Einde inhoudsopgave
Artikel 6 EVRM en de civiele procedure (BPP nr. 10) 2008/2.5.2
2.5.2 Toegang tot de hogere rechter
Mr. P. Smits, datum 06-03-2008
- Datum
06-03-2008
- Auteur
Mr. P. Smits
- JCDI
JCDI:ADS297650:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor rechtsvergelijkende opmerkingen met betrekking tot België, Frankrijk, Duitsland en Engeland, Snijders e.a. (1995), nr. 2.2 en 2.3.2.
Van Boneval Faure (1893), p. 107.
Star Busmann/Rutten (1972), nr. 70 en 75.
Stein/Rueb (2005), p. 15 e.v.
Hugenholtz/Heemskerk (2006), nr. 5.
Snijders, Ynzonides en Meijer (2007), nr. 52.
Snijders/Wendels (2003), p. 61 e.v. respectievelijk p. 293 e.v.
Zie o.a. EHRM 17 januari 1970, Delcourt, serie A, vol 11, § 25, alsmede ECRM 6 oktober 1981, 9177/80, DR 26, p. 255; ECRM 9 mei 1989, 11826185, DR 61, p. 138 en ECRM 29 juni 1994, 20664/92, DR 78-B, p. 97.
Zie de uitspraken in de noot hiervoor, alsmede EHRM 26 oktober 1984, De Cubber, serie A, vol 86, 32 en ECRM 6 oktober 1976, 7211/75, DR 7, 107. Zie tevens ECRM 9 mei 1994,1538489, DR 77- B, P 5.
Zie de laatste uitspraak in de noot hiervoor. Vergelijk tevens ECRM 16 december 1990,16598/90, DR 66, p. 260 en ECRM 29 juni 1994, 23256/94, DR 78-B, p. 139 (met betrekking tot de plicht om in appel vertegenwoordigd te zijn door een raadsman) respectievelijk ECRM 1 oktober 1990, 17070/90, DR 66, p. 268 en EHRM 13 juli 1995, Tolstoy Miloslavsky, serie A, vol 323 (met betrekking tot de plicht om zekerheid te stellen voor de proceskosten van de wederpartij alvorens in beroep te kunnen gaan). Men vergelijke tevens art. 4 onder b van de vlak hierna te bespreken aanbeveling R(95)5.
Vgl. EHRM 23 oktober 1996, Levages Prestations Services, 21920/93, Reports 1996-V, NJ 1998, 343, waarin verzuimd werd - in strijd met de Franse wettelijke regeling - om bij het instellen van cassatieberoep een afschrift van de te bestrijden tussenvonnissen over te leggen; niet-ontvankelijkverklaring door de cassatierechter leverde volgens het EHRM geen schending op van art. 6 EVRM.
Vgl. EHRM 28 oktober 1998, Perez de Rada Cavanilles, 28090/95, Reports 1998-V111; een rechts-middeltermijn mag evenwel niet zo kort zijn en zo stringent worden toegepast dat daardoor de feitelijke toegang tot de appelrechter in het gedrang komt.
Zie HR 17 november 1989, NJ 1990, 496 UBMV) en HR 24 april 1992, NJ 1992, 672 (PAS). Vergelijk tevens HR 19 januari 2001, NJ 2001, 232; HR 1 februari 2002, NJ 2003, 655 (DA) en HR 10 oktober 2003, NJ 2005, 104 (DA).
In HR 23 december 2005, NJ 2007, 162 (HJS) is overigens - voor de volledigheid - overwogen dat art. 6 EVRM en art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM evenmin aan uitsluiting van een buitengewoon rechtsmiddel als herroeping in de weg staan, 'nu die verdragsbepalingen niet een onbeperkte mogelijkheid tot het aanwenden van rechtsmiddelen tegen een rechterlijke uitspraak waarborgen'.
Zie onder meer HR 16 april 1993, NJ 1993, 654.
Vgl. A-G Vranken in zijn conclusie voor HR 16 april 1993, NJ 1993, 654, onder nr. 19. Zie omtrent doorbreking van wettelijke appel- en cassatieverboden Dam (1994), p. 25-29. Schrijfster constateert echter dat de cassatiegrond 'verzuim van essentiële vormen' door de Hoge Raad restrictief wordt uitgelegd en dat daaronder in dit kader niet vallen motiveringsklachten De cassatiedeur zou anders te wijd open komen te staan voor gevallen waarvoor dit instituut naar haar ratio niet bedoeld is.
Zie HR 28 november 2003, JBPr 2004,17 (E. Gras). De deur werd daartoe al op een kier gezet in HR 13 juli 2001, NJ 2001, 513.
Zie onder meer HR 25 januari 2002, NJ 2002, 119 en HR 31 mei 2002, NJ 2003, 357.
Symposium van 27 mei 1994 onder de titel 'Rechtsmiddelen van de toekomst'. Aan dit symposium is een Trema-special (1994, nr. 5) voorafgegaan. De op het symposium gehouden voordrachten en inleidingen (en de daarop gevolgde discussies) zijn gebundeld in een gelijknamig boekwerk (red. H.E. de Boer c.s., Zwolle 1994).
Tilburgse congresbundel Hoger beroep in de steigers (Boom Juridische uitgevers Den Haag 2003).
F.J.H. Hovens, Het civiele hoger beroep, Deventer 2005.
Asser/Groen/Vranken (2003) en (2006), hoofdstukken 10 respectievelijk 9.
Rapport van 22 juli 2004 van de Commissie verbetervoorstellen civiel, te vinden op:
Asser/Groen/Vranken (2006), nr. 9.1.43 en 9.1.5.2 onder d.
Commissie verbetervoorstellen civiel, nr. 8.2. Thans is terugverwijzing naar de rechter in eerste aanleg volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad niet mogelijk, behoudens wanneer de eerste rechter zich ten onrechte onbevoegd heeft verklaard.
Meijers (1994), p. 109, stelling 4.
Wesseling-van Gent (1994), p. 103, stelling 3.
Ras (1992), p. 63.
In die zin ook Boeles (1991), p. 193-201.
De interne toegankelijkheid ziet op de - idealiter op eenvoud gerichte - inrichting van de civiele procedure. In hoeverre behoort binnen de civiele procedure het recht te bestaan op hogere voorzieningen?
In de meeste West-Europese rechtsstelsels zijn het recht op rechtspraak in meer dan één feitelijke instantie en het toezicht op de rechtspraak door middel van cassatie, indien niet met zoveel woorden als beginselen van civiel procesrecht aangemerkt, dan toch op zijn minst in de wettelijke regelingen op enigerlei wijze vastgelegd.1
In Nederland is dat niet anders. In de literatuur wordt de rechtspraak in meerdere (feitelijke) instanties in het algemeen als essentieel beschouwd. Van Boneval Faure nam 'het onderzoek in twee instantiën' en het 'toezicht op de rechtspraak door het rechtsmiddel van cassatie' reeds in zijn lijstje van hoofdbeginselen der rechtspraak op.2 Rutten was echter minder stellig en merkte op dat over de wenselijkheid van de berechting in twee instanties steeds verschil van mening heeft bestaan, respectievelijk dat over het instituut der cassatie in burgerlijke zaken vaak een ongunstig oordeel werd geveld.3 Stein vermeldt beide uitgangspunten wel maar niet als hoofdbeginselen van burgerlijk procesrecht,4 terwijl Heemskerk ze (slechts) aanmerkt als 'hoofdkenmerken van ons burgerlijk procesrecht, die niet volstrekt onmisbaar zijn, maar wel van invloed zijn op de aard en de kwaliteit van de burgerlijke rechtspleging'.5 Snijders, Ynzonides en Meijer scharen beide beginselen weer onder het hoofdbeginsel van controle, eenheid en ontwikkeling.6
In ieder geval hebben de instituten appel en cassatie wettelijke erkenning gevonden in art. 332 e.v. en 358 e.v. Rv, respectievelijk art. 118 lid 2 Gw, 78-80 Wet RO, art. 398 e.v. Rv en art. 426-429 Rv.
Er bestaan echter ook tal van wettelijke uitzonderingen op het recht op een hogere voorziening. Voor wat het hoger beroep betreft, zij verwezen naar de opsomming van Snijders en Wendels, waarbij opmerking verdient dat de verzoekschrift-procedure nog veel meer uitzonderingen kent op de appellabiliteit dan de dagvaardingsprocedure.7 Wat de cassatie aangaat volgen beperkingen reeds uit de in art. 79 en art. 80 Wet RO aangegeven cassatiegronden.
Hoe nu deze uitsluitingen c.q. beperkingen van het recht op een hogere voorziening in het licht van art. 6 EVRM te beoordelen? Houdt het impliciet uit art. 6 EVRM afgeleide recht op toegang tot de rechter niet tevens een recht op toegang tot een hogere rechter in?
De Europese rechtspraak is hier stellig in; het antwoord luidt ontkennend. Volgens het Europees Hof en de Europese Commissie zijn lidstaten niet verplicht om appel- of cassatie-instanties in te stellen.8 Doch gaan de lidstaten over tot de instelling van hogere gerechtelijke voorzieningen, dan dienen die waarborgen van art. 6 EVRM in die hogere instantie(s) in beginsel in acht genomen te worden.9 Appelbeperkingen, althans regulering van appel, worden evenmin in strijd met art. 6 EVRM geacht. Zo acht de Europese Commissie een systeem, waarin een geldelijke sanctie opgelegd kan worden voor het evident onterecht instellen van beroep, als zodanig niet strijdig met het 'right of access to a court'.10 Uit de rechtspraak van het Europees Hof blijkt bovendien dat vormvoorschriften11 en rechtsmiddeltermijnen12 in beginsel geoorloofd zijn. Ook hier kan men constateren dat het in beginsel aan de lidstaten is overgelaten om naar eigen inzicht invulling te geven aan de toegang tot de hogere rechter. Ook volgens de Hoge Raad kent art. 6 EVRM niet een recht op hoger beroep toe;13 men mag aannemen dat zulks in gelijke mate door dit rechtscollege voor het rechtsmiddel van cassatie aangenomen wordt.14
Het is niet onbelangrijk erop te wijzen dat het Comité van Ministers van de Raad van Europa het accent met betrekking tot beroepsmogelijkheden in vergelijking tot Hof en Commissie anders legt. In aanbeveling R(95)5, achter in dit boek opgenomen, wordt tot uitgangspunt genomen dat toezicht door een tweede rechtsprekende instantie dient te bestaan (Article 1 onder a: 'In principle, it should be possible for any decision of a lower court ("first court") to be subject to the control of a higher court ("second court")', zij het dat vervolgens mogelijke beroepsuitsluitingen en -barrières in de aanbeveling worden opgesomd (art. 3-5). Toezicht door een derde instantie lijkt volgens de aanbeveling minder imperatief (zie art. 7). Per saldo wijkt het resultaat van de aanbeveling mijns inziens niet zo ver af van het standpunt van Hof en Commissie.
Voor het Nederlandse recht kan geconstateerd worden dat, nu volledige uitsluiting van hoger beroep en cassatie niet in strijd met art. 6 EVRM is te achten, zulks a fortiori geldt voor appel- en cassatiebeperkingen. Men denke dan niet slechts aan de belangrijke appelbeperking die het grievenstelsel (en de daaraan gekoppelde devolutieve werking) met zich brengt15 en beperkingen vanwege de aard of de hoogte van de vordering, maar ook aan beperkingen in die zin dat appel en cassatie slechts toegelaten zijn op grond van nauwkeurig omschreven wettelijke gronden. Zo noemde ik reeds art. 79 Wet RO, op grond waarvan cassatie slechts mogelijk is in geval van (de toch nog ruim geformuleerde gronden) verzuim van (essentiële) vormen en schending van het recht (met uitzondering van het recht van vreemde staten).
Overigens is de jurisprudentie van de Hoge Raad erop gericht om aan het toepassingsbereik van de instituten appel en cassatie zo weinig mogelijk af te doen en waar mogelijk wettelijke appel- en cassatieverboden c.q. beperkingen te doorbreken.16 Termijnoverschrijdingen worden inmiddels ook zoveel mogelijk gesauveerd. Zo is de Hoge Raad ten aanzien van verschoonbare overschrijdingen van de beroepstermijn (i.e. overschrijdingen ten gevolge van een door de rechter of griffie begane fout) omgegaan en zijn de scherpe kantjes van het 'ijzeren termijn'-beleid van onze hoogste rechter er afgegaan.17 En ten aanzien van vormvoorschriften is evenzeer een deformaliseringstendens te bespeuren).18
Met enige regelmaat wordt het Nederlandse stelsel van rechtsmiddelen aan een kritische blik onderworpen. Medio 1994 stond op een Tilburgs symposium de toekomst van de (niet slechts civiele) rechtsmiddelen centraal.19 Een kleine tien jaar later verscheen een (alweer) Tilburgse congresbundel over het hoger beroep,20 en in 2005 zag het proefschrift van Hovens omtrent het civiele hoger beroep het licht.21 Ook door het driemanschap Asser, Groen en Vranken zijn substantiële overwegingen gewijd aan het drietrapssysteem van eerste aanleg, hoger beroep en cassatie22 en zijn door de Commissie verbetervoorstellen civiel eveneens enkele suggesties op dit terrein gedaan.23 Dit allemaal op deze plaats in extenso te bespreken is ondoenlijk, maar ik wil er wel enkele saillante voorstellen uitlichten:
Hovens bepleit afschaffing van de (specifieke dan wel generieke) appelverboden en invoering van een verlofstelsel. Dat gaat het driemanschap - terecht - wel wat ver; een verlofstelsel zou mijns inziens ook wel een nogal rigoureuze inperking van de toegang tot de hogere rechter betekenen. Ten aanzien van de generieke appelverboden pleiten zij er daarentegen voor om appel open te stellen indien de eerste rechter een zó fundamenteel rechtsbeginsel heeft geschonden dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet meer kan worden gesproken, een van de gronden waarop naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad een bijzonder appelverbod kan worden doorbroken:24
De Commissie verbetervoorstellen civiel stelt voor om de wettelijke terugverwijzingsmogelijkheden van de appelrechter te verruimen en een regeling te geven die voldoende armslag biedt om ieders zaak op zijn eigen merites te beoordelen en ook de wens van partijen daarbij te betrekken,25 welk idee ook door Hovens en genoemd driemanschap gedragen wordt. Aan het beginsel van twee instanties wordt dan inderdaad meer recht gedaan maar, het zij herhaald, de Europese rechtspraak dwingt daar niet toe.
Ik sluit dit onderdeel af met twee (deel- )stellingen van enkele inleiders op genoemd symposium in Tilburg van 1994 over de toegang tot de hogere rechter in het algemeen welke mijns inziens nog steeds opgeld doen. Meijers stelde toen onder andere:
'De toegang tot de rechter moet een schaars goed blijven; door een onbelemmerd gebruik van een rechtsmiddel raakt de toegang tot de hogere rechter verstopt en wordt de kwaliteit van de rechtspraak aangetast ...'26
En één van de stellingen van Wesseling-van Gent luidde:
'Indien de wet de mogelijkheid van beroep op de rechter in tweede instantie biedt, dient de wetgever de toegang tot de hogere rechter ook te waarborgen. Die toegang mag niet gefrustreerd worden door het opwerpen van belemmeringen voor de procedure die volgt op het instellen van het rechtsmiddel, zoals het voorschrijven van korte termijnen, het heffen van hoge griffierechten en beperking van de mogelijkheden van rechtsbijstand:27
Beide stellingen kan ik in het licht van de hierboven weergegeven Straatsburgse rechtspraak onderschrijven. Rechtspraak in meerdere instanties is geen dogma, kan men Ras nazeggen.28 Er spelen ook andere overwegingen mee: een minder grote bereikbaarheid van de hogere rechter kan ook heilzaam zijn in die zin dat zeefmechanismen de kwaliteit van de rechtspraak kunnen verhogen.29 Maar worden anderzijds hogere voorzieningen in het leven geroepen, dan dienen daarvoor ook de condities aanwezig te zijn die een daadwerkelijk gebruik daarvan garanderen. Dat geldt met name voor de kostenaspecten van de procedure. Die aspecten, onderdeel van de externe toegankelijkheid, worden hieronder nader belicht.