Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht
Einde inhoudsopgave
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/4.6:4.6 Afsluiting
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/4.6
4.6 Afsluiting
Documentgegevens:
mr. I.J. Krukkert, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. I.J. Krukkert
- JCDI
JCDI:ADS464481:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Fiscaal strafrecht
Fiscaal bestuursrecht / Boete
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Van Russen Groen, p. 154.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voor het proces dat leidt tot een evenredige bestraffing is een onafhankelijk en onpartijdige bestraffende instantie een noodzakelijke voorwaarde. Zo kan een onafhankelijk bestraffer zonder inmenging van buitenaf zijn eigen, deskundig oordeel vellen over de strafmaat. Daarnaast roept een bestraffer die uitstraalt dat hij objectief en onbevooroordeeld zijn werk doet vertrouwen bij het publiek en de betrokkene op. Daarbij zal bij de betrokkene het specifieke vertrouwen in een evenredige bestraffing gepaard kunnen gaan met het geloof dat door hem aangedragen strafverminderende omstandigheden niet tegen hem gebruikt zullen worden. Ook zal de betrokkene eerder geneigd zijn een straf te accepteren die is opgelegd door iemand die naar zijn gevoel niet vooringenomen is.
Maar hoe je het wendt of keert, de inspecteur is geen strafrechter. Naar de aard van de zaak is de inspecteur afhankelijk, want hij maakt onderdeel uit van de uitvoerende macht. En dit heeft nu eenmaal gevolgen voor de (schijn van) onpartijdigheid. Van Russen Groen beschrijft dit treffend als volgt:
“Objectief onpartijdig is een bestuursorgaan niet. Een bestuursorgaan is geen rechterlijke instantie. Bij het maken van een redelijke belangenafweging zal het bestuursorgaan zijn eigen belangen laten meewegen. Bestuurlijke strafopleggers zullen in elk geval nooit volledig aan de schijn van partijdigheid kunnen ontkomen.”1
Uit dit citaat kan enerzijds afgeleid worden dat een onpartijdige inspecteur in wezen een utopie is. In zoverre zijn de in dit hoofdstuk aangetroffen verschillen tussen inspecteur en strafrechter naar mijn mening dan ook niet verrassend. Maar anderzijds blijkt uit de aangehaalde bewoordingen dat er wel degelijk ruimte is om het risico op schijnbaar vooringenomen handelen te verminderen. Vandaar dat een vergelijking tussen beide instanties vanuit beginselperspectief mij nuttig leek om zo lering te kunnen trekken uit het strafrecht ter mogelijke verbetering van het fiscale boetetoemetingsproces. Het (alsnog) aanbrengen van een functiescheiding tussen de constaterende en beboetende instantie zou een dergelijke verbetering kunnen zijn in het licht van het beginsel van onpartijdigheid (zie verder hoofdstuk 8, onderdeel 8.1).