Einde inhoudsopgave
Accountantsaansprakelijkheid (R&P nr. CA20) 2019/5.4.5
5.4.5 Conclusie causaliteit
mr. J.E. Brink-van der Meer, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. J.E. Brink-van der Meer
- JCDI
JCDI:ADS302936:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Algemeen
Juridische beroepen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
A-G Spier in zijn conclusie voor het arrest Deloitte Belastingadviseurs/H & H Beheer, opgenomen in Klaassen (2013), p. 170.
Klaassen (2013), p. 170.
HR 13 oktober 2006, LJN AW2080, JOR 2006, 296, JRV 2006, 752, NJ 2008, 528 (Vied’Or), r.o. 5.4.4.
Klaassen (2013), p. 165, met verwijzing naar Giesen en & Tjong Tjin Tai (2008), p. 100-101, Busch (2012), p. 75 en A.C.W. Pijls, annotatie bij HR 24 december 2010, JOR 2011/54.
Klaassen (2013), p. 166.
In lijn met Klaassen voor wat betreft financiële ondernemingen. Zie: Klaassen (2013), p. 144.
Het leerstuk van het causaal verband wordt als het lastigste onderdeel van het aansprakelijkheidsrecht beschouwd.1 Klaassen stelt: ‘De causaliteit vormt regelmatig de ‘bottleneck’ in een aansprakelijkheidszaak’.2 De vraag is of causaliteit ook een bottleneck is bij accountantsaansprakelijkheid?
De benadeelde moet allereerst bewijzen dat sprake is van een csqn-verband. Ten aanzien van een schending van de zorgverplichting 2 ‘inzet van deskundigheid’ is sprake van een csqn-verband tussen de beroepsfout van de accountant en de schade van de benadeelde indien de benadeelde op basis van de juiste controleverklaring of jaarrekening anders zou hebben gehandeld dan hij heeft gedaan op basis van de afgegeven controleverklaring en onjuiste jaarrekening. Het lijkt er op dat aan derden tegemoet wordt gekomen bij het bewijs van kennisneming van de controleverklaring en/of jaarrekening.3
Met betrekking tot een schending van de zorgverplichting 3 ‘informatie- en waarschuwingsplicht’ volgt uit het Vie d’Or arrest de hoofdregel dat het csqn- verband tussen een beroepsfout bestaande uit een schending de informatie- en waarschuwingsplicht en de schade alleen wordt aangenomen indien de benadeelde zou hebben ingegrepen als hij (eerder) op de hoogte was gesteld of gewaarschuwd. Op de benadeelde rust de zware bewijslast dat hij zou hebben ingegrepen indien hij op de hoogte was geweest. De benadeelde zal zulks vaak onmogelijk kunnen bewijzen.
De eerste stap van het causaal verband zal daarmee in de praktijk vaak een zeer lastig te nemen hobbel zijn, indien sprake is van een schending van zorgverplichting 3. Dit is mijns inziens vanuit aansprakelijkheidsperspectief gunstig voor de accountant.
Indien de benadeelde slaagt in het bewijs van het csqn-verband, komt het bewijs door benadeelde ter zake de leer van de redelijke toerekening aan de orde. Deze tweede stap van het causaal verband kan vanuit aansprakelijkheidsperspectief ongunstige consequenties hebben voor de accountant. Toepassing van de leer van de redelijke toerekening kan voor de aansprakelijk gestelde accountant namelijk een ruime toerekening van schade ten gevolge hebben. Of dit aan de orde is, zal echter sterk afhangen van de omstandigheden van het geval. Daarbij is van belang of de benadeelde een opdrachtgever of derde is. Met betrekking tot de opdrachtgever kunnen de voorzienbaarheid van de schade en processuele houding een reden zijn voor ruime toerekening van schade. Immers, de door de opdrachtgever geleden schade zal sneller voor de accountant naar objectief inzicht voorzienbaar of waarschijnlijk zijn. Ten aanzien van de processuele houding is van belang dat een opdrachtgever in ieder geval inzage dient te hebben in een controle-dossier, de accountant moet met betrekking tot deze informatie ‘met de billen bloot’. Gaat de accountant niet met de billen bloot, dan is er ruimte voor ruime toerekening van schade. Met betrekking tot derden zal naar verwachting vooral de bijzondere zorgplicht van accountants jegens derden zwaar meewegen. Echter, de door de derde geleden schade zal minder snel naar objectief inzicht voorzienbaar of waarschijnlijk zijn, en kan resulteren in een beperking van de verbintenis tot schadevergoeding.
Ter zake de causaliteitsonzekerheid refereer ik aan Klaassen, die stelt dat van verschillende zijden wordt ‘opgemerkt of althans gesuggereerd’ dat de verschillende leerstukken van causaliteitsonzekerheid ‘onderling uitwisselbaar zijn en/of tot dezelfde uitkomst leiden’.4 Klaassen wenst desondanks de verschillende leerstukken te onderscheiden, ook al sluit zij niet uit ‘dat langs verschillende routes dezelfde praktische uitkomst kan worden bereikt.5’ Ik deel de mening van Klaassen dat de verschillende routes dienen te worden onderscheiden. Voor wat betreft de aansprakelijkheid van de accountant zijn namelijk ook niet alle routes van toepassing. Ik bespreek de verschillende routes aan de hand van de geschonden zorgvuldigheidsnorm.
Zorgverplichting 2: ‘Inzet van deskundigheid’
Er is geen ruimte voor toepassing van de omkeringsregel of proportionele aan-sprakelijkheid bij aansprakelijkheid van de accountant met betrekking tot schending van deze zorgvuldigheidsnorm. Er kan wellicht ruimte zijn voor toepassing van de kansschade-methode of een bewijsvermoeden van het csqn-verband.
Zorgverplichting 3: ‘Informatie- en waarschuwingsplicht’
Mogelijk is er ruimte voor toepassing van de omkeringsregel indien sprake is van schending van een specifieke waarschuwingsplicht, in die zin dat de opdrachtgever indringend gewaarschuwd had moeten worden voor bepaalde risico’s.6 Vooralsnog is een dergelijke waarschuwingsplicht bij accountants echter niet aan de orde. Het is niet uitgesloten dat een accountant die zijn informatie- en waarschuwingsplicht jegens cliënt heeft geschonden, geconfronteerd wordt met proportionele aansprakelijkheid. Hetzelfde geldt voor toepassing van de kansschade-methode. Er zou ruimte kunnen zijn voor een bewijsvermoeden van het csqn-verband bij aansprakelijkheid van de accountant jegens beleggers wegens schending van zijn bijzondere zorgplicht bij de wettelijke controle.
Uit voorgaand overzicht ter zake de toepasselijkheid van de verschillende routes op de verschillende zorgvuldigheidsnormen blijkt dat de benadeelde in geval van causaliteitsonzekerheid niet veel baat zal hebben bij de besproken uitzonderingen op de hoofdregel van artikel 150 Rv.