Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming tegen bestraffing strafrecht en bestuursrecht 2011/3.12
3.12 Europees mededingingsrecht IV: boeteoplegging, afstand van rechten en hoger beroep
mr. drs. R. Stijnen, datum 03-10-2011
- Datum
03-10-2011
- Auteur
mr. drs. R. Stijnen
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
In een geval waarin de onderneming in dat jaar geen omzet had gemaakt mocht niettegenstaande de tekst van de verordening een ander boekjaar in aanmerking worden genomen, aldus HvJ EG 7 juni 2007, C-76/06 P (Britannia Alloys).
GvEA 8 oktober 2008, T-69/04 (Schunk). De volledige rechtsmacht van de Unierechter laat onverlet dat het de Commissie vrijstaat een nieuw boetebesluit te nemen nadat het Hof het boetebesluit nietig heeft verklaard wegens een vormverzuim zonder inhoudelijk op de boeteoplegging te zijn ingegaan, aldus HvJ EG 15 oktober 2002, NJ 2004/146.
HvJ EG 21 september 2006, C-167/04 P (JCB Service).
Onder meer HvJ EG 17 juli 1997, C-219/95 P (Ferriere Nord) en 29 juni 2006, C-289/04 P (Showa Denko).
Zo dient de Commissie in haar beschikking de factoren aan te geven op basis waarvan zij de zwaarte en de duur van de inbreuk heeft beoordeeld. Zie HvJ EG 16 november 2000, C-298/98 (Finnband), par. 41-43.
Onder meer HvJ EG 18 mei 2006, C-397/03 P (Archer Daniels Midland), par. 21-22.
HvJ EG 29 juni 2006, C-289/04 P (Showa Denko), par. 16.
HvJ EG 8 februari 2007, C-3/06 P (Groupe Danone).
GvEA 15 maart 2006, T-15/02 (BASF).
GvEA 5 april 2006, T-279/02 (Degussa).
HvJ EG 18 mei 2006, C-397/03 P (Archer Daniels Midland), par. 93.
Onder meer HvJ EG 10 mei 2007, C-328/05 P (SGL Carbon AG), par. 100.
GvEA 29 april 2004, gevoegde zaken T-236/01, T-239/01, T-244/01 tot T-246/01, T-251/01 en T-252/01 (rokai Carbon), par. 475.
Zie Ottow, 'Boeteberichten', M&M 2010/4, p. 125. Ook eerder toonde de Commissie zich niet blind voor de economische omstandigheden. Zie daarover Hobbelen en Mussche, `Kartelhandhaving door de Europese Commissie in crisistijd: business as usual?', M&M 2009/6, p. 185-191. Zie ook Wesseling en Mulder, 'Kroniek van het mededingingsrecht', NJB 2011/789, p. 988-996. Zij signaleren op. p. 990 dat de Commissie in 2010 onverminderd zware boetes op heeft gelegd, maar dat er dat jaar voor het eerst wel veel kortingen door de Commissie zijn gegeven op grond van het verweer van ondernemingen dat zij de boete niet kunnen betalen.
GvE 30 januari 2007, T-340/03 (France Télécom), par. 280.
HvJ EG 16 november 2000, C-297/98 P (SCA Holding), par. 36-37.
HvJ EG 16 november 2000, C-298/98 (Finnband), par. 58. Zie in gelijk zin HvJ EG 14 juli 2005, C-65/02 P (Thyssenkrup), par. 50-53.
GvEA 9 juli 2003, T-224/00 (Archer Daniels Midland), par. 227.
GvEA 29 april 2004, gevoegde zaken T-236/01, T-239/01, T-244/O1 tot T-246/01, T-251/01 en T252/01 (Tokai Carbon), par. 112.
GvEA 8 oktober 2008, T-69/04 (Schunk), par. 262.
GvEA 8 oktober 2008, T-69/04 (Schunk), par. 258.
HvJ EG 29 juni 2006, C-289/04 P (Showa Denko). Zie voorts HvJ EG 13 februari 1969, 14-68 (Walt Wilhelm); GvEA 9 juli 2003, T-224/00 (Archer) en 27 september 2006, T-322/01 (Roquette).
Zie voor dit laatste ook HvJ EG 18 mei 2006, C-397/03 P (Archer Daniels Midland), par. 101.
HvJ EG 21 september 2006, C-113/04 (Technische Unie).
HvJ EG 25 januari 2007, gevoegde zaken C-403/04 Pen C-405/04 P (Sumitomo en Nippon Steel), par. 121.
Zie in vergelijkbare zin HvJ EG 3 september 2009, gevoegde zaken C-322/07 P, C-327/07 P en C-338/07 P (Papierfabrik August Koehler e.a.), par. 147. Hier had de procedure in eerste aanleg bij het Gerecht vijf jaar geduurd. Deze duur kon worden gerechtvaardigd door de complexiteit van de zaak en met name doordat nagenoeg alle aan de litigieuze beschikking ten grondslag liggende feiten in eerste aanleg zijn betwist en moesten worden geverifieerd. Bovendien hebben negen ondernemingen in vier verschillende procestalen beroep ingesteld tegen de litigieuze beschikking en heeft één lidstaat, het Koninkrijk België, verzocht om toelating tot interventie. Na voeging van die beroepen is het bestreden arrest in de negen zaken gewezen.
HvJ EG 17 december 1998, C-185/95 P (Baustahlgewebe).
HvJ EG 10 mei 2007, C-328/05 P (SGL Carbon AG), par. 41. Zie in vergelijkbare zin HvJ EG 25 januari 2007, gevoegde zaken C-403/04 Pen C-405/04 P (Sumitomo en Nippon Steel), par. 39 en HvJ EG 3 september 2009, gevoegde zaken C-322/07 P, C-327/07 Pen C-338/07 P (Papierfabrik August Koehler e.a.), par. 52.
De boete bedraagt ingevolge art. 23 verordening 1/2003 van elke onderneming maximaal 10% van totale omzet in het vorige boekjaar.1 Hoe ziet de Unierechter zijn taak waar het gaat om de beoordeling van de hoogte van boetes in mededingingszaken? Vooraf moet worden opgemerkt dat het verbod van refomatio in peius niet geldt ten aanzien van opgelegde geldboetes en dwangsommen. Art. 31 verordening 1/2003 luidt:
`Het Hof van Justitie heeft volledige rechtsmacht terzake van beroep tegen beschikkingen van de commissie waarin een geldboete of een dwangsom wordt vastgesteld. Het kan de opgelegde geldboete of dwangsom intrekken, verlagen of verhogen.'
Deze bepaling en diens voorganger — het op dit punt overigens minder expliciete art. 17 verordening 17 — brengt met zich dat de Commissie het Gerecht in reconventie ook kan verzoeken de boete te verhogen.2 Die mogelijkheid tot verhoging kan zich ook doen voelen in het hoger beroep dat is ingesteld door de betrokken onderneming. Zo leidde de incidentele vordering van de Commissie in het hoger beroep van JCB Service ertoe dat het Hof de boete vaststelde op het oorspronkelijke boetebedrag dat door het Gerecht eerst was gematigd.3
De Europese Commissie beschikt overeenkomstig vaste rechtspraak over een ruime `beoordelingsvrijheid' met betrekking tot de keuze van de bij de vaststelling van de hoogte van boeten in aanmerking te nemen factoren, zoals onder meer de bijzondere omstandigheden van de zaak, de context daarvan en de preventieve werking van geldboeten.4 Wel dient de Commissie de vaststelling van de boetehoogte toereikend te motiveren.5 De Commissie hanteert richtsnoeren bij de vaststelling van de boete. Bij wijziging van die richtsnoeren heeft volgens het Hof te gelden dat nieuwe zwaardere richtsnoeren ook mogen worden toegepast voor gedragingen voor de beleidswijziging, omdat de Commissie voor een doeltreffende toepassing van de communautaire mededingingsregels het niveau van de geldboeten op elk moment aan de eisen van dit beleid moet kunnen aanpassen, waaruit tevens zou volgen dat ondernemingen die betrokken zijn bij een administratieve procedure waarin geldboeten kunnen worden opgelegd, niet het gewettigd vertrouwen kunnen koesteren dat de Commissie het vroeger gehanteerde niveau van de geldboeten niet zal overschrijden noch dat zij een methode van berekening van de geldboeten zal hanteren.6 Het verbod van terugwerkende kracht gaat hier dus uit een oogpunt van doeltreffendheid niet op. Bij de vaststelling van de boete wegens overtreding van art. 101 VWEU wordt door de Europese Commissie een basisbedrag vastgesteld aan de hand van de wereldomzet voor de producten waarop het kartel betrekking had. Op dit bedrag wordt een afschrikkingsfactor' losgelaten, waarbij de totale wereldomzet van het kartel in ogenschouw wordt genomen. In Showa Denko overwoog het Hof als volgt ten aanzien van die `afschrildángsfactor' :
‘Wat het begrip "afschrikking" betreft, moet erop worden gewezen dat dit een van de factoren is waarmee bij de berekening van de hoogte van de boete rekening moet worden gehouden. Volgens vaste rechtspraak (...) hebben boeten die worden opgelegd wegens schending van artikel 81 EG, en die zijn geregeld in artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, tot doel onwettige handelingen van de betrokken ondernemingen te bestraffen en zowel die ondernemingen als andere deelnemers aan het economisch verkeer ervan te weerhouden om in de toekomst de communautaire mededingingsregels te schenden. Derhalve kan de Commissie wanneer zij de hoogte van de boete berekent, met name rekening houden met de omvang en de economische macht van de betrokken onderneming (...).’7
Het zal niet verbazen dat recidive een verzwarende factor is bij de boetevaststelling. Daarbij is niet maatgevend of eerder een boete is opgelegd, maar is voldoende dat een eerdere inbreuk op art. 101 of 102 VWEU is vastgesteld.8
Hoewel de Commissie een grote beleidsvrijheid heeft bij het in aanmerking nemen van verhogende en verlagende factoren bij de afstemming van de boete, grijpt de Unierechter wel in, indien ten onrechte de clementieregeling niet is toegepast.9 In de zaak Degussa matigde het Gerecht eveneens de boete, ditmaal omdat het gelijkheidsbeginsel was geschonden bij de vaststelling van de individuele boetes binnen het kartel. Het Gerecht oordeelde dat de objectieve rechtvaardiging van de methode die erin bestaat ondernemingen in categorieën in te delen, strenger moet worden uitgelegd wanneer deze indeling niet dient om het boetebedrag op de zwaarte van de inbreuk af te stemmen, maar om de verhoging van het basisbedrag vast te stellen omwille van de voldoende afschrikkende werking van de opgelegde geldboete, want:
`330. Er moet immers aan worden herinnerd dat volgens de rechtspraak, in het kader van de vaststelling van het bedrag van de geldboete op basis van de zwaarte, zelfs indien wegens de verdeling in groepen op een aantal ondernemingen hetzelfde basisbedrag wordt toegepast hoewel zij in grootte verschillen, dit verschil in behandeling objectief gerechtvaardigd is, doordat bij de bepaling van de zwaarte van de inbreuk meer gewicht is toegekend aan de aard van de inbreuk dan aan de grootte van de ondernemingen (...).
331. Deze rechtvaardiging kan evenwel niet gelden voor de bepaling van het percentage waarmee de geldboete moet worden verhoogd omwille van een voldoende afschrikkende werking, aangezien deze verhoging hoofdzakelijk en objectief op de grootte en de middelen van de ondernemingen, en niet op de aard van de inbreuk is gebaseerd. Overigens moet erop worden gewezen dat in de beschikking het verhogingspercentage om te verzekeren dat van de geldboete een voldoende afschrikkende werking uitgaat, is vastgesteld nadat het basisbedrag op basis van de zwaarte van de inbreuk reeds was vastgesteld (...).''10
Ook indien de richtsnoeren niet of op onjuiste wijze zijn toegepast door de Commissie grijpt de Unierechter in. Het Hof oordeelde dat het Gerecht in een dergelijk geval op grond van het gelijkheids- en het rechtszekerheidsbeginsel eerst dient na te gaan of de geldboete toch binnen het door deze richtsnoeren gestelde kader blijft en dat het evenredigheidsbeginsel pas na een dergelijke beoordeling aan de orde komt.11 Financiële draagkracht speelt — anders dan de omzet — juist geen rol bij de vaststelling van de hoogte van de boete 'aangezien de erkenning van een dergelijke verplichting zou neerkomen op het verschaffen van een ongerechtvaardigd concurrentievoordeel aan de ondernemingen die het minst zijn aangepast aan de eisen van de markt' .12 Waar enerzijds uit een oogpunt van bewijsproblematiek een clementieregeling geldt, ziet het Hof daarbuiten weinig mogelijkheden voor matiging van boetes, juist uit een oogpunt van het doel van het mededingingsrecht zelf. Ook bij de invordering van de boete is het tegengaan van concurrentievervalsing een leidend motief.13 Niettemin lijkt de Commissie meer recent bij de vaststelling van de boetehoogte wel rekening te houden met onvermogen tot betalen.14
Waar de onderneming niet aantoont meer te hebben meegewerkt dan waartoe het reeds verplicht is ingevolge de verordening zal de boete niet snel worden gematigd.15 Verlaging van de geldboete wegens medewerking tijdens de administratieve procedure is slechts gerechtvaardigd, indien het gedrag van de betrokken onderneming de Commissie in staat heeft gesteld om een inbreuk met minder moeilijkheden vast te stellen en daaraan in voorkomend geval een einde te maken, aldus het Hof in de zaak SCA Holding. Daarvan is geen sprake indien de onderneming zich er in de administratieve fase toe beperkt geen standpunt in te nemen. Pas bij erkenning van de feiten is sprake van een verlichting van de taak van de Commissie en kan men dientengevolge aanspraak maken op een strafkorting.16 In de zaak Finnband werd aangevoerd dat de Commissie geen extra verlaging van de geldboete kan verlenen aan een onderneming die de juridische kwalificatie van de feiten erkent of uitdrukkelijk haar deelneming aan een inbreuk toegeeft, omdat dit een schending zou opleveren van de rechten van de verdediging, want dit zou immers neerkomen op de bestraffing van een onderneming die heeft besloten zich te verweren door het bestaan van een inbreuk te betwisten. Het Hof verwierp die gedachtegang:
`Verder kan de grief inzake schending van de rechten van de verdediging niet worden aanvaard. Een onderneming die het standpunt van de Commissie bestrijdt en enkel die medewerking verleent waartoe zij krachtens verordening nr. 17 verplicht is, zal om die reden geen hogere geldboete worden opgelegd. Indien de Commissie meent dat de inbreuk is aangetoond, alsmede dat deze aan de onderneming kan worden toegerekend, zal aan deze laatste op basis van criteria die wettig in aanmerking mogen worden genomen, en onder toezicht van het Gerecht of het Hof, een sanctie worden opgelegd. Zoals de advocaat-generaal in punt 25 van zijn conclusie heeft benadrukt, berust de stelling van rekwirante op de zuiver theoretische hypothese van een onderneming die zichzelf beschuldigt van een inbreuk die zij, anders dan de Commissie vermoedt, niet heeft gepleegd, in de hoop in aanmerking te komen voor een verlaging van de geldboete die haar, naar zij vreest, toch zal worden opgelegd. Een dergelijke inschatting kan niet een betoog betreffende de schending van de rechten van de verdediging schragen.'17
Kan een onderneming in beroep terugkomen op feiten die zij eerder heeft erkend? In de zaak Archer Daniels Midland oordeelde het Gerecht dat de onderneming niet terug kon komen op een bekentenis tegenover de Commissie:
`Volgens de rechtspraak van het Hof zal de Commissie "zonder uitdrukkelijke bekentenis van de beschuldigde onderneming de feiten nog moeten bewijzen, terwijl de onderneming de vrijheid behoudt om te zijner tijd, met name tijdens de contentieuze procedure, alle verweermiddelen die haar nuttig lijken, aan te wenden" (...). Daarentegen kan dit niet het geval zijn wanneer de betrokken onderneming de feiten heeft erkend. Wanneer dus de onderneming, zoals in casu, tijdens de administratieve procedure uitdrukkelijk de feiten heeft erkend die de Commissie haar in de mededeling van de punten van bezwaar ten laste heeft gelegd, moeten deze feiten worden geacht vast te staan, en kan de onderneming ze niet meer in het kader van de contentieuze procedure voor het Gerecht betwisten.'18
Het verbod om daadwerkelijk prijsgegeven feitenverweren later in de procedure alsnog in te roepen vormt een communicerend vat met de verdedigingsrechten. Het is de Commissie immers verboden om nieuwe feiten uit de hoge hoed te toveren, nadat tegen de punten van bezwaar verweer is gevoerd. Dit veronderstelt een gelijkheid van partijen. Dat is wellicht niet zo vreemd. Het gaat hier om grote (groepen van) ondernemingen met de nodige — ook juridische — middelen, terwijl de bewijslast voor de Commissie zwaar is. In Tokai Carbon speelde eveneens de vraag naar afstand van verdedigingsrechten en reformatio in peius ten gevolge van de poging bewijsverweren waarvan door de Commissie was verondersteld dat die waren prijsgegeven alsnog in te roepen bij het Gerecht. In deze zaak had Nippon niet in de voorfase de feiten-bevindingen van de Commissie bestreden waaruit voortvloeide dat zij op de in de betrokken periode gehouden vergaderingen aanwezig was waar verboden afspraken waren gemaakt. Nippon had namelijk geen opmerkingen gemaakt en het onderzoeksdossier van de Commissie niet geraadpleegd. Volgens het Gerecht kon die houding door de Commissie redelijkerwijs aldus worden uitgelegd dat Nippon in het kader van haar aan de Commissie aangeboden medewerking, de taak om de duur van de inbreuk vast te stellen wilde verlichten door de vaststellingen inzake het begin van de inbreuk te aanvaarden en zich enkel over het einde ervan uit te spreken. Omdat Nippon de feiten evenwel niet uitdrukkelijk had erkend mocht zij die in beroep nog wel betwisten. Het lijkt er op dat het Gerecht hier voor Nippon eerst de deur op een kier zet, maar dat die kier voornamelijk tot gevolg heeft dat de korting op de boete (deels) wordt weggenomen:
`Evenwel kan niet buiten beschouwing worden gelaten dat de Commissie, anders dan zij redelijkerwijs van de objectieve medewerking van Nippon tijdens de administratieve procedure had mogen verwachten, verplicht is geweest zich voor het Gerecht te verweren tegen de ontkenning van onrechtmatige handelingen waarvan zij op goede gronden had aangenomen dat Nippon ze niet meer in twijfel zou trekken. In die omstandigheden is het Gerecht van oordeel dat in de uitoefening van de hem krachtens artikel 17 van verordening nr. 17 verleende volledige rechtsmacht de aan Nippon opgelegde geldboete met 2% moet worden verhoogd (.. ).'19
In een latere zaak zag het Gerecht geen aanleiding voor verhoging van de boete wegens het alsnog betwisten van feiten waarvan mocht worden aangenomen dat die niet meer aan de orde zouden worden gesteld:
`Zoals verzoeksters evenwel terecht onderstrepen, bepaalt artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 dat het bedrag van de geldboete enkel aan de hand van de zwaarte en de duur van een inbreuk mag worden vastgesteld. Het feit dat de Commissie gedwongen was, verweer te voeren tegen een betwisting van feiten waarvan zij op goede gronden had aangenomen dat zij door de verzoekende partij niet meer aan de orde zouden worden gesteld, kan gelet op de twee uitsluitende criteria voor de bepaling van het bedrag van de geldboete geen grondslag vormen voor een verhoging daarvan. Anders gezegd, de door de Commissie als gevolg van de procedure bij het Gerecht gedragen kosten zijn geen criterium ter bepaling van het bedrag van de geldboete en kunnen enkel in het kader van de toepassing van de bepalingen van het Reglement voor de procesvoering betreffende de vergoeding van de kosten in aanmerking worden genomen.'20
Hierbij was wellicht van belang dat het de verzoekers door het Gerecht niet werd toegestaan om eerder erkende feiten alsnog te betwisten.21
Hoe gaat de communautaire rechter om met cumulatie van beboeting? In de zaak Showa Denko lag de vraag voor of sanctieoplegging door een derde staat — in dit geval de Verenigde Staten van Amerika — ter zake van dezelfde feiten boeteoplegging door de Commissie in de weg stond. Het Hof oordeelde dat het ne bis in idem beginsel niet in de weg stond aan boeteoplegging indien in een derde staat dezelfde gedragingen waren beboet. Het Hof overwoog dienaangaande:
'50. Om te beginnen moet eraan worden herinnerd dat het beginsel ne bis in idem, dat ook is neergelegd in artikel 4 van protocol nr. 7 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, een grondbeginsel van het gemeenschapsrecht is, en dat op de naleving daarvan wordt toegezien door de rechter (...).
52. Wat het toepassingsgebied van het beginsel ne bis in idem betreft met betrekking tot situaties waarin de autoriteiten van een derde staat zijn opgetreden uit hoofde van hun sanctiebevoegdheden op het gebied van het in hun staat toepasselijke mededingingsrecht, moet eraan worden herinnerd dat de omstreden mededingingsregeling is tot stand gekomen in een internationale context die met name wordt gekenmerkt doordat de rechtsstelsels van derde staten het elk op hun eigen grondgebied voor het zeggen hebben.
53. De bevoegdheidsuitoefening door de in het kader van hun territoriale competentie met de bescherming van de vrije mededinging belaste autoriteiten van die staten beantwoordt aan eisen die specifiek zijn voor die staten. De uitgangspunten van de rechtsorden van andere staten op het gebied van de mededinging leiden immers niet alleen tot specifiek eigen doelstellingen, maar tevens tot de aanneming van speciaal daarop gericht materieel recht en tot sterk uiteenlopende bestuursrechtelijke, strafrechtelijke of civielrechtelijke rechtsgevolgen, wanneer door de autoriteiten van die staten eenmaal is bewezen dat op de toepasselijke mededingingsregels inbreuk is gemaakt.
54. Geheel anders is de juridische situatie daarentegen wanneer een onderneming, wat de mededinging betreft, uitsluitend valt onder het gemeenschapsrecht en het recht van een of meer lidstaten, dat wil zeggen wanneer een mededingingsregeling zich uitsluitend binnen het territoriale toepassingsgebied van de rechtsorde van de Europese Gemeenschap afspeelt.
55. Hieruit volgt dat, wanneer de Commissie het onwettige gedrag van een onderneming bestraft, zelfs wanneer dit gedrag zijn oorsprong vindt in een mededingingsregeling met een internationaal karakter, haar de waarborging van de vrije mededinging binnen de gemeenschappelijke markt voor ogen staat, hetgeen ingevolge artikel 3, lid 1, sub g, EG een van de fundamentele doelstellingen van de Gemeenschap is. Door het specifieke karakter van het in gemeenschapsverband beschermde rechtsgoed kunnen de afwegingen die de Commissie ingevolge haar bevoegdheden op dit gebied maakt, immers aanzienlijk verschillen van die van de autoriteiten van derde staten.'22
Het Hof kwam voorts tot het oordeel dat noch het evenredigheidsbeginsel noch enige internationale rechtsregel met zich bracht dat niettemin op enigerlei wijze rekening gehouden moest worden met de andere sancties of vervolgingen. Het doel van afschrikking dat de Commissie bij de bepaling van een boete mag nastreven, is volgens het Hof immers, te verzekeren dat de ondernemingen de mededingingsregels naleven die in het VWEU zijn vastgesteld voor hun activiteiten binnen de gemeenschappelijke markt. Bijgevolg is de Commissie bij haar beoordeling of de wegens schending van die regels op te leggen boete afschrikkende werking heeft, niet verplicht om rekening te houden met eventuele sancties die aan een onderneming zijn opgelegd wegens schending van de mededingingsregels van derde staten. De Commissie mag dus wel rekening houden met die eerdere sancties, maar hoeft dat niet te doen. De beleidsvrijheid van de Commissie (binnen het boetemaximum en de richtsnoeren) is hier aldus vrijwel onbeperkt. Deze onbegrensde beleidsvrijheid komt me als te willekeurig voor. Afschrikking voert de boventoon. Evenredigheid lijkt hier dan ook van ondergeschikt belang.23
Als een meer procedurele variant van het evenredigheidsbeginsel zou men het in art. 6 lid 1 EVRM neergelegde beginsel dat procedures binnen een redelijke termijn moeten worden afgerond kunnen beschouwen. Dit beginsel wordt ook door de Unierechter gehanteerd. Zo vernietigde het Hof een uitspraak van het Gerecht omdat het had verzuimd na te gaan of de aan de Europese Commissie toe te rekenen buitensporig lange duur van de totale procedure, met inbegrip van de fase vóór de mededeling van de punten van bezwaar door de Commissie, de toekomstige verweermogelijkheden van partijen kon aantasten.24 Hier fungeert het recht op afdoening van de bestuursrechtelijke procedure binnen een redelijke termijn dus meer als een variant op het verdedigingsbeginsel. In een zaak waar de behandeling bij het Gerecht zelf vier jaar had geduurd oordeelde het Hof dat die termijn weliswaar lang was, maar dat die lange termijn gerechtvaardigd was door de bijzondere complexiteit van de zaak.25 In casu ging het om een beroep van zeven ondernemingen in drie procestalen, terwijl het Gerecht de stukken grondig had onderzocht.26 In een zaak waar de behandeling bij het Gerecht vijf en een half jaar had geduurd, zonder dat de vertraging in significante mate aan de overtreder was te wijten, werd wel geoordeeld dat de redelijke termijn was overschreden en dat de boete van ECU 3 min daarom met ECU 50 000 diende te worden verlaagd.27
Het hoger beroep in mededingingszaken is niet vol ten aanzien van de feitenvaststelling. De controlebevoegdheid van het Hof van Justitie ten aanzien van de feitelijke vaststellingen van het Gerecht strekt zich namelijk uit tot de uit de processtukken voortvloeiende feitelijke onjuistheid van deze vaststellingen, de verdraaiing van de bewijzen en de juridische kwalificatie daarvan, en tot de vraag of de regels inzake de bewijslast en de bewijsvoering in acht zijn genomen. In de zaak SGL Carbon AG verwoordde het Hof zijn toetsing als volgt:
`Er zij vooraf op gewezen dat uit artikel 225, lid 1, EG en artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie volgt dat het Gerecht bij uitsluiting bevoegd is, enerzijds, om de feiten vast te stellen, behoudens het geval waarin de feitelijke onjuistheid van zijn vaststellingen blijkt uit de hem overgelegde processtukken en, anderzijds, om die feiten te beoordelen. Wanneer het Gerecht de feiten heeft vastgesteld of beoordeeld, is het Hof bevoegd om krachtens artikel 225 EG toezicht uit te oefenen op de wijze waarop het Gerecht de feiten juridisch heeft gekwalificeerd en op de rechtsgevolgen die het daaraan heeft verbonden. Het Hof is dus niet bevoegd om de feiten vast te stellen, noch in beginsel om de bewijzen te onderzoeken die het Gerecht daarvoor in aanmerking heeft genomen. Wanneer deze bewijzen regelmatig zijn verkregen en de algemene rechtsbeginselen en de procedurevoorschriften inzake de bewijslast en de bewijsvoering zijn geëerbiedigd, staat het immers uitsluitend aan het Gerecht om te beoordelen, welke waarde moet worden gehecht aan de hem voorgelegde bewijzen. Deze beoordeling levert dus geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof, behoudens in het geval van een verdraaiing van deze bewijzen (..).’28
Het Hof oordeelde in het verlengde hiervan dat het in hoger beroep evenmin uit billijkheidsoverwegingen zijn oordeel in de plaats mag stellen van dat van het Gerecht, dat zich in de uitoefening van zijn volle rechtsmacht heeft uitgesproken over het bedrag van de geldboeten die ondernemingen wegens schending van het Unierecht opgelegd hebben gekregen. Verder stelde het Hof dat voor zover SGL Carbon AG beoogt de evenredigheid van de haar opgelegde geldboete in twijfel te trekken, het middel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, aangezien het strekt tot een heronderzoek van feitelijke beoordelingen, waarvoor het Hof niet bevoegd is in het kader van een hogere voorziening.