Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/6.3.6.2
6.3.6.2 Geen rechtsmiddelen mogelijk tegen beslissing van de lagere rechter
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS577104:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 5.5.
Zie over rolbeschikkingen Snijders & Wendels 2003, nr. 41; Snijders, Ynzonides & Meijer 2002, nr. 141; Wiersma 1998, nr. 116 e.v.; Ras 1966, nrs. 51-53.
Zie Snijders & Wendels 2003, nr. 41; Wiersma 1998, nr. 117. Ten aanzien van bepaalde rolbeslissingen bepaalt de wet met zoveel woorden dat daartegen geen hogere voorziening openstaat (zie bijv. art. 130 lid 2 Rv inzake het bezwaar tegen een eiswijziging).
Zie bijv. HR 1 mei 1998 (Malenstein/Van den Berg), NJ 1998, 622.
Zie bijv. HR 10 september 1993 (Fonville/Woningbouwvereniging), NJ 1994,507 m.nt. HJS; HR 28 juni 1996 (De Nieuwe Woning/Staat), NJ 1997,495 m.nt. HJS; HR 4 april 1997 (Van Schaik/Verboom), NJ 1998, 220 m.nt. HJS.
Zie HR 1 mei 1998 (Maatschap voor Fysiotherapie/Diepeveen), NJ 1999, 563 m.nt. HJS.
Zie Hof 's-Gravenhage 19 maart 1996, N] 1997, 362.
Zie HR 16 november 2001 (Ajax/Valk), NJ 2002, 401 m.nt. HJS.
Zie hierover Snijders, Ynzonides & Meijer 2002, nr. 141; Wiersma 1998, nrs. 132-133.
Tenzij de rolrechter de verleende akte van niet-dienen nadien nog zou herroepen. Dit is echter slechts mogelijk indien bijzondere omstandigheden gebondenheid van de rechter aan deze eindbeslissing onaanvaardbaar zouden maken (zie HR 1 mei 1998 (Maatschap voor Fysiotherapie/Diepeveen), NJ 1999, 563 m.nt. HJS en HR 4 april 1997 (Van Schaik/ Verboom), N] 1998,220 m.nt. HJS; zie in dit verband ook Hof Amsterdam 7 juni 2001, JBPr 2003, 45 m.nt. K. Teuben onder JBPr 2003, 50 alsmede Ktr. Heerlen 29 januari 2003, JBPr 2003, 50 m.nt. K. Teuben).
Zie over het onderscheid tussen principaal en exceptief verweer Snijders, Ynzonides & Meijer 2002, nr. 144; Hugenholtz/Heemskerk 2002, nr. 66.
Zie met name HR 16 april 1993 (Van der Belt/De Open Ankh), NJ 1993, 654 m.nt. HER onder NJ 1993, 655; HR 7 mei 1993 (Meulen/Keijsers), NJ 1993, 655 m.n.t HER, en meer recent in dezelfde zin HR 1 februari 2002, NJ 2003,655 m.nt. DA. Zie voorts Ras/Hammer-stein 2001, nrs. 65-73.
Zie over deze rechtersregeling § 2.7.
Zie § 4.4.4.4.
Zie hierover § 5.2.3.4.
Zie voor een uitgebreid overzicht Scholtens 2002b.
Eerder kwam al aan de orde, dat het van de thans bestaande rechtersregelingen met name de diverse - landelijke dan wel plaatselijke - rolreglementen zijn, die aan alle eisen voor recht in de zin van art. 79 RO voldoen.1 Beslissingen die de rechter op grond van een rolreglement neemt (bijvoorbeeld een beslissing op het bezwaar tegen een eiswijziging ex art. 130 Rv, de bepaling of verlenging van termijnen of de bepaling van een datum voor een comparitie of pleidooi), zijn echter in veel gevallen te beschouwen als 'rolbeschikkingen': administratieve maatregelen van ondergeschikte betekenis, die enkel worden genomen ter bevordering van een behoorlijke rechtspraak en ter verzekering van de geregelde loop der zaak.2 Aangenomen wordt dat tegen rolbeschikkingen geen rechtsmiddelen openstaan,3 zodat de cassatierechter in die gevallen geen controle zal kunnen uitoefenen op de toepassing van het vigerende rolreglement. Gezien het ondergeschikte belang van dit soort beslissingen is dat in het algemeen overigens geen al te groot probleem.
Het voorgaande geldt echter niet voor alle beslissingen die de rolrechter op grond van zijn rolreglement neemt. Beslissingen die ingrijpen in de processuele rechten van partijen zullen in het algemeen niet als rolbescWkking, maar als (tussen)vonnis, c.q. -arrest, moeten worden gekwalificeerd. Te denken valt bijvoorbeeld aan beslissingen waarbij een memorie van grieven wordt geweigerd,4 een akte van niet-dienen wordt verleend,5 dan wel wordt herroepen6 partijen niet tot pleidooi worden toegelaten7 of inschrijving van de zaak op de rol wordt geweigerd.8 In die gevallen staan tegen de beslissing van de rolrechter de normale rechtsmiddelen open.9
In dat geval doet zich echter een tweede complicatie voor: tenzij de rechter anders heeft bepaald, zijn hoger beroep en beroep in cassatie tegen een tussenuitspraak thans nog slechts mogelijk tegelijk met een zodanig beroep tegen de einduitspraak (zie art. 337 lid 2, resp. art. 401a lid 2 Rv). Twijfelachtig is echter of het voor de desbetreffende partij in dat stadium nog zinvol is een beslissing van de rolrechter aan te vechten, bijvoorbeeld op de grond dat daarbij door de rechter het rolreglement onjuist is toegepast. Dit geldt met name wanneer het gaat om een beslissing van de rolrechter in eerste aanleg, die een der partijen in appèl wenst te bestrijden.
Een voorbeeld: gedaagde verzoekt in eerste aanleg om uitstel voor het nemen van de conclusie van antwoord op grond van een 'klemmende reden' (vgl. art. 2.8 sub b LRr). De rolrechter oordeelt echter dat de aangevoerde reden niet als klemmend in de zin van het landelijk rolreglement valt te beschouwen en weigert het gevraagde uitstel. Wanneer gedaagde vervolgens inderdaad niet voor antwoord concludeert, zal de rolrechter (ambtshalve) akte van niet-dienen verlenen, als gevolg waarvan het recht deze proceshandeling te verrichten definitief10 komt te vervallen (vgl. art. 133 lid 4 Rv en art. 1.7 LRr). De gevolgen hiervan voor gedaagde zijn tamelijk desastreus: gedurende het verdere geding in eerste aanleg zal hij geen principaal verweer mogen voeren, terwijl hij (bepaalde) exceptieve verweren zelfs in hoger beroep niet meer zal kunnen aanvoeren (vgl. art. 128 lid 3 jo. art. 348 Rv).11 Wanneer nu van deze beslissing (die, zoals eerder bleek, kan worden aangemerkt als tussenvonnis) eerst tegelijk met het eindvonnis kan worden geappelleerd, is het daarvoor eigenlijk te laat: zelfs wanneer het ten onrechte weigeren van de conclusie van antwoord al zou leiden tot vernietiging van het eindvonnis van de rechtbank, is het de appèlrechter naar vaste jurisprudentie niet toegestaan de zaak vervolgens terug te wijzen naar de rechtbank.12 De oorspronkelijk gedaagde krijgt aldus geen gelegenheid meer, excepties die hij al in eerste aanleg had moeten opwerpen (bijvoorbeeld een beroep op onbevoegdheid van de gewone rechter omdat tussen partijen arbitrage is overeengekomen; vgl. art. 1022 lid 1 Rv) alsnog naar voren te brengen, terwijl ten aanzien van zijn overige (principale) verweren een instantie verloren gaat. De facto kan een onjuiste toepassing door de rolrechter van zijn rolreglement derhalve niet meer worden rechtgezet via hoger beroep of (daarna) beroep in cassatie, wanneer deze hogere voorzieningen tegen de desbetreffende beslissing niet tussentijds mogelijk zijn
Opgemerkt zij, dat de hier geschetste complicatie zich bij beslissingen van de rolrechter in appèl niet op dezelfde wijze zal voordoen. De Hoge Raad kan immers na vernietiging van een eindvonnis (in het hier bedoelde geval: onder gelijktijdige vernietiging van het eerdere tussenvonnis) de zaak wél terugwijzen naar de appèlrechter (zie art. 421 e.v. Rv). Alsdan zal in voorkomend geval bijvoorbeeld gelegenheid kunnen worden geboden, een in appèl ten onrechte geweigerde memorie alsnog te nemen of een ten onrechte geweigerd pleidooi alsnog te doen plaatsvinden.
Ook buiten het terrein van de rolbeslissingen zal de toepassing van een rechtersregeling soms leiden tot een beslissing waartegen geen rechtsmiddelen openstaan. Zo wordt een andere voor de praktijk belangrijke rechtersregeling gevormd door de 'Aanbevelingen' van de Kring van Kantonrechters, waarin onder andere de kantonrechtersformule is opgenomen.13 Hoewel deze rechtersregeling momenteel niet als recht in de zin van art. 79 RO beschouwd kan worden, aangezien deze niet van een 'bevoegd orgaan' afkomstig is,14 zou dit in de toekomst anders kunnen komen te liggen (bijvoorbeeld bij vaststelling door de sectoren kanton bij de rechtbanken15). Ook dan staat echter het elfde lid van art. 7:685 BW, dat hoger beroep en cassatie tegen een beschikking van de kantonrechter krachtens dit artikel uitsluit, aan controle door de Hoge Raad op toepassing van de 'Aanbevelingen' in de weg.
De hier besproken uitsluitingen van rechtsmiddelen leiden ertoe, dat de cassatierechter in veel gevallen niet de eerder beschreven controle op (uitleg en toepassing van) rechtersregelingen die als recht in de zin van art. 79 RO gelden zal kunnen uitoefenen, hetzij omdat beroep in cassatie eenvoudigweg niet openstaat, hetzij omdat dit beroep, als gevolg van de uitsluiting van tussentijdse hogere voorzieningen, als 'mosterd na de maaltijd' komt. Deze constatering kan echter ook weer enigszins gerelativeerd worden. Ten eerste valt, zoals al eerder opgemerkt, te verwachten dat in de toekomst meer rechtersregelingen zullen worden vastgesteld die aan alle eisen voor recht in de zin van art. 79 RO voldoen, ook op gebieden waarbij beroep in cassatie steeds tot de mogelijkheden behoort. Ten aanzien van de kantonrechtersformule kan er voorts nog op gewezen worden, dat deze rechtersregeling in de praktijk in toenemende mate wordt toegepast bij de bepaling van een vergoeding voor kennelijk onredelijk ontslag ex art. 7:681 bw.16 Tegen een beslissing op grond van déze bepaling zijn de gebruikelijke rechtsmiddelen mogelijk.