Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/91
91 Voorlopig getuigenverhoor ten behoeve van civielrechtelijke aspecten
Mr. E.F. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. E.F. Groot
- JCDI
JCDI:ADS455811:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Voetnoten
Voetnoten
HR 15 juli 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC4268, NJ 1988, 2, m.nt. W.H. Heemskerk (Staat/Issa). Heemskerk merkte in zijn noot bij het arrest op dat je zou kunnen menen dat het geding voor de bestuursrechtelijke rechter de bodemprocedure is ten opzichte van het kort geding gericht op voorlopige niet-uitzetting, met verwijzing naar HR 25 april 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC6874, NJ 1981, 416, m.nt. M. Scheltema (Sogut/Staat). Naar mijn mening wordt in art. 186 Rv niet de eis gesteld dat de procedure in het kader waarvan het voorlopig getuigenverhoor wordt bevolen een civielrechtelijke bodemprocedure moet zijn. Zolang de procedure in het kader waarvan het voorlopig getuigenverhoor wordt gevraagd – dit kan ook een kort geding zijn (zie verder par. 5.2.3.6) – een civielrechtelijk karakter heeft, is het in beginsel mogelijk het voorlopig getuigenverhoor te bevelen. Zie ook Hof ’s-Hertogenbosch 4 augustus 2005, ECLI:NL:GHSHE:2005: AU0476.
Als in één zaak zowel een bestuursrechtelijke als een civielrechtelijke vraag aan de orde is, kunnen los van elkaar een bestuursrechtelijke en een civielrechtelijke procedure worden gevoerd. Een voorlopig getuigenverhoor kan dan alleen worden toegewezen als het doel ervan is feiten vast te stellen ten behoeve van de civielrechtelijke procedure. Een voorbeeld hiervan is de zaak Staat/Issa.1 Hoewel in deze zaak sprake was van een bepaalde samenhang van een bestuursrechtelijke en een civiele procedure, in die zin dat beide procedures betrekking hadden op de vraag of een vreemdeling in Nederland mocht verblijven, hadden de procedures een verschillende inzet. In de bestuursrechtelijke procedure draaide het om de vraag of de beschikking waarbij Issa toelating tot Nederland was geweigerd rechtmatig was. Daarbij was van belang of Issa vluchteling was in de zin van het Verdrag betreffende de status van vreemdelingen. In de civielrechtelijke kortgedingprocedure was aan de orde of de staatssecretaris jegens Issa onrechtmatig handelde door Issa niet toe te staan de beslissing van de bestuursrechter in Nederland af te wachten. Daarbij was beslissend of er tussen redelijke mensen geen twijfel kon bestaan dat Issa zich, objectief beschouwd, niet in een vluchtsituatie bevond. Het voorlopig getuigenverhoor strekte ertoe omstandigheden te doen vaststellen die ertoe konden dienen laatstbedoelde vraag in het geding voor de burgerlijke rechter in het voordeel van Issa te doen beslissen. Toewijzing van het verzoek was daarom in beginsel gerechtvaardigd.