Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden
Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/III.3.3:III.3.3 Objectieve bestanddelen
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/III.3.3
III.3.3 Objectieve bestanddelen
Documentgegevens:
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460334:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
MvT, Kamerstukken II 2003/2004, 29702, 3, p. 77.
De formulering gebodsbepaling verdient overigens geen schoonheidsprijs, het onderwerp van de persoonsvorm is afwisselend de storing en de stookinstallatie.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zoals de naam doet vermoeden, zien objectieve bestanddelen op objectieve omstandigheden die een situatie onrechtmatig maken. Het kan hierbij gaan om een bepaald soort handelen of nalaten, maar ook om een bepaald soort gevolg of toestand. Het gaat met andere worden om een verplichting; iets dat moet- of juist niet mag gebeuren. Het begrip ‘gedraging’ in de bestuursrechtelijke definitie van overtreding (art. 5:1 lid 1 Awb) dient dan ook ruim te worden uitgelegd; ook door nalaten kan een bestuursrechtelijk voorschrift worden overtreden.1 Een voorschrift kan (en zal doorgaans) meerdere objectieve bestanddelen bevatten. Het geheel aan objectieve bestanddelen van een voorschrift, wordt de ‘objectieve zijde’ genoemd.
Een voorbeeld kan verduidelijken welke verschillende verschijningsvormen er zijn van objectieve bestanddelen. Neem artikel 3.10g van het Activiteitenbesluit Milieubeheer, met betrekking tot het in werking hebben van een middelgrote stookinstallatie, gestookt op een standaard brandstof:
Lid 1: “Een stookinstallatie waarvan het rookgas vanwege een storing niet voldoet aan de emissiegrenswaarden die op grond van deze paragraaf voor die stookinstallatie gelden, wordt zo spoedig mogelijk opgelost en mag ten hoogste 120 achtereenvolgende uren na het optreden van de storing in gebruik blijven (...).2
Lid 2: Indien een storing als bedoeld in het eerste lid niet binnen 120 uur op een zodanige wijze is opgeheven dat het rookgas van de stookinstallatie weer aan de van toepassing zijnde emissiegrenswaarden voldoet, wordt de stookinstallatie door de drijver van de inrichting buiten bedrijf gesteld.”
Artikel 3.10g lid Abm omschrijft eerst een bepaald soort situatie (overschrijding emissiegrenswaarden door een storing), en koppelt daaraan een geboden gedraging (het zo spoedig mogelijk oplossen van de storing) vergezeld van een randvoorwaarde (ten hoogste 120 uur in gebruik houden boven emissiegrenswaarden). Zo bezien heeft artikel 3.10g lid 1 Abm drie objectieve bestanddelen.
Wie goed kijkt ziet dat de objectieve bestanddelen anders kunnen worden ingedeeld, of dat de bestanddelen zelf weer kunnen bestaan uit verschillende onderdelen. Voor een situatie als bedoeld in artikel 3.10g Abm moet er sprake zijn van rookgas; dat rookgas moet afkomstig zijn van een (in artikel 3.7 Abm aangewezen) stookinstallatie; de oorzaak van het rookgas moet een storing zijn; en het rookgas moet de emissiegrenswaarden (genoemd in artikel 3.10f Abm) overschrijden. Voor de betekenis van de objectieve zijde van het voorschrift maakt de indeling niet uit, zolang alle onderdelen maar worden nagelopen. Het herkennen van verschillende objectieve bestanddelen en verschillende onderdelen is een hulpmiddel om na te gaan of een concrete situatie beantwoordt aan de objectieve zijde van een voorschrift.
Indien één van de onderdelen niet wordt vervuld – bijvoorbeeld omdat het rookgas niet gerelateerd is aan de storing, of omdat het rookgas onder de emissiegrenswaarden blijft – is er géén sprake van een situatie zoals omschreven in artikel 3.10g lid 1 Abm, en dan is dat objectieve bestanddeel niet vervuld, met als gevolg dat er reeds daarom geen sprake is van een overtreding van artikel 3.10g Abm.
Als er wel sprake is van een dergelijke situatie, moet op grond van lid 1 en lid 2 op een bepaalde manier gehandeld worden. De storing moet zo spoedig mogelijk worden opgelost; de oplossing moet ervoor zorgen dat het rookgas voldoet aan de emissiegrenswaarden; en na de storing mag de stookinstallatie ten hoogste 120 uur in gebruik blijven; anders moet de stookinstallatie buiten bedrijf worden gesteld.
Omdat het een gebod betreft, is afwijking van de in artikel 3.10g Abm omschreven gedraging verboden. Stel bijvoorbeeld dat de storing binnen 120 uur wordt opgelost, maar dat de oplossing niet ‘zo spoedig mogelijk’ was, dan is de gedraging alsnog niet conform het gebod uit lid 1, en dus verboden. Stel dat de storing pas na 150 uur wordt opgelost, en de stookinstallatie niet na 120 uur buiten bedrijf is gesteld maar ondanks de overschrijding van de emissiegrenswaarden in gebruik blijft, dan is dit ook in strijd met het gebod van lid 1 en 2.