HR, 29-11-2019, nr. 18/02895
ECLI:NL:HR:2019:1872
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
29-11-2019
- Zaaknummer
18/02895
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2019:1872, Uitspraak, Hoge Raad, 29‑11‑2019; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:789
ECLI:NL:PHR:2019:789, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 26‑07‑2019
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1872
Beroepschrift, Hoge Raad, 26‑07‑2019
Beroepschrift, Hoge Raad, 24‑08‑2018
- Vindplaatsen
NLF 2019/2732
FutD 2019-3096
Viditax (FutD) 2019112901
NLF 2019/2035 met annotatie van Yves Gassler
FutD 2019-2168
Viditax (FutD) 2019081601
Uitspraak 29‑11‑2019
Inhoudsindicatie
Art. 14, lid 2, Wet op belastingen van rechtsverkeer; verkrijging van appartementsrecht in voormalig kantoorgebouw, gesloopt tot casco en door kopers af te bouwen / in te richten. ‘Naar zijn aard voor bewoning bestemd’?
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 18/02895
Datum 29 november 2019
ARREST
in de zaak van
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
tegen
[X] te [Z ] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 25 mei 2018, nr. BK-18/00021, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 17/2278) betreffende een door belanghebbende op aangifte betaald bedrag aan overdrachtsbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal C.M. Ettema heeft op 26 juli 2019 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.1.
2. Beoordeling van het middel
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1
Belanghebbende en haar echtgenoot hebben in 2016 een appartementsrecht verworven betreffende een ruimte in een als [Q] bekend staand gebouw te [Z] .
2.1.2
Het [Q] is een voormalig bedrijfs- en kantoorpand. In 2014 is een ‘afwijkingsbesluit omgevingsvergunning’ ter inzage gelegd waardoor in afwijking van de bestemming kantoorgebouw ook bewoning is toegestaan. Toen belanghebbende en haar echtgenoot het appartementsrecht verwierven was een omgevingsvergunning voor woningbouw voorhanden.
2.1.3
Ten tijde van de verwerving van het appartementsrecht waren door (toedoen van) de gemeente [Z] diverse werkzaamheden aan het gebouw uitgevoerd, waaronder het aanbrengen van entrees, liften en trappen, het aanbrengen van een galerij aan de binnengevel van het gebouw ter ontsluiting van de appartementen, en in elke als appartement te verkopen ruimte het aanbrengen van een meterkast, aanvoerpunten voor drinkwater en van warm water voor verwarming, en een aansluiting op het riool.
2.1.4
Om de hen geleverde ruimte – in de stukken wel aangeduid als ‘kluskavel’ – te kunnen bewonen, dienden belanghebbende en haar echtgenoot onder meer nog te voorzien in de scheidingswanden aan hun kant van de ruimte en een entree vanaf de galerij of de centrale hal, in de plaatsing van keuken, badkamer en toilet, in de afwerking van vloeren, wanden en plafonds, wijziging of toevoeging van gevelramen en in het eventueel toevoegen van een balkon, een dakterras of een dakopbouw.
2.1.5
Het op aangifte voldane bedrag aan overdrachtsbelasting is zes procent van de koopsom.
2.2
Voor het Hof was in geschil of het door belanghebbende en haar echtgenoot verkregen recht op gebruik van de ruimte moet worden aangemerkt als de verkrijging van een woning in de zin van artikel 14, lid 2, Wet op belastingen van rechtsverkeer, in welk geval twee procent van de koopsom aan overdrachtsbelasting is verschuldigd.
2.3.1
Het middel bestrijdt de gronden waarop het Hof die vraag bevestigend heeft beantwoord.
2.3.2
Voor zover het middel is gericht tegen de in de bestreden uitspraak gevolgde rechtsopvattingen, faalt het op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 18/045932., waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht.
2.3.3
Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dat behoeft, gelet op artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen verdere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 29 november 2019.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 508.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 29‑11‑2019
Conclusie 26‑07‑2019
Inhoudsindicatie
Op 5 oktober 2016 hebben belanghebbende en haar echtgenoot een appartementsrecht verkregen in een zogeheten kluskavel. De kluskavel is een voormalig bedrijfs- en kantoorpand dat de gemeente heeft verworven ter transformatie in een geheel van 67 appartementsrechten dat is bedoeld voor wonen en/of werken. Tot 5 oktober 2016 heeft de gemeente diverse werkzaamheden verricht aan de kluskavel; vanaf 5 oktober 2016 zijn belanghebbende en haar echtgenoot verplicht de omvorming naar eigen inzicht en smaak te voltooien aan de hand van de geldende bouwvoorschriften. Voor de Rechtbank en het Hof is in geschil of de kluskavel op 5 oktober 2016 een woning is als bedoeld in artikel 14(2) WBR. Zo ja, dan is de verkrijging belast met 2% overdrachtsbelasting; zo neen, dan bedraagt het tarief volgens artikel 14(1) WBR 6%. De Rechtbank heeft geoordeeld dat sprake is van een woning. Zij stelt voorop dat de kluskavel oorspronkelijk is ontworpen en gebouwd voor ander gebruik dan bewoning, namelijk als kantoor. Vervolgens gaat zij na of de kluskavel door latere verbouwing naar zijn is bestemd tot woning op het verkrijgingstijdstip. De Rechtbank komt niet tot een duidelijke slotsom wanneer zij de arresten van de Hoge Raad van 24 februari 2017 toepast: volgens de Rechtbank is de kluskavel op 5 oktober 2016 niet langer naar zijn aard bestemd tot kantoorpand en evenmin inmiddels naar zijn aard bestemd voor bewoning. De Rechtbank kent doorslaggevende betekenis toe aan de eisen en/of beperkingen die voortvloeien uit publiekrechtelijke voorschriften voor (het gebruik van) de kluskavel. Gelet op de omgevingsvergunning voor woningbouw waarover belanghebbende beschikt, oordeelt de Rechtbank dat het tarief van 2% ten onrechte niet is toegepast. Het Hof onderschrijft het oordeel van de Rechtbank, maar bezigt hiertoe andere gronden. Het Hof overweegt dat de kluskavel in zijn totaliteit oorspronkelijk voor ander gebruik dan bewoning is ontworpen maar door de latere verbouwingswerkzaamheden in samenhang met de juridische splitsing in afzonderlijke onroerende zaken naar de aard tot verschillende woningen is bestemd. Het Hof acht nog richtinggevend dat deze bestemming strookt met de opzet en tenuitvoerlegging van het transformatieproject en de in dat verband al bestaande of verleende publiekrechtelijke vergunningen. In cassatie stelt de Staatssecretaris één middel voor. Het middel bestrijdt het oordeel van het Hof dat sprake is van een woning, mede met het betoog dat de vuistregels die de Hoge Raad heeft gegeven in de arresten van 24 februari 2017 niet zijn toegesneden op een bouwwerk dat oorspronkelijk is ontworpen en gebouwd voor ander gebruik dan bewoning maar op het moment van verkrijging wordt verbouwd voor bewoning, zoals de kluskavel. Volgens de Staatssecretaris bieden de arresten van 24 februari 2017 (dus) geen uitsluitsel voor de vraag of de kluskavel al dan niet een woning is op het verkrijgingstijdstip. A-G Ettema onderscheidt twee alternatieven als zij met de Staatssecretaris zou aannemen dat de overgang van een niet-woning naar een woning niet kan worden bepaald aan de hand van de vuistregels van de arresten van 24 februari 2017. Het eerste alternatief is een strengere maatstaf dan deze vuistregels, bijvoorbeeld doordat een niet-woning pas zou overgaan naar een woning nadat de laatste uitvoeringshandeling voor de verbouwing is afgerond. De A-G ziet echter onvoldoende grond voor een strengere maatstaf. Volgens de A-G reiken de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 14(2) WBR en het relevante beleid geen strengere maatstaf aan, maar onderscheiden uitsluitend tussen onroerende zaken die naar hun aard zijn bestemd tot woning en andere onroerende zaken. Ook constateert de A-G dat de gerechtshoven eensgezind toetsen of de verbouwing al heeft geleid tot een bouwwerk dat naar zijn aard is bestemd tot woning op het verkrijgingstijdstip. Het tweede alternatief is een ruimere maatstaf, bijvoorbeeld doordat een niet-woning al zou overgaan naar een woning vanaf het maken van verbouwingsplannen en –tekeningen, vanaf het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning of vanaf het verrichten van de eerste uitvoeringshandeling voor de verbouwing. De A-G ziet evenmin voldoende grond voor een ruimere maatstaf dan de vuistregels van de arresten van 24 februari 2017. Volgens de A-G suggereren de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 14(2) WBR en het relevante beleid geen ruimere maatstaf, net zo min als zij een strengere maatstaf aanreiken. De A-G gaat (dus) uit van de vuistregels ter beoordeling of de verkrijging van een onroerende zaak die oorspronkelijk is gebouwd en ontworpen als niet-woning, deelt in het verlaagde tarief als gevolg van een verbouwing op het verkrijgingstijdstip. Beoordeeld naar het oorspronkelijk ontwerp- en bouwdoel, is de kluskavel een kantoor. Dat blijft zo totdat de kluskavel zodanig is verbouwd dat de aard is gewijzigd naar woning. In één van de arresten van 24 februari 2017 is namelijk de vuistregel gegeven dat een oorspronkelijk kantoorpand alsnog wordt gelijkgesteld aan een oorspronkelijke woning als het door latere verbouwing naar zijn aard tot woning is bestemd. De A-G merkt op dat deze vuistregel zich strikt of los laat lezen. Een strikte lezing impliceert dat een kantoorpand gelijkgesteld wordt aan een woning na – dus: niet eerder dan – en als gevolg van een zodanig aardveranderende verbouwing dat het (nagenoeg) alle bouwkundige kenmerken van een woning heeft. Uitgaande van deze strikte lezing meent de A-G dat de feitelijke vaststellingen over de verrichte verbouwingswerkzaamheden geen andere gevolgtrekking toestaan dan dat de kluskavel (nog) geen woning is op het verkrijgingstijdstip. Het middel is dan terecht voorgesteld. Een losse lezing laat ruimte om de kluskavel aan te merken als ‘geenaardig’ bouwwerk: een bouwwerk dat in zijn geheel is te bestemmen tot een woning, iets anders of beide, maar op het verkrijgingstijdstip de bouwkundige kenmerken van geen van beide heeft doordat het niet langer naar zijn aard is bestemd tot kantoor en tegelijk nog niet is bestemd tot woning. In dit geval beslissen volgens de A-G de publiekrechtelijke (gebruiks)eisen en/of (gebruiks)beperkingen. Deze losse lezing heeft de voorkeur van de A-G. Uitgaande van de losse lezing komt de A-G tot de slotsom dat de kluskavel een ‘geenaardig’ bouwwerk is en dat de omgevingsvergunning voor woningbouw van belanghebbende beslist ten gunste van het verlaagde tarief. Het middel leidt dan niet tot cassatie en de Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen. De A-G concludeert tot het ongegrond verklaren van het beroep in cassatie.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 18/02895
Datum 26 juli 2019
Afdeling B
CONCLUSIE
C.M. Ettema
Inzake:
Staatssecretaris van Financiën
tegen
[X]
1. Inleiding
1.1
Vanaf welk moment tijdens de verbouwing van niet-woning tot woning, valt de verkrijging van een onroerende zaak niet langer onder het algemene overdrachtsbelastingtarief maar onder het verlaagde tarief voor woningen? Geldt voor het antwoord op deze vraag dezelfde maatstaf als voor de verkrijging van andere onroerende zaken, te weten dat het verkregene naar de aard bestemd moet zijn tot woning? Of geldt een strengere dan wel ruimere maatstaf? In deze conclusie ga ik in op die vragen.
1.2
Op 5 oktober 2016 hebben belanghebbende en haar echtgenoot een appartementsrecht verkregen van de gemeente [Z] . Het appartementsrecht geeft recht op het uitsluitende gebruik van een ruimte op de derde verdieping van het zogeheten [Q] -blok en het 227/8.830e onverdeelde aandeel in de bijbehorende grond (de kluskavel). Het [Q] -blok is een voormalig bedrijfs- en kantoorpand, dat de gemeente heeft verworven ter transformatie in een geheel van 67 appartementsrechten dat is bedoeld voor wonen en/of werken. Tot 5 oktober 2016 heeft de gemeente de volgende werkzaamheden verricht: (a) het intern strippen van het [Q] -blok tot casco, (b) het in orde maken van entrees, liften en trappen in de algemene ruimtes, (c) het uitvoeren van asbestsanering, (d) het realiseren van een galerij aan de binnengevel ter ontsluiting van diverse appartementen, (e) het vernieuwen van de dakverdieping, (f) het maken van een loopbrug van en naar het parkeerdek, (g) het aanleggen van een meterkast per appartement, (h) het maken van aanpassingen voor brandveiligheid, (i) het creëren van een mogelijkheid tot aansluiting op de riolering per appartement, (j) het aanleggen van de basisinfrastructuur van nutsvoorzieningen, (k) het aanleggen van afgetopte aanvoerpunten van warm en koud leidingwater, (l) het aanbrengen van afgetopte warmwaterpunten voor verwarming per appartement, (m) het realiseren van een fietsenberging en (n) het voorbereiden van bellentableau en postvakken.
1.3
Als rechthebbenden van het appartementsrecht zijn belanghebbende en haar echtgenoot verplicht de omvorming naar eigen inzicht en smaak te voltooien aan de hand van de geldende bouwvoorschriften. Vanaf 5 oktober 2016 resteren de volgende werkzaamheden: (a) het maken van een entree naar het appartement vanaf galerij of centrale hal, (b) het plaatsen van de helft van de scheidingswanden, aan de door belanghebbende gekochte zijde, (c) het plaatsen en aansluiten van alle water-, warmte-, elektriciteit-, ventilatie- en rioleringsinstallaties, (d) het plaatsen van de keuken, de badkamer en het toilet, (e) het afwerken van vloeren, wanden en plafonds, (f) het eventueel wijzigen van gevelramen, (g) het toevoegen van gevelramen op de dakverdieping en eventueel van balkon, dakterras, dakopbouw of uitbreiding en (h) het plaatsen van de brievenbus.
1.4
Voor de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) en het gerechtshof Den Haag (het Hof) was in geschil of de kluskavel op 5 oktober 2016 een woning is als bedoeld in artikel 14(2) van de Wet op de belastingen van rechtsverkeer 1970 (WBR).1.Zo ja, dan is overdrachtsbelasting verschuldigd voor de verkrijging van de kluskavel naar een tarief van 2%. Zo neen, dan bedraagt het tarief volgens artikel 14(1) WBR 6%.
1.5
De Rechtbank2.heeft geoordeeld dat de kluskavel een woning is. Zij heeft vooropgesteld dat het [Q] -blok oorspronkelijk is ontworpen en gebouwd voor ander gebruik dan bewoning, namelijk als kantoor. Vervolgens is zij nagegaan of het [Q] -blok door latere verbouwing naar zijn aard is bestemd tot woning op het moment van de verkrijging door belanghebbende. De toepassing van de uit de arresten van de Hoge Raad van 24 februari 2017 (de arresten van 24 februari 2017; zie onderdeel 2.2 hierna) voortvloeiende rechtsregels leidt de Rechtbank niet tot een duidelijke slotsom. Gelet op de tot dat moment verrichte bouwwerkzaamheden en de mede toegestane bestemming van bedrijfsruimte, overweegt de Rechtbank dat het [Q] -blok op 5 oktober 2016 niet langer naar zijn aard is bestemd tot kantoorpand en evenmin inmiddels naar zijn aard is bestemd voor bewoning. De Rechtbank kent daarom doorslaggevende betekenis toe aan de eisen en/of beperkingen die voortvloeien uit publiekrechtelijke voorschriften voor (het gebruik van) het [Q] -blok. Omdat belanghebbende ten tijde van de verkrijging beschikt over een omgevingsvergunning voor woningbouw, oordeelt de Rechtbank dat de onroerende zaak op grond van publiekrechtelijke voorschriften alleen is bestemd voor bewoning, zodat het tarief van 2% ten onrechte niet is toegepast.
1.6
Het Hof3.heeft het oordeel van de Rechtbank onderschreven dat het 2%-tarief ten onrechte niet is toegepast. Het legt aan zijn oordeel echter een andere onderbouwing ten grondslag. Het Hof overweegt dat ten tijde van de verkrijging sprake is van een pand dat in zijn totaliteit oorspronkelijk voor ander gebruik dan bewoning is ontworpen, maar dat door de latere verbouwingswerkzaamheden in samenhang met de juridische splitsing in afzonderlijke onroerende zaken naar de aard tot verschillende woningen is bestemd. Hierbij wijst het Hof op de verbouwingswerkzaamheden die zijn verricht tot het moment van de verkrijging van de naar oppervlakte, omvang en basisinrichting ingevulde en gerealiseerde appartementen, en constateert dat deze werkzaamheden elk van de appartementen naar de aard heeft bestemd tot woning. Het Hof acht nog richtinggevend dat deze bestemming strookt met de opzet en tenuitvoerlegging van het transformatieproject en de in dat verband al bestaande of verleende publiekrechtelijke vergunningen.
1.7
De staatssecretaris van Financiën (de Staatssecretaris) stelt één middel voor. Het middel keert zich met rechts- en motiveringsklachten tegen het oordeel van het Hof dat de kluskavel een woning is als bedoeld in artikel 14(2) WBR. Belanghebbende acht het oordeel van het Hof dat het middel bestrijdt, juist en begrijpelijk. De Staatssecretaris heeft laten weten niet te repliceren.
1.8
Ik meen dat het middel terecht is voorgesteld maar niet tot cassatie kan leiden. Ik concludeer tot het ongegrond verklaren van het beroep in cassatie van de Staatssecretaris.
2. Onroerende zaak in staat van verbouwing: welke maatstaf?
Een bijzondere maatstaf?
2.1
Sinds 15 juni 2011 bepaalt artikel 14(2) WBR dat de verkrijging van woningen (en van rechten waaraan woningen zijn onderworpen) is belast met overdrachtsbelasting naar een verlaagd tarief van 2%.4.Voor zover thans van belang, luidt dit artikellid als volgt:5.
“In afwijking van het eerste lid bedraagt de belasting 2 percent voor de verkrijging van woningen en van rechten waaraan deze zijn onderworpen, alsmede voor de verkrijging van aandelen en rechten als bedoeld in artikel 4, eerste lid, voor zover deze aandelen en rechten middellijk of onmiddellijk woningen vertegenwoordigen. (…)”
2.2
In vier arresten van 24 februari 2017 heeft de Hoge Raad beoordeeld onder welke omstandigheden sprake is van een woning waarvan de verkrijging is belast naar het verlaagde tarief,6.en in drie daarvan zijn vuistregels geformuleerd ter beantwoording van deze vraag. Volgens de drie arresten wordt onder ‘woning’ als bedoeld in artikel 14(2) WBR verstaan het bouwwerk dat “naar zijn aard bestemd is voor bewoning”. De gegeven vuistregels beogen een zo objectief mogelijke maatstaf te geven door aan te knopen bij de kenmerken van het bouwwerk. Ik citeer uit één van deze arresten:7.
“2.3.4. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel strekkende tot invoering van het tweede lid van artikel 14 Wbr is benadrukt dat feitelijke bewoning nog niet meebrengt dat het gekochte bouwwerk naar zijn aard tot bewoning is bestemd, terwijl ook niet van belang is of de koper het gekochte zelf wil gaan bewonen. Gelet op deze toelichting ligt het in de rede om de vraag of de verworven onroerende zaak ‘naar zijn aard voor bewoning is bestemd’, te beantwoorden met toepassing van een zo objectief mogelijke maatstaf, dat wil zeggen een maatstaf die zoveel mogelijk aanknoopt bij de kenmerken van het bouwwerk zelf.
2.3.5.
Aanknoping bij de kenmerken van het bouwwerk zelf wordt bereikt door aansluiting te zoeken bij het doel waarvoor het oorspronkelijk is ontworpen en gebouwd. Indien dat doel bewoning is geweest maar het bouwwerk nadien is verbouwd om het geschikt te maken voor een andere vorm van gebruik, kan het alleen worden geacht zijn aard van woning te hebben behouden indien niet meer dan beperkte aanpassingen nodig zijn om het weer voor bewoning geschikt te maken.
Met een pand dat oorspronkelijk is gebouwd voor bewoning wordt in dit verband gelijkgesteld een pand dat oorspronkelijk voor ander gebruik dan bewoning is ontworpen maar door latere verbouwing naar zijn aard tot woning is bestemd.
2.3.6.
Indien toepassing van de hiervoor in 2.3.5 vermelde regels niet leidt tot een duidelijke slotsom, komt mede betekenis toe aan de eisen of beperkingen die voor het (gebruik van het) bouwwerk voortvloeien uit publiekrechtelijke voorschriften.”
2.3
Het geciteerde arrest ziet op een boerderij met agrarische bedrijfsruimte. Na verbouwing is een keukenblok geplaatst met het oog op gebruik als kantine. Ook zijn systeemplafonds aangebracht, aansluitingen voor telefoon, dataverkeer en elektra aangelegd en is kantoorruimte gemaakt voor (in totaal) 38 werkplekken. Tegelijk zijn voorzieningen getroffen om vertrekken als badkamer of keuken te kunnen gebruiken en zijn alle oorspronkelijke leidingen behouden. Vervolgens is de boerderij in gebruik genomen als kantoor. De Hoge Raad laat het oordeel in stand dat de boerderij een ‘woning’ is (gebleven). In de twee andere arresten waarin de aangehaalde vuistregels zijn geformuleerd, gaat het telkens om panden die zijn gebouwd als woningen maar bepaalde woonvoorzieningen (zoals keuken en badkamer) missen. Opnieuw laat de Hoge Raad het oordeel in stand dat de panden ‘woningen’ zijn (gebleven). Het vierde arrest betreft een gebouw waarin een hospice is gevestigd. Anders dan het hof (en mijn ambtgenoot Wattel) oordeelt de Hoge Raad dat het gebouw geen ‘woning’ is.
2.4
In deze procedure staat vast – en wordt in cassatie niet bestreden – dat het [Q] -blok oorspronkelijk voor ander gebruik dan bewoning is ontworpen en gebouwd, namelijk als kantoor.8.In geschil is of de kluskavel ten tijde van de verkrijging naar zijn aard tot woning is bestemd. Het Hof heeft beoordeeld of de tot aan de verkrijging verrichte verbouwingswerkzaamheden de kluskavels “elk naar de aard als woning hebben bestemd”. Daarmee heeft het Hof dezelfde toets aangelegd als is aangehaald in de hiervoor geciteerde vuistregels.
2.5
Een verbouwing is een geleidelijk proces. Het neemt doorgaans meer tijd in beslag dan aanvankelijk verwacht en komt niet zelden uit op een resultaat dat weliswaar lijkt op de oorspronkelijke tekeningen maar ook daarvan afwijkt, al dan niet naar tevredenheid van de betrokken partijen. Als een onroerende zaak wordt verbouwd van, kort gezegd, niet-woning tot woning en de verkrijging plaatsvindt tijdens de verbouwing, is iedere grens die aangeeft tot welk moment in dit geleidelijke proces sprake is van een niet-woning en vanaf welk moment (opeens) sprake is van een ‘woning’, onmiskenbaar rigide en tot op zekere hoogte willekeurig. Toch is een grens vereist, gelet op het tariefverschil voor de heffing van overdrachtsbelasting.
2.6
Het middel stelt de vraag aan de orde onder welke omstandigheden een bouwwerk dat oorspronkelijk is ontworpen en gebouwd voor ander gebruik dan bewoning maar op het moment van verkrijging wordt verbouwd voor bewoning ‘naar zijn aard tot woning is bestemd’. Volgens de Staatssecretaris zijn de in onderdeel 2.2 aangehaalde vuistregels niet toegesneden op een dergelijk bouwwerk en bieden de arresten van 24 februari 2017 (dus) geen uitsluitsel. In dit onderdeel 2 ga ik na of een bijzondere maatstaf geldt voor onroerende zaken die op het verkrijgingstijdstip worden verbouwd. In onderdeel 3 bespreek ik de resterende klachten.
2.7
Neem ik met de Staatssecretaris aan dat de overgang van niet-woning naar woning niet aan de hand van de vuistregels van de arresten van 24 februari 2017 kan worden bepaald maar bijzondere criteria nodig zijn om de aardverandering vast te stellen,9.dan zijn twee alternatieven denkbaar. Het eerste alternatief is een strengere maatstaf (zie hierover onderdelen 2.12-2.28 hierna). Een onroerende zaak die oorspronkelijk is ontworpen en gebouwd als niet-woning, zou bijvoorbeeld pas gelden als ‘woning’ nadat de laatste uitvoeringshandeling voor de verbouwing is afgerond. Vindt de verkrijging voordien plaats, dan zou de oorspronkelijke ontwerp- en bouwbestemming nog prevaleren en zou sprake zijn van een niet-woning. Dat zou dan zo zijn, ook al bezit de desbetreffende onroerende zaak op het verkrijgingstijdstip al enige bouwkundige kenmerken van een woning. Het zou zelfs zo zijn wanneer de bouwkundige kenmerken niet tot een duidelijke slotsom leiden, terwijl de arresten van 24 februari 2017 dan de publiekrechtelijke eisen of beperkingen voor (het gebruik van) het bouwwerk mede van betekenis achten (zie onderdeel 2.2).
2.8
Het tweede alternatief is een ruimere maatstaf dan uiteengezet in deze arresten (zie hierover onderdelen 2.29-2.38 hierna). Zo zou een niet-woning die wordt verbouwd tot woning kunnen worden aangemerkt als ‘woning’ vanaf het moment waarop (a) verbouwingsplannen en –tekeningen zijn gemaakt, of (b) de voor de verbouwing verleende omgevingsvergunning onherroepelijk is geworden, of (c) de eerste uitvoeringshandeling voor de verbouwing is verricht. Telkens zou de onroerende zaak dan al vóór of (vroeg) tijdens het verbouwingsproces een ‘woning’ worden, ook al bezit de desbetreffende onroerende zaak op het verkrijgingstijdstip nog niet alle bouwkundige kenmerken van een woning.
2.9
Voordat ik mij wend tot een strenger dan wel ruimer alternatief, merk ik op dat ik mij nog heb afgevraagd of een bouwwerk dat oorspronkelijk is ontworpen en gebouwd als niet-woning ook na verbouwing tot woning toch een niet-woning blijft, zolang niet meer dan beperkte aanpassingen nodig zijn om het bouwwerk geschikt te maken voor ander gebruik dan bewoning. De arresten van 24 februari 2017 brengen het omgekeerde nadrukkelijk tot uiting: een oorspronkelijk als woning ontworpen en gebouwd bouwwerk blijft een ‘woning’ nadat het is verbouwd om het geschikt te maken voor ander gebruik, mits niet meer dan beperkte aanpassingen nodig zijn om het bouwwerk geschikt te maken voor bewoning.10.
2.10
Van Straaten meent dat na verbouwing sprake blijft van een niet-woning als niet meer dan beperkte aanpassingen nodig zijn om het bouwwerk weer geschikt te maken voor ander gebruik dan bewoning. Hij schrijft (met weglating van de voetnoot):11.
“Als een woning door verbouwing (…) niet langer geschikt is voor bewoning blijft het bouwwerk toch de status woning houden, indien “niet meer dan beperkte aanpassingen nodig zijn om het weer voor bewoning geschikt te maken”. Omgekeerd geldt hetzelfde: als een niet-woning door verbouwing geschikt is geworden voor bewoning blijft het bouwwerk toch de status niet-woning houden, indien niet meer dan beperkte aanpassingen nodig zijn om het weer voor ander gebruik dan bewoning geschikt te maken. Aldus leid ik af uit de laatste volzin van r.o. 2.3.5 [CE: zoals geciteerd in onderdeel 2.2].”
2.11
De vraag is of deze gevolgtrekking zich zonder meer laat afleiden uit de bedoelde volzin. Op deze volzin kom ik nog terug (zie onderdelen 2.34-2.38), maar ik merk in dit verband op dat daarin met een oorspronkelijk als woning ontworpen en gebouwd pand wordt gelijkgesteld een pand dat oorspronkelijk voor ander gebruik dan bewoning is ontworpen maar door latere verbouwing naar zijn aard tot woning is bestemd. Naar de letter genomen, geldt deze gelijkstelling ongeacht of na de verbouwing beperkte aanpassingen volstaan om het pand weer geschikt te maken voor het oorspronkelijke gebruik.12.Met andere woorden, van de gelijkstelling is niet uitgezonderd het geval waarin het pand is terug te brengen tot zijn oorspronkelijke aard na niet meer dan beperkte aanpassingen. Al met al twijfel ik of ieder tot woning verbouwd pand wordt gelijkgesteld aan een woning, ongeacht welke (mate van) aanpassingen nodig zijn voor ander gebruik. Maar deze twijfel kan blijven rusten, want zij is niet van belang voor deze zaak. Ik wend mij thans tot de juiste maatstaf voor deze zaak.
Een strengere maatstaf?
2.12
In de gemeenschappelijke bijlage bij zijn conclusies voor de arresten van 24 februari 2017 heeft mijn ambtgenoot Wattel de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 14(2) WBR uitvoerig behandeld. Graag mag ik kortheidshalve naar de bijlage verwijzen. Hij komt tot de volgende slotsom:
“2.20 In de wetsgeschiedenis is de afbakening van het begrip ‘woning’ aldus slechts bijkomend aan de orde gekomen. De parlementaire behandelingen concentreerden zich op de doeleffectiviteit van tijdelijke c.q. structurele tariefverlaging.
2.21 (…)
Kennelijk gaat het om een zelfstandig begrip ‘woning’ voor overdrachtsbelastingtariefverlagingsdoeleinden, waarvoor het enige robuuste interpretatieve houvast is de in de parlementaire behandelingen en de beleidsuitlatingen steeds terugkerende omschrijving ‘onroerende zaken die naar hun aard bestemd zijn voor bewoning.’.”
2.13
In de beperkte parlementaire behandeling ter afbakening van het begrip ‘woning’ is kort ingegaan op onroerende zaken die worden verbouwd op het verkrijgingstijdstip:13.
“(…) Daarnaast geldt de maatregel voor een nieuwe woning in aanbouw. Als de fundering is aangebracht is in dit kader sprake van een woning in aanbouw. Een onroerende zaak die geen woning is, maar wordt verbouwd tot woning valt niet onder de maatregel.”
2.14
Deze laatste opmerking brengt mij niet veel verder. Iets wat geen woning is, valt uiteraard niet onder een maatregel die zich uitstrekt tot woningen. Toch geldt de maatregel wél voor een fundering van een woning in aanbouw, die duidelijk nog geen woning is. Bedoeld zal dus zijn dat een onroerende zaak die (a) geen woning is tot het verbouwingstijdstip en (b) op het verkrijgingstijdstip door de verbouwing nog geen woning is geworden, niet valt onder artikel 14(2) WBR. Uit dit citaat leid ik af dat het verlaagde tarief wel geldt voor een niet-woning die door een verbouwing een ‘woning’ is geworden. De vraag blijft alleen op welk moment tijdens de verbouwing de niet-woning een ‘woning’ wordt.
2.15
Voorafgaand aan de wijziging van artikel 14(2) WBR is goedgekeurd dat vanaf 15 juni 2011 de verkrijging van woningen wordt belast met 2% overdrachtsbelasting.14.Naar aanleiding van dit beleidsbesluit heeft de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie vragen gesteld aan het ministerie van Financiën over de toepassing van het verlaagde tarief. De vragen en daaropvolgende antwoorden zijn gepubliceerd.15.Met mijn ambtgenoot Wattel meen ik dat de gepubliceerde antwoorden beleidsregels zijn waarop een belanghebbende zich kan beroepen en recht vormen waaraan de cassatierechter kan toetsen na een daartoe strekkende klacht.16.
2.16
In deze context acht ik de antwoorden op vragen 9, 12, 25 en 26 van belang; voor de overige antwoorden verwijs ik kortheidshalve naar de publicatie van het ministerie van Financiën. Ik citeer:
“9. Geldt het verlaagde tarief van de overdrachtsbelasting ook als sprake is van de verkrijging van een woning die bestemd is om te worden gesloopt en te worden vervangen door nieuwbouw?
Reactie: Ja, het verlaagde tarief geldt ook in deze situatie. De overdrachtsbelasting is een tijdstipbelasting. Het gaat erom dat op het tijdstip van de verkrijging sprake is van een woning. De onroerende zaak moet op het moment van de verkrijging zijn aan te merken als woning. Een woning waarvan de sloop al is aangevangen, is in dit kader geen woning.
(…)
12. Geldt het verlaagde tarief van de overdrachtsbelasting bij de levering door de gemeente van een voormalige kleuterschool welke vervolgens door de koper gereed zal worden gemaakt voor bewoning?
Reactie: Het verlaagde tarief geldt niet. Op het tijdstip van de verkrijging moet de onroerende zaak naar zijn aard bestemd zijn als woning. Een kleuterschool is dat niet.
(…)
25. Een projectontwikkelaar koopt een woning met de bedoeling om de woning na verbouwing een ander gebruik te gaan geven (bijvoorbeeld gebruik als bedrijfsruimte). Geldt het verlaagde tarief van de overdrachtsbelasting, omdat ten tijde van de verkrijging sprake is van een woning?
Reactie: Uit de vraag kan worden opgemaakt dat het pand op het tijdstip van de verkrijging wordt gebruikt als woning en naar zijn aard is bestemd als woning. Het verlaagde tarief kan dan worden toegepast.
26. Een projectontwikkelaar heeft een gebouw niet zijnde een woning gekocht met de bedoeling om het gebouw na verbouwing op te leveren als nieuwbouw woonappartementen. De levering vindt door middel van een ABC-levering direct plaats aan de toekomstige bewoners (het BTW aspect wordt buiten beschouwing gelaten). Thans wordt het gebouw in het kader van leegstandsbeheer tijdelijk bewoond. Kan het verlaagde tarief van de overdrachtsbelasting worden toegepast, omdat ten tijde van de verkrijging door de projectontwikkelaar het gebouw wordt bewoond?
Reactie: Uit de vraag kan worden opgemaakt dat op het moment van levering aan de projectontwikkelaar sprake is van een gebouw, niet zijnde een woning ( bijv. kantoorpand), waardoor het pand naar zijn aard niet is bestemd als woning. De tijdelijke bewoning doet daaraan niet af. Het verlaagde tarief geldt niet. De plannen om het gebouw te verbouwen tot woonappartementen hebben voor de maatregel geen invloed. Er is geen sprake van een woning in aanbouw.”
2.17
Hieruit leid ik af dat volgens het ministerie van Financiën verbouwingsplannen nog geen transformatie tot gevolg hebben (antwoord op vragen 12, 25 en 26). Ook sloopplannen leiden niet tot een transformatie (antwoord op vraag 9). Maar uitvoering van sloopplannen heeft wel een transformatie tot gevolg; zodra de sloop is aangevangen, valt een woning niet langer onder het verlaagde tarief (antwoord op vraag 9). Evenzo kan uitvoering van verbouwingsplannen leiden tot een transformatie (zie onderdeel 2.14).
2.18
Daargelaten dat verbouwingsplannen onvoldoende zijn, bieden de aangehaalde antwoorden geen aanknopingspunten ter beantwoording van de vraag welke maatstaf geldt voor niet-woningen die worden verbouwd tot woningen. Ook biedt de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 14(2) WBR geen aanknopingspunten. Zoals de Hoge Raad heeft geoordeeld in de arresten van 24 februari 2017 (met mijn cursivering):17.
“2.3.3. (…) kan uit de wetsgeschiedenis slechts worden opgemaakt dat de wetgever voor ogen had bij de heffing van overdrachtsbelasting voor het lage tarief in aanmerking te laten komen het bouwwerk dat ‘naar zijn aard bestemd is voor bewoning’.”
2.19
De Staatssecretaris verwijst nog naar de parlementaire behandeling van het Belastingplan 2017, in het bijzonder een opmerking uit een brief van zijn hand van 3 november 2016. Ik citeer (met weglating van voetnoten):18.
“De heer Van Weyenberg vraagt of ik erken dat sprake is van een ongelijk fiscaal spelveld tussen nieuwbouw en herbestemming. Het klopt dat nieuwbouw enerzijds en het ombouwen van kantoorpanden naar woningen anderzijds in de overdrachtsbelasting verschillend behandeld worden. Dat is ook niet vreemd, want de situaties van nieuwbouw en transformatiebouw (of herbestemming) zijn in de praktijk zo verschillend van aard dat ook de wijze waarop de vaststelling of al dan niet sprake is van een woning verschilt. Bij de introductie van het verlaagde tarief voor nieuwbouw in de overdrachtsbelasting is in de memorie van toelichting expliciet aangegeven dat een onroerende zaak die geen woning is, maar wordt verbouwd tot woning, niet onder de maatregel valt. Om aan de wens van de heer Van Weyenberg tegemoet te komen zal de reikwijdte van het verlaagde tarief dus uitgebreid moeten worden naar het ombouwen van kantoorpanden naar woningen. Deze uitbreiding van de toepassing van het verlaagd tarief leidt tot een budgettaire derving van naar schatting € 30 miljoen op jaarbasis. Voor deze budgettaire derving is geen passende dekking voorhanden.”
2.20
Deze opmerking dateert van na het verkrijgingstijdstip in dit geval. Zij maakt deel uit van een gedachtewisseling tussen de staatssecretaris van Financiën en het lid Van Weyenberg over de heffing van overdrachtsbelasting bij de verkrijging van onroerende zaken die worden verbouwd tot woning op het verkrijgingstijdstip.19.De gedachtewisseling heeft geresulteerd in een motie,20.die is verworpen.21.Wat daarvan verder zij, het wetsontwerp van het Belastingplan 2017 heeft artikel 14(2) WBR niet gewijzigd. Daardoor maakt de aangehaalde opmerking geen deel uit van de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 14(2) WBR en mist zij betekenis voor de uitleg van deze bepaling.22.
2.21
De tekst van artikel 14(2) WBR of de totstandkomingsgeschiedenis ervan sluit niet aan bij andere (heffings)wetten, zoals de tot woning dienende onroerende zaak als bedoeld in artikel 220a(2) van de Gemeentewet,23.ter beoordeling of een onroerende zaak die wordt verbouwd tot woning op het verkrijgingstijdstip, deelt in het verlaagde overdrachtsbelastingtarief. Wel sluit deze totstandkomingsgeschiedenis sommige beoordelingsmaatstaven uit die daarvoor anders in aanmerking zouden kunnen komen. In dit verband wijs ik opnieuw op de arresten van 24 februari 2017, waarin de Hoge Raad oordeelt:24.
“2.3.4. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel strekkende tot invoering van het tweede lid van artikel 14 Wbr is benadrukt dat feitelijke bewoning nog niet meebrengt dat het gekochte bouwwerk naar zijn aard tot bewoning is bestemd, terwijl ook niet van belang is of de koper het gekochte zelf wil gaan bewonen. (…)”
2.22
De totstandkomingsgeschiedenis en het beleid reiken dus geen strengere maatstaf aan dan die volgt uit de arresten van de Hoge Raad, maar maken uitsluitend onderscheid tussen onroerende zaken die naar hun aard zijn bestemd voor bewoning en andere onroerende zaken.
2.23
Kijk ik naar de feitenrechtspraak die is gewezen sinds de arresten van 24 februari 2017, dan zoeken de feitenrechters aansluiting bij de vuistregels van deze arresten, ook voor in verbouwing zijnde onroerende zaken. Zo heeft gerechtshof Arnhem-Leeuwarden beoordeeld of een wijk- en winkelcentrum dat wordt verbouwd tot woonruimte voor studenten, (al) een ‘woning’ is.25.Volgens het gerechtshof is de onroerende zaak nog bestemd om dienst te doen als kantoor bij de start van de verbouwing. Vervolgens oordeelt dit hof:
“4.9. Van doorslaggevend belang is derhalve het antwoord op de vraag of op het moment van de verkrijging, te weten op 1 augustus 2013, een dusdanige verbouwing aan de onroerende zaak heeft plaatsgevonden dat sprake is van een wijziging van de aard van de onroerende zaak in een onroerende zaak dat [sic] naar zijn aard tot woning is bestemd. Belanghebbende, op wie de bewijslast rust, heeft, in het licht van hetgeen de Inspecteur daar tegenover heeft aangevoerd, niet aannemelijk gemaakt dat een dergelijke verbouwing heeft plaatsgevonden. Daarbij neemt het Hof allereerst in aanmerking dat belanghebbende niets heeft overgelegd waaruit is op te maken welke concrete werkzaamheden per 1 augustus 2013 zijn afgerond en wat de precieze toestand van de onroerende zaak per die datum was. Het Hof neemt verder in aanmerking dat belanghebbende de bevindingen in het rapport van de bezichtiging op 12 september 2013 niet heeft bestreden en dat uit deze rapportage kan worden opgemaakt dat er zelfs op dat moment nog geen wooneenheden gereed waren en slechts met betrekking tot 30 percent van het pand sloop- en verbouwingswerkzaamheden zijn uitgevoerd, hetgeen wordt gestaafd met foto’s. Belanghebbende heeft weliswaar gesteld dat de door de Inspecteur bij het rapport gevoegde foto’s selectief zijn genomen, maar het Hof gaat aan deze stelling voorbij, nu belanghebbende daar in het geheel niets tegenover heeft gezet, hetgeen wel voor de hand had gelegen. Het Hof acht (…) niet aannemelijk dat de werkzaamheden op 1 augustus 2013 van een zodanige aard en omvang zijn geweest, dat de onroerende zaak als woning zou zijn aan te merken. (…)”
2.24
Hetzelfde gerechtshof heeft beoordeeld of een kantoorgebouw wordt aangemerkt als een ‘woning’ wanneer de bestemming al is gewijzigd naar bewoning maar de verbouwing nog moet starten op het verkrijgingstijdstip.26.Het hof oordeelt van niet:
“4.2 (…) Vast staat dat op het moment van de verkrijging nog geen aanpassingen waren verricht aan het pand, waarvan niet in geschil is dat deze oorspronkelijk als kantoorgebouw was gebouwd. Tussen partijen is niet in geschil dat dit kantoorgebouw op het moment van verkrijging door belanghebbende ook de objectieve kenmerken van een kantoorgebouw had en derhalve naar de aard niet bestemd was voor bewoning (vgl. de arresten van 24 februari 2017, nrs. 16/01734, 16/02257, 16/03768 en 16/04101, ECLI:NL:HR:2017:290, 291, 294 en 295). Nu over dat laatste geen twijfel bestaat, komt aan de (naar woondoeleinden gewijzigde) bestemming van het pand geen doorslaggevende betekenis toe. Zoals de Rechtbank terecht heeft geoordeeld, komt een onroerende zaak die geen woning is, maar wordt verbouwd tot woning, niet in aanmerking voor het verlaagde tarief van 2 procent. De omstandigheid dat de fundamenten van een kantoorgebouw kunnen dienen als fundamenten voor (te realiseren) appartementen geschikt voor bewoning, brengt het Hof niet tot een ander oordeel. Zolang op deze fundamenten een kantoorgebouw staat, dat naar zijn aard niet bestemd is voor bewoning, brengt deze constatering niet mee dat sprake is van een woning in de zin van artikel 14, tweede lid, BRV. Ook het feit dat een verbouwing van een kantoorgebouw tot woning(en) doorgaans een geleidelijk proces is, waarbij het exacte omslagpunt moeilijk te duiden kan zijn, maakt niet dat reeds sprake is van een woning zodra vastomlijnde plannen voor een dergelijke verbouwing van een kantoorgebouw bestaan.”
2.25
Voor het gerechtshof Amsterdam is in geschil geweest of een voormalig psychiatrisch ziekenhuis dat wordt verbouwd tot zelfstandige woningen na al dienst te hebben gedaan als daklozenopvang en studentenhuisvesting, valt onder artikel 14(2) WBR.27.Vóór het verkrijgingstijdstip heeft het verantwoordelijke stadsdeel in een brief aangegeven een eventuele woonbestemming van dit ziekenhuis te overwegen. Het hof acht de verbouwingswerkzaamheden tot het verkrijgingstijdstip onvoldoende:
“4.4.2. Met de rechtbank is het Hof van oordeel dat de door belanghebbende gestelde aanpassingen van het gebouw ten behoeve van daklozenopvang en bewoning door studenten geen wezenlijke wijziging hebben gebracht in de aard van het gebouw (zijnde een (voormalige) kliniek) ten tijde van de levering. Het Hof acht het plaatsen van enkele tussenwanden en het aanbrengen casu quo installeren van sloten en aansluitingen voor sanitair en meters, onvoldoende om het gebouw dat als kliniek is ontworpen en tot in november 2013 als zodanig heeft gefunctioneerd, per datum van verkrijging (1 juni 2015) als naar zijn aard bestemd voor bewoning aan te merken. Dit te minder nu – zoals ter zitting bij het Hof is vast komen te staan – de keukenblokken reeds deel uitmaakten van de kliniek.
Het Hof verenigt zich voorts met hetgeen in onderdeel van 14 van de rechtbankuitspraak28.is overwogen en beslist en voegt daar nog aan toe dat (ook) in hoger beroep niet aannemelijk is geworden dat het gebouw ten tijde van de verkrijging door studenten werd bewoond, anders dan – instrumenteel – als leegstandsbeheer (‘antikraak’) van het gebouw in de staat waarin het zich op dat moment bevond.
4.4.3.
Nu in dit geval over de kwalificatie van het in geding zijnde gebouw geen twijfel bestaat – het gebouw is op het tijdstip van levering naar zijn aard niet bestemd voor bewoning – komt aan de brief van 11 maart 2014 verder geen betekenis toe (vgl. rechtsoverweging 2.3.6 van de arresten van 24 februari 2017 van de Hoge Raad, genoemd in onderdeel 11 van de rechtbankuitspraak); nog daargelaten dat die brief voor wat betreft een eventueel af te geven omgevingsvergunning op zichzelf niet erg concreet is.”
2.26
Voorts heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch zich uitgelaten over de kwalificatie van een balletzaal die is verbouwd tot woning, deels vóór het verkrijgingstijdstip en deels daarna.29.Het hof merkt de balletzaal niet aan als ‘woning’:
“In dit geval betreft het een pand dat oorspronkelijk niet als woning is ontworpen en gebouwd. De vraag die moet worden beantwoord is of ten tijde van de verkrijging sprake is van een situatie dat de onroerende zaak naar zijn aard tot woning is bestemd. Vast staat dat de verbouwing tot woning ten tijde van de verkrijging nog niet was afgerond, omdat de onder 2.7. genoemde werkzaamheden30.zijn verricht na de datum van verkrijging. De onder 2.6. genoemde werkzaamheden, die voor de datum van verkrijging zijn afgerond,31.hebben grotendeels betrekking op de transformatie van een onzelfstandig deel van het complex naar een zelfstandige onroerende zaak. Naar het oordeel van het Hof zijn deze werkzaamheden onvoldoende om de zelfstandige onroerende zaak ten tijde van de verkrijging naar zijn aard als woning aan te merken. Hierbij is in aanmerking genomen dat de onroerende zaak, met name door het ontbreken van de leidingen voor keuken en sanitaire voorzieningen, nog niet alle bouwkundige kenmerken heeft van een woning. Dit betekent dat meer dan beperkte aanpassingen nodig zijn om de onroerende zaak voor bewoning geschikt te maken. Dat het in dit geval gaat om een loftwoning, zonder – kort gezegd – indeling in verschillende leefruimtes, maakt dit niet anders. Immers, een loftwoning dient ook te beschikken over leidingen voor keuken en sanitaire voorzieningen. Anders dan de Rechtbank acht het Hof dus niet relevant of meer dan beperkte aanpassingen nodig zijn om de onroerende zaak weer voor een andere vorm van gebruik dan bewoning geschikt te maken. Aan de vraag of mede betekenis moet worden toegekend aan de eisen of beperkingen die voor het gebruik voortvloeien uit publiekrechtelijke voorschriften, komt het Hof in dit geval niet toe.”
2.27
Evenals het Hof heeft gedaan in de bestreden uitspraak, toetsen de andere hoven of de verbouwingswerkzaamheden die zijn aangevangen vóór het verkrijgingstijdstip van de onroerende zaak zodanig zijn gevorderd dat de onroerende zaak al kan worden aangemerkt als naar zijn aard te zijn bestemd voor bewoning op dat tijdstip.
2.28
Op grond van het voorgaande zie ik onvoldoende grond voor een strengere maatstaf dan de vuistregels van de arresten van 24 februari 2017 om te beoordelen of een niet-woning die wordt verbouwd tot woning, valt onder artikel 14(2) WBR. De totstandkomingsgeschiedenis en het beleid reiken geen strengere maatstaf aan en onderscheiden uitsluitend tussen onroerende zaken die naar hun aard zijn bestemd tot woning en andere onroerende zaken (zie onderdelen 2.12-2.21). Dit vindt weerklank in de feitenrechtspraak: de gerechtshoven blijken eensgezind te toetsen of de verbouwing al heeft geleid tot transformatie in een bouwwerk dat naar zijn aard is bestemd tot woning op het verkrijgingstijdstip (zie onderdelen 2.23-2.27). Hoe zit het dan met een ruimere beoordelingsmaatstaf?
Een ruimere maatstaf?
2.29
Net zo min als de totstandkomingsgeschiedenis en het beleid een strengere maatstaf aanreiken, suggereren zij een ruimere maatstaf. Sterker nog, een niet-woning gaat niet al over in een ‘woning’ zodra verbouwingsplannen beschikbaar zijn (zie onderdeel 2.17), maar wel op enig moment tijdens de verbouwing (zie onderdeel 2.14). Ook de hoven lijken aan te nemen dat de overgang tijdens de verbouwing geschiedt (zie met name onderdelen 2.25-2.26).
2.30
Het verlaagde overdrachtsbelastingtarief voor de verkrijging van woningen beoogt (mede) bij te dragen aan een grotere doorstroming op de woningmarkt. Daarbij zou het passen de overgang van een niet-woning in een ‘woning’ te situeren op een vroeg moment tijdens de verbouwing. Voorstelbaar is dat de transformatie van een kantoorgebouw in woningen eens te meer in aanmerking zou komen voor het verlaagde tarief, omdat de transformatie het woningaanbod vergroot. Dit gaat echter niet op. Daarmee zou het beoogde doel de doorslag geven bij de kwalificatie van (sommige) woningen. Maar voor die doorslaggevende betekenis is juist geen plaats, blijkens de arresten van 24 februari 2017:32.
“2.3.2. Voor zover het middel aldus moet worden verstaan dat in dit geval het lage tarief niet toepasselijk is omdat de verkrijging van het pand door belanghebbende niet bijdroeg aan de doorstroming op de woningmarkt, kan het geen doel treffen. Het middel moet worden toegegeven dat grotere doorstroming op de woningmarkt is genoemd als een van de doeleinden van de in artikel 14, lid 2, Wbr neergelegde tariefsverlaging. Daar staat tegenover dat de wetgever heeft aanvaard dat het verlaagde tarief ook toepasselijk zal zijn in bepaalde gevallen waarin de verkrijging van het bouwwerk redelijkerwijs niet in verband is te brengen met doorstroming op de woningmarkt (zoals bij tweede huizen en recreatiewoningen). Bovendien is toepassing van het verlaagde tarief uitgesloten in bepaalde gevallen waarin de verkrijging van het bouwwerk, ofschoon niet als woning ontworpen, aan die doorstroming wel een bijdrage zou kunnen leveren (scholen, kantoren, etc. die worden verkregen door iemand die er woonruimte van gaat maken). Aldus kan het door de wetgever met artikel 14, lid 2, Wbr mede nagestreefde doel van het bevorderen van doorstroming op de woningmarkt, niet doorslaggevend worden geacht bij de uitleg van het begrip woning in die wetsbepaling.”
2.31
Daarmee zie ik evenmin voldoende grond voor een ruimere maatstaf dan de vuistregels van de arresten van 24 februari 2017.
2.32
De Staatssecretaris betoogt dat deze vuistregels niet specifiek zijn toegesneden op de verkrijging van een onroerende zaak die op het verkrijgingstijdstip wordt verbouwd tot woning. Die vuistregels missen inderdaad specificiteit, maar ik acht het gemis een gevolg van de keuze van de wetgever voor een objectieve maatstaf die uitgaat van de bouwkundige kenmerken van de desbetreffende onroerende zaak. Bij deze keuze knopen de arresten van 24 februari 2017 aan (zie onderdeel 2.2).33.Daarom gaat het betoog van de Staatssecretaris in zoverre niet op.
2.33
Bij gebrek aan een strengere of ruimere maatstaf, ligt het mijns inziens in de rede uit te gaan van dezelfde vuistregels – en dus dezelfde maatstaf – óók ter beoordeling of de verkrijging van een onroerende zaak die oorspronkelijk is gebouwd en ontworpen als niet-woning, valt onder artikel 14(2) WBR als gevolg van een verbouwing op het verkrijgingstijdstip. Dan wordt aangeknoopt bij het doel waarvoor het bouwwerk oorspronkelijk is ontworpen en gebouwd. Voor het [Q] -blok is het oorspronkelijk ontwerp- en bouwdoel een kantoor.
2.34
Ga ik uit van dezelfde vuistregels, dan verliest het oorspronkelijk ontwerp- en bouwdoel vervolgens niet eerder belang dan nadat de onroerende zaak zodanig is verbouwd dat de aard is gewijzigd van (in dit geval) kantoorpand naar woning. Immers, in het arrest van 24 februari 2017 over de boerderij is geoordeeld dat een oorspronkelijk kantoorpand alsnog wordt gelijkgesteld aan een oorspronkelijke woning als het “door latere verbouwing naar zijn aard tot woning is bestemd”.34.Ik meen dat de laatstbedoelde vuistregel zich op twee manieren laat lezen, namelijk strikt en los. Een strikte lezing van deze vuistregel impliceert dat een kantoorpand toch geacht wordt oorspronkelijk te zijn ontworpen en gebouwd als woning na – dus: niet eerder dan – en als gevolg van een zodanig aardveranderende verbouwing dat het alle of nagenoeg alle bouwkundige kenmerken van een woning heeft. Van een dergelijke verbouwing is mijns inziens pas sprake als, bijvoorbeeld, alle woonvoorzieningen zijn geplaatst (keuken, badkamer, installaties en leidingwerk) en nog slechts afwerkingswerkzaamheden resteren. Anders gezegd, het verkregene van belanghebbende is eerst een ‘woning’ als het een woning is geworden door de verbouwing, hoewel het oorspronkelijk is ontworpen en gebouwd als iets anders.35.Omgekeerd impliceert een strikte lezing dat het oorspronkelijk ontwerp- en bouwdoel prevaleert als de verbouwing niet ingrijpt in de bouwkundige aard van het kantoorpand of zolang een uiteindelijk aardveranderende verbouwing nog niet is gestart of nauwelijks is gevorderd op het verkrijgingstijdstip, zodat de oorspronkelijke bouwkundige kenmerken nog aanwezig zijn (vergelijk het oordeel van hof Arnhem-Leeuwarden in onderdeel 2.24 en dat van hof ’s-Hertogenbosch in onderdeel 2.26). Deze lezing heeft het voordeel van een eenvoudig en praktisch uitvoerbaar criterium dat zich moeizaam laat manipuleren en – daarmee – de rechtszekerheid dient.
2.35
Enerzijds zie ik de voordelen van een strikte lezing van de arresten van 24 februari 2017. Anderzijds zie ik als nadeel dat dan zeer restrictieve voorwaarden gelden alvorens sprake is van een pand dat gelijkgesteld wordt aan een oorspronkelijk als woning ontworpen en gebouwd pand, en – daardoor – onvoldoende recht wordt gedaan aan de vuistregels van de arresten van 24 februari 2017 zelf. Als een kantoorpand niet eerder telt als oorspronkelijke woning dan het moment waarop een aardveranderende verbouwing haar beslag heeft gekregen, wordt het verlaagde tarief van artikel 14(2) WBR pas van toepassing wanneer de verkrijging plaatsvindt in een (zeer) laat stadium van deze verbouwing, bijvoorbeeld wanneer de verbouwing geheel of nagenoeg is afgerond. Daardoor is het moeilijk voorstelbaar dat in gevallen waarin een kantoorpand wordt verbouwd tot woning op het verkrijgingstijdstip, twijfel ontstaat over het antwoord op de vraag of het pand al naar zijn aard tot woning is bestemd dan wel nog steeds de oorspronkelijke bouwkundige kenmerken heeft. Maar in de arresten van 24 februari 2017 is onderkend dat de daarin geformuleerde vuistregels niet steeds tot een duidelijke slotsom zullen leiden en dat in die gevallen mede van betekenis wordt welke eisen en/of beperkingen voor (het gebruik van) het pand voortvloeien uit publiekrechtelijke voorschriften (zie onderdeel 2.2).
2.36
In de gemeenschappelijke bijlage bij zijn conclusies voor de arresten van 24 februari 2017 heeft mijn ambtgenoot Wattel ‘dubbelaardige’ bouwwerken genoemd als voorbeeld van een geval waarin aansluiting bij het oorspronkelijk ontwerp- en bouwdoel of een al plaatsgehad hebbende aardveranderende verbouwing niet tot een duidelijke slotsom leidt.36.Een dubbelaardig bouwwerk is volgens hem een bouwwerk dat in zijn geheel ofwel woning ofwel iets anders kan zijn en naar zijn aard en ontwerp ook zo is gebouwd.37.Als een dergelijk dubbelaardig bouwwerk wordt verbouwd op het verkrijgingstijdstip, meen ik dat publiekrechtelijke eisen of beperkingen voor het gebruik van dit bouwwerk doorgaans moeten beslissen of de verkrijging valt onder het verlaagde tarief. Immers, de reeds bestaande twijfel of het bouwwerk naar zijn aard tot woning is bestemd, duurt tijdens de verbouwing voort. Dat is slechts anders als de verbouwing zodanig ingrijpend is dat het bouwwerk niet langer dubbelaardig is maar enkelaardig is geworden op het verkrijgingstijdstip.
2.37
Met een dubbelaardig bouwwerk acht ik vergelijkbaar het kantoorpand dat wordt verbouwd tot woning op het verkrijgingstijdstip. Dat acht ik met name het geval wanneer de verkrijging plaatsvindt tijdens de fase van de verbouwing waarin de oorspronkelijke bouwkundige (kantoor)kenmerken niet langer aanwezig zijn, maar nieuwe (woon)kenmerken nog niet zijn aangebracht. In deze fase is het (voormalige) kantoorpand geheel gestript tot de dragende muren,38.zodat het niet langer naar zijn aard is bestemd tot kantoor (en niet geschikt is voor gebruik als kantoor dan na herstel van de oorspronkelijke kantoorkenmerken). Tegelijk is het (voormalige) kantoorpand nog niet naar zijn aard bestemd tot woning (daarvoor zal de verbouwing eerst moeten worden afgerond, althans verder moeten vorderen). In feite is het een ‘geenaardig’ bouwwerk: een bouwwerk dat in zijn geheel is te bestemmen tot een woning dan wel tot iets anders of tot beide (evenals een ‘dubbelaardig’ bouwwerk), maar op het verkrijgingstijdstip de bouwkundige kenmerken van geen van beide heeft (anders dan een ‘dubbelaardig’ bouwwerk). Voor dat geval meen ik dat de publiekrechtelijke eisen of beperkingen voor (het gebruik van) het geenaardige bouwwerk beslissen of het verlaagde tarief van toepassing is. Daaraan doet mijns inziens niet af dat sloop een woning diskwalificeert voor de toepassing van het verlaagde tarief (zie onderdeel 2.17): het gaat hier namelijk om een oorspronkelijk als kantoor ontworpen en gebouwd pand.
2.38
Dit brengt mij bij de losse lezing van de vuistregel dat een oorspronkelijk kantoorpand pas wordt gelijkgesteld aan een oorspronkelijke woning als het “door latere verbouwing naar zijn aard tot woning is bestemd”. Beslissen publiekrechtelijke eisen of beperkingen of een geenaardig bouwwerk een ‘woning’ is, dan blijft het voordeel van een eenvoudig en praktisch uitvoerbaar criterium overeind. Dan beslist namelijk welke (onherroepelijke) bestemming is verleend aan het bouwwerk in het bestemmingsplan dan wel wat voor (onherroepelijke) omgevingsvergunning is verleend voor de verbouwing van dit bouwwerk. Ook is het criterium nog steeds moeizaam te manipuleren, zodat het de rechtszekerheid dient. Anders dan waartoe de in onderdeel 2.34 bedoelde strikte lezing voert, heeft deze losse lezing het additionele voordeel dat zij beter past bij de overige vuistregels van de arresten van 24 februari 2017.39.
Resumerend
2.39
Voor zover het middel betoogt dat niet moet worden uitgegaan van de vuistregels van de arresten van 24 februari 2017 ter beoordeling of kluskavels en transformatiepanden woningen als bedoeld in artikel 14(2) WBR zijn, faalt het derhalve. Mijns inziens moet worden uitgegaan van die vuistregels, ofwel in een strikte lezing (van een woning is eerst sprake na en als gevolg van een aardveranderende verbouwing) ofwel in een losse lezing (voor een geenaardig bouwwerk beslissen de publiekrechtelijke (gebruiks)eisen en (gebruiks)beperkingen).
3. Beoordeling van resterende klachten van het middel
3.1
Naar het oordeel van het Hof is de kluskavel naar zijn aard tot woning bestemd op het verkrijgingstijdstip. Volgens het Hof:
“5.2. (…) rechtvaardigen, in tegenstelling tot de door de Rechtbank gekozen onderbouwing van haar beslissing, de in dezen vastgestelde feiten en omstandigheden reeds de conclusie dat ten tijde van de verkrijging sprake is van een pand dat in zijn totaliteit oorspronkelijk voor ander gebruik dan bewoning is ontworpen, maar dat door de latere namens de gemeente verrichte verbouwingswerkzaamheden in samenhang met de juridische splitsing in afzonderlijke onroerende zaken naar de aard tot verschillende woningen is bestemd. Dat is toegestaan dat deze onroerende zaken in voorkomend geval zullen worden gebruikt als woning met werkruimte aan huis, maakt deze bestemming naar de aard niet anders. Het Hof constateert derhalve dat de tot aan de verkrijging van de zijde van de leverancier (de gemeente [Z] ) van de naar de oppervlakte, omvang en basisinrichting ingevulde en gerealiseerde appartementen aan het voorheen als één kantoorgebouw te kwalificeren object verrichte verbouwingswerkzaamheden de onroerende zaken, met inbegrip van het door belanghebbende verkregene, elk naar de aard hebben bestemd als woning. Niet beslissend maar wel mede richtinggevend acht het Hof dat de naar de aard geconstateerde bestemming tot woning niet in strijd komt met doch volledig spoort met de in de betrokken officiële documentatie te lezen opzet en tenuitvoerlegging van het door de gemeente [Z] geëntameerde totale transformatieproject en de in dat verband al vóór de verkrijging bestaande of afgegeven publiekrechtelijke vergunningen.”
3.2
Blijkens deze overweging kent het Hof mede betekenis toe aan de juridische splitsing van de kluskavel in afzonderlijke appartementsrechten. Dat kan ik niet volgen. Immers, een juridische splitsing brengt geen wijziging in de bouwkundige kenmerken van een onroerende zaak, terwijl de vuistregels juist zoveel mogelijk aan de hand van die kenmerken beogen te bepalen of een onroerende zaak al dan niet een woning is. Uiteraard kan een juridische splitsing hand in hand gaan met een bouwkundige herindeling, bijvoorbeeld door het plaatsen van scheidingswanden. Maar een juridische splitsing kan evengoed geheel losstaan van een bouwkundige vernieuwing van een bouwwerk: een bestaand kantoorgebouw kan worden gesplitst in kleinere kantooreenheden met het oog op afzonderlijke verkoop voor gebruik als kantoor, evenals een bestaande woning valt te splitsen in appartementsrechten voor separate bewoning. Noch op zichzelf noch in samenhang met een dergelijke herindeling werpt de juridische splitsing mijns inziens enig licht op de bouwkundige kenmerken van de onroerende zaak.
3.3
Daarnaast heeft het Hof zijn oordeel dat de kluskavel een woning is, mede gebaseerd op de verbouwingswerkzaamheden die aan het pand zijn verricht tot het verkrijgingstijdstip. Volgens het Hof hebben deze werkzaamheden erin geresulteerd dat het [Q] -blok naar de oppervlakte, omvang en basisinrichting is ingevuld en gerealiseerd als (woon)appartementen. Uitgaande van de in onderdeel 1.2 aangehaalde werkzaamheden en kijkend naar de overgelegde foto’s, kan mijns inziens niet worden gezegd dat het [Q] -blok op het verkrijgingstijdstip al de bouwkundige kenmerken van een woning heeft. De werkzaamheden die zijn verricht tot het verkrijgingstijdstip, lijken merendeels gericht te zijn geweest op het verwijderen van oorspronkelijke kenmerken, zoals het intern strippen tot casco, dan wel het vernieuwen van oorspronkelijke kenmerken, zoals het in orde maken van entrees, liften en trappen in algemene ruimtes, het saneren van asbest, het vernieuwen van de dakverdieping en het maken van aanpassingen voor brandveiligheid. Dergelijke werkzaamheden voegen niet zozeer nieuwe bouwkundige kenmerken toe of kenmerken in de plaats van bestaande ‘kantoorpand’-kenmerken; dergelijke werkzaamheden passen evenzeer bij hernieuwd gebruik van het [Q] -blok als bedrijfs- of kantoorpand. In dit geval geldt mijns inziens hetzelfde voor de overige verbouwingswerkzaamheden die zijn verricht tot het verkrijgingstijdstip, zoals het aanleggen van individuele meterkasten, aansluiting op riolering, basisinfrastructuur van nutsvoorzieningen en afgetopte waterpunten. Ook deze werkzaamheden zijn niet ‘woon’-kenmerkend, zodat ik niet kan plaatsen dat daardoor de ‘woning’-kenmerken zodanig zouden zijn op het verkrijgingstijdstip dat, zoals het Hof oordeelt, de kluskavel naar de aard is bestemd voor bewoning op dat tijdstip.
3.4
Gelet op de resterende werkzaamheden voor belanghebbende na het verkrijgingstijdstip, kan ik evenmin plaatsen dat, zoals het Hof overweegt, daaraan werkzaamheden vooraf zijn gegaan die de kluskavel al op dat tijdstip (naar de bouwkundige aard) tot woning hebben bestemd. De resterende werkzaamheden omvatten (onder meer) het plaatsen van (een deel van) de scheidingswanden, het plaatsen en aansluiten van water-, warmte-, elektriciteit- ventilatie- en rioleringsinstallaties, het plaatsen van keuken, badkamer en toilet en het afwerken van vloeren, wanden en plafonds (zie onderdeel 1.3). Mij lijkt vooral het nog moeten plaatsen van (een deel van) de scheidingswanden sprekend: hét bouwkundige kenmerk van een woning is toch dat de (beoogde) woonruimte fysiek is of kan worden afgesloten van zowel de openbare ruimte als de woonruimtes van derden en, in voorkomend geval (zoals appartementen of studentenkamers), van de gemeenschappelijke ruimte.
3.5
Gelet op het voorgaande, meen ik dat de overwegingen die het Hof ten grondslag heeft gelegd aan het oordeel dat in dit geval sprake is van een woning, onvoldoende inzicht geven in diens gedachtegang. Voor zover het Hof de juridische splitsing, verwijderings- en vernieuwingswerkzaamheden van belang heeft geacht voor dit oordeel, geeft het oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting omdat geen van deze omstandigheden verband houden met een wijziging in de oorspronkelijke bouwkundige kenmerken van het [Q] -blok. Voor zover het Hof dit oordeel heeft gegrond op de overige verbouwingswerkzaamheden tot het verkrijgingstijdstip, is het oordeel onvoldoende gemotiveerd omdat die werkzaamheden nog geen wijziging hebben aangebracht in de oorspronkelijke bouwkundige kenmerken van het [Q] -blok. Het middel klaagt mijns inziens terecht dat ’s Hofs oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk is. Het middel is dus terecht voorgesteld.
3.6
Als de vuistregels van de arresten van 24 februari 2017 strikt moeten worden gelezen (zie onderdeel 2.34), dan laten de feitelijke vaststellingen over de verrichte verwijderings-, vernieuwings- en verbouwingswerkzaamheden mijns inziens geen andere gevolgtrekking toe dan dat de kluskavel niet nagenoeg alle bouwkundige kenmerken van een woning heeft op het verkrijgingstijdstip. Immers, in cassatie is onbestreden dat het de kluskavel (nog) ontbreekt aan diverse woonvoorzieningen op dat tijdstip. Uitgaande van deze strikte lezing en feitelijke vaststellingen, kom ik tot de slotsom dat de kluskavel geen ‘woning’ is als bedoeld in artikel 14(2) WBR.
3.7
Wel zal mijns inziens dan verwijzing moeten volgen ter behandeling van een beroep op het gelijkheidsbeginsel, dat de Rechtbank en het Hof onbehandeld hebben gelaten. Voor zowel de Rechtbank als het Hof heeft belanghebbende een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel, dat ertoe strekt dat het verlaagde tarief van 2% toepassing moet vinden omdat de Inspecteur dit tarief (ook) heeft toegepast ter zake van de verkrijging van vergelijkbare kluskavels nabij het [Q] -blok. Als deze stelling juist zou zijn, is het verlaagde tarief alsnog van toepassing.
3.8
Zoals uiteengezet (zie onderdelen 2.35-2.38), heeft een strikte lezing niet mijn voorkeur. Als de vuistregel die de arresten van 24 februari 2017 geven over de gelijkstelling van een oorspronkelijk kantoorpand aan een oorspronkelijke woning los(ser) moeten worden gelezen, meen ik dat de feitelijke vaststellingen over de verwijderings-, vernieuwings- en verbouwingswerkzaamheden geen andere gevolgtrekking toestaan dan dat de kluskavel (toch) een ‘woning’ is als bedoeld in artikel 14(2) WBR. In een losse lezing wijzen die feitelijke vaststellingen mijns inziens sterk erop dat de verkrijging door belanghebbende heeft plaatsgevonden in de fase waarin de oorspronkelijke bouwkundige (kantoor)kenmerken van het [Q] -blok niet langer aanwezig zijn, maar de nieuwe (woon)kenmerken nog niet zijn aangebracht. Uitgaande van een losse lezing en deze feitelijke vaststellingen, zou ik dus willen aannemen dat het [Q] -blok op het verkrijgingstijdstip een ‘geenaardig’ bouwwerk is: enerzijds is het niet langer naar zijn aard bestemd tot kantoor doordat het bouwwerk intern is gestript tot casco (en pas weer geschikt voor gebruik als kantoor na herstel van de gestripte voorzieningen) (zie onderdeel 3.3), anderzijds is het nog niet naar zijn aard bestemd tot woning doordat scheidingswanden en woonvoorzieningen vooralsnog ontbreken (zie onderdeel 3.4).
3.9
Zo het [Q] -blok wordt aangemerkt als geenaardig bouwwerk op het verkrijgingstijdstip, worden de publiekrechtelijke (gebruiks)eisen en (gebruiks)beperkingen mede van betekenis. De Rechtbank heeft doorslaggevende betekenis toegekend aan deze eisen en beperkingen, specifiek aan de omgevingsvergunning voor woningbouw waarover belanghebbende beschikt op het verkrijgingstijdstip. Ik citeer:
“9. (…) De toepassing van de onder 8 opgenomen rechtsregels [de vuistregels van de arresten van 24 februari 2017, CE] - in het bijzonder die in ov. 2.3.5 - op de onroerende zaak ten tijde van de onder 1 vermelde verkrijging, leidt de rechtbank niet tot een duidelijke slotsom. De rechtbank neemt hierbij het volgende in aanmerking. Het [Q] -blok was ten tijde van de verkrijging gestript en de gemeente had diverse voorzieningen aangebracht. Op dat moment was er naar het oordeel van de rechtbank al geen sprake meer van een situatie waarin met niet meer dan beperkte aanpassingen het bouwwerk weer geschikt kon worden gemaakt voor een kantoorfunctie. De gemeente stond echter aan de verkrijgers van een kluskavel naast de bestemming bewoning ook de bestemming bedrijfsruimtes en kantoren toe. Ten tijde van de verkrijging bevond het bouwwerk zich naar het oordeel van de rechtbank dan in een staat waarvan niet kan worden geconcludeerd dat het zijn bestemming als kantoorpand had behouden, noch dat het bouwwerk inmiddels naar zijn aard was bestemd voor bewoning. Gelet hierop kent de rechtbank doorslaggevende betekenis toe aan de eisen en/of beperkingen die voor het (gebruik van de) onroerende zaak voortvloeien uit publiekrechtelijke voorschriften (zie ov. 2.3.6 van het arrest onder 8). Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres ten tijde van de verkrijging ten behoeve van de kluskavel over een omgevingsvergunning voor het bouwen van een woning beschikte. Daarvan uitgaande is de rechtbank van oordeel dat de onroerende zaak op grond van publiekrechtelijke voorschriften alleen bestemd was voor bewoning en dus het tarief van 2% ten onrechte niet is toegepast.”
3.10
Naar ik aanneem, is de omgevingsvergunning voor het bouwen van een woning verleend aan belanghebbende in overeenstemming met het vigerende bestemmingsplan en onherroepelijk geworden.40.Ik ga dan ook ervan uit dat de wijziging van de bestemming kantoorgebouw naar een gemengde bestemming in combinatie met wonen van het [Q] -blok eveneens onherroepelijk is geworden – en niet slechts, zoals het Hof overweegt,41.ter inzage ligt in de vorm van een afwijkingsbesluit sinds 28 april 2014. Hoewel de gewijzigde bestemming een gemengde is, acht ik evenals de Rechtbank de omgevingsvergunning voldoende eenduidig: een omgevingsvergunning voor woningbouw beslist de bouwkundige twijfel over een geenaardig bouwwerk ten gunste van het verlaagde tarief.
3.11
De Rechtbank grondt haar twijfel niet uitsluitend op de bouwkundige kenmerken van het [Q] -blok, maar ook op de gemengde bestemming. Dat lijkt mij niet terecht: de bestemming is een publiekrechtelijke (gebruiks)eis of (gebruiks)beperking die pas van belang wordt als twijfel bestaat over de bouwkundige kenmerken van een bouwwerk, maar kan niet zelf leiden tot twijfel. Daarnaast grondt de Rechtbank haar twijfel op de verbouwingswerkzaamheden die zijn verricht tot het verkrijgingstijdstip.42.Zoals gezegd (zie onderdeel 3.8), acht ik de feitelijke vaststellingen over deze werkzaamheden voldoende om het [Q] -blok aan te merken als ‘geenaardig’ bouwwerk op het verkrijgingstijdstip en kunnen die feitelijke vaststellingen mijns inziens zelfstandig de twijfel van de Rechtbank dragen over de ‘kantoor’- en ‘woon’-kenmerken van de kluskavel.
3.12
Als de Hoge Raad niet zou uitgaan van een strikte lezing van de vuistregels van de arresten van 24 februari 2017 maar van een loss(er)e lezing, meen ik dus dat verwijzing achterwege kan blijven. Dan kan de Hoge Raad de zaak zelf afdoen. Zoals gezegd, heeft deze losse lezing mijn voorkeur. Deze brengt mee dat het middel terecht is voorgesteld, maar niet tot cassatie kan leiden.
4. Conclusie
Ik geef de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie van de Staatssecretaris ongegrond te verklaren.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 26‑07‑2019
De in deze conclusie genoemde wetteksten zijn geldend in het jaar 2016, tenzij anders vermeld.
Rechtbank Den Haag 30 november 2017, nr. SGR 17/2278, ECLI:NL:RBDHA:2017:16484.
Gerechtshof Den Haag 25 mei 2018, nr. BK-18/00021, ECLI:NL:GHDHA:2018:1301.
Zie de artikelen XVI(C) en XXXVIII(2) van de Wet van 20 december 2011 houdende wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2012), Stb. 2011, 639. Het verlaagde tarief van 2% is aanvankelijk van kracht geworden als tijdelijke maatregel, namelijk tot 1 juli 2012. Zie artikel XVII van diezelfde wet. Nadien is de tijdelijke maatregel structureel geworden, met terugwerkende kracht tot 1 juli 2012. Zie de artikelen VI en XXI(3) van de Wet van 12 juli 2012 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Wet uitwerking fiscale maatregelen Begrotingsakkoord 2013), Stb. 2012, 321.
Sinds 1 januari 2013 ziet artikel 14(2) WBR mede op aanhorigheden die (gaan) behoren tot een woning. Zie artikel VII(B) van de Wet van 20 december 2012 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2013), Stb. 2012, 668. Dit speelt niet in deze zaak, zodat ik deze uitbreiding laat rusten.
HR 24 februari 2017, nr. 16/01734, ECLI:NL:HR:2017:290, HR 24 februari 2017, nr. 16/02257, ECLI:NL:HR:2017:291, HR 24 februari 2017, nr. 16/03768, ECLI:NL:HR:2017:294 en HR 24 februari 2017, nr. 16/04101, ECLI:NL:HR:2017:295, alle na conclusie A-G Wattel.
HR 24 februari 2017, nr. 16/04101, na conclusie A-G Wattel, ECLI:NL:HR:2017:295.
Zie punt 9 van de uitspraak van de Rechtbank en punt 5.2 van de uitspraak van het Hof.
Ook in de literatuur wordt betoogd dat de arresten van 24 februari 2017 geen duidelijke grens suggereren in de overgang van niet-woning naar woning voor onroerende zaken in staat van verbouwing op het verkrijgingstijdstip. Zie A. Rozendal, ‘Het begrip ‘woning’ in de zin van de overdrachtsbelasting: de Hoge Raad schept duidelijkheid’, FBN 2017/4, punt 5.
Zie punt 2.3.5 van HR 24 februari 2017, nr. 16/01734, ECLI:NL:HR:2017:290, HR 24 februari 2017, nr. 16/03768, ECLI:NL:HR:2017:294 en HR 24 februari 2017, nr. 16/04101, ECLI:NL:HR:2017:295, alle na conclusie A-G Wattel.
Zie punt 5, onder 3 van zijn noot in BNB 2017/95.
Zie ik het goed, dan komt de redactie van Vakstudie Nieuws tot dezelfde slotsom waar zij opmerkt dat “(…) een oorspronkelijk als niet-woning gebouwd bouwwerk is aan te merken als woning, wanneer het bouwwerk door latere verbouwing een aardverandering heeft ondergaan (…)”. Zie de aantekening in V-N 2017/13.17.
Besluit van 1 juli 2011, nr. BLKB 2011/1290M, Stcrt. 2011, 12301.
Mededeling Belastingdienst 21 oktober 2011, nr. rv0101z/1ed, NTFR 2011/2430.
Zie onderdeel 2.6 van de gemeenschappelijke bijlage van A-G Wattel van 23 november 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1222.
HR 24 februari 2017, nr. 16/01734, ECLI:NL:HR:2017:290, HR 24 februari 2017, nr. 16/03768, ECLI:NL:HR:2017:294 en HR 24 februari 2017, nr. 16/04101, ECLI:NL:HR:2017:295, alle na conclusie A-G Wattel.
Kamerstukken II 2016/17, 34 552, nr. 19, p. 32-33.
De gedachtewisseling vangt aan in Kamerstukken II 2016/17, 34 552, nr. 14, p. 96-97 en keert terug in Kamerstukken II 2016/17, 34 552, nr. 35, p. 55; Kamerstukken II 2016/17, 34 552, nr. 38, p. 19-20; Kamerstukken II 2016/17, 34 552, nr. 69, p. 5; Kamerstukken 2016/17, 34 552, nr. 70, p. 90-91 en in Handelingen II 2016/17, 34 552, 22e zitting, p. 9.
Handelingen II 2016/17, 34 552, 23e zitting, p. 24. De Staatssecretaris heeft de motie ontraden. Zie Handelingen II 2016/17, 34 552, 23e zitting, p. 31.
Handelingen II 2016/17, 34 552, 24e zitting, p. 2.
Zie punt 2.3.6 van HR 30 november 2018, nr. 17/04543, na conclusie A-G Wattel, ECLI:NL:HR:2018:2110.
Evenmin wordt aangesloten bij de levering van een nieuw vervaardigde onroerende zaak als bedoeld in artikel 11(1)a1º Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB), de verhuur van een als woning gebruikte onroerende zaak van artikel 11(1)b5º Wet OB of de woning als bedoeld in post b.8 van Tabel I bij de Wet OB dan wel de eigen woning als bedoeld in artikel 3.111 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Tegen een dergelijke aansluiting zijn enkele bezwaren denkbaar. Zie hierover J.R.M. Kindt, ‘Het woningbegrip in de overdrachtsbelasting: tijd voor verandering’, WFR 2019/151, onderdeel 4.
HR 24 februari 2017, nr. 16/01734, ECLI:NL:HR:2017:290, HR 24 februari 2017, nr. 16/03768, ECLI:NL:HR:2017:294 en HR 24 februari 2017, nr. 16/04101, ECLI:NL:HR:2017:295, alle na conclusie A-G Wattel. Zie ook onderdeel 2.21 van de gemeenschappelijke bijlage van A-G Wattel van 23 november 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1222.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27 juni 2017, nr. 16/00816, ECLI:NL:GHARL:2017:5323. Het tegen deze uitspraak gerichte cassatieberoep is verworpen onder verwijzing naar artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie (Wet RO). Zie HR 9 februari 2018, nr. 17/03806, ECLI:NL:HR:2018:168.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14 november 2017, nr. 16/01381, ECLI:NL:GHARL:2017:9868. Het tegen deze uitspraak gerichte cassatieberoep is verworpen onder verwijzing naar artikel 81 Wet RO. Zie HR 8 juni 2018, nr. 17/06072, ECLI:NL:HR:2018:872.
Gerechtshof Amsterdam 17 april 2018, nr. 17/00212, ECLI:NL:GHAMS:2018:1423. Tegen deze uitspraak is geen beroep in cassatie ingesteld.
Voetnoot CE: in dit onderdeel overweegt en beslist de rechtbank dat het ziekenhuis de oorspronkelijke aard van verpleeg- of verzorgingsinstelling niet heeft verloren door de bouwkundige ingrepen die daaraan zijn gepleegd. Aan deze oorspronkelijke aard doet volgens de Rechtbank niet af dat die ingrepen het ziekenhuis geschikt hebben gemaakt voor (tijdelijke) bewoning en evenmin dat het ziekenhuis feitelijk (tijdelijk) bewoond is geweest.
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 11 januari 2019, nr. 17/00745, ECLI:NL:GHSHE:2019:81. Tegen deze uitspraak is geen beroep in cassatie ingesteld.
Voetnoot CE: deze werkzaamheden omvatten het realiseren van hal- en meterkast, toilet, trappen naar zit- en tv-hoek, keuken, bijkeuken en verdiepingstrap alsmede balustrades, grote en kleine slaapkamer, badkamer met toilet en cv-installatie, al het leidingwerk en de afwerking van muren en vloeren.
Voetnoot CE: deze werkzaamheden betreffen splitsing van de balletzaal door plaatsing van een scheidingswand, ontkoppeling van aanwezige installaties en leidingen, slopen van aanwezige achterbouw, aanhelen van achtergevel, plaatsing van raamkozijnen en dakvensters, realiseren van draagconstructie en aanleggen van nutsvoorzieningen.
HR 24 februari 2017, nr. 16/01734, ECLI:NL:HR:2017:290, HR 24 februari 2017, nr. 16/03768, ECLI:NL:HR:2017:294 en HR 24 februari 2017, nr. 16/04101, ECLI:NL:HR:2017:295, alle na conclusie A-G Wattel.
Bovendien noemen de arresten van 24 februari 2017 de verkrijging van een school of kantoor met het oog op verbouwing tot woning, als voorbeeld van een geval waarin het verlaagde tarief niet wordt toegepast, hoewel de verkrijging wél een bijdrage zou leveren aan de doorstroming op de woningmarkt (zie onderdeel 2.30). In zoverre ligt het dan wel weer voor de hand aan te sluiten bij de vuistregels voor het nabijgelegen geval van een verkrijging van een kantoorgebouw dat wordt verbouwd tot woning op het verkrijgingstijdstip.
Zie de laatste volzin van punt 2.3.5 van HR 24 februari 2017, nr. 16/04101, na conclusie A-G Wattel, ECLI:NL:HR:2017:295.
In deze zin: A. Rozendal, ‘Actualiteiten inzake het begrip woning in de overdrachtsbelasting’, FBN 2018/18, p. 6.
Zie onderdeel 5.7 van de gemeenschappelijke bijlage van A-G Wattel van 23 november 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1222.
Ibid., onderdeel 5.7. Hij geeft als voorbeeld een schoolwoning: een bouwwerk dat is ontworpen en gebouwd met het oog op gebruik als klaslokaal en – zonder ingrijpende aanpassingen – als woning, aanvankelijk wordt gebruikt als additioneel klaslokaal en later – naargelang de behoefte – kunnen worden gebruikt als woning. Ibid., onderdeel 5.15.
Ibid., onderdeel 5.11.
Terzijde merk ik nog op dat deze benadering – min of meer in lijn met de aangehaalde brief van de staatssecretaris van Financiën (zie onderdeel 2.19) – transformatiebouw anders behandelt dan nieuwbouw: waar nieuwbouw telt als ‘woning’ vanaf de fundering, is bij transformatiebouw pas sprake van een ‘woning’ als het gaat om een geenaardig bouwwerk en de publiekrechtelijke voorschriften aan (het gebruik van) dit bouwwerk wooneisen of woonbeperkingen stellen.
Volgens artikel 2.10(1)c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt de omgevingsvergunning niet verleend als de (bouw)activiteit in strijd is met het bestemmingsplan. Overigens bevindt de omgevingsvergunning van belanghebbende zich niet tussen de gedingstukken.
Zie punt 2.2 van de bestreden uitspraak.
Vergelijk punt 2 van de uitspraak van de Rechtbank met punt 2.2 van de bestreden uitspraak.
Beroepschrift 26‑07‑2019
Den Haag,
Kenmerk:2018-0000143361
AAN DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
De belastingdienst is in cassatie gegaan tegen de uitspraak van het Hof. De belastingdienst blijft van mening dat de kluskavel in het [Q] niet kan worden gezien als woning. Zoals ook bij het Hof aangegeven is hier sprake van een bijzondere situatie waarin de eerder genoemde arresten niet in voorzien.
Zoals op zich juist geconstateerd wordt is het grote verschil met de arresten van de Hoge Raad van 24 februari 2017 dat het daar ging om niet in een staat van verbouwing verkerende gebouwen. Dit is wel een essentieel verschil met de onderhavige zaak. Juist de ingrijpende verbouwingswerkzaamheden voorafgaand aan de levering maken dat het voormalig kantoorgebouw op de datum van levering geen kantoorgebouw meer was maar een appartement en derhalve het 2% tarief van toepassing dient te zijn.
Het Hof heeft als motivering van haar oordeel een aantal extra overwegingen (boven die van de Rechtbank) meegenomen. Bedacht moet worden dat de Rechtbank in eerdere instantie eveneens van oordeel was dat er hier sprake is van de overdracht van een woning en wel reeds op basis van de feiten en omstandigheden. Dat is een feitelijk oordeel. Het Hof neemt hier nog een aantal extra argumenten in mee. Zij geeft aan dat volgens haar oordeel ook de juridische splitsing relevant is.
Het is mij niet duidelijk wat de relevantie is van het argument dat een gemiddeld woonappartement in Zuid-Holland 78 m2 zou bedragen en dat een groter oppervlak goed als dubbelfunctie zou kunnen functioneren. Er zijn immers grotere en kleinere woningen/appartementen en kantoren. Wat van deze argumentatie ook zij het betreft een extra argument van het Hof dat bijdraagt aan haar feitelijke oordeel. Dat geldt mutatis mutandis ook voor de omvang.
Zowel de Rechtbank als het Hof hebben feitelijk geconstateerd dat alle door de gemeente [Z] uitgevoerde werkzaamheden ertoe hebben geleid dat er ten tijde van de levering sprake was van de levering van een woning. De Belastingdienst laat in haar beroep in cassatie na te vermelden dat er veel meer specifieke werkzaamheden zijn uitgevoerd dan zij aangeeft. Met name het per kavel aanleggen van de infrastructuur (kokers waarin alle benodigde voorzieningen zoals water/ electra/ riolering) zijn aangebracht. Steeds maar weer tracht de Belastingdienst te betogen dat er nog steeds sprake is van een kantoorpand omdat ondanks de ingrijpende investeringen van de gemeente [Z] er nog steeds in de aard sprake is van een kantoorpand. De Rechtbank en het Hof zien dit — terecht- anders. Dit is een feitelijke beoordeling en zal daarom leidend dienen te zijn in de beoordeling door de Hoge Raad. Overigens ligt dat ook in de lijn van de uitspraak van de Hoge Raad waarnaar de Belastingdienst verwijst (HR 9 februari 2018). Feitelijk is namelijk geconstateerd dat er WEL dusdanig ingrijpend is ingegrepen in het voormalige kantoorpand dat er sprake was van een woning op het moment van levering en daarmee is de aard van het gebouw veranderd.
Conclusie.
Gezien het bovenstaande kan dan ook geconcludeerd worden dat de uitspraak van het Hof in stand kan blijven aangezien het Hof zowel een juiste rechtsopvatting als een begrijpelijke motivering heeft gebezigd. Daarom dient het beroep van de Inspecteur de Belastingen dan ook afgewezen te worden met veroordeling van de Inspecteur van de kosten aan de zijde van verweerder.
Hoogachtend,
Beroepschrift 24‑08‑2018
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
Postbus 20303
2500 EH Den Haag
Datum: [24 AUG. 2018]
Betreft: Beroep in cassatie
Edelhoogachtbaar College,
Naar aanleiding van uw brief van 16 juli 2018, zend ik u de motivering van het door mij ingediende beroepschrift in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 25 mei 2018, nr. BK-18/00021, inzake [X] te [Z] (rolnummer 18/02895).
Hoogachtend,
DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN,
namens deze,
DE DIRECTEUR-GENERAAL BELASTINGDIENST,
[Hoge Raad der Nederlanden
PDA BALIE
Ingekomen]
[24 AUG. 2018]
[Behandelaar:
Zaaknummer:]
Den Haag, [24 AUG. 2018]
Kenmerk: 2018-0000143361
Motivering van het beroepschrift in cassatie (rolnummer 18/02895) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag (het Hof) van 25 mei 2018, nr. BK-18/00021, inzake [X] te [Z] betreffende de op aangifte voldane overdrachtsbelasting.
AAN DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Naar aanleiding van uw brief van 16 juli 2018 heb ik de eer het volgende op te merken.
Vooraf
Het gaat in de onderhavige zaak om de overdracht van één van de 67 ‘kluskavels’ in het [Q] in [Z]. Dit bouwblok is oorspronkelijk ontworpen en gebouwd als kantoor. De vraag is of de bouwkundige aard van dit pand — meer specifiek de aard van de zich daarin bevindende kluskavels — van kleur verschoten is van kantoor naar woning. Het antwoord op deze vraag is niet alleen van belang voor de kavels in dit bouwblok, maar evenzeer voor andere panden die meer of minder ingrijpend worden verbouwd. De bij de arresten van de Hoge Raad van 24 februari 20171. geformuleerde criteria geven, aangezien het daar niet ging om in een staat van verbouwing verkerende bedrijfsgebouwen, weliswaar aanknopingspunten, maar geen uitsluitsel over de vraag onder welke omstandigheden een van oorsprong als bedrijfsgebouw gebouwd pand tijdens een verbouwing voor toepassing van het 2%-tarief van de overdrachtsbelasting in aanmerking komt.
Middel
Als middel van cassatie draag ik voor:
Schending van het recht, in het bijzonder van artikel 14, lid 2, Wet op belastingen van rechtsverkeer (WBR), en verzuim van vormen in de zin van artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht, doordat het Hof heeft geoordeeld dat de onderhavige onroerende zaak voor de toepassing van artikel 14, lid 2, WBR als woning moet worden aangemerkt, zulks echter zoals hierna wordt uiteengezet ten onrechte, dan wel op gronden die de beslissing niet kunnen dragen.
Toelichting
Oordeel van het Hof
Het dragende oordeel van het Hof is te vinden in onderdeel 5.2 van de uitspraak.
‘Naar 's Hofs oordeel rechtvaardigen, in tegenstelling tot de door de Rechtbank gekozen onderbouwing van haar beslissing, de in dezen vastgestelde feiten en omstandigheden reeds de conclusie dat ten tijde van de verkrijging sprake is van een pand dat in zijn totaliteit oorspronkelijk voor ander gebruik dan bewoning is ontworpen, maar dat door de latere verbouwingswerkzaamheden in samenhang met de juridische splitsing in afzonderlijke onroerende zaken naar de aard tot verschillende woningen is bestemd.’
Het Hof oordeelt dus dat het pand dat naar zijn aard een kantoorpand is door de verbouwingswerkzaamheden in samenhang met de juridische splitsing, is gewijzigd naar een pand met de aard van een woning. Het is mij niet duidelijk hoe ik de door het Hof genoemde samenhang tussen deze twee elementen (verbouwing en juridische splitsing) moet duiden. Ik meen in elk geval wel dat bij het oordeel of de aard van een onroerende zaak veranderd is, een juridische splitsing geen rol speelt. Het Hof heeft hier ofwel een verkeerde maatstaf gehanteerd, ofwel een volstrekt ontoereikende motivering gebezigd.
Juridische splitsing
Als het Hof heeft bedoeld een overweging te geven die mede berust op de juridische splitsing, dan heeft het mijns inziens een verkeerde beoordelingsmaatstaf gehanteerd bij het bepalen of sprake is van de verkrijging van een woning. Om de aard van een onroerende zaak te kunnen vaststellen, zijn immers zo objectief mogelijke criteria te hanteren, dat wil zeggen de (bouwkundige) kenmerken van het bouwwerk zelf (onderdeel 2.3.4 van het arrest van de Hoge Raad van 24 februari 2017, nr. 16/04101, ECLI:NL:HR:2017:295). Juridische aspecten zijn voor (relatief simpele) wijziging vatbaar en zijn daarom in relatie tot een onroerende zaak niet als objectief te beschouwen.
Zelfs al zou de juridische splitsing op zich wel gehanteerd kunnen worden als deel van de beoordeling, dan zie ik niet in wat een juridische splitsing méér teweeg zou kunnen brengen dan het in rechte opsplitsen van het pand in delen. Het lijkt bijna overbodig te zeggen, maar aan een juridische wijziging kan bezwaarlijk bouwkundige impact worden toegedicht. Het kantoorpand is immers niet daadwerkelijk (bouwkundig) opgedeeld in kleinere eenheden. Er zijn niet eens tussenwanden geplaatst tussen de gesplitste kavels, er zijn alleen lijnen op een splitsingstekening bijgekomen. Dit zou in strijd komen met de door de wetgever bedoelde objectieve criteria voor het beoordelen of sprake is van een woning. Overigens kan een juridische verandering als de onderhavige naar mijn mening in het geheel niet bijdragen aan het oordeel dat sprake is van een verandering van aard van het pand. Het wordt daardoor alleen mogelijk een kleiner deel van het pand in rechte over te dragen. Daarmee is het grote kantoorpand niet veranderd in stukjes woning, maar hoogstens in stukjes kantoor. Ik kom dan ook tot de conclusie dat deze motivering 's Hofs oordeel niet kan dragen.
De veranderingen van bouwkundige aard
Ten aanzien van de veranderingen van bouwkundige aard overweegt het Hof het volgende (onderdeel 5.2 van de uitspraak):
‘Het Hof constateert derhalve dat de tot aan de verkrijging van de zijde van de leverancier (de gemeente [Z]) van de naar de oppervlakte, omvang en basisinrichting ingevulde en gerealiseerde appartementen aan het voorheen als één kantoorgebouw te kwalificeren object verrichte verbouwingswerkzaamheden de onroerende zaken, met inbegrip van het door belanghebbende verkregene, elk naar de aard hebben bestemd als woning.’
De door het Hof opgesomde aspecten ‘oppervlakte’, ‘omvang’ en ‘basisinrichting’ zal ik hierna aflopen. Naar mijn mening kunnen deze aspecten niet het oordeel dragen dat het kantoor van aard is veranderd naar een woning, omdat geen van deze aspecten maakt dat de bouwkundige aard van kantoor is verlaten en dat daarvoor een bouwkundig geheel dat als woning is te kwalificeren, in de plaats is gekomen.
‘oppervlakte’
In het onderhavige geval wordt niet het gehele [Q] overgedragen, maar een appartementsrecht daarin. Geeft de oppervlakte van de appartementsrechten een aanwijzing over wat het appartement naar zijn bouwkundige aard is?
Het pand is juridisch verdeeld in appartementsrechten van 55 tot 201m2. Er mogen ook aansluitende kavels gekocht worden. Het onderhavige appartementsrecht bedraagt 194 m2. Dat is een behoorlijk grote afmeting voor een woning. In Zuid-Holland is de gemiddelde oppervlakte van een eengezinswoning, zonder ander gebruiksdoel als winkel of kantoor, 125 m2. Eengezinswoningen zijn gemiddeld 1,6 keer zo groot als appartementen (cijfers cbs2.). Een gemiddeld woonappartement in Zuid-Holland heeft dus een vloeroppervlakte van 78 m2. Het onderhavige appartement is dus 2,5 keer zo groot als het gemiddelde woonappartement. Mij zijn geen gegevens bekend van de gemiddelde oppervlakte van een kantoor- of bedrijfsruimte. Ik meen echter dat een ruimte van 194 m2 evenzeer geschikt is om een kantoor- of bedrijfsruimte van te maken als een woonruimte. Ook zou een dergelijke oppervlakte goed kunnen dienen als woon-/werkruimte. Ik kan daarom, zonder nadere onderbouwing van het Hof, niet inzien waarom de beoogde oppervlakte van de kavels of van deze specifieke kavel, bijdraagt bij het oordeel dat sprake is van de verkrijging van een woonruimte boven die van kantoorruimte.
‘omvang’
Naast de oppervlakte noemt het Hof de omvang als kenmerkend voor het doen ontstaan van woonruimte. Aangezien dit aspect afzonderlijk van de oppervlakte wordt genoemd, kan deze overweging alleen maar zien op de hoogte van de verkregen ruimte. In de stukken van het geding valt te lezen dat de verdiepingshoogte op de begane grond 3,70 m is en die van de overige verdiepingen 3 m. De minimale gebruikshoogte volgens het bouwbesluit van een verblijfsruimte voor een woning, kantoor of bedrijfsruimte bedraagt 2,60 m. Ik kan daarom, zonder nadere onderbouwing van het Hof, niet inzien waarom de omvang van het verkregene, meer specifiek de hoogte van de ruimtes, bijdraagt aan het oordeel dat sprake is van de verkrijging van een woonruimte boven die van kantoorruimte.
‘basisinrichting ’
Nu komen we bij een belangrijk onderdeel van de onderbouwing. De inrichting van het verkregene. De gemeente [Z] heeft veel geld in het pand gestoken, maar liefst een bedrag van € 3,9 miljoen. Dit geld is echter grotendeels besteed aan het ‘uitkleden’ van het pand en niet aan het ‘aankleden’ daarvan, zoals ik hierna zal toelichten.
- —
Het pand is ‘gestript’ tot casco. De metal-stud scheidingsmuren zijn verwijderd, waardoor zeer grote ruimtes zijn ontstaan. Er bevinden zich blijkens de bouwtekeningen in de stukken meerdere kavels in een dergelijke grote ruimte (zie ook de foto's van de bezichtiging). Als een kantoorpand wordt uitgekleed, dan blijft het nog steeds een kantoorpand. Het strippen van het pand in het algemeen en het maken van scheidingswandloze ruimtes in het bijzonder, zijn geen handelingen die woningen doen ontstaan (ik zou zelfs zeggen; integendeel!). Een uitgekleed kantoorpand is nog steeds naar zijn aard een kantoorpand.
- —
Verder is het geld besteed aan noodzakelijke en onderhoudstechnische zaken als asbestsanering, vernieuwing van het dak en zorgen dat voldaan wordt aan brandveiligheidseisen. Cruciaal voor een gebouw als zodanig, niet kenmerkend voor specifiek een woning of kantoor.
- —
Ook altijd noodzakelijk — en dus niet specifiek kenmerkend — is dat de trappen en liften in de algemene ruimtes zijn vernieuwd/ in orde gemaakt en dat er een galerij en een bellentableau is gemaakt zodat de afzonderlijke kavels bezocht en bereikt kunnen worden.
- —
Dat geldt ook voor de aanleg van parkeerruimte voor fietsen en auto's. Ook dit zijn zaken die voor gebruik als kantoor even noodzakelijk zijn als voor gebruik als woonruimte.
- —
Ook de voorbereiding van de nutsvoorzieningen lijkt mij voor beide opties even noodzakelijk.
Kenmerkende inrichtingselementen voor het wonen ontbreken dus. Dat is echter ook logisch en verklaarbaar, want er is helemaal geen indeling. Het zijn ‘papieren’ appartementsrechten waar de kopers nog van alles mee kunnen doen. De koper kan immers nog kiezen hoe hij de kavel wil gebruiken en dus hoe hij hem wil inrichten. Ik citeer de voorpagina van de folder van gemeente [Z] 3.:
‘Het [Q] is een voormalig bedrijfs- en kantoorpand van ruim 9.000 m2. Het ligt aan de [A-straat] in de [R], op een mooie plek aan het water van de [S] Het [Q] biedt ruimte aan 67 kavels voor wonen en/of werken. Het pand is uitermate geschikt voor (jonge) kopers die hun eigen ideeën willen uitwerken en daardoor een stempel op het gebied willen drukken. De kavelafmetingen variëren van 55 m2 tot 201 m2. Eén koper kan een of meerdere kavels kopen, tot maximaal een verdieping. Van meerdere kavels kan de koper een woning of een werkruimte maken. Kortom, wonen en werken op maat, binnen duidelijke grenzen.’
De zaken die een ruimte kenmerkend maken als woning of als kantoor-/bedrijfsruimte zijn dus juist ter keuze van de koper. Zelfs de aanwezigheid en locatie van de gevelopeningen kan door de koper naar wens worden ingedeeld (entreepui of toegangsdeur(en), terras of balkon, ramen).
De aard
Een onroerende zaak verliest zijn aard/ bestemming niet als het met geringe aanpassingen weer kan worden zoals het was (onderdeel 2.3.5 Hoge Raad 24 februari 2017, nr. 16/04101, ECLI:NL:HR:2017:295). Het tegenovergestelde geldt echter niet. Een pand dat flink aangepakt is, of waar veel geld in gestoken is, wordt daardoor niet perse een pand van andere aard. Ook A-G Wattel in zijn conclusie bij de vier woning-arresten beschrijft dat een latere bouwkundige verandering om een verandering van aard teweeg te brengen zijns inziens zodanig ingrijpend moet zijn dat daardoor de objectieve functie/ gebruiksbestemming moet zijn gewijzigd. Daarom moet het doel van een verbouwing volgens de A-G mede in aanmerking worden genomen. Hij schrijft4.
‘Een kantoortoren die na twintig jaar achterhaald is en zodanig wordt vernieuwd dat van het oude bouwsel alleen de dragers en de vloeren overblijven, is na de verbouwing wellicht nieuw-vervaardigd, maar het is opnieuw een kantoortoren.’
Het bovenstaande lijkt het Hof in zijn uitspraak miskend te hebben. Het onderhavige pand is in zijn hoedanigheid nog steeds een kantoorpand. Het ziet er op de foto's ook nog zo uit. Het pand is wel voorbereid om verder te worden verbouwd en mogelijk tot iets anders te worden. Maar het is in wezen niet meer dan een uitgekleed kantoorpand.
Ook volgens de door de Hoge Raad in stand gelaten5. uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 juni 2017 (nr. 16/00816, ECLI:NL:GHARL:2017:5323) moet er bij een van oorsprong bedrijfspand (zoals in casu) aanzienlijk meer zijn gebeurd dan het ontmantelen van het pand en het maken van een begin van een verbouwing, wil er ten tijde van de verkrijging sprake zijn van een woning die voor 2% overdrachtsbelasting in aanmerking komt6..
Naar mijn mening had het Hof daarom moeten oordelen dat het pand zijn aard niet heeft verloren, doordat de franjes eraf zijn. Een taart zonder slagroom is nog steeds een taart, en niet opeens een koekje.
Conclusie
Mitsdien heeft het Hof naar mijn mening blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de invulling van het begrip woning als bedoeld in artikel 14, lid 2, WBR. Mocht het Hof dienaangaande wel van een juiste rechtsopvatting zijn uitgegaan, dan is de uitspraak zonder nadere motivering onbegrijpelijk.
Op grond van het vorenstaande ben ik van oordeel dat de uitspraak van het Hof niet in stand zal kunnen blijven.
Hoogachtend,
DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIEN,
namens deze,
DE DIRECTEUR-GENERAAL BELASTINGDIENST,
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 24‑08‑2018
ECLI:NL:HR:2017:290, ECLI:NL:HR:2017:291, ECLI:NL:HR:2017:294 en ECLI:NL:HR:2017:295.
[Q] kluskavels, voorpagina.
Onderdeel 5.9 van de conclusie van A-G Wattel van 23 november 2016 bij de gemeenschappelijke bijlage, ECLI:NL:PHR:2016:1222.
Hoge Raad 9 februari 2018, nr. 17/03806, ECLI:NL:HR:2018:168 (81, lid 1, RO).
Vgl. ook TK 2011–2012, 33 003, nr. 3; Een onroerende zaak die geen woning is, maar wordt verbouwd tot woning valt niet onder de maatregel en onderdeel 4.6 van de uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 26 april 2018, nr. AWB 16/10318, ECLI:NL:RBZWB:2018:2559.