Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/8.6.2
8.6.2 Dwangsom
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS368535:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Benelux Gerechtshof 6 februari 1992, NJ 1992, 353 (Nusgens).
Geerts (diss), p. 292 en 300
Asser/Maeijer, Van Solinge en Nieuwe Weme 2-II*, nr. 722.
Hof Amsterdam (OK) 27 december 2012, ARO 2013/11, Bb. 2013/6 m.nt. Eikelboom (VDVDL).
Zie Hof Amsterdam (OK) 22 juli 2015, ARO 2015/188 (Leaderland).
Benelux Gerechtshof 29 november 1993, NJ 1994/371, m.nt. Ras (Tuypens/Hoorebeeke). Zie ook Beekhoven van den Boezem Burgerlijke Rechtsvordering, aant. 4 bij art. 611a Rv.
Beekhoven van den Boezem Burgerlijke Rechtsvordering, aant. 4 bij art. 611a Rv.
Op grond van art. 611a Rv kan de “rechter” een dwangsom verbinden aan een hoofdveroordeling, zoals een gebod of verbod. Het opleggen van een dwangsom is niet exclusief voorbehouden aan de gewone civiele rechter. De aard van de hoofdveroordeling is bepalend voor de vraag of op grond van art. 611a Rv een dwangsom kan worden opgelegd. Het moet een maatregel van burgerlijkrechtelijke aard zijn, zoals de terzake hoogste rechter, het Benelux Gerechtshof oordeelde.1 De zaak waarin dat oordeel werd gegeven, zag op een dwangsom die was opgelegd door de Belgische strafrechter. Dat kon, omdat het wel ging om een maatregel van burgerlijkrechtelijke aard. Aldus hoeft er ook geen twijfel te bestaan dat de ondernemingskamer een dwangsom kan opleggen.
In de literatuur werd het oorspronkelijk wat voorzichtiger uitgedrukt. Geerts2 achtte het “goed verdedigbaar” en Van Solinge en Nieuwe We me achten het “denkbaar”.3 In de VLVDL-beschikking4 legde de ondernemingskamer voor het eerst een dwangsom op zonder daar verder veel woorden aan vuil te maken. En het is niet bij deze ene keer gebleven.5
Ook het feit, dat art. 611a Rv rept van het opleggen van een dwangsom “op vordering van een der partijen”, staat niet in de weg aan het opleggen daarvan in een verzoekschriftprocedure, zoals de enquêteprocedure.6
Wel staan de woorden “op vordering van een der partijen” in 611a Rv er aan in de weg dat een dwangsom ambtshalve wordt opgelegd (vgl. par. 2.3.2).7