Hoofdelijke aansprakelijkheid
Einde inhoudsopgave
Hoofdelijke aansprakelijkheid (O&R nr. 144) 2024/5.5:5.5 Conclusie
Hoofdelijke aansprakelijkheid (O&R nr. 144) 2024/5.5
5.5 Conclusie
Documentgegevens:
mr. drs. D.F.H. Stein, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. drs. D.F.H. Stein
- JCDI
JCDI:ADS931092:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
251. Conclusie. Hoofdelijke verbondenheid heeft voor de schuldeiser als voordeel dat hij kan kiezen welke schuldenaar of welke schuldenaren hij aanspreekt, en dus ook wie hij in rechte aanspreekt. Ik heb dit de ‘procesrechtelijke keuzevrijheid’ van de schuldeiser genoemd. Zij stoelt op de zelfstandigheid van vorderingsrechten en de daaraan verbonden rechtsvorderingen. Een oordeel ten aanzien van één van de (beweerde) vordering jegens één beweerdelijk hoofdelijk schuldenaar is niet bindend voor andere beweerdelijk hoofdelijk schuldenaren, zélfs niet indien zij allen in dezelfde procedure zijn betrokken;1 er is sprake van afzonderlijke, zelfstandige procedures. Deze regels hebben in mijn ogen goede zin, gelet op het beginsel van hoor en wederhoor. De zelfstandigheid van de jegens verschillende (beweerdelijk) schuldenaren gevoerde procedures brengt ook mee dat gedaagden afzonderlijk van elkaar kunnen besluiten om (al dan niet) een rechtsmiddel in te stellen.2
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat verschillende in het ongelijk gestelde partijen niet per definitie dezelfde proceskosten hoeven te vergoeden van de in het gelijk gestelde partij(en), maar dat indien en voor zover dat het geval is, het gaat om hoofdelijke verbondenheid.3 Hoewel een dogmatisch fundament voor deze hoofdelijke verbondenheid ontbreekt, meen ik dat zij gerechtvaardigd is, omdat de in het gelijk gestelde partij niet slechter af mag zijn dan het geval zou zijn geweest indien zij in afzonderlijke procedures tegen de in het ongelijk gestelde partijen zou hebben geprocedeerd. De rechtspraak van de Hoge Raad over de mede-aansprakelijkheid van derden in geval van een forfaitaire proceskostenveroordeling ontbeert eveneens een dogmatisch fundament, omdat het daarbij niet gaat om samenlopende schadevergoedingsverbintenissen. Het gevolg van die rechtspraak is dat een in het ongelijk gestelde partij die verplicht is de forfaitaire proceskosten te vergoeden van de in het gelijk gestelde partij, in regres kan worden aangesproken door een andere partij die jegens de in het gelijk gestelde partij uit hoofde van een schadevergoedingsverplichting gehouden is zijn daadwerkelijke proceskosten te vergoeden. Vergoedt de schuldenaar deze daadwerkelijke kosten, dan zal hij mogelijk verhaal willen nemen op de in het ongelijk gestelde partij voor een bedrag dat hoger is dan diens proceskostenveroordeling. De in het ongelijk gestelde partij wier verplichting tot kostenvergoeding is beperkt vanwege onder meer het recht op toegang tot de rechter, zou dan wel onverkort in regres kunnen worden aangesproken door degene die de proceskosten als schade heeft vergoed. De argumenten die opgaan voor het beperken van de ‘aansprakelijkheid’ van de in het ongelijk gestelde procespartij jegens de in het gelijk gestelde partij, gaan mijns inziens echter evenzeer op voor de beperking van diens eventuele regresaansprakelijkheid. Ik meen dan ook dat een dergelijke verhaalsvordering afstuit op de ratio van de proceskostenregeling.4
Wat betreft de afwikkeling van schikkingen valt op dat waar het materiële recht voorziet in een eenvoudig mechanisme om in geval van een individuele schikking ook de niet-schikkende schuldenaren te bevrijden voor het gedeelte van de schuld dat de schikkende schuldenaar aangaat (de 6:14-clausule), de procesrechtelijke afwikkeling ingewikkelder is. De eisvermindering jegens de niet-schikkende schuldenaren die doorgaans het gevolg is van een dergelijke clausule, zorgt voor de procesrechtelijke complicatie dat moet worden geoordeeld over de draagplicht van de schikkende schuldenaar, terwijl die schuldenaar zelf niet langer in de procedure betrokken is.5 Na een dergelijke eisvermindering rusten de stelplicht en bewijslast van de draagplicht van de schikkende schuldenaar in beginsel op de eiser. Dit maakt dat de eiser er doorgaans belang bij heeft om in de schikkingsovereenkomst met de schikkende schuldenaar afspraken te maken over informatievoorziening ten behoeve van de door hem tegen de andere gedaagden voort te zetten procedure. In de gevallen waarin de eiser die informatie niet of maar beperkt tot zijn beschikking heeft, meen ik dat de regels inzake stelplicht en bewijslast voldoende flexibiliteit bieden om zo nodig ook te verwachten dat de gedaagde (of gedaagden) met informatie over de brug komt (of komen), al dan niet aan de hand van bewijsvermoedens of wettelijke uitgangspunten (zoals art. 6:166 lid 2 BW of de regel uit het arrest London/Delta Lloyd). De bewijspositie van de schuldeiser na een eisvermindering als gevolg van een 6:14-clausule, is dus minder benard dan zij het op het eerste gezicht lijkt.
In de interne verhoudingen kan een schikking met een 6:14-clausule voorts aanleiding geven tot complicaties indien de schikking tot gevolg heeft dat in de hoofdzaak niet langer wordt voortgeprocedeerd, bijvoorbeeld omdat slechts een van de (beweerdelijk) hoofdelijk schuldenaren in rechte was betrokken, die vervolgens met de eiser een schikking treft. De vrijwaringsprocedure wordt geregeld gekenschetst als procedure ter verkrijging van een veroordeling onder de opschortende voorwaarde van een veroordeling in de hoofdzaak. Als een schikking in de hoofdzaak leidt tot het einde daarvan, zal een dergelijke voorwaarde niet meer kunnen intreden. Tegelijkertijd is het weinig doelmatig om de schuldenaar die na een schikking verhaal wil nemen op zijn medeschuldenaren, daartoe een nieuwe procedure te laten starten indien jegens hen reeds vrijwaringsprocedures aanhangig zijn. Daarom heb ik verdedigd dat er soms goede redenen kunnen zijn om in de vrijwaringsprocedure(s) voort te procederen indien de hoofdzaak als gevolg van een schikking is beëindigd, mits de eis in de vrijwaringsprocedure daarvoor voldoende ruimte laat en uiteraard slechts indien de eiser in die procedure daarbij nog voldoende belang heeft.6
De beginselen die mijns inziens aan het materiële burgerlijk recht ten grondslag liggen,7 komen in het burgerlijk procesrecht slechts beperkt aan de oppervlakte.8 Ten dele kan dat worden verklaard doordat het burgerlijk procesrecht zelf maar zeer beperkt materieelrechtelijke aanspraken toekent, maar gedeeltelijk heeft dat ermee te maken dat het procesrecht niet op alle punten evengoed aansluit op het materiële recht. De bescherming van de schuldeiser die erin bestaat dat hem in beginsel keuzevrijheid toekomt (eerste beginsel),9 werkt door in gevallen waarin de schuldeiser hoofdelijk schuldenaren in rechte wil aanspreken: de ‘procesrechtelijke keuzevrijheid’ van de (beweerdelijk) schuldeiser.10 Het duidelijkste is dit beginsel echter zichtbaar waar het gaat om de hoofdelijke proceskostenveroordeling, omdat het procesrecht daar wél voorziet in materieelrechtelijke aanspraken, ter bescherming van de in het gelijk gestelde partij.11 Het burgerlijk procesrecht kent geen specifiek mechanisme om ongerechtvaardigde verrijking van de schuldeiser te voorkomen (tweede beginsel). Wel biedt de juridische procedure voldoende ruimte voor het verweer dat de schuld reeds door voldoening door een andere hoofdelijk schuldenaar teniet is gegaan. In mijn ogen komt de bescherming van hoofdelijk schuldenaren tegen ongerechtvaardigde verrijking ten koste van elkaar (derde beginsel) het minst duidelijk naar voren in het burgerlijk procesrecht. Met name de vrijwaringsprocedure biedt de in rechte aangesproken (beweerdelijk) hoofdelijk schuldenaar weliswaar de mogelijkheid om zijn (eventuele) verhaalsrechten te effectueren, maar een oordeel in de hoofdzaak heeft geen gezag van gewijsde in de vrijwaringsprocedure.12 Hoewel dit in theorie meebrengt dat een schuldeiser in een procedure jegens de schuldeiser wordt veroordeeld tot betaling, terwijl in een door hem jegens zijn beweerdelijk medeschuldenaren aangespannen vrijwaringsprocedure vervolgens niet komt vast te staan dat hij tot betalen verplicht is, is mijn inschatting dat dit risico vooral theoretisch is, omdat de eiser in vrijwaring die in de hoofdzaak is veroordeeld, in de vrijwaringsprocedure doorgaans zal worden gevolgd in zijn stelling dat hij aansprakelijk is jegens de eiser in de hoofdzaak. Gelet op de belangen van de in de hoofdzaak betrokken (beweerdelijk) hoofdelijk schuldenaren verdient het mijns inziens aanbeveling om in gevallen waarin de hoofdzaak tot een einde komt vanwege een daarin getroffen schikking, de vrijwaringsprocedure niet om die enkele reden óók te laten eindigen.13