Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Rb. Den Haag, 25-03-2021, nr. AWB - 20 , 2933
ECLI:NL:RBDHA:2021:4960, Hoger beroep: (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Instantie
Rechtbank Den Haag
- Datum
25-03-2021
- Zaaknummer
AWB - 20 _ 2933
- Vakgebied(en)
Vreemdelingenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBDHA:2021:4960, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 25‑03‑2021; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
ECLI:NL:RBDHA:2021:2185, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 16‑03‑2021; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2022:73, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Vindplaatsen
Belastingblad 2021/301 met annotatie van Redactie
Viditax (FutD) 2021062214
FutD 2021-2026
Uitspraak 25‑03‑2021
Inhoudsindicatie
Aanvraag wijziging verblijfsdoel vv van studie naar verblijf bij partner. Enkel gronden gericht tegen tegengeworpen schijnrelatie. Aanvraag kon echter al worden afgewezen op middelenvereiste en niet gebleken duurzaamheid relatie. Beroep ongegrond.
Partij(en)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 20/2933
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] ,
geboren op [geboortedatum] , van Marokkaanse nationaliteit, eiser
(gemachtigde: [naam] ),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: [naam] ).
Procesverloop
Bij besluit van 31 mei 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot wijziging van het verblijfsdoel van de aan hem verleende verblijfsvergunning afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 12 maart 2020 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
Op 9 april 2020 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser tegen dit besluit ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2021. Eiser is verschenen (via een telefonische verbinding), bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Overwegingen
1. Eiser is met ingang van 2 juli 2018 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel “studie”, met een geldigheidsduur tot 2 juli 2023. Op 22 december 2018 heeft eiser een aanvraag ingediend ter wijziging van het verblijfsdoel van zijn verblijfsvergunning in verblijf bij [naam] (referente), van Spaanse nationaliteit.
2. Verweerder heeft de aanvraag in het primaire besluit afgewezen en deze afwijzing in het bestreden besluit gehandhaafd. Kort gezegd stelt verweerder zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiser niet voor het gevraagde verblijfsdoel in aanmerking komt, omdat niet is aangetoond dat referente nog altijd duurzaam over voldoende middelen van bestaan beschikt. Referente beschikte ten tijde van de aanvraag weliswaar over een arbeidsovereenkomst bij een [soort bedrijf] met een duur van 13 maanden en een einddatum van 31 december 2019, maar ten tijde van het bestreden besluit was deze overeenkomst beëindigd en is niet gebleken van andere duurzame inkomsten. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat niet is gebleken van het bestaan van een duurzame en exclusieve relatie tussen eiser en referente en bestaat het vermoeden dat sprake is van een schijnrelatie. Om die reden is de afwijzing niet in strijd met artikel 8 van het EVRM,1.aldus verweerder.
3. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte heeft aangenomen dat sprake is van een schijnrelatie tussen hem en referente. Verweerder heeft ten onrechte de wens van eiser om graag te werken en om die reden een sterker verblijfsrecht aan te vragen, aangemerkt als een motief voor een schijnrelatie. Met de constatering dat het bevreemdend wordt geacht dat eiser en referente in een jaar tijd op drie verschillende adressen hebben gewoond, miskent verweerder dat dit het gevolg van de Amsterdamse woningmarkt is. Dit is ook de reden dat meerdere mensen stonden ingeschreven op het woonadres aan de [adres] in [plaatsnaam] . Eiser of referente hebben daar geen invloed op. Bovendien zegt dit niets over de relatie tussen eiser en referente. Daarnaast heeft verweerder in dit kader ten onrechte de nadruk gelegd op het verblijf van referente in Spanje omdat zij daar een auto zou bezitten en een sleutel van een huis in Spanje aan haar sleutelbos heeft, aldus eiser.
4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de afwijzing van de aanvraag om wijziging van het verblijfsdoel in het bestreden besluit terecht heeft gehandhaafd.
Verweerder heeft aan eiser tegengeworpen dat niet wordt voldaan aan het middelenvereiste, dat de duurzaamheid van eisers relatie met referente niet is onderbouwd en dat het vermoeden bestaat dat sprake is van een schijnrelatie. Eiser heeft in de gronden van beroep enkel betoogt dat verweerder ten onrechte het vermoeden van een schijnrelatie heeft tegengeworpen, terwijl hij geen gronden heeft gericht tegen het tegengeworpen middelenvereiste en het gebrek aan onderbouwing van een duurzame relatie. Reeds vanwege de laatstgenoemde twee tegenwerpingen heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor wijziging van zijn verblijfsdoel. Het pas op de zitting door de gemachtigde van eiser ingenomen standpunt dat het middelenvereiste niet tegengeworpen had mogen worden en dat niet duidelijk is gemotiveerd dat daar niet aan is voldaan, is naar het oordeel van de rechtbank te laat. Nog daargelaten dat niet is toegelicht waarom het middelenvereiste niet kan worden tegengeworpen en wat er mis is met de motivering, is dit in strijd met de goede procesorde. Bovendien laat dit betoog onverlet dat de duurzaamheid van eisers relatie niet is betwist en verweerder reeds daarom de aanvraag terecht heeft afgewezen. Ook aan de inhoudelijke beoordeling van het tegengeworpen van een vermoeden van een schijnrelatie, komt de rechtbank om diezelfde reden niet toe.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank,
verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Moussaoui, rechter, in aanwezigheid van
mr. A. Elligens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Conc.:
D:
VK
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 25‑03‑2021
Uitspraak 16‑03‑2021
Inhoudsindicatie
De waarde van de woning is terecht vastgesteld door middel van de vergelijkingsmethode. Verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat de door hem bepleitte waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld.
Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 20/2933
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
16 maart 2021 in de zaak tussen
ir. [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser(gemachtigde: mr. Y.E.J. Geradts),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, verweerder.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van verweerder van 31 augustus 2018 op het bezwaar van eiser tegen na te noemen beschikking en aanslag.
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 maart 2021.
Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [A]
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- wijzigt de beschikking aldus dat de vastgestelde waarde wordt verminderd tot € 600.000;
- vermindert de aanslag onroerende-zaakbelastingen tot een berekend naar een waarde van € 600.000;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiser te vergoeden.
Overwegingen
1. Verweerder heeft bij beschikking van 13 februari 2018 (de beschikking) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [straat] [huisnummer] te [plaats] (de woning), op de voet van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (de Wet WOZ) op waardepeildatum 1 januari 2017 (de waardepeildatum) voor het kalenderjaar 2018 vastgesteld op € 665.000.
2. Eiser heeft tegen de beschikking bezwaar gemaakt.
3. Bij uitspraak op bezwaar van 31 augustus 2018 heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
4. Eiser is op 12 oktober 2018 in beroep gegaan tegen de beslissing van verweerder. Het beroep en de daaropvolgende verzetsprocedure zijn ongegrond verklaard. Vervolgens heeft eiser daartegen cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft op 20 maart 2020 uitspraak gedaan in deze procedure (ECLI:NL:HR:2020:467), en geconcludeerd dat verweerder het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, waarna de zaak is terugverwezen naar de rechtbank.
5. De besloten vennootschap [B.V.] is huurder van de woning. Eiser is houdt alle aandelen in deze besloten vennootschap, en de vennootschap stelt de woning ter beschikking aan eiser. Het betreft een tussenwoning met een woonoppervlakte van 196 m2 en een perceeloppervlakte van 155m2.
6. In geschil is de waarde van de woning op de waardepeildatum. Eiser bepleit een lagere waarde. De huidige methode van waarderen is volgens eiser onjuist; hij stelt dat door deze methode van waarderen de waarde van woningen kunstmatig hoog wordt gehouden. Woningen zijn volgens eiser in werkelijkheid slechts een fractie waard van de vastgestelde WOZ-waarde.
7. Verweerder stelt dat het beroep gegrond moet worden verklaard en de waarde van de woning moet worden verminderd tot € 600.000 zoals de taxateur in de bezwaarfase heeft geconcludeerd, wegens de algehele staat van onderhoud van de woning en dan in het bijzonder vanwege het schilderwerk aan de buitenkant en de staat van de keuken.
8. In deze procedure is eiser huurder van de woning. De uitkomst van deze procedure over de hoogte van de WOZ-waarde kan echter een direct gevolg hebben voor de eigenaren van de onroerende zaak, [B] en [C] . Zoals de meervoudige kamer van deze rechtbank op 27 mei 20191.heeft geoordeeld, ligt het dan op de weg van verweerder om, overeenkomstig het bepaalde in artikel 8:26 van de Awb, de eigenaren als derde-belanghebbende in de gelegenheid te stellen zich desgewenst over het geschil uit te laten. Dit is niet gebeurd. De rechtbank verbindt hieraan echter geen verdere gevolgen, aangezien de eigenaren in beroep bij brief van 18 februari 2021 de mogelijkheid is geboden als procespartij deel te nemen aan het geding.
9. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ moet de waarde van een onroerende zaak worden bepaald op de waarde die aan deze onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak, in de staat waarin deze zich bevindt onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding" (Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, blz. 44).
10. Ingevolge artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet WOZ, wordt de in artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ bedoelde waarde voor woningen bepaald door middel van een methode van vergelijking met woningen waarvan marktgegevens bekend zijn.
11. Doel en de strekking van de Wet WOZ brengen verder mee dat de waarde van een onroerende zaak voor elk tijdvak opnieuw wordt bepaald aan de hand van feiten en omstandigheden die zich op of rond de waardepeildatum voordoen, met voorbijgaan aan de waarde die per een vorige waardepeildatum aan de onroerende zaak is toegekend. De waarde van de onroerende zaak is dan ook vastgesteld op basis van rond de waardepeildatum behaalde verkoopcijfers van de met de onroerende zaak vergelijkbare objecten.
12. Verweerder dient aannemelijk te maken dat hij de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder, gelet op hetgeen hij heeft aangevoerd, hierin geslaagd. De door verweerder bepleitte waarde van € 600.000 is naar het oordeel van de rechtbank niet te hoog vastgesteld. De waarde van de woning is, zoals voorgeschreven, bepaald met behulp van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn. Met het taxatieverslag maakt verweerder aannemelijk dat bij de herleiding van de aan de woning toegekende waarde uit de bij de verkoop van de in het taxatieverslag genoemde vergelijkingsobjecten behaalde verkoopprijzen, in voldoende mate rekening is gehouden met de verschillen tussen de vergelijkingsobjecten en de woning wat betreft onder meer kaveloppervlakte, kwaliteit van de opstallen en de staat van het onderhoud.
13.Hetgeen eiser heeft aangevoerd, doet aan het hier boven gegeven oordeel niet af. Eiser heeft voor de door hem bepleite waarde geen objectieve verifieerbare gegevens aangedragen. Verder geldt dat de wijze waarop verweerder heeft gewaardeerd, in overeenstemming is met de wettelijke voorschriften. Voor zover eisers betoog erop neer komt dat de waarderingssystematiek tot zijns inziens (maatschappelijk) ongewenste uitkomsten leidt en/of een ander waardebegrip aan dat systeem ten grondslag zou moeten liggen, verwerpt de rechtbank dat wegens strijd met de wet. De rechter moet volgens de wet rechtspreken en mag in geen geval de innerlijke waarde of de billijkheid van de wet beoordelen.
14.Eiser heeft verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding voor de schade die hij heeft geleden en lijdt in de vorm van de spanning en frustratie als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn van twee jaar.
15. Het bezwaarschrift is ingediend op 25 maart 2018, uitspraak op bezwaar is gedaan op 31 augustus 2018 en de rechtbank doet uitspraak op 16 maart 2021, zodat in deze zaak uitspraak wordt gedaan na de redelijke termijn van twee jaar. Conform de door de Hoge Raad gegeven uitgangspunten2.wordt de cassatiefase hierbij evenwel niet in aanmerking genomen. Daarnaast geldt dat wanneer de Hoge Raad, zoals in dit geval, de bestreden uitspraak vernietigt en het geding verwijst naar de rechtbank, als uitgangspunt heeft te gelden dat de verwijzingsrechter uitspraak doet binnen een jaar na het arrest van de Hoge Raad3.. De Hoge Raad heeft uitspraak gedaan op 20 maart 2020 en de rechtbank zal uitspraak doen op 16 maart 2021. Dit betekent dat de redelijke termijn niet is overschreden zodat eiser geen recht heeft op een immateriële schadevergoeding.
16. Gelet op wat hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de waarde van de woning alsmede de daarop gebaseerde aanslag te hoog zijn vastgesteld en is het beroep gegrond verklaard.
17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Daarvoor komen alleen in aanmerking de in het Besluit proceskosten bestuursrecht genoemde kosten en proceshandelingen en niet is gebleken dat daarvan in dit geval sprake is.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. van Riel, rechter, in aanwezigheid van
mr. P. Jasperse, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2021.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,
2500 EH Den Haag.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 16‑03‑2021
Rechtbank Den Haag, ECLI:NL:RBDHA:2019:6263
Hoge Raad, 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252
Hoge Raad, 7 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2262