Einde inhoudsopgave
Revindicatoire aanspraken op giraal geld (R&P nr. FR3) 2009/3.3.1
3.3.1 Geld als abstracte beschikkingsmacht
B. Bierens, datum 23-03-2009
- Datum
23-03-2009
- Auteur
B. Bierens
- JCDI
JCDI:ADS591114:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Frijda (1914) p. 58-60.
Een voorbeeld van deze laatste groep is een aandeel in een vennootschap. Het aandeel verschaft het recht op dividend en stemrecht; als er al sprake is van een uiterlijke vorm van het aandeel (zie het verbod van artikel 2:175 lid 1 BW tot het uitgifte van aandeelbewijzen bij besloten vennootschappen), is die van geheel ondergeschikt belang voor de bevrediging van de individuele behoefte aan dividend en stemrecht.
Frijda (1914) p. 59.
Frijda (1914) p. 59 nt. 1, verwijst zelf o.a. naar de Duitse auteurs Amonn (abstrakte individuelle Vmfigungsmacht) en Lexis (abstrakter Tauschwert). De opkomst van het girale betalingsverkeer in de jaren twintig van de vorige eeuw was aanleiding tot onderzoek naar de aard van chartale geldvormen en de vraag of het zogenaamde Giralgeld, een term die voor het eerst zou zijn gebruikt in 1907 door Bendixen (1926) p. 9, kon worden aangemerkt als een nieuwe immateriële geldvorm. Wellicht speelde daarbij mee dat von Savigny (verwijzing bij onder meer Simitis (1960) p. 428) reeds in 1851 geld had omschreven als eine aligemeine, au f alle Gegensteinde des freien privatrechtlichen Verkehrs anwendbare, Verm5gensmacht. Vergelijk ook de overweging van Ballendux (1980) p. 47: geld heeft geen enkele 'directe gebruikswaarde'.
Om vast te stellen wat tot het wezenskenmerk van geld als betaalmiddel behoort, sluit ik mij aan bij Frijda. Hij verdeelt het individuele vermogen in twee groepen.1 De eerste groep bestaat uit vermogensbestanddelen die voorzien in de concrete bevrediging van behoeften: zoals een huis onderdak verschaft en een kledingstuk warmte, kan aan vrijwel ieder vermogensbestanddeel een specifieke functie worden toegekend. De vorm van deze vermogensbestanddelen is, in veel gevallen, zodanig dat zij door de vorm in staat zijn hun functie te vervullen, al is een stoffelijke verschijning vaak, maar niet altijd een essentieel onderdeel voor het vervullen van een concrete nutsfunctie.2 De tweede groep heeft geen andere functie dan de mogelijkheid om op enig moment in geconcretiseerd vermogen te worden omgezet. Tot het wezen van deze groep behoort het verschaffen van een algemene en abstracte beschikkingsmacht. Daarmee onderscheidt geld zich van andere concrete vermogenbestanddelen en komen wij tot de kern van geld als betaalmiddel. Frijda beschouwt geld als dat deel van het individuele vermogen dat tot doel heeft een abstracte beschikkingsmacht te verschaffen die op enig moment in een concreet vermogensbestanddeel kan worden omgezet.3 Deze definitie van geld als betaalmiddel is geïnspireerd door de Duitse juridische literatuur en was niet nieuw in de tijd dat Frijda haar formuleerde.4 Frijda's definitie heeft echter als voordeel dat zij aangeeft waarin geld zich onderscheidt van andere vermogensbestanddelen. In tegenstelling tot sommige algemene omschrijvingen (`money is what money does'), is het daarmee bruikbaar als uitgangspunt voor een nadere begrip svorming. Het is dan ook deze abstracte beschikkingsmacht die ik kies als aanknopingspunt voor een verdere vermogensrechtelijke begripsvorming.