Het hoger beroep en het cassatieberoep in burgerlijke zaken in de Nederlandse Antillen en Aruba
Einde inhoudsopgave
Het hoger beroep en het cassatieberoep in burgerlijke zaken in de Nederlandse Antillen en Aruba (BPP nr. VII) 2010/4.6.2:4.6.2 Voorstellen tot wetswijzigingen binnen de huidige wettelijke opzet
Het hoger beroep en het cassatieberoep in burgerlijke zaken in de Nederlandse Antillen en Aruba (BPP nr. VII) 2010/4.6.2
4.6.2 Voorstellen tot wetswijzigingen binnen de huidige wettelijke opzet
Documentgegevens:
Mr. G.C.C. Lewin, datum 08-01-2010
- Datum
08-01-2010
- Auteur
Mr. G.C.C. Lewin
- JCDI
JCDI:ADS441428:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Art. 235 zou de beslissing over spoedappel moeten opdragen aan het Hof. Bepaald dient te worden dat het verzoek hierom wordt ingediend bij verzoekschrift aan het Hof.
Art. 235 dient ook te verwijzen naar art. 263a lid 3 (appeltermijn bij tussentijds appel) en te bepalen dat de president bij grote spoed de bevoegdheid van art. 281 kan uitoefenen (dagbepaling pleidooi) (paragraaf 2.17).
De procedure van art. 263a is m.i. te zwaar. Voorts is er geen reden om dit verzoek via de griffie van het GEA te laten lopen. Voldoende zou zijn dat de wet bepaalt dat om vergunning voor tussentijds appel kan worden verzocht bij verzoekschrift aan het Hof (paragraaf 2.7).
De formulering van art. 264 lid 3 is niet helemaal zuiver (paragraaf 2.11).
De uitdrukkelijke aantekening van art. 269 kan worden afgeschaft. De appellant heeft immers niets te winnen met het verlangen dat tussenvonnissen niet aan het oordeel van de appelrechter worden onderworpen. Processueel afstand van recht is in ieder stadium van het geding mogelijk (paragraaf 2.6).
In art. 272 zou moeten worden opgenomen, zoals aanvankelijk was vermeld, dat het verzoek om schorsing van de tenuitvoerlegging wordt gedaan bij verzoekschrift aan het Hof (paragraaf 2.10).
Art. 274 lid 2, eerste volzin (incidenteel appel), zou niet moeten bepalen dat de incidenteel appellant verplicht is tegelijk met de verklaring dat hij incidenteel appel wil instellen, grieven (middelen) aan te voeren, maar dat hij daartoe bevoegd is (paragraaf 2.21 en 3.2.2). Art. 267 lid 1 kan naast art. 274 worden gemist. Art. 267 lid 2 kan naar art. 274 worden verplaatst.
Art. 275a zou moeten worden vervangen door de bepaling dat iedere partij in de fase voorafgaand aan de toezending van de stukken aan het Hof bij afzonderlijk verzoekschrift aan het Hof een incidentele vordering kan instellen en dat deze vordering de procedure in de hoofdzaak niet schorst, tenzij het Hof anders bepaalt. Betekening van de incidentele vordering zou niet moeten worden voorgeschreven. Het Hof bepaalt de wijze waarop de wederpartij op de hoogte wordt gebracht (paragraaf 2.23).
Art. 277 (toelating tot pleidooi) kan naast art. 281 worden gemist. Hooguit zou kunnen worden bepaald dat het Hof na ontvangst van de stukken partijen in de gelegenheid stelt kenbaar te maken of zij de zaak willen bepleiten (paragraaf 226).
De formulering van art. 282 zou in overeenstemming moeten worden gebracht met de uitleg die het Hof eraan geeft (paragraaf 2.8).
Art. 283 lid 1 kan worden gemist (paragraaf 2.30).
De taak om Hofvonnissen aan partijen kenbaar te maken kan worden opgedragen aan de Hofgriffie in plaats van aan de griffie van het GEA. Art. 283 lid 2 en 286 zouden daartoe moeten worden aangepast. Een aangetekende dienstbrief zonder (gratis) afschrift van het vonnis, zoals voorgeschreven in art. 286 lid 1, is onbeleefd en inefficiënt (paragraaf 2.30).
l. De wet zou art. 263 lid 3 en 282 van overeenkomstige toepassing moeten verklaren in procedures die met een beschikking eindigen (paragraaf 232.2).
De term verzoekschrift in art. 4290 lid 2 en 3 zou moeten worden vervangen door beroepschrift, zoals in art. 429n lid 2 en 429q lid 2 (paragraaf 232.4).
Art. 112 lid 1 laatste zin (weigering van aantekening van een gebrekkig verzoekschrift) zou niet van overeenkomstige toepassing mogen zijn op een be-roepschrift. Ook in procedures die met een beschikking eindigen zou voldoende moeten zijn dat het beroepschrift duidelijk maakt tegen welke beschikking het is gericht (paragraaf 2.32.4).
Art. 429i schrijft voor dat eisvermindering schriftelijk geschiedt. Deze eis zou moeten vervallen (paragraaf 2.32.5).
Art. 429n lid 2 zou moeten voorschrijven dat de griffie van het GEA de doorzending van de beroepschriften naar de belanghebbenden verzorgt, tenzij het Hof anders bepaalt. Terecht is voorgeschreven dat verweerschriften worden ingediend bij de griffie van het Hof. Die dient doorzending daarvan te verzorgen, tenzij het Hof anders bepaalt (paragraaf 232.5).