De rechtsverhouding tussen erfpachter en erfverpachter (R&P nr. VG10) 2019/2.1.3
2.1.3 Relativering van goederenrechtelijke rechten
Jacqueline Broese van Groenou, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
Jacqueline Broese van Groenou
- JCDI
JCDI:ADS383599:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Genotsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Rank-Berenschot 1992, p. 35-41. Zie uitgebreid par. 2.3.
Zie Struycken 2007, p. 742-745 voor een overzicht van de auteurs en hun standpunten.
Struycken 2007, p. 745.
Struycken 2007, p. 751-752.
Vonck 2013, p. 147.
Vonck 2013, p. 149-150, op p. 170 samengevat als ‘de – in de literatuur vaker verdedigde – opvatting dat de verhouding tussen de erfpachter en de bloot eigenaar niet principieel afwijkt van die tussen obligatoir gerechtigden’. Het kader van deze bespreking wordt gevormd door een onderzoek naar de zakelijke werking van erfpachtvoorwaarden. Vonck bespreekt de gevolgen van deze opvatting in het geval van faillissement van de erfpachter en de gevolgen voor het soort actie dat kan worden toegepast bij niet nakoming van een verplichting uit het erfpachtrecht. De genoemde opvattingen uit de doctrine worden besproken in par. 2.3.
Van Velten 2015, p. 588-589. Eerder verwoord in voorgaande drukken van dit handboek en in Van Velten 1995b, p. 68-70.
Van Velten 2015, p. 590: “Niet valt in te zien waarom de scheiding tussen het goederenrecht en het verbintenissenrecht zo dogmatisch dient te worden getrokken (…).”
Snijders & Rank-Berenschot 2017, p. 55.
De klassieke opvatting over de verschillen tussen zakelijke en persoonlijke rechten gaat uit van een strikte scheiding tussen goederenrecht en verbintenissenrecht.1 Een andere stroming in de doctrine legt de nadruk bij goederenrechtelijke verhoudingen op de relationele dimensie vanuit de gedachte dat rechtsbetrekkingen alleen tussen personen kunnen bestaan, ook als deze betrekking hebben op een goed.2 Waar de klassieke leer zal volstaan met de constatering dat een bevoegdheid conform de vestigingsakte is uitgeoefend, worden in de relativerende visie goederenrechtelijke rechten mede in verbintenisrechtelijke termen geanalyseerd, komt de toepassing van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid in het goederenrecht in beeld en worden bevoegdheden met betrekking tot een goed mede beoordeeld in het licht van de verhouding tot de andere betrokkene(n) bij het goed, in de omstandigheden van het geval zoals die zich op enig moment voordoen. Deze zogenoemde relativering van het strikte onderscheid tussen goederenrecht en verbintenissenrecht omvat nadrukkelijk niet alleen de relatie tussen hoofdgerechtigde en beperkt gerechtigde maar eveneens andere betrokkenen bij de onroerende zaak. Struycken vat de invloed van deze benadering als volgt samen:
“Deze doctrinaire benaderingen hebben steeds duidelijker een weerslag gehad op de rechtsontwikkeling (…). Daardoor biedt het vermogensrecht ruimte, vermoedelijk meer dan vroeger, voor toetsing van de wijze waarop een bevoegdheid met betrekking tot een goed wordt uitgeoefend. De redelijkheid en billijkheid en het daarmee verwante leerstuk misbruik van bevoegdheid creëren ook in het goederenrecht gedragsnormen die worden ingevuld op basis van de verhouding tot een ander in de omstandigheden van een concreet geval. De relativerende, of relationele, tendens wordt daarmee een gedragsrechtelijke benadering.”3
Struycken is van mening dat een ver doorgevoerde relativering, in de vorm van een uitbouw van de imprévision, een meer geprononceerde rol voor de eisen van redelijkheid en billijkheid en van het leerstuk misbruik van bevoegdheid, in strijd zal komen met de goederenrechtelijke aard van de beperkte rechten en afbreuk zal doen aan de numerus clausus. Met name in geval van rechtsopvolgers zal de rechtszekerheid in het geding komen indien de balans tussen rekening houden met gewijzigde omstandigheden bij duurovereenkomsten en derdenwerking in het nadeel van het recht zoals het werd gevestigd zal uitslaan:
“Dezelfde keerzijde [vermindering van de rechtszekerheid] kleeft ook aan de tendens tot relativering, waarin de redelijkheid en billijkheid ten opzichte van een wederpartij en de evenredigheid van de wederzijds betrokken belangen bepalend zijn voor de uitoefening van het eigen recht. Dit bezwaar is in het goederenrecht pregnanter dan in het overeenkomstenrecht, aangezien de derdenwerking van goederenrechtelijke rechten juist betekent dat bij de vestiging niet valt in te zien wie op een later moment de wederpartij zal zijn. (…) De overdraagbaarheid van goederenrechtelijke rechten brengt (…) mee dat een goederenrechtelijke rechtsverhouding kan ontstaan jegens een ander dan de wederpartij bij vestiging van dat recht, zodra het overgaat naar die ander. Naarmate de omstandigheden van die wederpartij, in verband met de redelijkheid en billijkheid, van grotere invloed worden op de bevoegdheid om tot uitoefening van het goederenrechtelijk recht over te gaan, is de rechtszekerheid meer in het geding. Meer relatief is minder absoluut. De relativeringstendens doet afbreuk aan de goederenrechtelijke aard van beperkte rechten.”4
Daarmee opende Struycken het debat over de vraag wanneer binnen goederenrechtelijke verhoudingen door de rechter voorbij mag worden gegaan aan de afspraken uit de vestigingsakte in het kader van een belangenafweging en in het licht van gewijzigde omstandigheden. Naar zijn mening dient daarvan slechts spaarzaam gebruik te worden gemaakt. Minder terughoudend ten aanzien van relativering van goederenrechtelijke rechten is Vonck in zijn onderzoek naar de flexibiliteit van het recht van erfpacht, waarin hij onder meer de vraag stelt naar het toepasselijke recht op de rechtsverhouding bij erfpacht:
“Zijn op de relatie tussen de erfpachter en de bloot eigenaar enkel de regels van toepassing die het erfpachtregime kent, of mag men zich ook beroepen op de regels van het verbintenissenrecht?”5
Vonck beantwoordt de gestelde vraag naar de toepassing van het verbintenissenrecht bevestigend omdat er naar zijn mening geen materiële reden te vinden is om binnen een goederenrechtelijke verhouding geen toepassing te geven aan algemene verbintenisrechtelijke regels.6 In feite beschouwt hij daarmee de rechtsverhouding tussen erfverpachter en erfpachter als een obligatoire verhouding, hoewel in een goederenrechtelijk kader, waarop het verbintenissenrecht direct van toepassing is. In dezelfde lijn lag reeds de beantwoording van de vraag naar het toepasselijke recht door Van Velten:
‘(…) of de verhouding tussen bloot-eigenaar en erfpachter of opstaller beheerst wordt uitsluitend door het goederenrecht of (daarenboven) ook door het verbintenissenrecht.’7
Van Velten sluit zich aan bij de opvatting dat toepassing van Boek 6 BW in erfpachtverhoudingen mogelijk is, tenzij de Boeken 3 of 5 BW anders bepalen.8 In het door Van Velten gegeven voorbeeld kan de erfverpachter die wil ageren op het uitblijven van canonbetaling door de erfpachter derhalve vrijelijk de instrumenten van Boek 6 BW inzetten en bijvoorbeeld aanvullende schadevergoeding vorderen. Een uitzondering geldt voor de opzegging van het erfpachtrecht, waarvoor de afzonderlijke regeling art. 5:87 lid 2 BW moet worden gevolgd en niet de verbintenisrechtelijke regeling van de ontbindiing van obligatoire overeenkomsten van afd. 6.5.5 BW. De bezwaren van Struycken betreffen het doorbreken van de verwachtingen van derden, waaronder opvolgende erfpachters, op grond van de ingeschreven inhoud van het erfpachtrecht, terwijl de visies van Vonck en Van Velten vooral uitgaan van de belangen van de erfverpachter in een rechtsverhouding die zij primair als verbintenisrechtelijk beschouwen.
Daarmee is de vraag naar de verhouding tussen goederenrecht en verbintenissenrecht binnen de rechtsverhouding nog niet beantwoord. Ook Snijders onderschrijft de ontwikkeling naar een grotere nadruk op de relationele dimensie van goederenrechtelijke rechten. De goederenrechtelijke rechtsverhouding heeft in zijn visie meerdere dimensies die tegelijk in beeld kunnen zijn:
“In de toepassing van het recht in de praktijk gaan goederenrecht en verbintenissenrecht hand in hand. Men dient zich steeds bewust te zijn van beide vermogensrechtelijke dimensies. Met name de goederenrechtelijke regeling van de beperkte rechten op goederen mag ons niet doen vergeten dat aan de vestiging van beperkte rechten een titel (bijvoorbeeld een overeenkomst) ten grondslag ligt die verbintenisrechtelijke verplichtingen tussen hoofdgerechtigde en beperkt gerechtigde in het leven roept. In de eerste plaats zal die titel de verplichting tot vestiging van een beperkt recht inhouden, maar ook andere al of niet nauw met het beperkt recht samenhangende verplichtingen kunnen in de titel (met name in de vestigingsovereenkomst) opgenomen zijn (…). Men onderscheide dus ook hier steeds een goederenrechtelijke en verbintenisrechtelijke dimensie: de rechtspositie ten opzichte van een goed (met inbegrip van mogelijke mutaties) respectievelijk het recht tegenover een bepaald persoon.”9
De verhouding tussen erfverpachter en erfpachter met betrekking tot de onroerende zaak waarop het recht rust, wordt volgens deze opvatting dus gekenmerkt door enerzijds een goederenrechtelijke dimensie, die bestaat uit de inhoud van het recht waaraan zakelijke werking kan worden toegekend, en anderzijds uit een verbintenisrechtelijke dimensie die niet alleen betrekking heeft op de tussen betrokkenen afgesproken verplichtingen, maar ook op hoe betrokkenen zich ten opzichte van elkaar dienen te gedragen en op de vraag of zij bij een bepaalde gebeurtenis ten aanzien van het recht rekening dienen te houden met elkaars gerechtvaardigde belangen en met hetgeen zij over en weer ten aanzien van het recht van elkaar mogen verwachten. In deze visie komen de goederenrechtelijke benadering van Struycken en de verbintenisrechtelijke benadering van Vonck en Van Velten samen. De scheiding tussen goederenrecht en verbintenissenrecht en het tweedelige stelsel blijven intact, maar moeten niet al te strikt worden opgevat. Er bestaat echter geen consensus over de vraag of betrokkenen bij een erfpachtrecht zich ten aanzien van hun onderlinge rechtsverhouding kunnen beroepen op het verbintenissenrecht. In het navolgende wordt bestudeerd hoe daarover werd gedacht in de wetsgeschiedenis, de doctrine en de rechtspraak. Bij de conclusies van hoofdstuk 7 kom ik terug op de verschillende standpunten van Struycken en Vonck en bespreek de gevolgen van mijn bevindingen voor beide argumenten.