn als de beoogd opvolger een legaat van certificaten verwerpt. In dat geval kan hij een beroep op zijn legitieme portie doen. Omdat het certificaat een vorderingsrecht is, is er sprake van een inferieur legaat. De beoogd opvolgend certificaathouder kan dit legaat verwerpen, zonder dat de waarde van het legaat in mindering komt op zijn legitieme portie. Aan de orde is reeds gekomen in hoeverre het terecht is dat certificaten van aandelen onder de categorie vorderingsrechten vallen van art. 4:73 lid 1 BW. Het certificaat omvat meer dan een eenvoudig vorderingsrecht. Dit is onder andere vanwege het feit dat het certificaat recht geeft op meerdere categorieën uitkeringen. Bij certificaten van aandelen hebben de certificaathouders in elk geval recht op de dividenduitkeringen die op de aandelen worden uitgekeerd. Hetzelfde zal ook gelden bij certificaten van belegd vermogen op het moment dat dat vermogen opbrengsten genereert. Afhankelijk van de inhoud van de administratievoorwaarden kunnen de opbrengsten aan de certificaathouders toekomen. Bij certificering van onroerend goed en kunst zal er niet snel sprake zijn van regelmatig terugkerende opbrengsten die aan de certificaathouders ten goede komen. In theorie zou bij verkoop van de zaak een uitkering aan de certificaathouders kunnen plaatsvinden, maar dat druist in tegen het idee van behoud van de zaak. Decertificering levert in dit geval een aandeel in de zaak op, maar de vraag is of decertificering mogelijk is en de certificaathouder het een verbetering vindt dat hij in plaats van een certificaat een aandeel in de onderliggende zaak ontvangt. Tot slot geldt voor deze certificaten, net als voor certificaten van aandelen binnen een familie, dat de mogelijkheden tot overdragen van de certificaten beperkt kunnen zijn.
Op grond van het bovenstaande kan verdedigd worden dat de certificaten van onroerend goed en van kunst dichter tegen het doel van de wetgever aanliggen om vorderingsrechten als inferieure legaten aan te merken.1 Het is niet zozeer dat het certificaat als dubieus vorderingsrecht zal worden aangemerkt, maar verdedigd zou kunnen worden dat het gaat om een pas na geruime tijd inbare vordering.
Mogelijk heeft dus het soort goed dat gecertificeerd wordt invloed op het antwoord op de vraag of een legaat van certificaten als inferieur moet worden aangemerkt.
Naast een verschil in de mogelijke acties van de beoogd opvolgend certificaathouder, is er ook een verschil zichtbaar vanuit de mogelijke acties van overige afstammelingen. In onderdeel II van paragraaf 5.5.2.2.4 werd de mogelijkheid beschreven dat de erflater aan zijn kinderen die geen certificaten uit de nalatenschap ontvangen een legaat toekent ter grootte van een gedeelte van de waarde van de certificaten. Daarbij bepaalt de erflater dat deze legaten ten laste van het kind komen dat alle certificaten gelegateerd heeft gekregen. Om ervoor te zorgen dat de beoogd opvolgend certificaathouder deze sublegaten ook daadwerkelijk kan uitkeren, kan de erflater bepalen dat de sublegaten in termijnen mogen worden voldaan.
De geldlegaten in termijnen zijn inferieur op grond van art. 4:73 lid 1 sub c voor zover ze later dan zes maanden opeisbaar zijn. In onderdeel II van paragraaf 5.5.2.2.4 is beschreven dat door de toepassing van art. 4:74 BW deze legaten mogelijk alsnog niet inferieur zijn. Voor de toepassing van art. 4:74 BW moet er sprake zijn van een beroep of bedrijf van de erflater. Dit artikel is daarom niet toepasselijk in het geval van onroerend goed, kunst of belegd vermogen dat is gecertificeerd. De geldlegaten in termijnen zullen in deze situatie in alle gevallen inferieur blijven. Een legitimaris kan dit inferieure legaat straffeloos verwerpen. De waarde van het legaat komt niet in mindering op zijn legitieme portie. Komt de uitkering van de legitieme portie mede ten laste van de beoogd opvolgend certificaathouder, dan wordt zijn legaat van certificaten mogelijk ingekort.2
Tot slot is nog verschil aanwezig in de situatie dat de erflater geen testament heeft gemaakt en één van de kinderen van de erflater graag de certificaten zou willen ontvangen. In onderdeel II van paragraaf 5.5.2.2.4 is aangegeven dat degene die certificaathouder wenst te worden in dat geval een beroep op art. 4:38 BW kan doen. Dit beroep is niet mogelijk in het geval onroerend goed, kunst of belegd vermogen is gecertificeerd. In die gevallen is geen sprake van een onderneming die door de erflater werd uitgeoefend.