Einde inhoudsopgave
Eigendomsgrondrecht en belastingen (FM nr. 161) 2020/16.2
16.2 Rechtsherstel door het EHRM
dr. T.C. Gerverdinck, datum 13-03-2020
- Datum
13-03-2020
- Auteur
dr. T.C. Gerverdinck
- JCDI
JCDI:ADS197277:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Mensenrechten
Voetnoten
Voetnoten
Deze bepaling luidt als volgt: “If the Court finds that there has been a violation of the Convention or the Protocols thereto, and if the internal law of the High Contracting Party concerned allows only partial reparation to be made, the Court shall, if necessary, afford just satisfaction to the injured party.”
Vandelanotte en Haeck 2004, p. 624 en Van Dijk e.a. 2018, p. 225-231.
EHRM 10 Maart 1972, nrs. 2832/66; 2835/66; 2899/66 (De Wilde, Ooms and Versyp v. Belgium), par. 15.
Vandelanotte & Haeck 2004, p. 629.
Zie bijvoorbeeld EHRM 24 juni 1993, nr. 14556/89 (Papamichalopoulos and Others v. Greece).
Zie bijvoorbeeld de fiscale discriminatiezaak EHRM 29 januari 2002, nr. 45600/99 (Auerbach v. The Netherlands).
EHRM 3 juli, nr. 13616/88 (Hentrich v. France), par. 11 (over de schadevergoeding ex artikel 41 EVRM).
EHRM 14 mei 2013, nr. 66529/11 (N.K.M. v. Hungary), EHRC 2013/170 m.nt. Leijten, par. 98.
EHRM 22 januari 2009, nr. 3991/03 (Bulves AD v. Bulgaria), par. 82.
EHRM 16 april 2002, nr. 36677/97 (S.A. Dangeville v. France), BNB 2003/40 m.nt. Wattel, par. 70.
EHRM 25 juli 2013, nr. 27183/04 (Rousk v. Sweden), EHRC 2013/222, par. 153.
Zie bijvoorbeeld EHRM 20 september 2011, nr. 14902/04 (OAO Nefyanaya Kompaniya Yukos), EHRC 2011/160 m.nt. Wessels, par. 47 (over de schadevergoeding ex artikel 41 EVRM): “The Court considers that, in the circumstances of the present case, the findings of a violation of Article 6 of the Convention and violations of Article 1 of Protocol No. 1 constitute sufficient just satisfaction for the applicant company in respect of non-pecuniary damage.”
Vandelanotte & Haeck 2004, p. 647. Zie voorts Van Emmerik 2016, p. 6-12.
EHRM 7 juli 2011, nr. 39766/05 (Serkov v. Ukraine), par. 51.
EHRM 9 maart 2006, nr. 10162/02 (Eko-Elda AVEE v. Greece), par. 33 en EHRM 22 januari 2009, nr. 3991/03 (Bulves AD v. Bulgaria), par. 82.
Op grond van artikel 41 EVRM1 kan het EHRM een billijke genoegdoening toekennen als een grondrecht is geschonden en het nationale recht van de betrokken lidstaat geen volledig rechtsherstel toelaat. Een billijke genoegdoening dient ertoe om de verzoeker zo veel mogelijk terug te plaatsen in de situatie waarin hij zich zou hebben bevonden zonder verdragsschending (restitutio in integrum).2 Hoewel de bewoordingen van artikel 41 EVRM suggereren dat een billijke vergoeding alleen kan worden toegekend indien het nationale recht van de betrokken lidstaat slechts gedeeltelijk rechtsherstel toelaat, volgt uit de rechtspraak van het EHRM dat er ook schadevergoeding kan worden toegekend als rechtsherstel op basis van het nationale recht in het geheel niet mogelijk is.3 Schadevergoeding is een discretionaire bevoegdheid van het Hof en geschiedt uitsluitend op verzoek.4 In geval van (de facto) onteigening bestaat naast schadevergoeding in geld nog een andere manier om rechtsherstel te bieden: teruggave van de onteigende goederen.5
In de meeste belastingzaken is schadevergoeding in geld de aangewezen methode van rechtsherstel, al volstaat het Hof soms ook met de enkele vaststelling dat het EVRM is geschonden en ziet het die vaststelling al als voldoende genoegdoening voor de klager6. Schadevergoeding in geld past het beste bij het financiële karakter van belastingheffing, waarbij doorgaans geen goederen worden onteigend, al kan men schadevergoeding in geld ook omschrijven als restitutie van ten onrechte ontnomen geld. Een uitzondering is wellicht de zaak Hentrich (besproken in par. 3.4.4 en 12.5) over de willekeurige uitoefening door de Franse fiscus van zijn wettelijke voorkeursrecht op onroerend goed door burgers voor de prijs waarvoor zij voor de heffing van overdrachtsbelasting zeggen dat onroerend goed te hebben gekocht. Het EHRM7 overwoog dat “the best form of redress would in principle be for the State to return the land”, maar omdat dat op praktische bezwaren stuitte, kende hij uiteindelijk toch een schadevergoeding in geld toe. Ook in alle andere door mij bestudeerde belastingzaken waarin een schending van artikel 1 Eerste Protocol werd geconstateerd is rechtsherstel geboden door toekenning van een vergoeding in geld voor (materiële) schade. Zo werd in de zaken over de excessieve Hongaarse belastingheffing (besproken in par. 9.6) de hoogte van de materiële schadevergoeding bepaald op het verschil tussen het bedrag aan belasting op basis van het normale inkomstenbelastingtarief en het gewraakte tarief van maximaal 98%,8 werd in de zaak Bulves (besproken in par. 4.3.3.2) de schadevergoeding bepaald op het bedrag van de ten onrechte niet gerestitueerde BTW9 en werd in Dangeville (besproken in par. 4.3.3.5) de vergoeding bepaald op het bedrag van de ten onrechte voldane BTW10. Voor zover ik heb kunnen nagaan is de hoogste schadevergoeding ooit wegens schending van artikel 1 Eerste Protocol toegekend in de zaak Yukos (besproken in par. 5.2 en 12.2). Het Hof kende hierin een vergoeding voor materiële schade toe van ruim 1,8 miljard euro (waarmee het nog royaal onder het geclaimde bedrag van ongeveer 38 miljard euro bleef).
In een aantal belastingzaken heeft het EHRM (ook) een vergoeding voor immateriële schade toegekend. In Rousk (besproken in par. 12.2) oordeelde het Hof bijvoorbeeld dat de verzoeker door de fiscaal-executoriale verkoop van zijn eigendom en de daaruit voortvloeiende ontruiming van zijn woning aanzienlijke immateriële schade moet hebben geleden, met name gevoelens van angst en leed, en dat hij aanzienlijke morele schade moet hebben geleden.11 Het Hof kende in dat geval het volledige gevorderde bedrag van € 15.000 toe. In Shchokin (besproken in par. 5.2) kende het EHRM – nauwelijks gemotiveerd – een vergoeding voor immateriële schade toe van € 1200. In andere belastingzaken achtte het Hof een vergoeding voor immateriële schade niet nodig, omdat het de constatering van de schending als een voldoende genoegdoening beschouwde.12 Waarom het Hof in de ene zaak wel en in de andere geen aanleiding ziet om een schadevergoeding toe te kennen is vaak niet even duidelijk.13
Andere vergoedingen die het EHRM toekent bij constatering van een schending van het eigendomsgrondrecht houden verband met door de verzoeker gemaakte proceskosten, de compensatie van inflatie14 en – bij abnormale vertraging in de terugbetaling van belastingvorderingen door de Staat – vergoeding van (enkelvoudig berekende) rente.15