Einde inhoudsopgave
Executele (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2007/VII.E
VII.E. DE HOOFDELIJKE AANSPRAKELIJKHEID OP GRONDVAN ART. 47 INVORDERINGSWET 1990
Prof.mr. B.M.E.M. Schols, datum 07-12-2007
- Datum
07-12-2007
- Auteur
Prof.mr. B.M.E.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS407150:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook B.C.M.WAAIJER,Verhaalsaansprakelijkheid de Successiewet uit en de nieuwe invorderingswet in,WPNR (1988) 5897, M.P. BONGARD, De executeur: taken, bevoegdheden en aansprakelijkheid, Fiscaal Tijdschrift Vermogen (FTV), 2004 nr. 5, alsmede B.M.E.M. SCHOLS, De executeur fiscaal, Fiscaal Praktijkblad2006 nr. 6.
Zie ook HR 10 mei 1907, PW 10 055 waaruit blijkt dat ook nadat de executeur civielrechtelijk gedechargeerd is, nog een aanslag successierecht bij hem kan worden ingevorderd, althans als hij de aangifte heeft gedaan.
MvT 20 588, nr. 3, p. 112.
J.J. VETTER, P.J.WATTEL en M.H.M.VAN OERS, Invordering van belastingen, Deventer: Kluwer 2005, p.42.
MvA 20 588, nr. 6, p. 67.
In zoverre komt, indachtig de kwaliteitsrekening van de executeur, de vertegenwoordigingsgedachte wel weer boven drijven. Het rechtstreeks aanspreken van de executeur doet weer denken aan het 'eigen recht', het privatieve aspect. Op grond van art. 4:144 BW juncto art. 4:7 lid 1 letter e BW dient de beheersexecuteur reeds de schulden uit belastingen die terzake van het openvallen van de nalatenschap worden geheven te voldoen.
E.R.H. HEIJMANS/J.H.P.M. RAAIJMAKERS, Aansprakelijkheden Invorderingswet 1990, Deventer: Kluwer 1995, p. 221, waarbij opgemerkt wordt dat ook bij meerdere executeurs dus weer de mogelijkheid ontstaat dat de fiscus voor meer dan honderd procent aansprakelijk kan stellen, maar dat de fiscus nooit meer dan honderd procent zal kunnen innen.
MvA 20 588, nr. 6, p. 67.
J.H.P.M. RAAIJMAKERS, Fiscaal Commentaar Invorderingswet 1990, Deventer: Kluwer 2001, p.484.
Hiervoor is reeds bij de behandeling van art. 72 SW 1956 de hoofdelijke aansprakelijkheid van executeurs op basis van art. 47 Invorderingswet 1990 aangestipt. Deze hoofdelijke aansprakelijkheid ligt in het verlengde van het bewindsaspect van executele. Het is immers de erfrechtelijk beheerder die 'de penningen' onder zich houdt. De erfgenamen zijn, gelet op art. 4:145 lid 1 BW, niet bevoegd om over de boedelgelden te beschikken. In zoverre kan men enig begrip voor de regeling opbrengen.
Van belang is zich steeds te realiseren dat deze aansprakelijkheid 'slechts' geldt als de executeur aangifte heeft gedaan voor de heffing van het successierecht. De gedachte komt vervolgens wellicht op: dan heeft de executeur het zich immers zelfaangedaan.
Dat laatste is niet helemaal juist, aangezien, zoals gezien, zich ook de situatie kan voordoen dat de executeur verplicht is om aangifte te doen, te weten als alle erfgenamen in het buitenlandwonen. Hier zou vervolgens weer tegen ingebracht kunnen worden: dan had de executeur de 'quasi-overeenkomst' maar niet moeten aanvaarden.
Nogmaals merk ik op dat deze fiscale bepaling geen onderscheid maakt tussen beheersexecuteurs en executeurs die niet het beheer over de goederen van de nalatenschap beschikken.1 Deze laatste categorie dient, voor zover mogelijk, zich in beginsel dan ook te onthouden van het doen van aangifte successierecht, althans in ieder geval zich van de onderhavige problematiek terdege bewust te zijn.2 'Geruststellend' is in ieder geval dat in de Memorie vanToelichting op de Invorderingswet is toegezegd:3
'Ter informatie van de uitvoerders van uiterste wilsbeschikkingen zal van de onderhavige aansprakelijkheidsbepaling in de toelichting op het aangiftebiljet successierecht melding worden gemaakt.'
Een gewaarschuwdexecuteur telt immers voor twee.Vetter geeft met betrekking tot art. 47 IW 1990 in ieder geval de navolgende 'waarschuwing' af:4
'Tegen die achtergrond zal in veel gevallen ter vermijding van risico's ofwel de executeur de aangifte successierecht niet willen ondertekenen ofwel willen wachten met het uitkeren van de erfdelen en legaten totdat de inspecteur de aangifte successierecht heeft beoordeeld.'
Een executeur zonder beheersbevoegdheid heeft echter niets uit te keren en kan onder omstandigheden verplicht worden om te 'ondertekenen'.
Gelet op het belang van de bepaling voor executeurs is het goed om aandacht te besteden aan hetgeen in de parlementaire geschiedenis5 over de strekking ervan is gezegd:
'Deze bepaling bevat slechts wat thans reeds in artikel 72 van de Successiewet 1956 is geregeld en betekent derhalve een bestendiging van de huidige situatie. De aansprakelijkheidvan de executeur-testamentair vloeit voort uit het feit dat hij in de gevallen waarin hij verplicht is aangifte te doen (namelijk indien alle erfgenamen in het buitenland wonen; zie artikel 72, eerste lid, eerste volzin, van de Successiewet 1956) of wanneer hij de verantwoordelijkheid van het doen van aangifte op zich neemt (artikel 72, eerste lid, tweede en derde volzin, van genoemde wet), krachtens artikel 1054 van het Burgerlijk Wetboek dan wel krachtens met de erfgenamen te maken afspraken, de beschikkingsmacht heeft,over de nalatenschap. In die gevallen heeft hij ook de mogelijkheid zich voor de voldoening van de successierechten zeker te stellen. Daarbij is van belang dat op grond van artikel 72, tweede lid, van de Successiewet erfgenamen het bezit van de executeur-testamentair eerst kunnen doen ophouden als zij hem in staat stellen tot betaling van de successierechten of hem doen blijken dat deze reeds zijn voldaan.'
(Curs. BS)
Wie het Duitse successierechtelijke beginsel, dat de Testamentsvollstrecker alleen fiscale verplichtingen heeft voor zover zijn civielrechtelijke beschikkingsmacht dit toestaat, nog in het achterhoofd heeft, kan op grond van bovenstaande toelichting wellicht inspiratie opdoen om, in afwijking van de letterlijke tekst, art. 47 IW 1990 zo uit te leggen dat de wetgever de bedoeling heeft gehadom deze fiscale verplichting alleen te laten gelden voor executeurs die beschikkingsmacht hebben, oftewel alleen voor beheersexecuteurs. In de parlementaire geschiedenis is in ieder geval de munitie voor de onderbouwing van deze stelling voorradig, en al helemaal voor degene die zich heeft laten prikkelen door de Duitse literatuur. Opmerking in dit kader behoeft ook het feit dat in de toelichting wel degelijk een koppeling met het 'bezit' (thans beheer) gelegdlijkt te worden.
In het kader van zijn hoofdelijke aansprakelijkheid als bedoeld in art. 47 IW 1990 handelt de executeur uit de aard van de materie niet als vertegenwoordiger, aangezien hij zelf, naast de erfgenamen, aansprakelijk wordt gesteld voor de invordering van de betreffende belastingschuld. De strekking van de aansprakelijkheidsbepaling moet, gelet op zijn 'bewindspositie', gezien worden als het trachten zeker te stellen van de inning van het verschuldigde successierecht. De voldoening van de schuld bevrijdt (vanzelfsprekend) ook de erfgenaam van zijn betalingsplicht.6
Dat de civielrechtelijke verhoudingen door art. 47 IW 1990 opzij worden gezet blijkt uit de navolgende voor zich sprekende opmerking in de literatuur:7
'Zoveel executeurs, zoveel aansprakelijken. De fiscus heeft het voor het uitkiezen.'
In de parlementaire geschiedenis8 is ook nog aan de orde geweest of het leerstuk van de onrechtmatige daad voldoende waarborg zou zijn voor de fiscus om de voldoening van het successierecht veilig te stellen. Dit is echter afgewezen met de mededeling dat de onrechtmatige daad pas in te roepen is wanneer de executeur schuld heeft bij ten detrimente van de fiscus verrichte of nagelaten activiteiten.
Wat de samenloop met aansprakelijkheid van een erfgenaam betreft, constateert Raaymakers dat de aansprakelijkheid van de erfgenaam beleidsmatig voorgaat, zij het dat als de ontvanger echter bij voorbaat weet dat een deel van het successierecht niet kan worden verhaald op de erfgenaam, hij direct de executeur kan aanspreken.9 Gelet op de sterke positie van de executeur onder nieuw erfrecht en het feit dat hij, althans een beheersexecuteur, in de regel de boedelgelden onder zich zal hebben, is er onder nieuw erfrecht naar mijn mening 'redelijkerwijs' meer ruimte om (beleidsmatig) bij de executeur 'te beginnen.'