Einde inhoudsopgave
Ambtshalve toepassing van EU-recht (BPP nr. XIV) 2012/3.1.2.3
3.1.2.3 Franse Code de la procédure civile: gematigde lijdelijkheid
Mr. A.G.F. Ancery, datum 01-08-2012
- Datum
01-08-2012
- Auteur
Mr. A.G.F. Ancery
- JCDI
JCDI:ADS297324:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. ook: Guinchard, Ferrand & Chainais 2008, p. 586-589 (656-658).
Overigens werd de civiele rechter ook in Frankrijk van oudsher gezien als een neutrale arbiter, die geen rol diende te spelen met betrekking tot het bepalen van het verloop van de procedure (Guinchard, Ferrand & Chainais 2008, p. 590 (nr. 660). Dit geldt evenzeer voor Nederland, waar de minder lijdelijke rol van de civiele rechter ook pas sinds 2002 met de wijziging van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering echt is doorgebroken. Ter illustratie kan de opmerking van Van Boneval Faure worden geraadpleegd: ‘De rechter is niet bevoegd aan de partijen de voortzetting van het geding te bevelen. Zij blijven meester daarover (…).’ in Van Boneval Faure 1879, p. 94, sub 2. In laatstgenoemd werk wordt de lijdelijkheid van de rechter overigens als een van de ‘hoofdbeginselen der rechtspraak’ aangemerkt (vgl. Van Boneval Faure 1879, p. II (inhoudsopgave, § 14)).
Guinchard, Ferrand & Chainais 2008, p. 592 (nr. 661, sub 1).
Vgl. artikel 3 CPC. Hoewel het primaat bijpartijen ligt, kan de rechter bijvoorbeeld een gezamenlijk verzoek tot uitstel negeren, wanneer een debat noodzakelijk is in het licht van het beginsel van hoor en wederhoor. Vgl. Cour de cassation 24 novembre 1989, zk.nr. 88-18.188.
Guinchard, Ferrand & Chainais 2008, p. 590-591 (nr. 660).
Vgl. Guinchard, Ferrand & Chainais 2008, p. 554 (nr. 632).
Guinchard, Ferrand & Chainais 2008, p. 598 (nr. 666). Vgl. de artikelen 6 en 72 CPC.
Guinchard, Ferrand & Chainais 2008, p. 603-605 (nr. 677).
Guinchard, Ferrand & Chainais 2008, p. 80.
Vgl. Guinchard, Ferrand & Chainais 2008, p. 606 e.v. (nr. 680 e.v.).
90.
In het eerste hoofdstuk van de Franse Code de la procédure civile (CPC) zijn de principes directeurs du procès neergelegd. Het betreffen de algemene beginselen die aan het Franse civiele proces ten grondslag liggen. In de verhouding tussen de Franse civiele rechter en de procespartijen geldt het principe dispositif. Dat heeft een aantal aspecten. Een onderdeel van dat principe dispositif is het principe accusatoire. Bij dat laatste principe gaat het er in feite om wie verantwoordelijk is voor het aanbrengen, beëindigen en verloop van de procedure. In het Franse civiele proces berust die verantwoordelijkheid in beginsel bij partijen, zo bepalen de artikelen 1 en 2 CPC.1 De rechter mag dus niet zelf een procedure aanhangig maken, bepaalt niet zelf wanneer een procedure eindigt en haakt in principe aan bij het door partijen gekozen verloop van het proces. Op deze wijze lijkt de rol van de Franse civiele rechter vrij veel op die van de Engelse civiele rechter, maar schijnt bedriegt ook hier.2 Artikel 1 CPC bevat namelijk wel een uitzondering op dit principe: ‘hors les cas où la loi en dispose autrement.’ Als de wet anders bepaalt, dan gaat het principe accusatoire niet meer ten volle op. Met betrekking tot de aanvang van een civiele procedure bepaalt de wet niet anders. De rechter kan zelf geen procedure starten: ‘Sans demandeurs, pas de juge’.3
Waar de wet wel anders bepaalt, is ten aanzien van de instructie (regie) van de procedure.4 Zo kan de Franse rechter bijvoorbeeld een derde in het geding roepen, kan hij ambtshalve een bewijsverrichting bevelen, kan hij trachten bepaalde feitelijke kwesties op te helderen en ambtshalve aspecten van openbare orde opwerpen.5 Hier geldt dus het in artikel 2 CPC beschreven primaat van partijen niet onverkort.
91.
Het is dus aan partijen om een geding aanhangig te maken en in beginsel ook om het verloop daarvan te bepalen. De partijen bepalen ook het onderwerp van het geding en dragen de daarvoor noodzakelijke feiten aan. Waarover wordt geprocedeerd moet duidelijk worden aan de hand van de demande, ook wel aangeduid als l’objet. Dat betreft de vordering van de eisende partij. Met de cause de la demande (gronden voor de vordering), een eventuele vordering van de gedaagde partij, haar verweer en de daaraan ten grondslag gelegde gronden wordt het geschil door partijen afgebakend.6 Partijen moeten tevens het daarvoor noodzakelijke bewijs aanvoeren, al kan de rechter wel ambtshalve een bewijsverrichting bevelen. Het toepassen van rechtsgronden op het door partijen afgebakende geschil is een taak voor de rechter. Kortom, in het Franse civiele proces zijn partijen verantwoordelijk voor het aandragen van de feiten en de rechter voor het aandragen van de rechtsgronden.7
Wanneer het zo zwart-wit wordt gesteld, lijkt het vrij eenvoudig. Ook in het Franse civiele proces geldt dus het beginsel van partijautonomie. Partijen beschikken over hen toekomende rechten uit het materiële recht en mogen dus zelf bepalen wat zij vorderen, waartegen zij zich verweren en welke feiten zij daaraan ten grondslag leggen. Als zij bepaalde feiten buiten toepassing willen laten, kunnen zij ervoor kiezen om deze niet aan te voeren. Zo bezien lijkt het Franse stelsel erg op het Nederlandse stelsel. Qua uitwerking lijken het Franse civiele proces en het Nederlandse civiele proces veel op elkaar, met een groot verschil: de Franse rechter kan meer feiten voor zijn eindbeslissing gebruiken dan zijn Nederlandse collega. Artikel 7, lid 1 CPC stelt weliswaar “lejuge ne peutfonder sa décision sur desfaits qui ne sont pas dans le débat”, maar hier staat niet dat de rechter zich moet beperken tot de feiten die partijen aan hun vordering of verweer ten grondslag hebben gelegd. Over de voor de eindbeslissing gebruikte feiten moet zijn gedebatteerd door partijen, althans zij moeten de mogelijkheid daartoe hebben gehad.
Wat betekent dit nu? Artikel 7, lid 2 CPC:
“Parmi les éléments du debat, lejuge peut prendre en considération même les faits que les parties n’auraient pas spécialement invoqués au soutien de leurs prétentions.”
De rechter kan dus ook gebruikmaken van feiten die niet door partijen aan hun vordering of verweer ten grondslag zijn gelegd. Hiermee is niet bedoeld om de rechter de bevoegdheid toe te kennen over te gaan tot het ambtshalve vergaren van feiten, maar hij kan wel gebruikmaken van feiten die door partijen naar voren zijn gebracht, zonder dat zij door deze partijen aan hun vordering of verweer ten grondslag zijn gelegd. Deze feiten worden in de Franse juridische literatuur ook wel aangeduid als faites adventices, ofwel bijkomende feiten. En zo bezien zijn de feiten waarop lid 1 van artikel 7 CPC doelt niet alleen de feiten waarnaar partijen expliciet verwijzen, maar ook zaken die ten processe zijn besproken en producties van partijen. De rechter kan op basis van artikel 7, lid 2 CPC dus gebruikmaken van het gehele dossier.8
92.
Artikel 7, lid 2 CPC brengt met zich dat de Franse rechter gebruik kan maken van meer feiten dan zijn Nederlandse collega. Daarmee heeft hij, net als de Duitse rechter, in theorie ruimere bevoegdheden. Wederom zou een kwalificatie als ‘partij-autonomie-light’ op de plaats zijn. Overigens is de bevoegdheid van artikel 7, lid 2 CPC niet zonder enige beperking. Artikel 16, leden 1 en 2 CPC bepalen dat de rechter het beginsel van hoor en wederhoor moet respecteren. Kortom, wenst hij een processtuk uit het dossier te gebruiken dat door partijen niet expliciet aan hun vordering of verweer ten grondslag is gelegd, dan dient hij te bezien of partijen daar voldoende over hebben gedebatteerd of kunnen debatteren. Wanneer dat niet het geval is, zal hij hen hiertoe alsnog in de gelegenheid moeten stellen. Het belang van het beginsel van hoor en wederhoor in het Franse civiele proces is groot, zo blijkt tevens uit het derde lid van artikel 16 CPC.9 Hoewel de rechter tot taak heeft om rechtsgronden toe te passen en hij dit inderdaad ambtshalve kan doen, is hij verplicht wanneer hij ambtshalve een rechtsgrond aanbrengt, partijen in de gelegenheid te stellen om zich hierover uit te laten. Aan die uitlatingen is hij overigens niet gebonden.10
Zo is er ook in Duitsland, Engeland en Frankrijk een tendens zichtbaar van partijautonomie naar gezamenlijke verantwoordelijkheid, een dialoog tussen rechter en partijen en het beginsel van hoor en wederhoor (vergelijk paragraaf 2.4.3).