Einde inhoudsopgave
Schadevergoeding bij de onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens (O&R nr. 126) 2021/4.2
4.2 Leerstuk eigen schuld ex art. 6:101 lid 1 BW
mr. T.F. Walree, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. T.F. Walree
- JCDI
JCDI:ADS267428:1
- Vakgebied(en)
Privacy / Verwerking persoonsgegevens
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Sieburgh 6-II 2017/107; C.J.H. Jansen 2002, p. 204-209.
Dit is bijvoorbeeld het geval waarin de schade mede is veroorzaakt door een persoon, dier of zaak waarvoor de benadeelde op grond van Boek 6 met een kwalitatieve aansprakelijkheid zou zijn belast, indien hierdoor schade aan een ander zou zijn toegebracht. Zie Keirse 2006, p. 186-187.
Zie voor de verschillende interpretaties en discussie hierover de aangehaalde literatuur in Keirse & Jongeneel 2013/17. Zie ook Asser/Sieburgh 6-II 2017/107; Boonekamp, in: GS Schadevergoeding, art, 6:101 BW, aant. 1.2.
HR 11 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM1733 (Fortes e.a./Van der Bie), r.o. 3.2.2.
Keirse 2003, p. 113. Zie bijvoorbeeld Hof Leeuwarden 29 maart 2006, ECLI:NL:GHLEE:2006:AV7749, r.o. 16.
De aangesprokene zou anders bijna altijd een beroep kunnen doen op een (gedeeltelijke) bevrijding van zijn aansprakelijkheid, zie Keirse & Jongeneel 2013/23.
Boonekamp 2018, aant. 2.2.1; Keirse 2003, p. 98-99; Keirse & Jongeneel 2013/17, 18, 23; Asser/Sieburgh 6-II 2017/107.
Keirse 2003, p. 97-98; Keirse & Jongeneel 2013/24, 26; Boonekamp, in: GS Schadevergoeding, art. 6:101 BW, aant. 1.6. Zie ook Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 352.
Keirse 2003, p. 43; Asser/Sieburgh 6-II 2017/125; Boonekamp, in: GS Schadevergoeding, art. 6:101 BW, aant. 5.2.1.
HR 5 oktober 1979, ECLI:NL:PHR:1979:AB7340, NJ 1980/43 (Tauber/Verhey); HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3532, NJ 2016/159 (Michielsen/De Mierden), r.o. 3.8.2.
Zie over de verdelingsfase Keirse 2003, p. 83-86; Asser/Sieburgh 6-II 2017/114.
HR 5 december 2014, NJ 2016/159, ECLI:NL:HR:2014:3532 (Michielsen/De Mierden), r.o. 3.8.2.
Keirse 2003, p. 118-134 (met name p. 124). Zie onder meer HR 9 mei 1986, ECLI:NL:PHR:1986:AC0867, NJ 1987/252 (Staat/Van Gelder); HR 28 september 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3659, NJ 2001/650 (FDP/Leiden).
Schade is niet altijd uitsluitend een gevolg van een doen of nalaten van de aangesprokene, maar kan ook mede voortvloeien uit een omstandigheid die voor risico van de benadeelde komt.1 In dat geval is er sprake van eigen schuld. Het leerstuk van eigen schuld is vastgelegd in art. 6:101 lid 1 BW. Dit artikel gaat uit van aansprakelijkheid van de schadeveroorzaker. Op basis van die aansprakelijkheid bestaat een vergoedingsplicht. Die vergoedingsplicht wordt echter verminderd of kan zelfs in zijn geheel komen te vervallen als de schade ‘mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend’.
Eigen schuld vereist dus een ‘toerekenbare omstandigheid’. Het moet gaan om een gedraging van de benadeelde, dat kan zijn een handelen of nalaten, die bijdraagt aan het ontstaan en/of vergroten van de schade. Daarnaast omvat eigen schuld ook omstandigheden die naar verkeersopvattingen tot de risicosfeer van de benadeelde behoren.2 De term ‘eigen schuld’ heeft een ruimere strekking dan de term doet vermoeden en is dan ook niet letterlijk te vinden in art. 6:101 lid 1 BW.3
De bewijslast voor eigen schuld rust op de partij die zich erop beroept.4 De rechter beoordeelt of er sprake is van een toerekenbare omstandigheid aan de hand van de concrete omstandigheden en feiten van het geval.5 Niet elke omstandigheid die bijdraagt aan het ontstaan van de schade of de schade vergroot, levert eigen schuld op.6 Dit is pas het geval als het gedrag van de benadeelde in de gegeven omstandigheden onzorgvuldig, normschendend of foutief was. Hiervan is sprake als de benadeelde anders kon en moest handelen met het oog op de bescherming van eigen persoon of goed.7 Eigen schuld vereist geen onrechtmatigheid of het schenden van een verplichting naar een ander, en is in die zin dus geen spiegelbeeld van aansprakelijkheid.8
Een vorm van eigen schuld is de schadebeperkingsplicht. De ‘gewone’ eigen schuld heeft invloed op het ontstaan van de schade, terwijl een schending van de schadebeperkingsplicht invloed heeft op de omvang van de schade. De toerekenbare omstandigheid die van invloed is op de omvang van de schade kan ook liggen vóór het moment van het ontstaan van de schadeveroorzakende gebeurtenis.9 Voor het bestaan en de inhoud van een schadebeperkingsplicht is beslissend of het beperken van de schade redelijkerwijs van de benadeelde kon worden verlangd.10 Kon de benadeelde redelijkerwijs de omvang van de schade beperken, maar heeft hij dit niet gedaan, dan is er sprake van een toerekenbare omstandigheid.
Een schending van de schadebeperkingsplicht leidt niet noodzakelijkerwijs tot een andere verdeling van de schade. De billijkheid in de verdelingsfase van art. 6:101 lid 1 BW kan namelijk vereisen dat de vergoedingsplicht van de aansprakelijke partij geheel in stand blijft.11 Dit speelt bijvoorbeeld indien zowel de aansprakelijke partij als de benadeelde de schade hadden kunnen beperken. In dit geval ‘hangt het van de omstandigheden van het geval af of en in hoeverre de vergoedingsplichtige aan de benadeelde kan tegenwerpen dat deze de schade niet heeft beperkt’. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat de benadeelde door een handelen of nalaten van de schadeveroorzaker in de situatie is beland die tot schadebeperking noodzaakt.12 Dit brengt met zich dat bij een dubbele mogelijkheid tot schadebeperking het in beginsel aan de schadeveroorzaker is om de schadebeperkende maatregel te initiëren.13 In dit geval is er dan mogelijk wel sprake van eigen schuld, maar leidt dit dus niet tot een andere verdeling van de schade.