De aanvulling op het verkorte arrest bevat een aanvullende bewijsoverweging, waaruit blijkt dat in plaats van ‘2 januari 2019’ dient te worden gelezen: ‘29 januari 2019’.
HR, 16-01-2024, nr. 22/00192
ECLI:NL:HR:2024:27
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
16-01-2024
- Zaaknummer
22/00192
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:27, Uitspraak, Hoge Raad, 16‑01‑2024; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2022:2119
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:1118
ECLI:NL:PHR:2023:1118, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 12‑12‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:27
- Vindplaatsen
Uitspraak 16‑01‑2024
Inhoudsindicatie
Witwassen van geldbedrag (€ 4.455,60), art. 420bis.1.b Sr. Bewijsklacht. Kon hof verklaring van verdachte, die inhoudt dat verdachte zich op zwijgrecht beroept, voor bewijs gebruiken? HR: art. 81.1 RO.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/00192
Datum 16 januari 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 19 januari 2022, nummer 20-003033-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, S. van den Akker en M.J. van Berlo, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 januari 2024.
Conclusie 12‑12‑2023
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Witwassen (art. 420bis Sr). Hof heeft i.s.m. art. 29.1 Sv beroep op zwijgrecht door verdachte voor bewijs gebruikt. Gegrondheid middel hoeft niet tot vernietiging uitspraak te leiden, omdat bewezenverklaring ook met weglating van desbetreffend bewijsmiddel toereikend is gemotiveerd, zodat verdachte onvoldoende rechtens te respecteren belang heeft bij vernietiging bestreden uitspraak. Ambtshalve: overschrijding redelijke termijn in cassatie. Volstaan kan worden met constatering overschrijding. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/00192
Zitting 12 december 2023
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,
hierna: de verdachte.
Inleiding
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 19 januari 2022 het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant van 30 september 2019 bevestigd met verbetering en aanvulling van gronden. Bij dat vonnis is de verdachte wegens 1. “opzettelijk en wederrechtelijk gebruik maken van een niet op zijn naam gesteld identiteitsbewijs” en 2. “witwassen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden. Daarnaast is een beslissing genomen over inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, een en ander zoals in het vonnis omschreven.
Namens de verdachte hebben S. van den Akker, R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, allen advocaat te Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel
3. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring – ik begrijp: van het onder 2 tenlastegelegde feit – onvoldoende met redenen is omkleed, nu het hof een verklaring van de verdachte voor het bewijs heeft gebruikt die inhoudt dat de verdachte zich op zijn zwijgrecht beroept.
4. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat hij:
“op 28 januari 2019 te ’s-Hertogenbosch, een voorwerp, te weten een geldbedrag (totaal 4555,60 euro), voorhanden gehad, terwijl hij wist, dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf;”
5. Het hof heeft in de aanvulling op het verkorte arrest met betrekking tot het onder 2 bewezenverklaarde feit het volgende (onderdeel van) het proces-verbaal van verhoor van de verdachte als bewijsmiddel opgenomen:
“6. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 29 januari 2019 ( p. 18-20 van het politiedossier) voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte [verdachte]:
V = vraag verbalisanten
A = antwoord verdachte
V: Hoe heet je, hoe oud ben je?
A: [verdachte], op [geboortedatum] 2000 geboren.
V: Werk en/of studeer je?
A: Ik werk bij een postbedrijf. Voor de rest beroep ik me allemaal op mijn zwijgrecht.
V: Heb je inkomen?
A: Zwijgrecht.”
6. De bewijsoverwegingen van het hof luiden onder meer als volgt:
“[…]
Het hof stelt vast dat het onderzoek in deze strafzaak geen direct bewijs heeft opgeleverd dat het geldbedrag van € 4.455,60, zoals omschreven in de tenlastelegging, van een concreet aangeduid misdrijf afkomstig is. Het hof dient daarom vast te stellen of de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt het volgende.
De verdachte reed op de ten laste gelegde datum, kort voor middernacht, als bestuurder van een personenauto van het merk BMW in een woonwijk in ’s-Hertogenbosch toen hij een stopteken van de politie kreeg. De verdachte voldeed niet onmiddellijk aan het stopteken, maar reed nog een stuk door voordat hij zijn auto tot stilstand bracht. Nadat van hem het rijbewijs was gevorderd, overhandigde hij een rijbewijs dat op naam was gesteld van een ander, te weten: [betrokkene 1], geboren [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats].
De politie zag dat er in de auto een gripzakje lag, waarin een brokje hasj bleek te zitten. De politie besloot vervolgens om het voertuig op de grond van de Opiumwet te controleren, waarna de verdachte op vordering van de politie uit het voertuig stapte. Na vordering tot de uitgifte van alle verdovende middelen, pakte de verdachte een gripzakje met meerdere henneptoppen uit de auto en overhandigde hij dat aan de politie. Nadat tegen de verdachte vervolgens was gezegd dat hij zou worden gefouilleerd op grond van de Opiumwet, herhaalde hij meermaals de woorden: “Op grond waarvan gaan jullie mij fouilleren, dat mag helemaal niet”. Kort daarop gaf hij één van de verbalisanten een duw en rende hij weg van zijn auto, de woonwijk in. Na een achtervolging, lukte het de politie om de verdachte aan te houden door hem bij zijn voet te pakken toen hij over tuindeur in de achtertuin van een woning probeerde te klimmen. De verdachte hing daarbij met zijn gehele bovenlichaam over deze deur en maakte veel bewegingen, waarna hij door de verbalisanten in de brandgang kon worden getrokken. Door de politie werden kort daarop achter de betreffende schutting in de tuin van de woning 87 biljetten van 50 euro aangetroffen, waarvan de verdachte heeft verklaard dat hij die daar had neergegooid om te voorkomen dat het geld in beslag werd genomen. Bij de latere fouillering van verdachte werd nog een biljet van 100 euro en muntgeld ter waarde van totaal € 5,60 aangetroffen, zodat het totale bedrag dat onder de verdachte werd aangetroffen € 4.455,60 bedraagt.
Tijdens zijn verhoren bij de politie op 2 januari 20191.heeft de verdachte verklaard dat hij bij een postbedrijf werkt maar met betrekking tot overige vragen over zijn inkomen en de herkomst van het geld zich beroepen op zijn zwijgrecht. Eerst ter terechtzitting in eerste aanleg heeft hij de hierboven weergegeven verklaring afgelegd.
Bij de beantwoording van de vraag of het niet anders kan zijn dan voormeld geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is, kan mede acht worden geslagen op de door de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU-Nederland) vastgestelde lijst met zogenaamde witwastypologieën. Het gaat hierbij om min of meer objectieve kenmerken die, naar de ervaring leert, duiden op het witwassen van opbrengsten van misdrijven. Uit de hiervoor gerelateerde bevindingen rijst het vermoeden dat op de verdachte de volgende witwastypologieën van toepassing zijn:
- bij fysiek vervoer van grote bedragen in contanten: het fysiek vervoeren van grote bedragen in contanten brengt een aanzienlijk veiligheidsrisico met zich;
- het voorhanden hebben van grote hoeveelheden contant geld, zonder noodzaak daartoe op grond van bedrijf of beroep;
- het feit dat de handel in verdovende middelen veel geld in kleine coupures oplevert.
Gelet op de feiten en omstandigheden waaronder het geldbedrag bij de verdachte is aangetroffen is het hof van oordeel dat er voldoende aanwijzingen zijn die het vermoeden rechtvaardigen dat het geldbedrag van 6 4.455,60 uit enig misdrijf afkomstig is, zodat van de verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het geld niet van misdrijf afkomstig is.
Het hof is van oordeel dat de verklaring die de verdachte daarover heeft gegeven niet als zo'n verklaring kan worden aangemerkt. Het hof overweegt daartoe dat het onduidelijk is gebleven -en niet door de verdediging onderbouwd- welke auto en op welk moment deze door [betrokkene 2] is verkocht. Daarnaast acht het hof het onwaarschijnlijk dat [betrokkene 2] een dergelijk groot geldbedrag zou bewaren in het handschoenenvak van een huurauto in plaats van op een veilige, afgesloten plaats in de woning of bij een bancaire instelling. Ook kan niet worden geverifieerd op wiens naam het bankrekeningnummer van het door de verdediging in het geding gebrachte rekeningafschrift met daarop een bankoverschrijving t.b.v. [betrokkene 3] ad € 5.000,00. In dat kader is van belang dat in een eerder klaagschrift namens [betrokkene 3] is gesteld dat het onder de verdachte in beslag genomen geld van hem was, als zijnde op zijn rekening gestort door het Waarborgfonds Motorverkeer op 25 april 2018 en dat het op het ter zitting overgelegde rekeningafschrift vermelde geldbedrag kennelijk afkomstig is van het Waarborgfonds Motorverkeer, terwijl het onder verdachte in beslag genomen geldbedrag afkomstig zou zijn van de verkoop van een auto door zijn zus. Dit (overgeschreven) geld op de rekening van (kennelijk) [betrokkene 3] is dus niet het(zelfde) geld dat bij de verdachte is aangetroffen en zegt dus niets over de herkomst van het in de tenlastelegging genoemde geldbedrag.
Op grond van het vorenstaande acht het hof de verklaring van de verdachte over de herkomst van het geldbedrag, niet een verklaring die als voldoende concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk kan worden aangemerkt. Het aldus door de verdachte geboden tegenwicht tegen de verdenking van witwassen geeft onvoldoende aanleiding tot een nader onderzoek door het openbaar ministerie.
Op grond van de bovengenoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien met hetgeen overigens uit de bewijsmiddelen volgt, komt het hof tot de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat het ten laste gelegde geldbedrag van € 4.455,60 dat onder de verdachte in beslag is genomen, onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is en dat de verdachte daarvan op de hoogte was. Het hof komt daarmee tot een bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde.”
7. Bij de bespreking van het middel moet worden vooropgesteld dat vaste rechtspraak inhoudt dat, mede gelet op het bepaalde in art. 29 lid 1 Sv, de omstandigheid dat een verdachte weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden op zichzelf niet tot het bewijs kan bijdragen.2.Een verklaring van de verdachte die inhoudt dat hij zich op zijn zwijgrecht beroept, mag dus niet voor het bewijs worden gebruikt.3.Wel mag de rechter het feit dat de verdachte voor een omstandigheid die redengevend moet worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring heeft gegeven, in zijn bewijsoverwegingen betrekken.4.
8. Het hof heeft het onder 5 weergegeven (onderdeel van) het proces-verbaal van verhoor van de verdachte als bewijsmiddel opgenomen in de aanvulling op het verkorte arrest en heeft daarmee de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde ten onrechte mede doen steunen op de omstandigheid dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van zijn zwijgrecht. Het middel klaagt daarover terecht.
9. Dit hoeft echter niet tot vernietiging van de bestreden uitspraak te leiden, omdat, gelet op de overige gebruikte bewijsmiddelen, de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde feit ook toereikend is gemotiveerd wanneer bewijsmiddel 6 wordt weggelaten.5.Ik zal dat toelichten. Het hof heeft kort gezegd bewezenverklaard dat de verdachte een geldbedrag voorhanden heeft gehad terwijl hij wist dat dit geldbedrag afkomstig was uit enig misdrijf. De Hoge Raad heeft onder meer in zijn arrest van 30 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:772, over het bewijs van het bestanddeel “afkomstig is uit enig misdrijf” in de zin van de witwasbepalingen als volgt geoordeeld:
“2.3.2 Dat een voorwerp “afkomstig is uit enig misdrijf”, kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.
2.3.3 Als de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. […]
Als zo’n verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen over het bewijs. (Vgl. HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352.)”
10. Hieruit volgt dat het voor een bewezenverklaring van witwassen voldoende is dat het op grond van feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Deze feiten en omstandigheden moeten blijken uit de beschikbare bewijsmiddelen. De rechter mag daarnaast in zijn bewijsoverwegingen meewegen dat de verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is, maar het uitblijven van een dergelijke verklaring hoeft niet uit de bewijsmiddelen te blijken.
11. In deze zaak heeft het hof, zo blijkt uit de onder 6 weergegeven bewijsoverwegingen, op grond van de feiten en omstandigheden waaronder het geldbedrag bij de verdachte is aangetroffen, geoordeeld dat er voldoende aanwijzingen zijn die het vermoeden rechtvaardigen dat het geldbedrag van € 4.455,60 uit enig misdrijf afkomstig is, zodat van de verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het geld niet van misdrijf afkomstig is. Het hof heeft vervolgens overwogen dat de verklaring die de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg heeft afgelegd, niet als een dergelijke verklaring kan worden aangemerkt, zodat het aldus door de verdachte geboden tegenwicht tegen de verdenking van witwassen onvoldoende aanleiding geeft tot een nader onderzoek door het openbaar ministerie en het niet anders kan zijn dan dat het ten laste gelegde geldbedrag van enig misdrijf afkomstig is. De feiten en omstandigheden waaronder het geldbedrag bij de verdachte is aangetroffen – waaruit het hof afleidt dat het niet anders kan zijn dan dat het geldbedrag van misdrijf afkomstig is –, blijken uit de door het hof voor het bewijs gebruikte processen-verbaal van bevindingen (bewijsmiddel 2 en 3). Gelet daarop, is de bewezenverklaring ook met weglating van bewijsmiddel 6 toereikend gemotiveerd en heeft de verdachte onvoldoende rechtens te respecteren belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak.
12. Het middel is tevergeefs voorgesteld.
Slotsom
13. Het middel is tevergeefs voorgesteld en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
14. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad naar verwachting uitspraak zal doen meer dan twee jaren nadat cassatie is ingesteld, zodat in de cassatiefase inbreuk gemaakt wordt op het in art. 6 lid 1 EVRM neergelegde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Gelet op de duur van de opgelegde gevangenisstraf en de mate waarin de redelijke termijn naar verwachting zal worden overschreden, zal er geen aanleiding zijn om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en kan de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.6.
15. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 12‑12‑2023
Zie o.a. HR 16 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2764, r.o. 2.3; HR 5 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7372, r.o. 3.4; HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9637, r.o. 5.2; HR 3 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0733, r.o. 6.2 en HR 12 maart 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0404, NJ 1996/539, m.nt. T.M. Schalken, r.o. 5.2.
Om deze reden werd gecasseerd in o.a. HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9637; HR 15 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9639 en HR 16 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2764, r.o. 2.3.
Zie o.a. HR 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1864, NJ 2023/101, m.nt. W.H. Vellinga, r.o. 3.2.3.
Vgl. HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3193, r.o. 2.4.2 en HR 20 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1167, NJ 2014/382, m.nt. B.F. Keulen, r.o. 3.6.
Vgl. HR 1 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1561.