Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/10.4.4.1
10.4.4.1 Rechtshandelingen jegens de stille cedent
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS591895:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Uit de tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW volgt ook dat bij een stille cessie onder voorbehoud van een stil pandrecht (art. 3:81 lid 1 tweede zin jo 3:94lid 3 jo 3:239 lid 1 BW) de schuldenaar bevrijdend kan blijven betalen aan de stille cedent/pandhouder. Zie Steneker 2008, par. 7.6. De schuldenaar zou in dit geval ook bevrijdend kunnen betalen aan de stille cessionaris/pandgever. Een stille cessie ex art. 3:94 lid 3 BW onder voorbehoud van een openbaar pandrecht is mogelijk, maar de mededeling van de openbare verpanding zal tevens de mededeling van de stille cessie in de zin van art. 3:94 lid 3 BW inhouden, waardoor de stille cessie meteen openbaar wordt. In dat geval kan de schuldenaar op grond van art. 3:246 lid 1 BW alleen aan de openbaar pandhouder bevrijdend betalen. Vgl. Steneker 2008, par. 7.5.
Anders: Abendroth, die verdedigt dat de tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW als beschermingsbepaling overbodig is, omdat de schuldenaar een beroep kan doen op art. 6:34 lid 1 BW. Zie Abendroth 2006, p. 59 r.k.; vgl. De Serière 2003, p. 377, l.k. Deze zienswijze is naar mijn mening onjuist, voor zover zij miskent dat voor een beroep op art. 3:94 lid 3 BW de goede trouw van de schuldenaar niet van belang is. Vgl. Kamerstukken II 2003-2004, 28 878, nr. 5, p. 3; en Biemans 2008, par. 2.
Anders (kennelijk): Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2006, nr. 269, die verwijst naar art. 3:94 lid 3, tweede zin jo 6:34 lid 1 BW.
Vgl. Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2006, nr. 269.
Zie ook hiervóór nr. 95.
585. Bij een stille cessie wordt de rechtspositie van de schuldenaar bepaald door de tweede zin van art. 3:94 lid 3 tweede BW, waaruit volgt dat de levering niet aan de schuldenaar kan worden tegengeworpen dan na mededeling daarvan aan hem door de stille cedent of de stille cessionaris. Uit deze bepaling volgt dat de schuldenaar zijn bevoegdheden ten aanzien van de vordering jegens de stille cedent kan blijven uitoefenen totdat aan hem mededeling is gedaan.
Voor een succesvol beroep art. 3:94 lid 3 tweede zin BW speelt geen rol of de schuldenaar wist of had behoren te weten dat de stille cedent tot het in ontvangst nemen van betalingen onbevoegd is, zoals vereist in art. 6:34 BW. Evenmin is van belang dat de stille cessionaris de desbetreffende rechtshandeling heeft bekrachtigd of door de betaling aan de stille cedent is gebaat, bijvoorbeeld omdat de stille cedent het ontvangen aan hem heeft doorbetaald.
De tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW beperkt zich bovendien niet tot de bevoegdheid om bevrijdend te kunnen betalen. Door de opzet van de bepaling heeft deze betrekking op alle bevoegdheden die de schuldenaar kan uitoefenen jegens de stille cedent als de oorspronkelijke schuldeiser. Verricht de stille cedent na de stille cessie jegens de schuldenaar een rechtshandeling waartoe hij niet meer bevoegd is, omdat hij door de stille cessie niet meer de schuldeiser is van de stil gecedeerde vordering, dan kan deze onbevoegdheid niet aan de schuldenaar worden tegengeworpen. Neemt de stille cedent onbevoegd een betaling in ontvangst, verleent hij onbevoegd zijn medewerking aan schuldwijziging of schuldvemieuwing, scheldt hij onbevoegd de vordering kwijt, verleent hij onbevoegd zijn toestemming aan inbetalinggeving, betaling in gedeelten of schuldovememing of bekrachtigt hij onbevoegd een betaling aan een inningsonbevoegde derde, dan kan de stille cessionaris de onbevoegdheid van de stille cedent niet aan de schuldenaar tegenwerpen en de schuldenaar alsnog voor het gehele bedrag van de vordering aanspreken.1
De tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW biedt derhalve in twee opzichten meer bescherming dan de bestaande beschermingsbepalingen waarop een schuldenaar zich kan beroepen. Ten eerste beperkt de bepaling zich, anders dan art. 6:32 BW en art. 6:34 BW, niet tot het onbevoegd in on tv angst nemen van betalingen.2 Ten tweede stelt art. 3:94 lid 3 BW alleen als vereiste dat nog geen mededeling aan de schuldenaar is gedaan. Met name de goede trouw van de schuldenaar is niet vereist. De bepaling verschilt in dat opzicht van bepalingen zoals art. 3:61 lid 2 BW (schijn van volmachtverlening), art. 6:34 lid 1 BW (bevrijdende betaling),3art. 1:439 lid 1 BW en art. 4:168 lid 1 BW (bewind) en art. 7:423 lid 1 BW (privatieve last), waar de goede trouw van de schuldenaar wei een vereiste is.4 Evenmin behoeft voldaan te zijn aan andere vereisten, zoals bekrachtiging of baattrekking (vgl. art. 6:32 BW).
De tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW is een lex specialis van art. 6:32 en 6:34 BW. Het volstaat voor de schuldenaar om zich op deze bepaling te beroepen. Een beroep op art. 6:34 BW of een andere beschermingsbepaling blijft mogelijk, maar zal in veel gevallen achterwege kunnen blijven.5
586. De noodzaak voor de schuldenaar om zich op art. 3:94 lid 3 BW te beroepen, en daarmee de toegevoegde waarde van de bepaling voor de schuldenaar, wordt mede bepaald door de interne rechtsverhouding tussen de stille cedent en de stille cessionaris. Is de stille cedent (of diens curator) krachtens lastgeving bevoegd om een bepaalde rechtshandeling te verrichten, dan zal de schuldenaar zich niet op de beschermingsbepaling van art. 3:94 lid 3 BW behoeven te beroepen.6 Is bijvoorbeeld de stille cedent krachtens lastgeving inningsbevoegd, dan is reeds op grond daarvan de betaling bevrijdend. Hetzelfde geldt voor andere rechtshandelingen. Is bijvoorbeeld de stille cedent krachtens lastgeving bevoegd om de stil gecedeerde vordering ten behoeve van de stille cessionaris te beheren, en kan het wijzigen van de vordering, het verlenen van toestemming aan een uitstel van betaling, schuldoverneming of inbetalinggeving dienstig zijn aan een goed beheer van de vordering, dan komt aan de desbetreffende rechtshandeling reeds op grond daarvan rechtsgevolg toe. De schuldenaar behoeft in deze gevallen geen beroep te doen op de tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW, die in deze gevallen alleen dient ter bescherming van de schuldenaar tegen de eventuele onbevoegdheid van de stille cedent. Het voordeel voor de schuldenaar bij een stille cessie is dat hij zich niet hoeft verdiepen in de (on)bevoegdheid van de stille cedent. Betreft het daarentegen een overgang van de vordering anders dan door een stille cessie, en betaalt de schuldenaar aan de oude schuldeiser die krachtens een privatieve last inningsbevoegd is gebleven, dan zal de schuldenaar dit in beginsel steeds wei dienen te doen.
587. Net als bij art. 6:34 BW is het aan de schuldenaar om te bepalen of hij zich op de bescherming van art. 3:94 lid 3 BW wil beroepen. Doet hij dat niet, en heeft hij aan de stille cedent betaald, dan kan hij het reeds aan de stille cedent betaalde als onverschuldigd terugvorderen en kan de stille cessionaris alsnog betaling vorderen. Beroept de schuldenaar zich wei op de bescherming, dan heeft hij bevrijdend betaald. Dit geldt echter alleen als in de interne rechtsverhouding tussen de stille cedent en de stille cessionaris de stille cedent onbevoegd was om betalingen in ontvangst te nemen. Was de stille cedent daartoe bevoegd, dan blijft art. 3:94 lid 3 BW als beschermingsbepaling buiten toepassing. De schuldenaar kan het reeds aan de stille cedent betaalde niet als onverschuldigd terugvorderen.7