Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement
Einde inhoudsopgave
Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement (O&R nr. 118) 2020/7.5.1:7.5.1 Inleiding
Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement (O&R nr. 118) 2020/7.5.1
7.5.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. A.M. Mennens, datum 01-01-2020
- Datum
01-01-2020
- Auteur
mr. A.M. Mennens
- JCDI
JCDI:ADS192704:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
380. In de literatuur wordt onderscheid gemaakt tussen materiële ongelijkheid en formele ongelijkheid. Van materiële ongelijkheid spreekt men wanneer de waarde van de uitkering aan schuldeisers uiteenloopt. Zo kan het akkoordvoorstel inhouden dat schuldeisers met een vordering tot een beloop van €1.000,- volledig worden voldaan, terwijl schuldeisers met hogere vorderingen over het meerdere 10% krijgen en dus onder de streep met een uitkeringspercentage van (ver) beneden 100% worden opgezadeld. Van formele ongelijkheid spreekt men, wanneer schuldeisers in verschillende modaliteiten voldaan worden. Zo kan het akkoord aan sommige crediteuren een uitkering in contanten bevatten, terwijl andere crediteuren in ruil voor hun vorderingen aandelen krijgen in de vennootschap.1
Ik zou daar graag een derde genuanceerde vorm van ongelijke behandeling aan toevoegen: de conditionele ongelijkheid. Daaronder versta ik de situatie waarin aan partijen weliswaar een uitkering van dezelfde waarde wordt geboden in dezelfde vorm, maar de voorwaarden waaronder die uitkering plaats zal vinden uiteenlopen. Zoals besproken in §4.7 zullen niet alle onderdelen van het akkoordaanbod van invloed zijn op de (gelds)waarde daarvan. De redelijkheid van de ongelijke behandeling kan in dat geval niet worden getoetst aan de best interest-test en de regel dat de reorganisatiewaarde conform de rangorde moet worden verdeeld.
Denk daarbij aan twee klassen concurrente crediteuren, die beiden 50% van hun uitstaande vordering in contanten voldaan zullen krijgen. Klasse A zal daags na homologatie van het akkoord betaald krijgen, terwijl klasse B in termijnen betaald krijgt. Hoewel de contante waarde van beide uitkeringen gelijk is, is goed denkbaar dat een schuldeiser in klasse B om hem moverende redenen ook liever in één keer een bedrag ontvangt.2 Ook is denkbaar dat de waarde van de schuldtitel gelijk is, maar dat aan de ene klasse een schuldtitel wordt aangeboden met strengere convenanten, waardoor deze klasse schuldeisers feitelijk meer controle heeft over de nakoming door de schuldenaar.
381. Een akkoord kan op diverse manieren tot ongelijke behandeling leiden. Ten eerste kan de aanbieder aan verschillende klassen een uiteenlopend akkoordvoorstel doen. Het feit dat vermogensverschaffers in het akkoord ongelijk worden behandeld leidt tot de vorming van een nieuwe klasse.3 In de regel zullen klassen met ongelijke rang ongelijk worden behandeld. Daarnaast is denkbaar dat klassen met een gelijke rang ongelijk worden behandeld. Afwijkingen van laatstgenoemde soort zijn meer omstreden, omdat deze leiden tot afwijking van het beginsel van de gelijkheid der crediteuren. Beide vormen van ongelijke behandelingen komen aan bod in §7.5.2.
Een tweede vorm van ongelijke behandeling hangt samen met de in §7.4.2 besproken mogelijkheid van een partieel akkoord. De aanbieder kan er immers voor kiezen bepaalde partijen buiten het akkoordvoorstel te laten. De rechten van deze partijen worden niet gewijzigd. Het niet betrekken van een gehele klasse vermogensverschaffers kan tot een verstoring van de tussen vermogensverschaffers onderling geldende rangorde leiden. Deze vorm van ongelijke behandeling komt aan bod in §7.5.3.