Hof Amsterdam, 14-12-2018, nr. 000954-18
ECLI:NL:GHAMS:2018:4641
- Instantie
Hof Amsterdam
- Datum
14-12-2018
- Zaaknummer
000954-18
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHAMS:2018:4641, Uitspraak, Hof Amsterdam, 14‑12‑2018; (Rekestprocedure)
Uitspraak 14‑12‑2018
Inhoudsindicatie
Verzoek ex artikel 591a Sv - Redelijke wetuitleg brengt mee dat indien de zaak is geëindigd met een sepot de rechtbank en, in geval de zaak is geëindigd met een ongegrondverklaring van een klaagschrift ex artikel 12 Sv, het gerechtshof bevoegd is van het verzoekschrift kennis te nemen - De omstandigheid dat de rechtsbijstandskosten door de politie - in de hoedanigheid van werkgever van de verzoeker - worden gedragen is geen beletsel voor toewijzing van het verzoek.
Partij(en)
beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling strafrecht
rekestnummer(s): 000954-18 (591a Sv)
rekestnummer klaagschrift 12 Sv: K15/0313
Beschikking op het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer van de rechtbank Amsterdam van 23 mei 2018 op het verzoekschrift op de voet van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoekster],
domicilie kiezende ten kantore van haar advocaat,
mr. B.W. Newitt, [adres].
1. Inhoud van het verzoekschrift
Het verzoekschrift strekt tot het toekennen van een vergoeding op de voet van artikel 591a Sv ter zake van:
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van de klaagschriftprocedure op grond van artikel 12 van het Wetboek van strafvordering met voormeld rekestnummer, waarin verzoekster beklaagde was, ten bedrage van € 4.036,86;
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure ten bedrage van € 550,00 voor het indienen van het verzoekschrift en de behandeling in raadkamer in eerste aanleg, vermeerderd met € 280,00 voor de behandeling in raadkamer in hoger beroep.
2. Procesverloop
Het hoger beroep is op 12 juni 2018 ingesteld door verzoekster (hierna appellante).
Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld rekestnummer en heeft op 30 november 2018 de advocaat-generaal en mr. Rasterhof, waarnemend advocaat van appellante, ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Appellante is niet verschenen.
3. Beoordeling van het hoger beroep
Bij beschikking van dit hof van 4 augustus 2016 is het op de voet van artikel 12 Sv ingediende klaagschrift met voornoemd rekestnummer ongegrond verklaard.
Van deze beslissing staat geen rechtsmiddel open zodat de strafzaak met voormeld parketnummer is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank heeft het verzochte onder 1 afgewezen en het verzochte onder 2 toegewezen.
Het hoger beroep hiervan is tijdig ingesteld.
Het inleidende verzoek is tijdig ingediend.
De advocaat van verzoekster heeft het verzoek ingediend bij de rechtbank Amsterdam. Met betrekking tot de bevoegdheid van de rechtbank heeft de advocaat van verzoekster het volgende in het verzoekschrift opgemerkt:
“De behandeling van het beklag ex artikel 12 Sv is niet aan te merken als een vervolging, tenzij er in dat verband vervolgingshandelingen worden verricht, zoals (nader) onderzoek door de raadsheer-commissaris. In het geval van Franke is uitsluitend sprake geweest van het horen van de klager, medebeklaagde en cliënte door het Hof (in de persoon van de op grond van artikel 12h Sv daartoe aangewezen raadsheer-commissaris). Het hof heeft overigens geen onderzoek verricht, laat staan vervolgingshandelingen (bevolen). Derhalve werd de zaak tijdens de beëindiging daarvan vervolgd of anders het laatst vervolgd in eerste aanleg, zodat uw rechtbank bevoegd is om van dit verzoekschrift kennis te nemen.”
De rechtbank heeft zich vervolgens zonder enige motivering daaromtrent bevoegd geacht.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank zich onbevoegd had dienen te verklaren van het verzoekschrift kennis te nemen. Het hof overweegt daartoe dat bij het ontstaan van artikel 591a Sv de wetgever de mogelijkheid heeft geschapen dat de gewezen verdachte - na een vervolging - onder omstandigheden de kosten van rechtsbijstand vergoed kan krijgen. Daarbij is het gerecht in feitelijke aanleg bevoegd verklaard waarvoor de zaak tijdens de beëindiging daarvan (het laatst) werd vervolgd.
Later heeft de Hoge Raad geoordeeld dat ook in zaken waarbij de vervolging nog niet (noodzakelijkerwijs) is aangevangen onder omstandigheden een verzoek op grond van artikel 591a Sv kan worden toegewezen, bijvoorbeeld na een sepotbeslissing en na een procedure op de voet van artikel 12 Sv.
Redelijke wetuitleg brengt mee dat indien de zaak is geëindigd met een sepot de rechtbank en, in geval de zaak is geëindigd met een ongegrondverklaring van een klaagschrift ex artikel 12 Sv, het gerechtshof bevoegd is van het verzoekschrift kennis te nemen.
Het hof zal de beschikking van de rechtbank reeds om die reden vernietigen.
Ten aanzien van het verzochte overweegt het hof als volgt.
Ingevolge het bepaalde in artikel 90, eerste lid, Sv heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
Verzoekster is politieagente en de kosten van een raadsman in de klaagschriftprocedure zijn door de politie gedragen. Blijkens het arrest van de Hoge Raad van 4 september 2018, ECLI:NL:GHAMS:2017:2802 is de omstandigheid dat de rechtsbijstandskosten door de politie - in de hoedanigheid van werkgever van de verzoeker - worden gedragen geen beletsel voor toewijzing van het verzoek.
Het hof acht het hof gronden van billijkheid aanwezig voor toekenning van een vergoeding zoals verzocht.
4. Beslissing
Het hof:
Vernietigt de beschikking waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Wijst het verzochte toe.
Kent op de voet van artikel 591a Sv uit ’s Rijks kas aan appellante een vergoeding toe van € 4.866,86 (vierduizend achthonderdzesenzestig euro en zesentachtig cent).
Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan appellante.
Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. R.D. van Heffen, M. Iedema en M.J.A. Duker, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 14 december 2018.
De voorzitter beveelt:
de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 4.866,86 (vierduizend achthonderdzesenzestig euro en zesentachtig cent) op bankrekeningnummer [rekeningnummer] t.n.v. [naam]
Amsterdam, 14 december 2018,
mr. R.D. van Heffen, voorzitter.