Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/1.5.3:1.5.3 Persoonlijke grondslagen
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/1.5.3
1.5.3 Persoonlijke grondslagen
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS484598:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uitweg uit het trilemma
In de traditionele opvatting wordt de ontwikkeling van het nemo tenetur-beginsel binnen de Engelse ‘common law’-traditie ook gerelateerd aan de bescherming van de verdachte tegen het door de eedsaflegging opgelegde trilemma om te kiezen tussen bestraffing vanwege de weigering te verklaren, het naar waarheid verklaren (met (wellicht) kans op bestraffing) dan wel het plegen van meineed.1 Conceptueel lijkt dit trilemma, dat veronderstelt dat nemo tenetur alleen de schuldigen beschermt, nog steeds goed in te passen in de huidige rechtsorden van (westerse) staten, waarin de eedsaflegging en tortuur zijn vervangen door modernere vormen van dwang zoals (de dreiging van) geldboetes, gevangenisstraf en publiciteit als eigentijdse (mega-)schandpaal.
Bescherming individuele vrijheid en menselijke waardigheid; privacy
Met het trilemma is verwant de focus op de bescherming van de individuele vrijheid en menselijke waardigheid, en daarmee de onschendbaarheid of privacy van een individu. Het nemo tenetur-beginsel neemt dan de vorm aan van een fundamenteel recht voor verdachten, en niet (zozeer) een bewijsregel. Deze grondslag klinkt onder meer door in de rechtspraak van de Angelsaksische landen.2 Zij lijkt goed in de huidige, naoorlogse periode te passen, waarin fundamentele vrijheden tot wasdom zijn gekomen.
Hier kan tegenin worden gebracht dat het nemo tenetur-beginsel niet alleen weigeringsgrond voor medewerking is, maar ook – of misschien wel vooral – bewijs(uitsluitings)regel. Omdat privacy een fundamenteel recht is, zou het belang van het beginsel volgens deze grondslag echter vooral schuilgaan in de aard van de (verplichte) onthulling en niet zozeer de (bewijs)gevolgen daarvan.3 Bovendien is buiten twijfel dat verschillende moderne onderzoeksmethoden zoals urine-, bloed- en DNA-onderzoek, de onschendbaarheid of privacy van een individu aantasten, terwijl algemeen aanvaard is dat die methoden niet binnen de werkingssfeer van het nemo tenetur-beginsel vallen.
Aan de privacy van de verdachte als legitimatie voor nemo tenetur doet ook afbreuk dat het beginsel is beperkt tot onthullingen van de verdachte zelf. Het beginsel is beperkt tot informatie die de verdachte (mogelijk) kan belasten, terwijl ook andere informatie de privacy van het individu kan aantasten. Bovendien ziet nemo tenetur ook op niet-privacygevoelige informatie.
Wanneer het accent ligt op het respecteren van de morele autonomie van het individu – de verdachte zou dan zonder druk van buitenaf met zichzelf in het reine moeten komen –, dan kan daartegenin worden gebracht dat die opvatting haaks staat op een strafrechtelijk systeem waaraan de verdachte zich moet conformeren; zo nodig onder uitoefening van dwang. Ook deze autonomie vormt dus niet een afdoende verklaring voor het bestaansrecht van het nemo tenetur-beginsel, laat staan dat het inzicht geeft in de uiteindelijke omvang ervan.
Pressieverbod
Van de zo-even genoemde grondslagen kan waarschijnlijk nog worden onderscheiden het pressieverbod.4 Dit verbod behelst dat de overheid een verdachte niet onder zodanige druk mag zetten, dat niet langer kan worden gezegd dat zijn verklaring in vrijheid is afgelegd. Hierbij speelt de vraag waarom dat bij een verdachte niet mag en bij een getuige wel.