Artikel 12 Wgbz.
Rb. Overijssel, 09-01-2024, nr. 10426536 \ CV EXPL 23-1278
ECLI:NL:RBOVE:2024:209
- Instantie
Rechtbank Overijssel
- Datum
09-01-2024
- Zaaknummer
10426536 \ CV EXPL 23-1278
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBOVE:2024:209, Uitspraak, Rechtbank Overijssel, 09‑01‑2024; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Uitspraak 09‑01‑2024
Inhoudsindicatie
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond. Partij A had een zorgverzekering waarvan meerdere maanden onbetaald waren gebleven. Partij A wordt veroordeelt om de openstaande premies te betalen.
Partij(en)
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer : 10426536 \ CV EXPL 23-1278
Vonnis van 9 januari 2024
in de zaak van
de naamloze vennootschap
N.V. UNIVÉ ZORG,
gevestigd te Arnhem,
gedaagde in het verzet, (oorspronkelijk eiseres), hierna te noemen Univé,gemachtigde: Inkassier Gerechtsdeurwaarders & Incasso,
tegen
[partij A] ,
wonende te [woonplaats],
eiseres in het verzet, (oorspronkelijk gedaagde), hierna te noemen [partij A],gemachtigde voorheen mr. J. Engels die zich heeft onttrokken, thans procederend in persoon.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 3 oktober 2023
- de mondelinge behandeling van 19 december 2023, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De beoordeling in conventie en reconventie
2.1.
Na uitroeping van de zaak verschijnt namens [partij A] de autonoom [naam], volgens haar eigen verklaring in haar hoedanigheid van executeur van de niet langer de dode fictieve persoon [partij A], eiseres in verzet.
De vordering in conventie.
2.2.
Univé vordert betaling van de openstaande premies op grond van de zorgverzekering die [partij A] met haar heeft gesloten. Het betreft premie voor de maanden april, juni, juli, augustus, september en oktober 2022, te vermeerderen met rente en kosten.
2.3.
Die vordering zal worden toegewezen. Want [naam] heeft op de mondelinge behandeling erkend dat eiseres in verzet in 2009 een zorgverzekeringsovereenkomst met Univé heeft gesloten en dat die overeenkomst niet is beëindigd. Dat betekent dat de verplichtingen voor eiseres in verzet uit die overeenkomst moeten worden nagekomen en dus ook de openstaande premie moet worden betaald. [naam] heeft weliswaar aangevoerd dat zij een wilsverklaring heeft toegestuurd aan Univé waarin zij heeft kenbaar gemaakt dat zij zich autonoom verklaarde en dat zij niet langer prijs stelt op het hebben van een zorgverzekering. Maar Univé heeft onweersproken gesteld dat zij deze wilsverklaring, als deze al als een opzegging van de overeenkomst zou moeten worden aangemerkt, niet kan accepteren. Want in Nederland geldt een wettelijke verplichting om dergelijke verzekering te hebben en [naam] heeft verklaard dat gedaagde in verzet niet bij een andere verzekeraar een zorgverzekeraar heeft afgesloten. Ook heeft zij geen verklaring van de Sociale Verzekeringsbank gevraagd op grond waarvan zij als gemoedsbezwaarde kan worden aangemerkt. Univé kan daarom de zorgverzekeringsovereenkomst ook niet tegen 1 januari 2023 als beëindigd beschouwen.
2.4.
Omdat de hoofdsom moet worden toegewezen, zullen ook de gevorderde rente en kosten als na te melden worden toegewezen. Want die zijn op de wet gegrond en er is overigens ook geen verweer tegen gevoerd.
De vordering in reconventie.
2.5.
In de verzetdagvaarding is gevorderd betaling van € 456,00. Dat bedrag ziet op door het CAK geïncasseerde bedragen. Op de mondelinge behandeling heeft [naam] de tegenvordering gewijzigd en daarbij verwezen naar haar brief van 21 november 2023 waaraan zij een factuur heeft toegevoegd. In totaal vordert zij een bedrag € 1.861,00.
2.6.
Die vordering zal volledig worden afgewezen. De vordering bestaat uit immateriële schadevergoeding, proceskosten, reis- en verletkosten en een - volgens [naam] - door CAK gestolen premie. Dat laatste onderdeel van de vordering strandt reeds omdat Univé een andere rechtspersoon is dan het CAK. Univé is niet gehouden om een mogelijke schuld van het CAK te voldoen. De gevorderde proces-, reis- en verletkosten worden afgewezen omdat die te maken hebben met de vordering in conventie. Daarvoor geldt dat gedaagde in verzet ongelijk krijgt, en er daarom geen recht op vergoeding van die kosten bestaat. Wat de gevorderde immateriële schadevergoeding betreft, geldt dat daarvoor op grond van artikel 6:106 BW bijzondere eisen gelden. Daaraan is niet voldaan.
2.7.
Want volgens dit artikel heeft de benadeelde namelijk recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien Univé het oogmerk had zulk nadeel toe te brengen, indien gedaagde in verzet lichamelijk letsel heeft opgelopen, in haar eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast of indien het nadeel gelegen is in aantasting van de nagedachtenis van een overledene. De door [naam] ontvangen brieven en haar slapeloze nachten vallen niet onder één van de situaties zoals deze in de wet staan beschreven. [naam] heeft de vordering verder ook niet toegelicht. [naam] heeft daarmee onvoldoende gesteld om immateriële schadevergoeding toe te kennen. Ook dit onderdeel van de vordering is daarmee ongegrond en zal daarom worden afgewezen.
Conclusie.
2.8.
De slotsom is dat de vordering van Univé volledig zal worden toegewezen. De tegenvordering zal volledig worden afgewezen.
Het verzet is ongegrond.
2.9.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, verklaart de kantonrechter het verzet ongegrond. Dit betekent dat het verstekvonnis niet zal worden vernietigd. Gezien de vermeerdering van eis, zal de kantonrechter het verstekvonnis bekrachtigen, met dien verstande dat de eisvermeerdering zal worden meegenomen zoals hierna vermeld. De vermeerdering van eis heeft ook tot gevolg dat het proceskosten van het verstekvonnis zullen worden gewijzigd1..
2.10.
[partij A] zal als de in het ongelijk gestelde partij met de proceskosten van dit geding worden veroordeeld.
3. De beslissing
De kantonrechter
3.1.
verklaart het verzet ongegrond;
3.2.
bekrachtigt het verstekvonnis van 7 februari 2023 (10267680 \ CV EXPL 23-68), met dien verstande dat in plaats van de beperkte vordering van € 500,00, nu de volledige vordering zal worden toegewezen, te weten: € 923,35 aan hoofdsom, € 9,32 aan wettelijke rente en € 167,59 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 923,35 vanaf 29 december 2022 tot de dag van betaling en met dien verstande dat in plaats van de in het verstekvonnis genoemde proceskosten, aan proceskosten zullen worden toegewezen: € 127,43 aan explootkosten,
€ 322,00 aan griffierecht, € 132,00 aan salaris gemachtigde en € 66,00 aan nakosten;
en, onverminderd de veroordeling in het verstekvonnis,
3.3.
veroordeelt [partij A] in de kosten van de verzetprocedure aan de kant van Univé, tot heden begroot op € 264,00 (2 punten x € 132,00) aan salaris gemachtigde;
3.4.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2024. SK)
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 09‑01‑2024