Vgl. HR 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1127, rechtsoverwegingen 4.4 en 4.5, en HR 20 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:283, rechtsoverwegingen 4.2.1 tot en met 4.2.8.
HR, 24-04-2026, nr. 25/00094
ECLI:NL:HR:2026:721
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
24-04-2026
- Zaaknummer
25/00094
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:721, Uitspraak, Hoge Raad, 24‑04‑2026; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2024:3621
Beroepschrift, Hoge Raad, 24‑04‑2026
- Vindplaatsen
NDFR Nieuws 2026/643
Viditax (FutD) 2026042408
FutD 2026-0712
NTFR 2026/739 met annotatie van mr. M.L. Scholte
Sdu Nieuws Belastingzaken 2026/550
V-N 2026/19.18 met annotatie van Redactie
NLF 2026/0831 met annotatie van dr. H.M. Roose
Belastingblad 2026/241 met annotatie van C.M. Bergman
FED 2026/90 met annotatie van G.C.D. Grauss
Uitspraak 24‑04‑2026
Inhoudsindicatie
Proceskosten; artikel 2, lid 2 en lid 3, van het Bpb; vrijheid rechter bij bepalen omvang vermindering.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 25/00094
Datum 24 april 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
het DAGELIJKS BESTUUR VAN COCENSUS
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 19 november 2024, nr. 23/853, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 22/2230) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken voor het jaar 2021. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door G. Gieben, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het Dagelijks bestuur van Cocensus, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1
Belanghebbende heeft voor het Hof een aantal klachten aangevoerd tegen de uitspraak van de Rechtbank. Het Hof heeft een van die klachten gegrond verklaard. Dat betreft de klacht dat de Rechtbank de heffingsambtenaar had moeten opdragen het voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht aan belanghebbende te vergoeden, omdat de Rechtbank aan belanghebbende een vergoeding van immateriële schade heeft toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak in de fase van bezwaar en beroep. Het Hof heeft hiertoe verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, en heeft overwogen dat belanghebbende voldoet aan de voorwaarden van het overgangsrecht dat is geformuleerd in rechtsoverweging 7.1.2 van dit arrest.
2.2
Het Hof heeft aan belanghebbende een vergoeding toegekend voor de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand in verband met de behandeling van het hoger beroep. Met betrekking tot de hoogte van die vergoeding is het Hof afgeweken van het puntensysteem uit de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit). Het Hof heeft dat gebaseerd op de leden 2 en 3 van artikel 2 van het Besluit, al dan niet in samenhang bezien. Het heeft daartoe onder meer overwogen dat (i) toekenning van een vergoeding volgens dat puntensysteem de werkelijke in redelijkheid gemaakte kosten zou overtreffen, (ii) de benodigde werkbelasting voor de gemachtigde beperkt was door de eenvoud van de naar voren te brengen grief en doordat deze gemachtigde hetzelfde punt met een identieke grief in meerdere zaken aan de orde heeft gesteld, en (iii) het gaat om een puur financieel procesbelang van slechts € 50.
2.3
Het Hof heeft daarom aanleiding gezien om de vergoeding voor de kosten van het hoger beroep te matigen tot een bedrag van € 60.
3. Beoordeling van de middelen
3.1
Het eerste middel richt zich onder meer tegen het hiervoor in 2.2 vermelde oordeel van het Hof dat aanleiding bestaat om de vergoeding voor de kosten van het hoger beroep met toepassing van artikel 2, leden 2 en 3, van het Besluit te matigen. Het middel faalt in zoverre, aangezien dit oordeel niet blijk geeft van een onjuiste opvatting met betrekking tot deze bepalingen uit het Besluit.1.Het oordeel is ook niet ontoereikend gemotiveerd.
3.2.1
Het eerste middel voor het overige en het tweede middel richten zich tegen de hiervoor in 2.3 vermelde beslissing van het Hof om de vergoeding voor de kosten van het hoger beroep te matigen tot een bedrag van € 60. De middelen betogen dat de tegemoetkoming in de kosten redelijk dient te zijn, en dat het Hof had moeten motiveren waarom is voldaan aan deze eis.
3.2.2
Ook deze klacht faalt. Indien de rechter besluit tot matiging van de proceskostenvergoeding op grond van artikel 2, lid 2 of lid 3, van het Besluit, heeft hij een grote vrijheid bij het bepalen van de omvang van de daaruit voortvloeiende vermindering. Hij behoeft die omvang niet afzonderlijk te motiveren.2.De rechter overschrijdt de hem hierbij toekomende vrijheid slechts als hij in redelijkheid niet tot een zo vergaande vermindering van de vergoeding mocht besluiten. De stukken van het geding bevatten geen aanwijzing dat die uitzonderlijke situatie zich in dit geval voordoet.
3.3
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).3.
4. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 24‑04‑2026
Vgl. HR 30 augustus 1996, ECLI:NL:HR:1996:AA2060, rechtsoverweging 3.3.2.
Vgl. HR 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1127, rechtsoverwegingen 4.4 en 4.5, en HR 20 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:283, rechtsoverwegingen 4.2.1 tot en met 4.2.8.
Beroepschrift 24‑04‑2026
Hoge Raad
T.a.v.: Sector Bestuursrecht
Postbus 20303
2500 EH DEN HAAG
[…], 13-01-2025
Onderwerp: beroep in cassatie
Ons kenmerk: 2021 — 121657
Procedurenummer gerechtshof: BK-AMS 23/853
Edelhoogachtbare,
Hierbij teken ik namens mijn cliënt, [X], beroep in cassatie aan tegen de uitspraak van in de procedure die oorspronkelijk gericht was tegen (onder meer) de WOZwaarde van [….] te [Z]. Een machtiging treft u als bijlage aan (bijlage 1). Ik verzoek u de nota griffierecht op te nemen in de rekening-courantverhouding met debiteurnummer […] t.n.v. […].
Feiten:
- 1.
Op 01-01-2021 was mijn cliënt belastingplichtige voor het object [a-straat 1]. Uit hoofde hiervan heeft belastingplichtige een aanslag gemeentelijke belastingen ontvangen met mede daarop vermeld de WOZ-beschikking.
- 2.
Hiertegen is namens de belastingplichtige bezwaar aangetekend.
- 3.
Bij brief van 10-02-2022 heeft de heffingsambtenaar van de Samenwerkingsverband Cocensus uitspraak op bezwaar gedaan.
- 4.
Tegen dit besluit is namens onze cliënt beroep aangetekend bij de rechtbank.
- 5.
Rechtbank Amsterdam (Amsterdam) heeft bij brief van 15-08-2023 de uitspraak op dit beroep toegezonden.
- 6.
Bij brief van 19-9-2023 is hoger beroep aangetekend tegen de onder het voorgaande punt bedoelde uitspraak.
- 7.
Het gerechtshof zond bij brief van 3 december 2024 de uitspraak (bijlage 2) op het hoger beroep toe.
Cassatiemiddelen:
Er is sprake van schending van het recht en/of verzuim van vormen, omdat:
- 1.
het hof ten onrechte toepassing geeft aan artikel 2 lid 3 Bpb in onderhavige procedure.
- 2.
het hof toepassing geeft aan artikel 2 lid 3 Bpb maar daarbij miskent dat bij toepassing van dit artikel nog steeds sprake dient te zijn van een redelijke tegemoetkoming in de daadwerkelijke kosten van belanghebbende.
Standpunt belanghebbende:
Met deze uitspraak van kan mijn cliënt zich niet verenigen, om de hierboven, onder ‘cassatiemiddelen’ verkort weergegeven redenen. Hierna zullen de cassatiemiddelen alsmede de toelichting daarop uiteen worden gezet.
Cassatiemiddel I
Uit de nota van toelichting bij het Bpb (Stb. 1993, 763} volgt dat voor toepassing van het derde lid van artikel 2 Bpb slechts aanleiding kan zijn in bijzondere omstandigheden. Deze terughoudende toepassing is begrijpelijk: bij het opstellen van het Bpb is als uitgangspunt genomen dat de proceskostenregeling eenvoudig moet zijn, de taak van de bestuursrechter niet onnodig moet verzwaren, en de rechtzoekende zekerheid moet bieden over de hoogte van de vergoeding van zijn kosten (Nota van toelichting bij het Bbp, Stb. 1993, 763). Die doelstelling wordt ondermijnd als de afwijkingsbevoegdheid tot regel wordt verheven. Blijkens de nota van toelichting bij artikel 2, derde lid, van het Bpb moet het dus gaan om uitzonderlijke gevallen waar strikte toepassing van het forfaitaire vergoedingsstelsel onrechtvaardig uitpakt.
Waarom het hof hier het forfaitaire vergoedingsstelsel niet toepast motiveert het hof niet. Het hof had de hoogte van de vergoeding ook kunnen aanpassen doormiddel van de wegingsfactor. Het bedrag van€ 60,- voor de gehele hoger beroepsfase wordt niet onderbouwd en lijkt ook nergens op te zijn gebaseerd. Het hof lijkt te bedoelen dat er slechts op een punt van ondergeschikt belang gelijk is gekregen en dat zij deswege over is gegaan tot matiging van het forfaitaire stelsel. Zij had dan artikel 2 lid 2 Bpb gemotiveerd in moeten roepen, hetgeen niet is gebeurd. Toepassing van artikel 2 lid 3 Bpb leent zich niet voor een geval als de onderhavige. Het hof had dienen te motiveren waarom de forfaitaire vergoeding de gemaakte kosten in deze zaak ver zou overtreffen. Daarvan is in deze zaak geen sprake daar er juist tal van werkzaamheden zijn verricht, zeker gelet op het feit dat ook de waarde in hoger beroep nog in geschil was.
Het toekennen van slechts€ 60,- klemt temeer nu hetzelfde hof in een uitspraak van 17 december 2024 wel de proceskostenvergoeding matigt door het toepassen van een lagere wegingsfactor. Ik voeg deze uitspraak als bijlage toe. In deze procedure ging het ook daadwerkelijk enkel om de vraag of het reeds betaalde griffierecht vergoed had dienen worden. In onderhavige was ook in hoger beroep de WOZ-waarde nog in geschil, daarnaast nog de schending van artikel 40 Wet WOZ en de hoogte van de toegekende vergoeding door de rechtbank. Onderhavige zaak was daarmee een stuk omvangrijker maar er wordt aan belanghebbende een veel lagere vergoeding toegekend. Volstrekt onbegrijpelijk in het kader van de rechtseenheid en rechtsgelijkheid alsmede in strijd met het gelijkheidsbeginsel.
Het enkel reizen van en naar de zitting in hoger beroep kost belanghebbende meer dan de nu toegekende€ 60,-. De zitting zelf, het bestuderen en opstellen van de stukken is dan nog niet meegerekend.
Cassatiemiddel II
Dat het hof bij de toepassing van artikel 2 lid 3 Bpb oog heeft gehad voor het feit dat ook bij toepassing van dit artikel er nog steeds sprake dient te zijn van een redelijke tegemoetkoming in de kosten blijkt nergens uit. Het hof had dienen motiveren waarom het toegekende bedrag van€ 60,- voldeed aan deze eis. In zoverre kleeft er ook een motiveringsgebrek aan de uitspraak van het hof.
Ik verzoek uw college te oordelen dat in onderhavig geval toepassing van artikel 2 lid Bpb buiten toepassing had moeten blijven danwel dat het toegekende bedrag van€ 60,- strijdig is met dit artikel en artikel 8:75 Awb. Deze zaak leende zich prima voor toepassing van het forfait.
Conclusie:
Op basis van de bovenstaande grieven verzoek ik u:
- 1.
Het beroep in cassatie gegrond te verklaren en zelf in de zaak te voorzien;
- 2.
Verweerder te veroordelen tot een proceskostenvergoeding voor de kosten zoals gemaakt in de (hoger-) beroepsfase en in cassatie op grond van artikel 8:75 Awb.
Hoogachtend,