Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/16.5:16.5 Andersoortige samenwerking
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/16.5
16.5 Andersoortige samenwerking
Documentgegevens:
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS452179:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kaderbesluit 2009/829/JBZ van 23 oktober 2009 inzake de toepassing, tussen de lidstaten van de Europese Unie, van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen inzake toezichtmaatregelen als alternatief voor voorlopige hechtenis, PbEU 2009, L 294/20.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Met het Europees surveillancebevel krijgt een min of meer eigensoortige vorm van rechtshulp een plaats in het systeem van wederzijdse erkenning.1 Het gaat om de overdracht van toezichtmaatregelen als alternatief voor voorlopige hechtenis. Het kent een zekere samenhang met het Europees aanhoudingsbevel aangezien bij een schending van de toezichtmaatregelen overlevering op grond van het Europees aanhoudingsbevel aan de orde kan zijn. Het kaderbesluit somt een aantal toezichtmaatregelen op die in beginsel moeten worden erkend en bepaalt verder dat ook andere, met name genoemde maatregelen door de lidstaten aan die lijst kunnen worden toegevoegd. De toezichtmaatregelen worden in beginsel aan de thuisstaat van de betrokkene overgedragen, maar afwijking is mogelijk zo lang die andere lidstaat daarmee instemt. Aanpassing van de toezichtmaatregel is mogelijk wanneer die naar haar aard niet verenigbaar is met het recht van de tenuitvoerleggingsstaat, zolang zij niet strenger is dan de oorspronkelijke maatregel. Voor lijstfeiten geldt ook hier geen eis van dubbele strafbaarheid maar een eis van gekwalificeerde strafbaarheid met minimaal drie jaar strafbedreiging naar het recht van de beslissingsstaat. De lijst kan met een verklaring buiten toepassing worden gelaten, hier alleen om grondwettelijke redenen. Duitsland, Polen, Hongarije en Litouwen hebben een dergelijke verklaring afgelegd. Voor andere dan lijstfeiten geldt weer een facultatieve eis van dubbele strafbaarheid. Het verdere aantal weigeringsgronden is opnieuw beperkt. De tenuitvoerleggingsstaat heeft een aantal informatieplichten, waarbij vooral de verplichting tot het in kennis stellen van de beslissingsstaat van elke inbreuk op een toezichtmaatregel cruciaal is. Op het toezicht zelf is weliswaar het recht van de tenuitvoerleggingsstaat van toepassing, maar de vervolgbeslissingen, verlenging, toetsing en intrekking van de beslissing inzake toezichtmaatregelen, wijziging van de toezichtmaatregelen en vooral uitvaardiging van een aanhoudingsbevel of vergelijkbare rechterlijke beslissing, worden door de beslissingsstaat genomen. Wordt een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd dan geldt niet de in artikel 2 lid 1 van dat kaderbesluit opgenomen eis van gekwalificeerde dubbele strafbaarheid, tenzij een lidstaat een andersluidende mededeling doet aan het secretariaatgeneraal van de Raad.
Het kaderbesluit is geïmplementeerd door wijziging van het Wetboek van Strafvordering. De bepalingen aangaande dit kaderbesluit zijn opgenomen in de derde titel van het huidige vijfde boek van het wetboek (artikel 5:3:1 e.v.) en in werking getreden op 1 november 2013.
Het kaderbesluit impliceert enerzijds vertrouwen, zoals bij het hanteren van een systeem van lijstfeiten in plaats van een eis van dubbele strafbaarheid en het beperkte aantal weigeringsgronden. Daarnaast genereert het vertrouwen omdat het stelsel van overdracht van toezichtmaatregelen een uitwerking is van de subsidiariteitsgedachte: waar met een voorwaardelijke straf of maatregel en toezicht op de voorwaarde kan worden volstaan, kunnen meer ingrijpende sancties achterwege blijven. Dor de gelding van dit kaderbesluit kan die subsidiariteitsgedachte ook worden toegepast op verdachten die ingezetene zijn van een andere lidstaat. Dit kan bij de lidstaat waarvan een ingezetene verdachte is vertrouwen opwekken dat diens ingezetene op gelijke wijze wordt berecht en bestraft als een ingezetene van de staat van berechting. En dat kan die eerste lidstaat er weer sneller toe brengen bij te dragen aan die berechting, bijvoorbeeld door uitvoering van een onderzoeksbevel of door overlevering ter berechting. Anders gezegd: het onderhavige kaderbesluit kan leiden tot een toepassing van het strafrecht die niet punitiever is dan waar de merites van de zaak om vragen.