Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 28 maart 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:1073.
HR, 25-10-2024, nr. 24/01313
ECLI:NL:HR:2024:1553
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
25-10-2024
- Zaaknummer
24/01313
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Insolventierecht (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1553, Uitspraak, Hoge Raad, 25‑10‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:594
ECLI:NL:PHR:2024:594, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 31‑05‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1553
Beroepschrift, Hoge Raad, 05‑04‑2024
- Vindplaatsen
Sdu Nieuws Personen- en familierecht 2024/614
BPR-Updates.nl 2024-0088
Burgerlijk procesrecht.nl BPR-2024-0088
PFR-Updates.nl 2024-0219
Sdu Nieuws Insolventierecht 2025/5
JPF 2025/22
Sdu Nieuws Insolventierecht 2024/114
JPF 2025/22
Uitspraak 25‑10‑2024
Inhoudsindicatie
Onderbewindstelling. Art. 1:441 BW. WSNP. Behoort het tot taak van beschermingsbewindvoerder om namens rechthebbende toelating tot schuldsaneringsregeling te verzoeken?
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 24/01313
Datum 25 oktober 2024
ARREST
In de zaak van
[de bewindvoerder] B.V.,
beschermingsbewindvoerder van de goederen van [betrokkene],
gevestigd te [vestigingsplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
hierna: de bewindvoerder,
advocaat: R.J. ter Rele.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak C/01/396764/ FT RK 23/485 van de rechtbank Oost-Brabant van 6 februari 2024;
b. het arrest in de zaak 200.337.460/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 28 maart 2024.
De bewindvoerder heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De conclusie van de Advocaat-Generaal G. Snijders strekt tot verwerping van het cassatieberoep.De advocaat van de bewindvoerder heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In 2021 is de bewindvoerder benoemd tot opvolgend beschermingsbewindvoerder als bedoeld in art. 1:435 BW over de onder bewind gestelde goederen die aan [betrokkene] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren.
2.2
De bewindvoerder heeft namens de rechthebbende een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling als bedoeld in art. 284 e.v. Fw op de rechthebbende. De rechtbank heeft de rechthebbende niet-ontvankelijk verklaard in het verzoek.
2.3
Het hof1.heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Het heeft daartoe als volgt overwogen.
De bewindvoerder heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de rechthebbende wilsonbekwaam is. De vraag is of de bewindvoerder (namens de rechthebbende) een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling mag indienen. (rov. 3.5.1-3.5.2)
De gebruikelijke uitleg van HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV4010 is dat het niet tot de taak van de beschermingsbewindvoerder behoort om een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling in te dienen. Het hof vindt deze uitleg ook terug in HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:751 over de positie van de beschermingsbewindvoerder tijdens de wettelijke schuldsaneringsregeling. Een beschermingsbewind kan naast een schuldsaneringsregeling bestaan, maar dat maakt niet dat de beschermingsbewindvoerder, als er nog geen sprake is van toepassing van de schuldsaneringsregeling, ook bevoegd is om het verzoek tot toelating in te dienen. (rov. 3.5.3-3.5.5)
Sinds 1 januari 2014 is aan art. 1:441 lid 1 BW toegevoegd dat de bewindvoerder de bevoegdheid heeft om te doen wat aan een goed bewind bijdraagt. Ondanks deze ruime(re) taakopvatting met betrekking tot de beschermingsbewindvoerder, heeft de wetgever niet beoogd om de lijn van het arrest van 2012 te veranderen. Uit de Kamerstukken II 2011/12, 33054, nr. 3 (memorie van toelichting) en nr. 6 (nota naar aanleiding van het verslag) leidt het hof af dat de beschermingsbewindvoerder wel de taak heeft de rechthebbende te begeleiden om aan de eisen van de schuldsaneringsregeling te voldoen, maar dat is niet hetzelfde als het indienen van het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Die bevoegdheid gaat veel verder, gezien de persoonlijke verplichtingen van een saniet binnen de wettelijke schuldsaneringsregeling, die niet door een beschermingsbewindvoerder kunnen worden vervuld. Ook uit de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.20 bij HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:751, blijkt dat de lijn van 2012 nog wordt gevolgd en dat het indienen van het verzoek niet tot de (in 2014 verruimde) taak van de beschermingsbewindvoerder behoort. (rov. 3.5.6-3.5.8)
Indien de rechthebbende wilsonbekwaam is en niet zelf een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling kan indienen, voorziet de wet in andere mogelijkheden. Bijvoorbeeld via het (alsnog aanvragen van het) curatorschap (art. 1:378 BW e.v.). Een curator heeft wél de bevoegdheid om een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling in te dienen. (rov. 3.5.10)
Daarnaast bestaat de route van art. 284 lid 4 Fw. Als het voor een schuldenaar niet mogelijk is om zelf een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling te doen, kan het verzoek ook worden gedaan door het college van burgemeesters en wethouders van de gemeente waarin deze persoon zijn woon- of verblijfplaats heeft. Het college handelt dan niet namens de schuldenaar, maar ten behoeve van de schuldenaar (zie ook art. 287 lid 6 en lid 7 Fw). (rov. 3.5.11)
De rechtbank heeft dan ook terecht en op goede gronden geoordeeld dat (de bewindvoerder namens) de rechthebbende niet in haar verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling kan worden ontvangen. (rov. 6)
3. Beoordeling van het middel
3.1
Het middel klaagt dat onjuist is het oordeel van het hof dat het niet tot de taak van de beschermingsbewindvoerder behoort om namens de rechthebbende een verzoek te doen tot toepassing van de schuldsaneringsregeling en dat (de bewindvoerder namens) de rechthebbende niet in haar verzoek kan worden ontvangen. Het middel voert aan dat dit wel tot de taak van de beschermingsbewindvoerder behoort. Sinds 2014 heeft deze ingevolge art. 1:441 lid 1, derde volzin, BW tot taak om voor de rechthebbende alle handelingen te verrichten die aan een goed bewind bijdragen. Daartoe behoort het doen van een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling, aldus de klacht.
3.2
Het middel faalt omdat het oordeel van het hof juist is.
3.3
De Hoge Raad heeft in 2012 beslist2.dat de indiening van een verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken niet kan worden beschouwd als een daad van beheer over de onder bewind staande goederen waartoe de beschermingsbewindvoerder ingevolge art. 1:438 lid 1 BW bij uitsluiting bevoegd is, dat het ook geen daad van beschikking over de onder bewind staande goederen is die de schuldenaar ingevolge art. 1:438 lid 2 BW slechts met zijn medewerking (of machtiging van de kantonrechter) zou kunnen verrichten, en dat het indienen van een zodanig verzoek dan ook niet tot de in art. 1:441 BW bedoelde taak van de beschermingsbewindvoerder behoort, zodat die de schuldenaar niet in rechte vertegenwoordigt bij de indiening van het verzoek.
3.4
Aan art. 1:441 lid 1 BW is in 2014 een derde volzin toegevoegd, inhoudende dat de bewindvoerder voor de rechthebbende alle handelingen kan verrichten die aan een goed bewind bijdragen. Dit is in de wetsgeschiedenis als volgt toegelicht:
“Voor de taakopvatting van de bewindvoerder is van belang wat hij mag doen en wat hij moet doen. Ten aanzien van de eerste vraag voorziet het wetsvoorstel erin dat de bewindvoerder alle handelingen kan verrichten die aan een goed bewind bijdragen. Daarmee wordt de in de praktijk
bestaande ruime taakopvatting van de bewindvoerder beter tot uitdrukking gebracht (zie onderdeel T).”3.
“Zoals uiteengezet in het algemeen deel onder 3.k bestaat in de praktijk onduidelijkheid over de taakomschrijving van de bewindvoerder. Daartoe wordt voorgesteld om in artikel 441, eerste lid, een ruime taakopvatting tot uitdrukking te brengen, in de zin dat de bewindvoerder de
bevoegdheid heeft om te doen wat aan een goed bewind bijdraagt. (…) De aanvulling geeft ook uitdrukking aan de omstandigheid dat de bewindvoerder proactief dient te zijn, dient na te
gaan op welke voorzieningen [de rechthebbende] aanspraak kan maken en ook tijdig de daarvoor nodige aanvragen dient te doen. Tevens dient de bewindvoerder ingeval beslag wordt gelegd op onder bewind staande goederen, ervoor te zorgen dat de beslagvrije voet in de zin van artikel 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering correct wordt toegepast. Op
deze wijze kan de bewindvoerder bijdragen aan het stabiliseren van de financiële situatie van de rechthebbende.”4.
“De bewindvoerder is niet verplicht om een betalingsregeling met schuldeisers te treffen. Dit is uitdrukkelijk de taak van schuldhulpverleners (…) en vloeit voort uit de WSNP. (…) Het behoort tot de taak van de beschermingsbewindvoerder om te bezien of de rechthebbende in aanmerking kan komen voor schuldhulpverlening of schuldsanering en hem zonodig te begeleiden om aan de daarvoor geldende eisen te voldoen. Indien de rechthebbende geen beroep kan doen op één van beide regelingen, staat het zijn bewindvoerder vrij om te een betalingsregeling met crediteuren te treffen. De voornaamste taak van een bewindvoerder in een schuldenbewind is het stabiliseren van de financiële situatie.”5.
3.5
Voorts is in de wetsgeschiedenis opgemerkt:
“De leden van de VVD-fractie vragen de regering of zij wil onderzoeken of het aanbeveling verdient om onder bepaalde voorwaarden de bewindvoerder in te schakelen bij het afgeven van de verklaring als bedoeld in de artikelen 284 en 285 Faillissementswet (Fw). (…)
De modelverklaring van artikel 285 lid 1 onderdeel f Fw strekt ertoe om de rechter – die op het verzoekschrift schuldsanering een beslissing dient te nemen – zo juist en volledig mogelijk te informeren omtrent de persoon van de schuldenaar, diens inkomen en vermogen, en de schuldenpositie en de aflossingsmogelijkheden van de verzoeker, alsmede de pogingen
die door de schuldenaar zijn ondernomen om te komen tot een minnelijke schuldenregeling met de schuldeisers. De bevoegdheid om deze verklaring af te geven is destijds door de wetgever in artikel 285 Fw toegekend aan de gemeentelijke instanties. Bij arrest van 5 november
2010 (LJN BN8056, TvS 2011–2, nr. 322) is deze afgiftebevoegdheid door de Hoge Raad verruimd tot alle bij wet gereguleerde beroepsgroepen die genoemd zijn in artikel 48 lid 1 sub c Wck. (…) Gelet op artikel III van dit wetsvoorstel, dat ook beschermingsbewindvoerders die aan de te stellen kwaliteitseisen voldoen onder artikel 48 lid 1 sub c Wck brengt, kunnen deze bewindvoerders bij de aanvraag schuldsanering worden ingeschakeld. Men zie over de betrokkenheid van de beschermingsbewindvoerder bij het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling ook de uitspraak van de Hoge Raad van 25 mei 2012 (LJN BV 4010).”6.
3.6
Uit de hiervoor in 3.4 en 3.5 weergegeven passages uit de wetsgeschiedenis blijkt niet dat de wetgever een andere opvatting heeft over de taak van de beschermingsbewindvoerder in verband met de mogelijkheid toelating tot de schuldsaneringsregeling te verzoeken dan in het hiervoor in 3.3 genoemde arrest uit 2012 is verwoord. De beschermingsbewindvoerder kan dan ook niet voor de rechthebbende toelating tot de schuldsaneringsregeling verzoeken. Zoals blijkt uit de hiervoor in 3.4, laatste citaat, weergegeven passage uit de wetsgeschiedenis, behoort het wel tot de taak van de beschermingsbewindvoerder om te bezien of de rechthebbende in aanmerking kan komen voor (schuldhulpverlening of) schuldsanering en hem zo nodig te begeleiden om aan de daarvoor geldende eisen te voldoen.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, H.M. Wattendorff, A.E.B. ter Heide, S.J. Schaafsma en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 25 oktober 2024.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 25‑10‑2024
HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV4010, rov. 3.3.
Conclusie 31‑05‑2024
Inhoudsindicatie
WSNP. Volgens HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV4010, kan de beschermingsbewindvoerder geen verzoek doen tot toepassing van de schuldsaneringsregeling op de rechthebbende. Is dit anders geworden door de wijziging van art. 1:441 lid 1 BW in 2014?
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/01313
Zitting 31 mei 2024
CONCLUSIE
G. Snijders
In de zaak
[de bewindvoerder] B.V.,
eiseres tot cassatie,
advocaat: R.J. ter Rele
Verzoekster wordt hierna aangeduid als de bewindvoerder.
1. Inleiding en samenvatting
De bewindvoerder verzoekt in deze procedure de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken op de rechthebbende van wie de goederen onder haar bewind zijn gesteld. De rechtbank en het hof hebben de bewindvoerder in dit verzoek niet-ontvankelijk verklaard, op de grond dat het doen daarvan niet behoort tot de wettelijke taak van de bewindvoerder. Tegen die beslissing komt de bewindvoerder in dit cassatieberoep op. Dat is m.i. tevergeefs, gelet op de beslissing in HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV4010, waarnaar rechtbank en hof hebben verwezen en dat, anders dan het middel van de bewindvoerder aanvoert, het geldende recht weergeeft.
2. Feiten en procesverloop
2.1
Bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 15 juni 2021 is de bewindvoerder benoemd als opvolgend bewindvoerder over de op de voet van art. 1:431 lid 1 BW onder bewind gestelde goederen die aan de rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren.
2.2
De bewindvoerder heeft de rechtbank Oost-Brabant op 12 september 2023 verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken op de rechthebbende. Bij vonnis van 6 februari 2024 heeft de rechtbank het verzoek niet-ontvankelijk verklaard.1.Daartoe heeft de rechtbank overwogen:
“De rechtbank stelt vast dat onderhavig verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is ingediend door een beschermingsbewindvoerder en niet (mede) door de schuldenaar is ondertekend. Voor zover het verzoekschrift namens de schuldenaar is ingediend ontbreekt bij het verzoekschrift een geschrift waaruit de volmacht blijkt. Ingevolge de Hoge Raad ECLI:NL:HR:2012:BV4010 kan de indiening van een verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken niet worden beschouwd als een daad van beheer over de onder bewind staande goederen waartoe de beschermingsbewindvoerder ingevolge artikel 1:438 lid 1 BW bij uitsluiting bevoegd is. Het is daarbij ook geen daad van beschikking van de onder bewind staande goederen die de schuldenaar ingevolge artikel 1:438 lid 2 BW slechts met zijn medewerking (of machtiging van de kantonrechter) zou kunnen verrichten. Het indienen van een zodanig verzoek behoort dan ook niet tot de in artikel 1:441 BW bedoelde taak van de beschermingsbewindvoerder, zodat die de schuldenaar niet in rechte vertegenwoordigt bij de indiening van het verzoek. Hieruit volgt dat verzoekster niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar verzoek.”
2.3
De bewindvoerder is van het vonnis van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het hof ’s-Hertogenbosch. Zij heeft het volgende aangevoerd.
De rechthebbende is wilsonbekwaam, begrijpt het verzoek niet en kan niet overzien wat zij ondertekent als de bewindvoerder haar het verzoek ter ondertekening zou voorleggen. Het beschermingsbewind dateert al van 2017. In 2022 heeft de rechthebbende een CIZ-indicatie voor beschermd wonen met intensieve dementie-zorg gekregen. Bij beschikking van 14 februari 2023 heeft de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant een mentorschap ten behoeve van de rechthebbende ingesteld, met de benoeming van de bewindvoerder tot mentor.
De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling niet behoort tot de taken van de bewindvoerder, dan wel dat deze, om deze reden, de rechthebbende niet kan vertegenwoordigen, omdat uit de door de rechtbank aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad van 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV4010, niet zonder meer volgt dat het aanvragen van de toepassing van de schuldsaneringsregeling niet tot de taken van de beschermingsbewindvoerder behoort.
Voorts volgt volgens de bewindvoerder uit de conclusie van A-G De Bock van 28 november 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1238, dat moet worden uitgegaan van een ruime taakstelling van de beschermingsbewindvoerder, in die zin dat deze de bevoegdheid heeft om te doen wat aan een goed bewind bijdraagt, en dat de bewindvoerder proactief moet zijn en moet nagaan voor welke voorzieningen de rechthebbende in aanmerking kan komen, om de financiële situatie van de rechthebbende te stabiliseren. In de visie van de bewindvoerder behoort daartoe ook de taak om namens de rechthebbende in voorkomend geval om toelating tot de schuldsaneringsregeling te verzoeken, met name als die persoon dat zelf niet meer kan.2.
2.4
Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bij arrest van 28 maart 2024 bekrachtigd.3.Het hof heeft vooropgesteld dat de bewindvoerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de rechthebbende wilsonbekwaam is en dat deze dus niet het verzoekschrift tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling kan (mee) ondertekenen (rov. 3.5.1). Het hof onderschrijft dat uit HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV4010, volgt dat het niet tot de taak van de bewindvoerder behoort om een dergelijk verzoek in te dienen (rov. 3.5.3). Het hof vindt die uitleg ook terug in HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:751, dat betrekking heeft op de positie van de bewindvoerder tijdens de wettelijke schuldsaneringsregeling (rov. 3.5.4). Met de sinds 1 januari 2014 in art. 1:441 lid 1 BW tot uitdrukking gebrachte ruime taakopvatting van de beschermingsbewindvoerder, heeft de wetgever niet beoogd om wijziging te brengen in hetgeen uit het arrest van 25 mei 2012 volgt (rov. 3.5.6-3.5.7). Ook uit de door de bewindvoerder genoemde conclusie van A-G De Bock volgt dat aan de beslissing van dit arrest moet worden vastgehouden (rov. 3.5.8).
Het hof wijst vervolgens op alternatieven, namelijk onder curatelestelling van de rechthebbende, waarna de curator een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling kan doen, en een verzoek ex art. 284 lid 4 Fw door het college van B&W tot toepassing van de schuldsaneringsregeling op de rechthebbende (rov. 3.5.9-3.5.11).
2.5
De bewindvoerder heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof.4.
3. Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel bevat drie onderdelen, die alle tot inzet hebben dat de bewindvoerder wél een verzoek kan doen tot toepassing van de schuldsaneringsregeling op de rechthebbende. Onderdeel 1 doet daarvoor een beroep op de door het hof in rov. 3.5.6 en 3.5.7 genoemde wijziging van art. 1:441 lid 1 BW per 1 januari 2014 en de daarop gegeven toelichting. De onderdelen 2 en 3 herhalen de klacht van onderdeel 1.
Beschermingsbewind
3.2
De onderbewindstelling ter bescherming van meerderjarigen is geregeld in titel 19 van Boek 1 BW. Dit bewind wordt ook wel ‘beschermingsbewind’ of ‘meerderjarigenbewind’ genoemd. Deze regeling beoogt een mogelijkheid tot bescherming te bieden van meerderjarigen die ten gevolge van hun lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel als gevolg van verkwisting of het hebben van problematische schulden, niet in staat zijn zelfstandig hun vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. De kantonrechter kan in dergelijke gevallen en onder voorwaarden een bewind instellen over één of meer van de goederen die een meerderjarige als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren (art. 1:431 lid 1 BW). Anders dan bij een curatele, verliest een rechthebbende bij het beschermingsbewind niet zijn handelingsbekwaamheid. Hij wordt slechts handelingsonbevoegd ten aanzien van het beheer van de onder bewind gestelde goederen en beperkt in zijn bevoegdheid daarover te beschikken.5.
3.3
Voor de vaststelling van de bevoegdheden van de bewindvoerder bij beschermingsbewind moet onderscheid gemaakt worden tussen daden van beheer en daden van beschikking. Tijdens het bewind komt het beheer over de onder bewind staande goederen toe aan de bewindvoerder en niet aan de rechthebbende (art. 1:438 lid 1 BW). ‘Beheer’ houdt al datgene in wat gedaan moet worden om het goed of het vermogen in stand te houden en de opbrengst ervan te verwerven. Beheer omvat mede de normale exploitatie van het goed of vermogen. Wat een normale exploitatie van het goed of vermogen is, is afhankelijk van het concrete geval. Daaronder kunnen zowel feitelijke handelingen als rechtshandelingen worden begrepen, waaronder het doen van onderhoud, het innen van huur of rente, het vervangen van onderdelen en het verkopen en inkopen van voorraden.6.
Tijdens het bewind kan de rechthebbende slechts met medewerking van de bewindvoerder over de onder het bewind staande goederen beschikken (art. 1:438 lid 2 BW). Beschikken betekent vervreemden of bezwaren.
Beheren en beschikken sluiten elkaar niet uit. Onder omstandigheden kan een beschikkingshandeling immers als onderdeel van het beheer worden beschouwd.7.
Procesvertegenwoordiging door de bewindvoerder
3.4
Tijdens het bewind vertegenwoordigt de bewindvoerder bij de vervulling van zijn taak de rechthebbende in en buiten rechte (art. 1:441 lid 1 BW). De vertegenwoordigingsbevoegdheid van de bewindvoerder is dus uitdrukkelijk beperkt tot de vertegenwoordiging in het kader van de vervulling van zijn taak. Bij deze vertegenwoordiging kan de bewindvoerder op eigen naam optreden.8.Is de bewindvoerder niet tot vertegenwoordiging bevoegd, dan kan en moet de rechthebbende zelf in rechte optreden.9.Met betrekking tot de vraag of een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling op de rechthebbende tot de beheers- of beschikkingsbevoegdheid van de bewindvoerder kan worden gerekend, is in het al meermalen genoemde arrest van 25 mei 2012 overwogen:
“3.3. Het middel gaat (…) ervan uit dat een schuldenaar over wiens tegenwoordige en toekomstige goederen op de voet van Titel 19 van Boek 1 BW bewind is ingesteld, in een verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts kan worden ontvangen indien dat verzoek mede wordt ingediend door de in art. 1:435 BW bedoelde bewindvoerder (hierna: de beschermingsbewindvoerder).
Dat uitgangspunt vindt geen steun in de wet.
De indiening van een verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken kan niet worden beschouwd als een daad van beheer over de onder bewind staande goederen waartoe de beschermingsbewindvoerder ingevolge art. 1:438 lid 1 BW bij uitsluiting bevoegd is. Het is ook geen daad van beschikking over de onder bewind staande goederen, die de schuldenaar ingevolge art. 1:438 lid 2 slechts met zijn medewerking (of machtiging van de kantonrechter) zou kunnen verrichten. Het indienen van een zodanig verzoek behoort dan ook niet tot de in art. 1:441 BW bedoelde taak van de beschermingsbewindvoerder, zodat die de schuldenaar niet in rechte vertegenwoordigt bij de indiening van het verzoek. Evenmin kan worden aangenomen dat de schuldenaar over wiens goederen bewind is ingesteld slechts samen met de beschermingsbewindvoerder bevoegd is toepassing van de schuldsaneringsregeling te verzoeken.
Een en ander neemt niet weg dat het bewind en de houding van de beschermingsbewindvoerder met betrekking tot het verzoek relevante omstandigheden vormen die de rechter bij zijn beslissing op het verzoek in aanmerking dient te nemen. Indien het standpunt van de beschermingsbewindvoerder niet voldoende bekend is, dient hij door de rechter te worden opgeroepen teneinde te worden gehoord op het verzoek om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken.
Hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot genoemd verzoek geldt eveneens voor het aanwenden van een rechtsmiddel tegen de afwijzing van een dergelijk verzoek.”10.
3.5
Deze beslissing is duidelijk, zoals het hof heeft overwogen en het middel dan ook niet bestrijdt. Het betoog van het middel komt er op neer dat het arrest is achterhaald door de wijziging die art. 1:441 lid 1 BW heeft ondergaan per 1 januari 2014. Toen is aan het slot van art. 1:441 lid 1 BW toegevoegd dat de bewindvoerder voor de rechthebbende alle handelingen kan verrichten die aan een goed bewind bijdragen.11.Deze bepaling is in de wet opgenomen in reactie op onduidelijkheid die in de praktijk bleek te bestaan over de taken van de bewindvoerder. In de memorie van toelichting bij het ontwerp waarbij deze wijziging is voorgesteld (onderdeel T van dat ontwerp), is opgemerkt:
“3. Voornaamste wijzigingen
(…)
k. taak bewindvoerder (…)
In de praktijk blijkt onduidelijkheid te bestaan over de taken van de bewindvoerder. Dit komt ook naar voren in de reacties in de consultatie. Het gaat daarbij met name over de vraag welke taak de bewindvoerder heeft ten aanzien van (problematische) schulden. De verwachtingen van rechthebbenden, kantonrechters en bewindvoerders ten aanzien van het te bereiken doel van onderbewindstelling lopen in de praktijk soms uiteen. Sommige rechthebbenden verwachten dat hun schuldenproblematiek wordt opgelost, sommige kantonrechters verwachten dat de bewindvoerder schulden in geen geval laat oplopen en sommige bewindvoerders weten niet goed wat redelijkerwijs van hen verwacht mag worden. Voor de taakopvatting van de bewindvoerder is van belang wat hij mag doen en wat hij moet doen. Ten aanzien van de eerste vraag voorziet het wetsvoorstel erin dat de bewindvoerder alle handelingen kan verrichten die aan een goed bewind bijdragen. Daarmee wordt de in de praktijk bestaande ruime taakopvatting van de bewindvoerder beter tot uitdrukking gebracht (zie onderdeel T).”12.
En:
“Onderdeel T
Thans geeft artikel 441, in aanvulling op artikel 438, nader aan wat de taak van de bewindvoerder inhoudt: hij vertegenwoordigt de rechthebbende in en buiten rechte en hij draagt zorg voor een doelmatige belegging van het vermogen van de rechthebbende voor zover dit niet voor voldoende
verzorging van deze dient te worden besteed (…).
Zoals uiteengezet in het algemeen deel onder 3.k bestaat in de praktijk onduidelijkheid over de taakomschrijving van de bewindvoerder. Daartoe wordt voorgesteld om in artikel 441, eerste lid, een ruime taakopvatting tot uitdrukking te brengen, in de zin dat de bewindvoerder de bevoegdheid heeft om te doen wat aan een goed bewind bijdraagt. Deze taakopvatting kwam eerder ook aan de orde in de antwoorden van de toenmalige Minister van Justitie op vragen van de leden Vos en Van Gent, Aanhangsel II, 2005/06, nr. 1763. De aanvulling geeft ook uitdrukking aan de omstandigheid dat de bewindvoerder proactief dient te zijn, dient na te gaan op welke voorzieningen deze aanspraak kan maken en ook tijdig de daarvoor nodige aanvragen dient te doen. Tevens dient de bewindvoerder ingeval beslag wordt gelegd op onder bewind staande goederen, ervoor te zorgen dat de beslagvrije voet in de zin van artikel 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering correct wordt toegepast. Op deze wijze kan de bewindvoerder bijdragen aan het stabiliseren van de financiële situatie van de rechthebbende. (…)
De bewindvoerder is niet verplicht om een betalingsregeling met schuldeisers te treffen. Dit is uitdrukkelijk de taak van schuldhulpverleners (zie het eerdergenoemde wetsvoorstel gemeentelijke schuldhulpverlening) en vloeit voort uit de WSNP. Aangezien deze beide regelingen beperkingen kennen in de termijn en in de personen die in aanmerking komen voor schuldhulpverlening en schuldsanering, zullen er altijd personen zijn die problematische schulden hebben maar niet (langer) in aanmerking komen voor schuldhulpverlening of schuldsanering. Het behoort tot de taak van de beschermingsbewindvoerder om te bezien of de rechthebbende in aanmerking kan komen voor schuldhulpverlening of schuldsanering en hem zonodig te begeleiden om aan de daarvoor geldende eisen te voldoen. Indien de rechthebbende geen beroep kan doen op één van beide regelingen, staat het zijn bewindvoerder vrij om te een betalingsregeling met crediteuren te treffen. De voornaamste taak van een bewindvoerder in een schuldenbewind is het stabiliseren van de financiële situatie.”13.
3.6
Op grond van art. 1:441 lid 1, slotzin, BW en de hiervoor in 3.5 weergegeven toelichting daarop is in het door het hof in rov. 3.5.4 genoemde HR 17 april 2020 beslist dat het tot de taak van de bewindvoerder behoort om, in het geval waarin op de rechthebbende de schuldsaneringsregeling is toegepast, ervoor te zorgen dat het vrij te laten bedrag en de boedelbijdrage juist worden vastgesteld, en dat hij in dat geval op grond van art. 1:441 lid 1 BW de rechthebbende in rechte vertegenwoordigt.14.De toevoeging van de slotzin aan art. 1:441 lid 1 BW heeft op dit punt dus geleid tot een uitbreiding (of verduidelijking) van de procesbevoegdheid van de bewindvoerder.
3.7
Uit art. 1:441 lid 1, slotzin, BW en de hiervoor in 3.5 weergegeven toelichting daarop volgt echter niet, anders dan het middel inhoudt, dat de wetgever ook wat betreft het doen van het verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling een andere regel heeft willen laten gelden, een andere regel dus dan is gegeven in het arrest van 25 mei 2012. Zoals het hof terecht in rov. 3.5.6 en 3.5.7 heeft overwogen, valt uit een passage van de nota naar aanleiding van het verslag bij het ontwerp eerder het tegendeel af te leiden. Die passage – die het hof ook aanhaalt – luidt:
“Men zie over de betrokkenheid van de beschermingsbewindvoerder bij het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling ook de uitspraak van de Hoge Raad van 25 mei 2012 (LJN BV4010).”15.
Het arrest van 25 mei 2012 is de wetgever dus niet ontgaan. Zou bedoeld zijn om een andere regel te laten gelden dan dit arrest op het onderhavige punt bevat, dan zou men hebben mogen verwachten dat dit in de wetsgeschiedenis tot uitdrukking was gebracht.16.Daaruit volgt dat op dit punt juist geen wijziging is beoogd. De literatuur neemt dan ook veelal aan dat de regel van het arrest van 25 mei 2012 na 1 januari 2014 is blijven gelden.17.
3.8
Het hof heeft dus terecht beslist dat de bewindvoerder niet bevoegd is om een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling op de rechthebbende te doen, en dat de rechthebbende dat verzoek dus zelf moet doen.
Alternatieven
3.9
In dit geval is de rechthebbende niet in staat om dat verzoek te doen. Het hof heeft terecht in rov. 3.5.9-3.5.11 overwogen dat voor dit geval alternatieven beschikbaar zijn, namelijk ondercuratelestelling van de rechthebbende, waarna de curator een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling kan doen, en een verzoek ex art. 284 lid 4 Fw door het college van B&W tot toepassing van de schuldsaneringsregeling op de rechthebbende. Bij deze alternatieven sta ik nog even kort stil.
3.10
Een curator heeft (wel) de bevoegdheid om een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling op de onder curatele gestelde in te dienen. Anders dan de rechthebbende van wie de goederen onder bewind zijn gesteld, is de onder curatele gestelde handelingsonbekwaam (art. 1:381 leden 2 en 3 BW). Dat heeft tot gevolg dat de onder curatele gestelde ook onbekwaam of onbevoegd is tot het voeren van processen, behoudens in zaken van curatele (art. 1:381 lid 6 BW).18.Een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling betreft niet een zaak van curatele, zodat een onder curatele gestelde schuldenaar zelf niet-ontvankelijk is in een dergelijk verzoek.19.
Sinds 1 januari 2014 is de bewindvoerder bevoegd om te verzoeken de rechthebbende onder curatele te stellen (art. 1:379 lid 1 BW).20.Daarbij zij opgemerkt dat het beschermingsbewind en de curatele niet naast elkaar kunnen bestaan: het aanvangen van de ene regeling, betekent dat de andere eindigt (de art. 1:389 lid 1, aanhef en onder c, en 1:449 lid 1 BW). De bewindvoerder zou in dit geval dus deze weg kunnen volgen.
3.11
Als het voor een schuldenaar niet mogelijk is om zelf een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling te doen, kan het verzoek voorts worden gedaan door het college van burgemeesters en wethouders van de gemeente waarin deze persoon zijn woon- of verblijfplaats heeft (art. 284 lid 4 Fw). Dit artikellid is bij amendement toegevoegd aan de WSNP.21.Ter toelichting op het amendement is opgemerkt dat ‘een deel van de mensen die een beroep zouden kunnen doen op een schuldsaneringsregeling, in omstandigheden als ontruiming, uithuiszetting of boedelverkoop, niet in staat of onmachtig kan zijn om een moratorium te vragen’, en dat het ‘in zo’n geval het wenselijk is dat het gemeentebestuur de rechter om een moratorium kan vragen’. In een voorstel tot wijziging van de WSNP uit 2005 is voorgesteld om het artikellid te schrappen, omdat geen gebruik werd gemaakt van deze bevoegdheid.22.Bij amendement is echter voorgesteld om het artikellid te behouden, welk amendement is aangenomen. In de toelichting in dat amendement staat:
“Een deel van de mensen die een beroep zouden kunnen doen op een schuldsaneringsregeling kan in omstandigheden als ontruiming, uithuiszetting, boedelverkoop of energie- en waterafsluiting, niet in staat of onmachtig zijn om een moratorium te vragen. In zo’n geval is het wenselijk dat het College van Burgemeester en Wethouders de rechter om een moratorium kunnen vragen. Dat is dan in het belang van de schuldenaar en/of diens gezinsleden. Het College van Burgemeester en Wethouders kunnen dit doen door een voorlopige voorziening te vragen. Bij een dergelijke aanvraag gelden alle bepalingen van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen; dit brengt mee dat het College van Burgemeester en Wethouders bij voorlopige voorziening ook een verbod kunnen vragen om energie en water af te sluiten en kunnen verzoeken om de executie van oude vonnissen op te schorten.”23.
De in de toelichting op de beide amendementen genoemde gevallen lijken me slechts voorbeelden van toepassingsmogelijkheden te zijn en dus niet een limitatieve opsomming daarvan. De bewindvoerder zou het mogelijk in dit geval dus ook daarnaar kunnen leiden dat van deze mogelijkheid wordt gebruikgemaakt.
Bespreking middel
3.12
Uit het voorgaande volgt dat het middel ongegrond is.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 31‑05‑2024
Het vonnis van de rechtbank is niet gepubliceerd op rechtspraak.nl.
Vgl. voor e.e.a. de vaststellingen van het hof in rov. 3.4-3.4.4.
Hof ’s-Hertogenbosch 28 maart 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:1073, NJF 2024/198.
Vgl. bijv. J.H.M. ter Haar, GS Personen- en familierecht, art. 1:438 BW, aant. 1, en M.J.C. Koens, T&C BW, commentaar op titel 19 Boek 1 BW, aant. 4, sub a en c.
Zie hierover bijv. Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-I 2020/731, Nuytinck, Personen- en familierecht, relatievermogensrecht en erfrecht (SBR 1), 2024/254, M.J.C. Koens, T&C BW, commentaar op art. 1:438 BW, aant. 1 en J.H.M. ter Haar, GS Personen- en familierecht, art. 1:438 BW, aant. 1.
Zie bijv. Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-I 2020/732 en vgl. 739, Nuytinck, Personen- en familierecht, relatievermogensrecht en erfrecht (SBR 1), 2024/254, M.J.C. Koens, T&C BW, commentaar op art. 1:438 BW, aant. 2, en J.H.M. ter Haar, GS Personen- en familierecht, art. 1:438 BW, aant. 2.
Zie o.m. HR 17 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:429, NJ 2023/117, rov. 3.3, met verwijzing naar eerdere uitspraken.
HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV4010, NJ 2012/546, m.nt. P. van Schilfgaarde. Zie evenzo HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV4021, NJ 2012/545, m.nt. P. van Schilfgaarde, rov. 3.3.
Stb. 2013, 414 en Stb. 2013, 435.
Kamerstukken II, 2011-2012, 33 054, nr. 3, p. 34-35.
HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:751, NJ 2020/171, rov. 3.1.4.
Op geen van de vindplaatsen die hier en in het middel worden genoemd, is dat het geval, zoals deels al uit het hiervoor weergegevene volgt.
Zie o.m. A-G De Bock in haar conclusie voor genoemd HR 17 april 2020, onder 3.20, waarnaar het hof ook verwijst in rov. 3.5.8, alsmede Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-I 2020/737, slotalinea, Nuytinck, Personen- en familierecht, relatievermogensrecht en erfrecht (SBR 1), 2024/248, p. 386, voetnoot 34, en M.J.C. Koens, T&C BW, commentaar op art. 1:431 BW, aant. 4, en op art. 1:438 BW, aant. 2. Mogelijk anders Vlaardingerbroek e.a., Het hedendaagse personen- en familierecht 2023/13.3.5 (zonder bespreking echter van het arrest van 25 mei 2012).
Zie o.m. Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-I 2020/669 en J.H.M ter Haar, GS Personen- en familierecht, titel 19 Boek 1 BW, aant. 4.
Stb. 2013, 414 en Stb. 2013, 435.
Kamerstukken II 2004-2005, 29 942, nr. 2, p. 1, en Kamerstukken II 2004-2005, 29 942, nr. 3, p. 13-14.
Beroepschrift 05‑04‑2024
PROCESINLEIDING CASSATIE (VERZOEK EX ART. 292 LID 7 FW)
Gerecht: | Hoge Raad der Nederlanden |
Datum indiening: | vrijdag 5 april 2024 |
Verzoekster tot cassatie
Naam: | [de bewindvoerder] B.V. (hierna: [de bewindvoerder]) |
Hoedanigheid: | beschermingsbewindvoerder van de goederen van [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) |
Woonplaats: | [woonplaats] |
Advocaat bij de Hoge Raad: | mr. R.J. ter Rele |
Kantooradres advocaat: | Molenveldlaan 162 |
6523 RN Nijmegen |
Bestreden arrest
Gerecht: | gerechtshof 's‑Hertogenbosch |
Datum arrest: | donderdag 28 maart 2024 |
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van essentiële vormen doordat het hof geoordeeld en beslist heeft zoals vervat is in zijn arrest van 28 maart 2024, zulks ten onrechte om de navolgende, mede in onderling verband en samenhang te beschouwen, redenen:
1. De taak van de beschermingsbewindvoerder (rov. 3.5.6 t/m 3.5.9)
Onjuist is het oordeel in de rov. 3.5.6 t/m 3.5.9 dat het verzoeken om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken niet tot de (verruimde) taak van de beschermingsbewindvoerder zou behoren.
Immers, het doen van een dergelijk verzoek (art. 284 lid 1 Fw) behoort wèl tot de taak van de beschermingsbewindvoerder (art. 1:431 BW). Want het is sinds 2014 de taak van de beschermingsbewindvoerder om voor de rechthebbende alle handelingen te verrichten die aan een goed bewind bijdragen (art. 1:441 lid 1, derde volzin, BW),1. en het verzoeken om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken namens2. een rechthebbende die daarvoor in aanmerking komt draagt daaraan bij, althans doet dat in beginsel.
Dat het de taak is van de beschermingsbewindvoerder om te verzoeken om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken, volgt uit de parlementaire geschiedenis van het per 1 januari 2014 gewijzigde art. 1:441 lid 1 BW. Want hierin is geëxpliciteerd [1] dat het de taak is van de beschermingsbewindvoerder om te bezien of de rechthebbende in aanmerking kan komen voor schuldsanering,3. en [2] dat de beschermingsbewindvoerder proactief dient te zijn, dient na te gaan op welke voorzieningen de rechthebbende aanspraak kan maken en ook tijdig de daarvoor nodige aanvragen dient te doen.4.
2. De bevoegdheid van de beschermingsbewindvoerder (rov. 3.5.5)
Onjuist is het oordeel in rov. 3.5.5 dat de beschermingsbewindvoerder niet bevoegd zou zijn om namens de rechthebbende te verzoeken om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken.
Immers, het verzoeken om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken behoort tot de taak van de beschermingsbewindvoerder (onderdeel 1), en bij de uitoefening van zijn taak vertegenwoordigt de beschermingsbewindvoerder de rechthebbende in en buiten rechte (art. 1:441 lid 1, eerste volzin, BW). Daarom is [de bewindvoerder] wèl bevoegd om een dergelijk verzoek namens [betrokkene] te doen.
3. De ontvankelijkheid van de beschermingsbewindvoerder (rov. 3.6)
Van een onjuiste rechtsopvatting geeft blijk het oordeel in rov. 3.6 dat de rechtbank terecht en op goede gronden geoordeeld zou hebben dat ([de bewindvoerder] in haar hoedanigheid van beschermingsbewindvoerder van de goederen van) [betrokkene] niet in haar verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling ontvangen zou kunnen worden.
Immers, het verzoeken om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken behoort tot de taak van de beschermingsbewindvoerder (onderdeel 1), en bij de uitoefening van zijn taak vertegenwoordigt de beschermingsbewindvoerder de rechthebbende in en buiten rechte (art. 1:441 lid 1, eerste volzin, BW). Daarom had [de bewindvoerder], in haar hoedanigheid van beschermingsbewindvoerder van de goederen van [betrokkene], wèl ontvangen moeten worden in haar verzoek.
Voorbehoud aanvulling middel
[de bewindvoerder] behoudt zich hierbij het recht voor om dit middel te mogen aanvullen indien het opgevraagde, maar nog niet ontvangen, proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep van 13 maart 2024 daartoe aanleiding geeft.
Op grond van dit middel moge het de Hoge Raad behagen om het arrest te vernietigen, met zodanige beslissing als de Hoge Raad passend acht.
Deze procesinleiding bevat 696 woorden.
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 05‑04‑2024
Bij de vervulling van zijn taak vertegenwoordigt de beschermingsbewindvoerder de rechthebbende in en buiten rechte (art. 1:441 lid 1, eerste volzin, BW).
Kamerstukken II 2011/12, 33054, nr. 3, p. 35. Vgl. Kamerstukken II 2011/12, 33054, nr. 6, p. 11.
Kamerstukken II 2011/12, 33054, nr. 3, p. 34. Vgl. Aanhangsel Handelingen II 2005/06, nr. 1763.