Einde inhoudsopgave
Executele (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2007/III.D.7.1
III.D.7.1 Derdenbescherming
Prof.mr. B.M.E.M. Schols, datum 07-12-2007
- Datum
07-12-2007
- Auteur
Prof.mr. B.M.E.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS409335:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
ASSER-PERRICK 6A, Erfrecht en schenking, Deventer: Kluwer 2002, nr.422. Het werk wordt in nr. 423 zeer toepasselijk afgesloten met de frase: 'Wijbenijden de formaliteiten-dwang niet, die aan administration, probate, Erbschein en homologatie van de uiterste wil is verbonden.' Ik voeg daar aan toe: de kans is dan ook groot dat art. 4:187 BW in combinatie met de kracht van de erfrechtelijke beheerder een voorbeeldfunctie krijgt in Europa.
TM, p. 352. Parl. Gesch.Vast., p. 909.
MvA,p. 113-115, Parl. Gesch.Vast. p.910 e.v.
ASSER-PERRICK 6B, Erfrecht en schenking, Deventer: Kluwer 2005, nr. 471.
MvA, p.113-115, Parl. Gesch.Vast. p.916. Men zou zelfs kunnen stellen dat een klassieke verklaring van erfrecht een negatieve verklaring van executele is.
Kritisch over deze volgorde KLAASSEN-LUIJTEN-MEIJER, Erfrecht, Deventer: Kluwer 2002, nr.742.
L.C.A.VERSTAPPEN, Handboek Erfrecht, Deventer: Kluwer 2006, p. 499 wijst er op dat in vergelijking tot art. 3:24 BW art. 4:187 BW minder zware eisen stelt. ASSER-PERRICK 6A, Erfrecht en schenking, Deventer: Kluwer 2002, nr. 422 constateert dat op de door de notaris getrokken conclusie art. 3:25 BW niet van toepassing is.
Vroegerart. 1422 BW, MvA, p. 113-115, Parl. Gesch.Vast. p.911.
ASSER-PERRICK 6A, Erfrecht en schenking, Deventer: Kluwer 2002, nr. 422: 'Ook zonder lid 3 van art. 4:187 BW zou degene die op grond van omstandigheden wist of behoorde te weten, dat de vermelde feiten en de conclusies onjuist zijn, zich niet als te goeder trouw kunnen beschouwen.' Daar sluit ik mij bij aan.
Rechtbank Zwolle (voorzieningenrechter) 12 oktober 2006, NJF 2007, 164, Notafax 2007,164.
Zie WPNR (2004) 6585.
H.C.F. SCHOORDIJK,'De privaatrechtelijke rechtscultuur van de twintigste eeuw in context', Mededelingen van de Afdeling Letterkunde KNAW, Nieuwe Reeks, Deel 66, nr. 2, p. 26.Voor 'mens' kan men wellicht lezen 'erfgenaam (tegen zijn wil) vertegenwoordigd door de executeur'.
Een blik op de verklaring van erfrecht voor executeurs oftewel de verklaring van executele.
Asser-Perrick1 schetst de sfeer op het gebied van dit belangrijke erfrechtelijke gevoelsvlak:
'Iedere notaris ervaart geregeld de zorg en onrust bij de weduwe, dat zij niet over de giro- en bankrekening kan beschikken. Een ereplicht voor de notaris zo spoedig mogelijk de verklaring van erfrecht af te geven.'
Snelheid kan door de notaris met name bereikt worden door een verklaring van executele af te geven, een species van de klassieke verklaring van erfrecht. De executeur zal om in het rechtsverkeer te kunnen functioneren in het bezit gesteld dienen te worden van een 'certificaat' ter legitimatie. Een notariele verklaring waaruit zijn erfrechtelijke bevoegdheden blijken. Dit is geregeld in art. 4:188 BW, waarin de wetgever een 'pas op' heeft verwerkt als het gaat om de positie van de executeur. Dit houdt verband met de beschikkingson-bevoegdheidsregel van art. 4:145 lid 1 BW: een (beheers-)executele maakt de erfgenamen in het rechtsverkeer onbevoegd. Deze bepaling is de oorzaak geweest dat in de praktijk steeds minder 'klassieke' verklaringen van erfrecht worden afgeven en steeds meer verklaringen van executele dan wel gecombineerde verklaringen. Meijers gaf in zijn Groene Boeken2 reeds het eerste signaal af op dit terrein:
'Een notaris die een zodanige verklaring afgeeft, dient niet uitsluitend zich ervan te overtuigen, wie erfgenaam is, maar moet bovendien nagaan of de erflater een executeur of een bewindvoerder benoemd heeft, of de rechter een vereffenaar. De notaris die te lichtvaardig een verklaring afgeeft, wordt jegens hen, die daardoor benadeeld zijn, tot schadevergoeding gehouden.' (Curs. BS)
Met een zodanige verklaring bedoelde Meijers: 'een verklaring wie tot inning van de vordering der nalatenschap bevoegd is'. Het rechtsverkeer, en met name de banken, zijn in de regel dan ook alleen geïnteresseerdin de vraag aan wie bevrijdend betaald kan worden, al dan niet met toepassing van een be-schermingsregel.Voor 'derden' is derhalve van de drie aspecten van executele in beginsel slechts het vertegenwoordigingsaspect van belang. In de interne verhouding, wil een derde, ook uit het oogpunt van ('zijn') derdenbescher-ming, zo min mogelijk treden. De minister3 wees er nog op dat de vermelding van de executeur niet alleen van belang was in het kader van de inningsbevoegdheid, maar ook voor andere doeleinden zoals vervreemding door de executeurs met beheer. Gerefereerd werd ook hier weer aan de onbevoegdheid van de erfgenamen door executele. Wat het criterium 'schulden van de nalatenschap' en derdenbescherming betreft, orakelt Asser-Perrick4 de voor zich sprekende woorden: 'Hoe kan een derde dit beoordelen?'
Aan de verklaring van executele besteedt de wetgever aandacht in letter d van lid1 art. 4:188 BW:
'dat al dan niet het beheer van de nalatenschap aan executeurs of [...] is opgedragen, met vermelding van hun bevoegdheden; of'
De (gecombineerde) variant onder e:
'dat een of meer in de verklaring genoemde personen executeur zijn.'
Dat ook een 'nur'-verklaring van executele5 mag worden afgegeven blijkt uit het woord'of' als verbinding tussen letter d en letter e. Hiermee wordt bedoeld, naast de gebruikelijke gegevens van personalia erflater, overlijden en uiterste wilsbeschikking, de enkele verklaring dat het beheer van de nalatenschap aan de executeur is opgedragen en dat de in de verklaring genoemde persoon executeur is. Uit de tekst van art. 4:188 lid 1 letter d BW blijkt weer de gedachte van de wetgever aan een (quasi-)overeenkomst van opdracht die ontspruit bij erflater en niet bij de erfgenamen ('is opgedragen'). Hieruit vloeit voort dat in de verklaring van executele dient te worden vermeld dat de opdracht door de executeur aanvaard is.
Het scharnierpunt in de verklaring van executele is de beheersbevoegdheid, aangezien de wetgever daaraan in art. 4:145 lid 2 BW met het oog op de vervulling van zijn taak de zo belangrijke vertegenwoordigingsbevoegdheid heeft gekoppeld:
'Gedurende zijn beheer vertegenwoordigt hij bij de vervulling van zijn taak de erfgenamen in en buiten rechte.'
En zijn taak is blijkens art 4:144 BW nu eenmaal het beheren van de nalatenschap. En voor het rechtsverkeer is het bepaalde in art. 3:170 BW over de inningsbevoegdheid van de executeur onontbeerlijk:
'Onder beheer zijn begrepen, [...], alsook het aannemen van aan de gemeenschap verschuldigde prestaties.'
Het externe beeldwordt compleet met een blik op art. 4:187 BW waarin het rechtsverkeer (terecht) behoorlijk in bescherming wordt genomen en wel op basis van de drie navolgende regels.
Hij die is afgegaan op de in een verklaring van erfrecht (executele) vermelde feiten, geldt te dezen als goeder touw.
Een schuldenaar die, afgaande op de in een verklaring van erfrecht (execu-tele) vermelde feiten, heeft betaald aan iemand die niet bevoegd was de betaling te ontvangen, kan aan degene aan wie betaald moest worden, tegenwerpen dat hij bevrijdend heeft betaald.
Tenzij van degene die op de verklaring is afgegaan, op grond van bijzondere omstandigheden, een nader onderzoek kon worden gevergd, dat hem de onjuistheid van de verklaring zou hebben doen blijken.
Wie denkt aan vertegenwoordiging denkt meteen aan derdenbescherming. De wetgever regelt dan ook eerst de gevolgen van een van de belangrijkste notariele documenten voor het rechtsverkeer en dan pas de inhoud.6 Men herkent in de tweede beschermingsregel een concretisering van art. 6:34 BW.7 De 'redelijke gronden' van dat artikel is het betalen aan de in de nota-riele verklaring genoemde personen.8
Aan welke bijzondere omstandigheden kunnen wij denken? Bijvoorbeeld dat de wederpartij op de hoogte is van een codicil waarin een executeur is benoemd, terwijl de notaris niet op de hoogte is van het bestaan van het codicil. Als het aan Asser-Perrick ligt: 'Lid3 van art. 4:187 BW is overbodig.'9
De voorzieningenrechter van de rechtbank Zwolle10 heeft voor de notariele praktijk en de kracht van een verklaring van executele een belangrijke uitspraak gedaan. Een notaris wilde blijkbaar niet aan de 'moderne' verklaring van executele, althans niet nadat de erfgenamen eerst een boedelvolmacht hadden getekend. De rechter stak er een stokje voor:
'Voor de door (...) gewenste ontvangst van een verklaring van erfrecht is medewerking door [lees: de erfgenamen] bestaande uit ondertekening van de bedoelde boedelvolmacht derhalve niet noodzakelijk. Het ondertekenen van de boedelvolmacht door [lees: de erfgenamen] is evenmin nodig om (... ) in de gele-genheidte stellen de nalatenschap overeenkomstig haar taak als executeur te laten beheren. Ingevolge artikel 4:144 BW is (...) als executeur reeds bevoegd al die maatregelen te nemen die voor het beheer van de nalatenschap noodzakelijk zijn.' (Curs. BS)
Een belangrijke steun in de rug voor de executeur. Hij hoeft niet te wachten tot bekendis wie de erfgenamen zijn, en op welke wijze zij de nalatenschap aanvaarden. De werkgroep deontologie nieuw erfrecht van de KNB11 heeft zich op het standpunt gesteld dat een notaris die een verklaring van executele afgeeft de erfgenamen hiervan in kennis dient te stellen. Dat wil niet zeggen dat de verklaring van executele niet meteen afgegeven kan worden als de erfgenamen nog niet bekendzijn.
Deze paragraaf over erfrechtelijke derdenbescherming sluit ik af met de woorden van Schoordijk die mijns inziens, althans indien wij deze mogen transponeren naar de positie van de executeur in het rechtsverkeer, zijn relatie tot derden derhalve, de sfeer bepaalt:
'Een mens is niet aan zijn woord gebonden, omdat hij het zo gewild heeft, maar omdat de maatschappij binnen grenzen eist dat men op het woord van een ander moet kunnen vertrouwen als een rots.'12
Kortom, vertaaldnaar executele, de maatschappij moet in beginsel op het woord van de executeur en de verklaring van executele kunnen vertrouwen. Het rechtsverkeer moet niet 'achteraf' met verrassingen geconfronteerdkun-nen worden, omdat de erfgenamen het niet eens blijken te zijn met het beleid van de executeur. Hoe wordt in het Duitse recht hierover gedacht?