Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/5.3.4
5.3.4 Het rapport van het Bureau Onderzoek en Rijksuitgaven van de Tweede Kamer (2015)
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS454075:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Bijlage bij Kamerstukken II 2014/15, 33670, 11. Zie par. 2.3 en par. 3.2.1.
Kamerstukken II 2013/14, 33930, 13; Handelingen II 2013/14, 87, 11, p. 52; Handelingen II 2013/14, 102, 86, p. 1.
Bijlage bij Kamerstukken II 2014/15, 33670, 11, p. 5.
Bijlage bij Kamerstukken II 214/15, 33670, 11, p. 15-17. Het BOR hanteerde daarnaast een onderscheid tussen het zogenoemde harde en het zachte budgetrecht. Het harde budgetrecht ziet op ‘het grondwettelijk vastgelegde budgetrecht […] dat puur gericht is op de omvang van bedragen’, terwijl het zachte budgetrecht gaat over ‘goed inzicht in wat er met dat geld gebeurt’ (Bijlage bij Kamerstukken II 2014/15, 33670, 11, p. 17). Op grond van het zachte budgetrecht moet het parlement ervan uit kunnen gaan dat de budgetten die het autoriseert ook nuttig worden besteed, aldus het BOR. Aangezien dit onderscheid meer gericht is op de verantwoording van overheidsuitgaven en minder op de instemming van de Staten-Generaal met deze bestedingen, laat ik dit verder buiten beschouwing.
Bijlage bij Kamerstukken II 2014/15, 33670, 11, p. 16.
Bijlage bij Kamerstukken II 2014/15, 33670, 11, p. 16-17; Kamerstukken II 2013/14, 33670, 3, p. 3.
Het BOR, dat de Tweede Kamer ondersteunt bij onderzoek en haar controlerende taak, publiceerde in april 2015 een rapport over het budgetrecht van de Tweede Kamer, zoals hiervoor is aangestipt.1 De aanleiding daarvoor was een in de Tweede Kamer aangenomen motie waarin het presidium werd verzocht om ‘onderzoek te laten verrichten naar de stand van zaken met betrekking tot de reikwijdte van het budgetrecht en te onderzoeken hoe het budgetrecht, waar nodig, kan worden versterkt’.2 Op verzoek van de commissie voor de Rijksuitgaven van de Tweede Kamer voerde het BOR dit onderzoek uit.3
Ook het BOR besteedde daarbij aandacht aan het onderscheid tussen het formele en het materiële budgetrecht.4 Het gaf onder meer de passages van de commissie-De Wit over dit onderscheid weer en stelde vervolgens:
‘De term “materieel budgetrecht” wordt echter vaak ook in een nog bredere context gebruikt, namelijk simpelweg als tegenhanger van formeel budgetrecht. Formeel budgetrecht is dan het voorafgaande wettelijke instemmingsrecht, terwijl van materieel budgetrecht sprake zou zijn indien er andere mogelijkheden of middelen voor de Kamer zijn om toch invloed op het budget te hebben, anders dan via een voorafgaande machtigingswet.’5
Het BOR haalde als voorbeeld de minister van Financiën aan, die stelde dat premiegefinancierde uitgaven zoals bij de zorg en de sociale zekerheid weliswaar niet onder het formele budgetrecht vallen, zoals in par. 2.3 aan de orde kwam, maar wel onder het materiële budgetrecht.6 De Kamers zijn als medewetgever immers direct betrokken bij de onderliggende wetten over deze onderwerpen, en hebben op die manier zeggenschap over de omvang van deze premiegefinancierde uitgaven. Met de bredere interpretatie van het materiële budgetrecht, die het BOR signaleerde, valt ook de instemming van het parlement met dergelijke wetgeving hieronder.