Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/7.4.3
7.4.3 Uitoefening van andermans vordering
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS584858:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie hiervóór nr. 430.
Alleen als bijvoorbeeld een recht van vruchtgebruik is gelegateerd (vgl. art. 4:124 BW), is de bewindvoerder of executeur in zijn hoedanigheid als erfgenaam bevoegd om een recht van vruchtgebruik te vestigen ten behoeve van de legataris.
Zie art. 1:345 lid 1 sub d BW, art. 1:441 lid 2 sub c BW, art. 3.6.1.5 lid 2 sub c Ontw.BW en art. 4:169 lid 1 sub b BW.
Zie Asser/De Boer 1* 2010, nr. 1168, die als voorbeeld noemt de borgtocht ter voorkoming van uitwinning van een onder bewind staand goed voor de schuld van een derde, die op dat goed verhaald kan worden. Vgl. ook art. 1:348 lid 1 BW.
Zie over herverpanding, o.a. Koopal 1995; Stokkermans 1996; Koopal 1996; Fikkers 1998a; Faber 1998; Fikkers 1998b; J.J. van Hees 2001; Van den Heuvel 2001, p. 89-91; en Breken 2002.
Herverpanding is vergelijkbaar met volmachtverlening door de gevolmachtigde aan een ander (art. 3:64 BW) en met de vestiging van een erfdienstbaarheid (art. 5:84 BW) door de beperkt gerechtigde. Het zou ook vergelijkbaar zijn met de vestiging van een recht van erfpacht (art. 5:93 BW) door de beperkt gerechtigde, ware het niet dat de tweede zin van art. 5:93 lid 1 BW een stapeling van beperkte rechten op het oog heeft ('ondererfpacht').
Het begrip beschikken in art. 3:212 BW om vat het bezwaren van het goed, zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 660.
Zie Kamerstukken II 1993-1994, 23 706, nr. 3, p. 32.
Zie Kamerstukken II 1995-1996, 23 706, nr. 6, p. 46. Deze overdracht vindt niet plaats in het kader van het beheer van de vordering, zo blijkt uit verwijzing door de wetgever naar art. 3:170 lid 3 BW.
438. Uit de vorige paragraaf bleek dat aan de stille cedent een bepaalde mate van beschikkingsbevoegdheid toe kan komen. Het is de vraag of de stille cedent ook bevoegd dient te zijn om de vordering te bezwaren.
Als het vestigen van een beperkt recht als een beheershandeling kan worden beschouwd, is een beheersbevoegde derde hiertoe zelfstandig bevoegd.1 In de overige gevallen is hij hiertoe alleen bevoegd met toestemming van de rechthebbende of met machtiging van de rechter.
Het vestigen van een recht van vruchtgebruik zal slechts bij uitzondering te beschouwen zijn als een gewone beheersdaad. Het gebruik en het genot komt daardoor voor langere tijd bij een ander dan de rechthebbende te rusten, hetgeen strijdig is met het belang van de rechthebbende dan wel diens schuldeisers.2 Ook het verpanden van vorderingen op naam zal moeilijk te beschouwen zijn als een gewone beheersdaad. Het vestigen van zekerheden kan niet los worden gezien van het aantrekken van krediet. Uit de regeling van bewind blijkt dat voor het lenen van geld steeds de toestemming van de rechthebbende of de machtiging van de kantonrechter is vereist,3 Daaruit blijkt dat het aangaan van schulden en het vestigen van zekerheden in beginsel niet tot de taak van de bewindvoerder behoort en deze handelingen slechts bij uitzondering door de bewindvoerder kunnen worden verricht.4
439. De pandhouder, de vruchtgebruiker, de deelgenoten, de bewindvoerder en de rekeninghouder van de kwaliteitsrekening zijn met toestemming of medewerking van de rechthebbende of met machtiging van de rechter bevoegd tot het bezwaren van het goed.
De pandhouder is niet bevoegd het goed dat hij in pand heeft, te herverpanden, tenzij deze bevoegdheid hem ondubbelzinnig is toegekend (art. 3:242 BW).5 Bij herverpanding vestigt de pandhouder op het goed in eigen naam een pandrecht dat in rang boven zijn pandrecht gaat.6 De vruchtgebruiker is alleen tot het bezwaren van het in vruchtgebruik gegeven goed bevoegd, als bij de vestiging van het vruchtgebruik deze bevoegdheid aan hem is gegeven (art. 3:212 lid 2 BW}, of als hij hiervoor toestemming heeft van de hoofdgerechtigde of machtiging van de kantonrechter (art. 3:212 lid 3 BW, vgl. art. 3:207 lid 2 BW). De machtiging wordt alleen gegeven, wanneer het belang van de vruchtgebruiker of de hoofdgerechtigde door de bezwaring wordt gediend en het belang van de ander daardoor niet wordt geschaad.7 Staat een recht van vruchtgebruik onder testamentair bewind, dan is de vruchtgebruiker alleen bevoegd tot bezwaring met medewerking of toestemming van de bewindvoerder of machtiging van de kantonrechter (art. 4:167 lid 1 tweede zin BW). De deelgenoten zijn alleen gezamenlijk bevoegd tot het vestigen van een beperkt recht op het gemeenschappelijke goed (art. 3:170 lid 3 BW). Voorts kan de rechter aan een deelgenoot machtiging geven om het gemeenschappelijke goed te bezwaren (art. 3:174 lid 2 BW). De bewindvoerder is alleen met toestemming van de rechthebbende of, indien deze daartoe niet in staat of weigerachtig is, met machtiging van de kantonrechter bevoegd tot het beschikken en het aangaan van overeenkomsten tot beschikken die niet als beheersdaden kunnen worden beschouwd (art. 1:345 lid 1 BW; art. 1:441 lid 2 sub a BW; art. 3.6.1.5 Ontw.BW; art. 4:167 lid 1 jo 4:169 lid 1 sub a en lid 3 BW en art. 4:166 BW). Is het testamentair bewind uitsluitend of mede in het belang van een ander dan de rechthebbende ingesteld, dan is ook toestemming van die ander vereist (art. 4:169 lid 2 BW; vgl. art. 3.6.1.14d lid 1 jo 3.6.1.5 Ontw.BW). Bij de kwaliteitsrekening lijkt de rekeninghouder uit hoofde van zijn exclusieve beschikkingsbevoegdheid bevoegd om de vordering te verpanden. Uit de parlementaire geschiedenis bij art. 25 lid 2 Wn blijkt echter dat de notaris de vordering niet kan verpanden.8 Alleen in zeer uitzonderlijke omstandigheden zal de vordering kunnen worden verpand, en dan alleen met toestemming van de gezamenlijke rechthebbenden. Mededeling van de verpanding moet worden gedaan aan de kredietinstelling.9
440. Net als bij overdracht kan de rechthebbende zijn goed alleen bezwaren met de medewerking of de toestemming van de bevoegde derde, dan wei zonder dat daardoor het recht van de derde wordt aangetast.
De pandgever en de hoofdgerechtigde kunnen zelfstandig een beperkt recht op de bezwaarde vordering vestigen. Rust op het goed een recht van vruchtgebruik, kan op het bezwaarde goed niet nog een recht van vruchtgebruik komen te rusten. Rust op het goed een pandrecht, dan kan alleen een tweede, derde enz. recht van pand worden gevestigd. De geëxecuteerde blijft beschikkingsbevoegd ten aanzien van de beslagen vordering, maar art. 475h lid 1 Rv bepaalt dat de bezwaring van een door het beslag getroffen vordering, tot stand gekomen nadat het beslag is gelegd, niet tegen de beslaglegger kan worden ingeroepen. Voor de bevoegdheden van de rechthebbende wiens vordering onder bewind is gesteld, de gefailleerde, de belanghebbenden bij een kwaliteitsrekening en de erfgenamen bij de vereffening van de nalatenschap en de executele geldt hetzelfde als hiervoor gesteld bij de overdracht van het goed: zij zijn niet of niet zonder medewerking van de bevoegde derde tot beschikking bevoegd, en om die reden ook niet zonder diens medewerking tot bezwaring bevoegd.
441. Net als bij de bevoegdheid om de vordering over te dragen, geldt ook bij de onderhavige bevoegdheid dat de stille cedent en de stille cessionaris kunnen overeenkomen dat de stille cedent beheersbevoegd is en uit dien hoofde eventueel ook bevoegd om de vordering te bezwaren, maar dat daarbuiten de stille cedent en de stille cessionaris daartoe alleen gezamenlijk bevoegd zijn.
De bezwaring van de vordering zal in de regel niet dienstig kunnen zijn aan een goed beheer van de vordering, en evenmin aan de inning van de vordering (vgl. art. 3:62 lid 2 tweede zin BW). De stille cedent is als lasthebber alleen bevoegd om de vordering te verpanden of in vruchtgebruik te geven, zelfstandig of gezamenlijk met de stille cessionaris, als deze bevoegdheid hem ondubbelzinnig is toegekend (vgl. art. 3:62 lid 2 eerste zin BW). Bij het toekennen van een bevoegdheid om een pandrecht te vestigen, dient de stille cessionaris nader aan te geven tot zekerheid van de betaling van welke schulden (van hemzelf, dan wel van de stille cedent) het pandrecht strekt. Hoewel de stille cedent in eigen naam de vordering kan bezwaren, zal uit de rechtsverhouding met de beperkt gerechtigde, en uit zijn rechtsverhouding met de stille cessionaris voortvloeien dat hij kenbaar maakt dat hij andermans vordering bezwaart. Met name de pandhouder zal anders een onjuiste voorstelling van zaken krijgen, en bijvoorbeeld menen dat hij een gewoon pandrecht krijgt, terwijl het een derdenpand is, of omgekeerd (hetgeen verschil uitmaakt, vgl. o.a. art. 3:233-3:234, 6:150-6:151 BW).
De pandhouder of vruchtgebruiker te goeder trouw wordt niet tegen de eventuele beschikkingsonbevoegdheid van de stille cedent beschermd. Is de stille cessionaris krachtens privatieve last beschikkingsonbevoegd, dan wordt een pandhouder of vruchtgebruiker te goeder trouw hiertegen op grond van art. 7:423 lid 1 BW beschermd.