Mandeligheid
Einde inhoudsopgave
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/8.3.1:8.3.1 Einde contractuele mandeligheid
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/8.3.1
8.3.1 Einde contractuele mandeligheid
Documentgegevens:
mr. J.G. Gräler, datum 01-10-2006
- Datum
01-10-2006
- Auteur
mr. J.G. Gräler
- JCDI
JCDI:ADS489675:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Burenrecht en mandeligheid
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het Ontwerp-Meijers werd ten aanzien van het einde van de contractuele mandeligheid in art. 5.5.1 lid 3 laatste zin bepaald dat dit het geval zou zijn indien het nut voor alle erven zou vervallen. Daarmee werd tot uitdrukking gebracht dat de mandeligheid bleef voortbestaan zolang sprake was van nut voor ten minste één erf.
In het Regeringsontwerpwerd het Ontwerp-Meijers gevolgd. Eerst tijdens de parlementaire behandeling is een ingrijpende verandering opgetreden. De laatste zin van evengemeld art. 5.5.1 lid 3 kwam te vervallen en een nieuw art. 5.5.1a, uitsluitend handelende over de wijze van tenietgaan van mandeligheid krachtens overeenkomst, werd in het leven geroepen. De tekst werd vervolgens ongewijzigd opgenomen in de Vaststellingswet. Deze eindtekst luidde aldus:
Mandeligheid die is ontstaan ingevolge het vorige artikel, eindigt:
wanneer de gemeenschap eindigt;
wanneer de bestemming van de zaak tot gemeenschappelijk nut van de erven door een overeenkomst van de mede-eigenaren wordt opgeheven;
zodra het nut van de zaak voor alle erven is geëindigd.
Het feit dat het nut van de zaak voor alle erven is geëindigd, kan in de openbare registers worden ingeschreven.’
Uitdrukkelijk is hier niet bedoeld een limitatieve opsomming van de oorzaken van beëindiging van mandeligheid te geven. In de MvA II worden als zodanig ook nog genoemd de ontbindende tijdsbepaling en de ontbindende voorwaarde.1
Daarnaast werd in de literatuur door Stein en Davids verdedigd dat via de schakelbepaling van art. 6.5.4.1 lid 2 (thans art. 6:261 lid 2) ook ontbinding wegens niet-nakoming van verplichtingen alsook opheffing bij gewijzigde omstandigheden (vergelijk art. 6:258) mogelijk zou moeten zijn. Terecht merkt Davids2 opdat hiervan thans geen sprake meer kan zijn, immers zoals we reeds eerder zagen: de overeenkomst zoals bedoeld in art. 5:60 moet worden aangemerkt als een zakelijke overeenkomst waarop de schakelbepaling geen betrekking kan hebben. Tijdens de behandeling van de invoeringswetgeving is de tekst van art. 5.5.1a nog enigszins aangepast. Niet alleen zijn de termen ‘alle erven’ vervangen door ‘elk van de erven’ (vergelijk lid 1 sub c en lid 2) maar ook is de eindigingsgrond onder b aangepast aan het nieuwe stelsel van mandeligheid. Niet de enkele overeenkomst kan de mandeligheid doen eindigen, vereist is een overeenkomst neergelegd in een notariële akte gevolgd door inschrijving in de openbare registers.