Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/8.2
8.2 Het bereiken van de Awb-doelstellingen
mr. dr. P. van Lochem, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. dr. P. van Lochem
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor de doelstellingen het regeringsontwerp en de reactie van de Raad van State daarop: https://pgawb.nl/pg-awb-digitaal/eerste-tranche-awb/i-doelstellingen/. In de motie Korte-van Hemel, waarin de Kamer aan de regering vroeg om spoed te betrachten met de in (het huidige) art. 107, tweede lid van de Grondwet voorgeschreven codificatie van algemene regels van administratief recht, werd gesproken over een behoefte aan ‘rechtsgelijkheid en rechtszekerheid (…) en een goede bestuurspraktijk in het algemeen’. Zie Kamerstukken II 1979/80, 15046, 11.
De vraag bij hoeveel afwijkingen van de Awb in bijzondere wetgeving de doelstellingen van rechtseenheid, systematisering en vereenvoudiging niet meer worden gehaald, is niet te bepalen aan de hand van het aantal afwijkingen, ook al is het evident dat het halen van deze doelstellingen vermindert, naarmate er meer afwijkingen zijn. Zo wordt bijv. in de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) 37 keer verwezen naar de Awb, waarvan 25 afwijkingen. In de Omgevingswet wordt 42 maal verwezen naar de Awb, waarvan 15 afwijkingen.
Zie hierover T.C. Borman, ‘Van Warb tot Awb: de invloed van de commissie-Scheltema op de Awb’, in: T. Barkhuysen e.a. (red.), Bestuursrecht harmoniseren: 15 jaar Awb, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2010, p. 23-40. Naast wetgeving op fiscaal terrein is ook de ‘ongemakkelijke relatie’ tussen de onderwijswetgeving en de Awb herhaaldelijk aan de orde gesteld. Zie bijv. J.A. de Boer e.a., ‘De onderwijswetgeving en de Awb: een ongemakkelijke relatie die aan vernieuwing toe is’, NTB 2014/15, p. 114-123. Voor een pleidooi voor dit eigenstandige karakter van de onderwijswetgeving: B.P. Vermeulen en P.J.J. Zoontjens, Het ‘algemene’ bestuursrecht en het ‘bijzondere’ onderwijsrecht (VAR-reeks 124), Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2000.
Vooral Tak en Damen hebben dat gedaan in een veelheid van publicaties.
Denk aan de Crisis- en herstelwet, de bestuurlijke lus (en niet de ‘burgerlus’ ), de relativiteitseis en de mogelijkheid voor de rechter om gebreken te passeren. Zie voor de wijziging van Awb-doelen in de loop der tijd: Jaap Polak, ‘De ontwikkeling van het algemeen bestuursrecht van 1900 tot heden. Welke kansen zijn er nu?’, in: M.N. Boeve en R. Uylenburg (red.), Kansen in het Omgevingsrecht, Amsterdam: Europa Law Publishing 2010, p. 371-383.
Zie hierover Daalder e.a. in de bijzondere uitgave van het NTB 2007/23.
Zie in deze zin ook de conclusie van Damen ‘dat het beoogde doel en de effecten van de Awb diffuus en moeilijk meetbaar zijn.’ Zie L.J.A. Damen, ‘De ‘huidige behoeften’: waar blijven de ervaringen en behoeften van de burger?’, NTB 2007/23.
Met altijd een verwijzing naar de ‘Kemenadianen’: J.A. van Kemenade e.a., Bestuur in geding. Rapport van de werkgroep inzake terugdringing van de juridisering van het bestuur, Haarlem: Provinciehuis 1997.
Aldus Michiels, die er overigens bij zegt dat je daarvoor wel een ‘sombere bui’ moet hebben. Zie F.C.M.A. Michiels, ‘Het gaat beter met de Awb, maar nog niet goed (genoeg). Enige opmerkingen over het rapport van de Commissie Evaluatie Awb III’, NTB 2007/23.
Scheltema 1996 gebruikt de term ‘voordelen’ in plaats van ‘doelstellingen’. Voor het betoog hier maakt dat onderscheid niet zoveel uit. Ook bij voordelen laat zich de vraag stellen of ze behaald zijn.
Zo bestaat de beoordeling van Ortlep e.a. over de doelstellingen en voordelen van de Awb als codificatie vrijwel geheel uit enerzijds-anderzijds antwoorden. Zie Rolf Ortlep, Willemien den Ouden, Ymre Schuurmans e.a., ‘Nut en noodzaak van een algemene codificatie van bestuursrecht’, NALL februari 2014, DOI:10.5553/NALL/.000020.
De doelen waarover regering en Kamer het eens waren – blijkens de memorie van toelichting1 en de motie waarin de Kamer vraagt om voortvarendheid met deze wetgeving – zijn algemeen en evident. De Awb zou moeten bijdragen aan de rechtseenheid en aan systematisering en vereenvoudiging, naast het codificeren van jurisprudentie en het regelen van algemene voorzieningen. De omvangrijke bijzondere wetgeving waarin van de Awb mag worden afgeweken, heeft vanzelfsprekend vragen opgeroepen of die bijdrage toch nog wel zo substantieel is dat het de moeite loont. Een relevante afweging, maar wel een afweging die – bij gebrek aan een gedeeld criterium – niet definitief kan worden gemaakt.2
Een tweede vraagteken bij de betekenis van de Awb-doelstellingen betreft de bewuste vaagheid ervan. Allereerst bestond bij de ambtelijke makers van de Awb de uitdrukkelijke behoefte om de doelstellingen impliciet te houden. Dat hield niet zozeer verband met hun politiek neutrale positie, maar vooral ook met hun streven om niet meer tegenstand op te roepen dan er interdepartementaal al was. Aan menig departement meende men dat de beoogde algemene regels van bestuursrecht minder toepasselijk zouden zijn op het eigen, specifieke beleidsterrein.3 Om onwillige ministeries mee te krijgen, helpt het niet al te ambitieuze doelen te formuleren.
Er waren ook politiek-strategische argumenten die het expliciteren van doelstellingen temperden. Was de Awb vooral een middel om het besturen te bevorderen – onder meer door bevoegdheden te legitimeren – of ging het in de eerste plaats om rechtsbescherming tegen het bestuur? Vanaf de eerste Awbjaren verzetten bestuurders zich tegen teveel nadruk op de rechtsbescherming van burgers tegen de overheid. Daardoor zou effectief besturen onmogelijk worden, zo redeneerden ook de opstellers van ‘Bestuur in geding’.4 Anderen drongen daarentegen juist aan op een explicieter burgerperspectief.5 Voor de wetgever alle reden om niet duidelijk partij te kiezen. Ook bij latere wetgeving die aan een aantal rechtsbeschermende (algemene) bepalingen een einde maakt, blijft de doelstelling onduidelijk. Gaat het om de economische noodzaak, om de stroomlijning van de besluitvorming of om de (bestuurlijke) hinderlijkheid van rechtsbescherming?6
Een duidelijke relativering van de betekenis van Awb-doelstellingen is gegeven in het kader van de evaluatie van de Awb. Voor toetsing van de Awbwerkelijkheid aan de oorspronkelijke doelstellingen van de wetgever was opvallend weinig gehoor. Die doelstellingen deden er minder toe, zo oordeelden de commissies Boukema (tweede evaluatie) en Ilsink (derde). Voor hen waren de actuele behoeften de belangrijkste toetssteen om een oordeel over het functioneren van de Awb uit te spreken. Daarbij toonden de beide commissies zich weinig ambitieus waar het de invalshoek van de burger betreft.7
Voor een beoordeling van de Awb-effecten zijn de door de wetgever – regering, parlement en ambtelijke makers – aangegeven doelstellingen niet geschikt en overigens in het kader van opeenvolgende evaluaties niet gebruikt. De doelstellingen zijn diffuus – om tal van redenen ook bewust diffuus gelaten – en moeilijk meetbaar.8 Dat geeft ook ruimte voor zeer uiteenlopende kritiek die dan ook moeilijk te weerleggen is, zoals de constatering dat er sprake is van een juridisering die het besturen onmogelijk maakt9 en dat je zou kunnen zeggen dat de burger weinig met de Awb is opgeschoten.10 Vaagheid van doelstellingen en van ‘voordelen’11 leiden ook al gauw naar een vage beoordeling over het behalen ervan.12