Zie artikel 234 van de Gemeentewet in samenhang met artikel 2 van het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen.
Rb. Zeeland-West-Brabant, 12-06-2024, nr. BRE 22/5608
ECLI:NL:RBZWB:2024:4028
- Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum
12-06-2024
- Zaaknummer
BRE 22/5608
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBZWB:2024:4028, Uitspraak, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 12‑06‑2024; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
- Vindplaatsen
NLF 2024/1536
NDFR Nieuws 2024/1166
NTFR 2024/1200 met annotatie van mr. drs. C.M. Dijkstra
Uitspraak 12‑06‑2024
Inhoudsindicatie
naheffingsaanslag parkeerbelasting, opbrengstlimiet is overschreden, beroep gegrond.
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 22/5608
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juni 2024 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. I.N.D.J. Rissema),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Breda, de heffingsambtenaar,
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 25 oktober 2022.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting (met [aanslagnummer] ) opgelegd.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 29 maart 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben gemachtigde en de heffingsambtenaar deelgenomen. Namens de heffingsambtenaar zijn [naam 1] en [naam 2] verschenen.
Feiten
2. Aan belanghebbende is vanwege het niet betalen van (voldoende) parkeerbelasting een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd, bestaande uit een bedrag aan belasting en een bedrag aan kosten van de naheffingsaanslag.
2.1.
Op grond van de ‘Verordening parkeerbelastingen Breda 2022’ (de Verordening) bedragen de kosten € 57,90 per naheffingsaanslag. De geraamde opbrengst bedraagt 100,7%.
2.2.
De heffingsambtenaar heeft de kosten, na een intern overleg, verlaagd naar € 57,50 per naheffingsaanslag.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht heeft opgelegd. Daarbij komt uitsluitend de vraag aan bod of de opbrengstlimiet is overschreden.
3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep van belanghebbende en is de naheffingsaanslag parkeerbelasting ten onrechte opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Motivering
Vooraf: op de zaak betrekking hebbende stukken
4. De heffingsambtenaar is gehouden om de stukken die van belang zijn voor deze zaak te overleggen. De heffingsambtenaar heeft, nadat de rechtbank daarom heeft verzocht, geen op de zaak betrekking hebbende stukken, waaronder de naheffingsaanslag parkeerbelasting, ingediend. De rechtbank kan aan het niet nakomen van de verplichting gevolgen verbinden. In de onderhavige zaak ziet de rechtbank daar evenwel geen aanleiding toe. De heffingsambtenaar heeft zich tijdens de zitting verweerd en de rechtbank acht zich voldoende voorgelicht om het geschil te beslechten.
Is de naheffingsaanslag terecht opgelegd?
4.1.
De rechtbank overweegt als volgt. De heffingsambtenaar heeft ter zitting erkend dat na onderzoek is gebleken dat op grond van de Verordening 100,7% van de werkelijke kosten werd doorberekend bij het vaststellen van de kosten van de naheffingsaanslag en dat een geraamde opbrengst van 100,7% in strijd is met de wettelijke bepalingen. Volgens de heffingsambtenaar is daarom na intern overleg besloten het bedrag aan kosten te verlagen. Met die erkenning is naar het oordeel van de rechtbank vast komen te staan dat de kosten zoals bepaald in de Verordening naar een te hoog bedrag zijn vastgesteld en dat daarmee de Verordening in strijd is met de wettelijke bepalingen.1.Belanghebbende heeft onweersproken gesteld dat voor dat geval de naheffingsaanslag parkeerbelasting dient te worden vernietigd. De rechtbank ziet geen aanleiding anders te oordelen. Zij vernietigt de naheffingsaanslag parkeerbelasting.
4.2.
Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond.
Wettelijke rente
4.3.
Belanghebbende heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van rente, naar de rechtbank begrijpt ter zake van het griffierecht en in verband met de proceskostenvergoeding. De rechtbank honoreert die aanspraak in zoverre dat beslist is dat recht bestaat op een vergoeding van wettelijke rente indien het griffierecht en/of de proceskostenvergoeding niet aan belanghebbende wordt uitbetaald binnen vier weken na de datum van deze uitspraak.2.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat de uitspraak op bezwaar en de naheffingsaanslag parkeerbelasting worden vernietigd.
5.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Belanghebbende krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. Het dossier geeft er blijk van dat gemachtigde belanghebbende heeft bijgestaan in de beroepsfase. Belanghebbende heeft daarom recht op 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting door de gemachtigde (met een waarde van € 875). De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een lichte zaak en kent daarom een wegingsfactor 0,5 toe.3.Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 875.
Beslissing
De rechtbank:
- -
verklaart het beroep gegrond;
- -
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- -
vernietigt de naheffingsaanslag parkeerbelasting;
- -
bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 50 aan belanghebbende moet vergoeden;
- -
veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 875 aan proceskosten aan belanghebbende;
- -
beslist dat, voor zover de vergoeding van het griffierecht en/of de vergoeding van proceskosten niet tijdig wordt betaald, de wettelijke rente daarover in zoverre is gaan lopen vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Dondorp-Loopstra, rechter, in aanwezigheid van mr. C.C. van den Berg, griffier, op 12 juni 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen
griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Aan deze uitspraak hoeft pas uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist.4.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 12‑06‑2024
Vgl. Hoge Raad 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2358.
Vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 11 november 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:3315.
Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR.