Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/8.5.4.2.1
8.5.4.2.1 Richtlijn(historie)
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291291:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Toelichting op art. 9 lid 3 Voorstel voor een tweede richtlijn.
Bijlage bij de nota van het Comité van Permanente Vertegenwoordigers van 9 december 1976, nr. R/3013/76 (FIN 806), p. 5.
Nota van de Groep financiële vraagstukken van 7 januari 1974, nr. R/2/74 (FIN 2), deel II, p. 24 en 25.
HR 9 juni 1976, nr. 17.833, BNB 1976/168.
Tuk in zijn noot onder BNB 1978/18.
HvJ EG 1 februari 1977, zaak 51/76, BNB 1978/18, m.nt. Tuk, r.o. 10 en 11 (VNO).
Conclusie A-G Mayras 14 december 1976, zaak 51/76, ECLI:EU:C:1976:179.
De noot van Tuk onder BNB 1978/18 geeft treffend weer dat en waarom het VNO-arrest voor de lidstaten een (onaangename) verrassing was: “Dat er geen directe werking is, is ook eigenlijk vanzelfsprekend voor degenen, die van de zijde van de Lid-Staten de moeizame besprekingen over het maken van afspraken over de omzetbelasting hebben mede gemaakt. De Commissie van de EEG was wel ambitieus, maar van haar doel om op korte termijn voor de omzetbelasting een soort Europese wetgeving te maken, die in de Lid-Staten zou gelden, kon niets terecht komen, omdat de Lid-Staten daaraan nog helemaal niet toe waren. Alleen een stap voor stap benadering was op zijn plaats. Het hinderlijkste bij de omzetbelasting was het feit van de compenserende maatregelen in het verkeer van goederen tussen de Lid-Staten. Om tot afschaffing van die maatregelen te komen was het tot stand brengen van nationale wetgevingen, welke op een zelfde stelsel van heffing waren gegrond, gewenst. En dat stelsel van heffing is dan geworden de BTW, waarvan de algemene lijnen in de R2 [Tweede Richtlijn; MvdW] zijn vastgelegd. De nationaal gevoeligste punten werden daarin echter nog niet geregeld, zoals o.m. de Landbouw, de kleine ondernemers, gedeelten bij de in- en uitvoer, plaats van dienst, wijze van heffing enz. om van de tarieven maar helemaal niet te spreken. In 1967 was men er nog helemaal niet aan toe om tot een o.b.-regeling in de EEG te komen met de burgers juridisch bindende teksten. België/Luxemburg en Nederland hadden toen al een aanzienlijke ervaring op het terrein van gelijke wetten voor elk land opgedaan. Ik herinner me nog, dat aan het einde van de veertiger jaren in de Benelux de idee leefde om een gezamenlijke algemene wet inzake douanen en accijnzen te maken. Dat lukte helemaal niet, terwijl het toen alleen nog maar om formaliteiten ging. Ik ben het daarom helemaal eens met de grondgedachte van de van Duitse zijde voor het Hof gemaakte opmerkingen. Een in krasser bewoordingen geuite zienswijze zou niet misplaatst zijn geweest.Het hinderlijke bij die compenserende maatregelen in het goederenverkeer tussen de Lid-Staten was de vrees, dat een Staat met die maatregelen in de praktijk wel eens overcompensatie zou kunnen nastreven en daardoor de concurrentieverhoudingen t.a.v. de andere Staten zou kunnen scheeftrekken. Bij de besprekingen voor de totstandkoming van de R2 [Tweede Richtlijn; MvdW] kwam die vrees van bevoordeling van eigen ondernemers dan ook steeds om de hoek kijken. Of een Staat zijn eigen burgers wat nadeliger zou willen behandelen dan in de andere Lid-Staten zou geschieden, moest iedere Staat maar zelf weten. Zelfs in de beslissende vergadering van de Raad van Ministers van de EEG van 11 febr. 1967 kwam dat bij de behandeling van de bepalingen wat art. 11 (4) is geworden, nog duidelijk aan de dag. Als een Staat behalve voor de in het bijzonder aangeduide goederen voor de privébehoeften van de belastingplichtige of van zijn personeel nog voor andere goederen de aftrekregeling wilde uitsluiten, dan bestond bij de andere Staten daartegen geen bezwaar.Indien de aanvaarders van de R2 [Tweede Richtlijn; MvdW] ook maar hadden kunnen denken, dat er bepalingen bij waren, aan welke later wel eens rechtstreekse werking zou kunnen worden toegekend, dan waren ze ongetwijfeld veel kritischer op de tekst geweest. In hun ogen ging het echter alleen om een algemene regeling zonder directe werking, waarover bij ernstig meningsverschil tussen een Lid- Staat en de Commissie of andere Lid-Staten in overeenstemming met de strekking van de R2 [Tweede Richtlijn; MvdW] zou kunnen worden gesproken. Daarvoor waren de in eenvoudige woorden vervatte teksten voldoende.Waarvan zouden anders de Nederlandse bewindslieden, die het Nederlandse begrippenmateriaal van de omzetbelasting al zo lang kenden, genoegen hebben genomen met zonder meer het woord investeringsgoederen, dat naar nu blijkt wel voor, laten we zeggen, 95% van de gevallen de lading dekt, maar nu juist niet voor de verfijningen, die in Nederland gebruikelijk waren? Bij de parlementaire behandeling van het ontwerp van wet konden de bewindslieden dan ook naar hun mening gerust zeggen, dat de artt. 43 en 45 in overeenstemming waren met dat art. 17. Geen enkele andere Lid-Staat zou overigens ook maar enig bezwaar hebben gemaakt, indien Nederland een uitdrukkelijke uitzondering had gewild voor al die goederen, die in Nederland tot de bedrijfsmiddelen behoren en blijkbaar het begrip investeringsgoederen te boven gaan. Nu moeten we echter achteraf zeggen, wat zijn die Nederlandse ambtenaren een sufkousen geweest om zo'n tekst van de R2 [Tweede Richtlijn; MvdW] aan hun bewindslieden als aanvaardbaar te adviseren.”
Op grond van art. 187 tot en met 190 Btw-richtlijn gelden er bijzondere regels voor de herziening van investeringsgoederen. In de Btw-richtlijn is het begrip ‘investeringsgoederen’ niet gedefinieerd. Niettemin volgt uit de mogelijkheid die art. 187 lid 1, derde alinea Btw-richtlijn biedt om de herzieningsperiode voor onroerende investeringsgoederen te verlengen tot maximaal 20 jaar dat het begrip ‘investeringsgoederen’ ook onroerende goederen omvat. Daarnaast is uit de toelichting op art. 9 lid 3 Voorstel voor een tweede richtlijn en art. 17, derde streepje Tweede Richtlijn af te leiden dat met het begrip ‘investeringsgoederen’ gedoeld wordt op goederen waarop wordt afgeschreven.1 Op grond van art. 189, onderdeel a Btw-richtlijn kunnen lidstaten het begrip ‘investeringsgoederen’ voor de toepassing van art. 187 en art. 188 Btw-richtlijn definiëren. Een vergelijkbare bepaling kwam niet voor in de Tweede Richtlijn of het Voorstel voor een zesde richtlijn. Uit de vergaderstukken inzake de totstandkoming van de Zesde Richtlijn volgt dat de Groep van financiële vraagstukken als oplossing had gevonden om lidstaten de bevoegdheid te geven om het begrip ‘investeringsgoederen’ voor de toepassing van de bijzondere herzieningsregeling te definiëren. De Europese Commissie vond die facultatieve bevoegdheid een stap terug ten opzichte van de Tweede Richtlijn, omdat ‘hierdoor het resultaat van alle pogingen tot harmonisatie van de Tweede Richtlijn tenietgedaan wordt’.2 Dit bezwaar van de Europese Commissie heeft de lidstaten evenwel niet weerhouden om deze stap wel te zetten.
Voor welk probleem de ‘definiëringsbevoegdheid’ de oplossing werd geacht, heb ik uit de vergaderstukken niet duidelijk kunnen opmaken. Mogelijk is het een tegemoetkoming aan de wens van met name het Verenigd Koninkrijk om de lidstaten bij de herzieningsregeling voor investeringsgoederen een zekere vrijheid te laten.3 Het is – gelet op de datering (eind 1976) – niet uitgesloten dat de opname van de definiëringsbevoegdheid niet los te zien van de destijds aanhangige prejudiciële zaak VNO waarin de Hoge Raad aan het Hof van Justitie de vraag had voorgelegd of een belastingplichtige zich rechtstreeks mag beroepen op het (niet-gedefinieerde) begrip ‘investeringsgoed’ in de Tweede Richtlijn en, zo ja, hoe dit begrip moet worden uitgelegd.4 De lidstaten hadden bij het opstellen van de Tweede Richtlijn niet aan die mogelijkheid gedacht.5 Dat het Hof van Justitie6 – net als A-G Mayras in zijn conclusie7 – die mogelijkheid wel zag, kwam voor de lidstaten dan ook als een (onaangename) verrassing.8 Omdat de verwijzingsbeslissing van de Hoge Raad, de conclusie van A-G Mayras en de beslissing van het Hof allemaal dateren van vóór de inwerkingtreding van de Zesde Richtlijn, acht ik het niet uitgesloten dat met de toevoeging van (thans) art. 189, onderdeel a Btw-richtlijn is beoogd zeker te stellen dat het begrip ‘investeringsgoederen’ voor de toepassing van de herzieningsregeling hetzelfde lot zou (kunnen) zijn beschoren.