Procestaal: Engels.
HvJ EU, 24-10-2024, nr. C-240/22 P
ECLI:EU:C:2024:915
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
24-10-2024
- Magistraten
I. Jarukaitis, D. Gratsias, E. Regan
- Zaaknummer
C-240/22 P
- Conclusie
L. Medina
- Roepnaam
Commissie/Intel Corporation
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2024:915, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 24‑10‑2024
ECLI:EU:C:2024:65, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 18‑01‑2024
Uitspraak 24‑10‑2024
Inhoudsindicatie
Hogere voorziening — Mededinging — Misbruik van machtspositie — Markt van microprocessoren — Beschikking houdende vaststelling van een inbreuk op artikel 102 VWEU en artikel 54 van de EER-Overeenkomst — Getrouwheidskorting — Kwalificatie als misbruik — Strategie die erop gericht is minstens even efficiënte concurrenten als de onderneming met een machtspositie uit te sluiten
I. Jarukaitis, D. Gratsias, E. Regan
Partij(en)
In zaak C-240/22 P,*
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 5 april 2022,
Europese Commissie, aanvankelijk vertegenwoordigd door F. Castillo de la Torre, M. Kellerbauer, N. Khan en C. Sjödin, vervolgens door F. Castillo de la Torre, M. Kellerbauer en N. Khan, en ten slotte door F. Castillo de la Torre en M. Kellerbauer als gemachtigden,
rekwirante,
ondersteund door:
Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door J. Möller en P.-L. Krüger als gemachtigden,
interveniënte in hogere voorziening,
andere partijen in de procedure:
Intel Corporation Inc., gevestigd te Wilmington, Delaware (Verenigde Staten), aanvankelijk vertegenwoordigd door D. Beard, KC, J. Williams, barrister, en A. Parr, solicitor, vervolgens door D. Beard, KC, J. Williams, barrister, en B. Meyring, Rechtsanwalt,
verzoekster in eerste aanleg,
Association for Competitive Technology Inc., gevestigd te Washington, DC (Verenigde Staten), vertegenwoordigd door J.-F. Bellis en K. Van Hove, advocaten,
Union fédérale des consommateurs — Que choisir (UFC — Que choisir),
interveniënten in eerste aanleg,
Inhoud
Voorgeschiedenis van het geding en inhoud van de litigieuze beschikking
Eerste procedure bij het Gerecht en bij het Hof
Procedure bij het Gerecht na terugverwijzing en bestreden arrest
Procedure bij het Hof en conclusies van partijen
Hogere voorziening
Eerste middel: het Gerecht heeft ultra petita geoordeeld en heeft een onjuiste uitlegging en toepassing gegeven aan het vermogen van de betwiste kortingen om de mededinging uit te sluiten
Eerste onderdeel: het Gerecht heeft ultra petita geoordeeld
- —
Argumenten van partijen
- —
Beoordeling door het Hof
Tweede onderdeel: het Gerecht heeft een onjuiste uitlegging en toepassing gegeven aan de criteria aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat de betwiste kortingen de mededinging kunnen uitsluiten
- —
Argumenten van partijen
- —
Beoordeling door het Hof
Tweede middel: schending van de rechten van verdediging van de Commissie
Argumenten van partijen
Beoordeling door het Hof
Derde middel: onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot het vereiste bewijs, schending van de rechten van verdediging van de Commissie, en onjuiste opvatting van de bewijzen bij het onderzoek van de toepassing van het AEC-criterium ten aanzien van Dell
Eerste onderdeel: onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot het vereiste bewijs
- —
Argumenten van partijen
- —
Beoordeling door het Hof
Tweede onderdeel: onjuiste toepassing van de gehanteerde bewijsstandaard
- —
Argumenten van partijen
- —
Beoordeling door het Hof
Derde onderdeel: onjuiste opvatting van bewijs bij het onderzoek van de toepassing van het AEC-criterium ten aanzien van Dell en schending van de rechten van verdediging van de Commissie
- —
Argumenten van partijen
- —
Beoordeling door het Hof
Vierde middel: verscheidene onjuiste rechtsopvattingen en schending van de rechten van verdediging van de Commissie bij het onderzoek van de toepassing van het AEC-criterium ten aanzien van HP
Eerste onderdeel: verscheidene onjuiste rechtsopvattingen bij het onderzoek van de toepassing van het AEC-criterium ten aanzien van HP
- —
Argumenten van partijen
- —
Beoordeling door het Hof
Tweede onderdeel: schending van de rechten van verdediging van de Commissie bij het onderzoek van de toepassing van het AEC-criterium ten aanzien van HP
- —
Argumenten van partijen
- —
Beoordeling door het Hof
Vijfde middel: onjuiste uitlegging van de toepassing van het AEC-criterium en van artikel 102 VWEU, onjuiste opvatting van het bewijs en schending van de rechten van verdediging van de Commissie bij het onderzoek van de toepassing van het AEC-criterium ten aanzien van Lenovo
Argumenten van partijen
Beoordeling door het Hof
Zesde middel: onjuiste beoordeling van de gevolgen die moeten worden verbonden aan de bij de toepassing van het AEC-criterium vastgestelde fouten
Argumenten van partijen
Beoordeling door het Hof
Kosten
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: I. Jarukaitis, president van de Vierde kamer, waarnemend rechter van de Vijfde kamer, D. Gratsias (rapporteur) en E. Regan, rechters,
advocaat-generaal: L. Medina,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 18 januari 2024,
het navolgende
Arrest
1
Met haar hogere voorziening verzoekt de Europese Commissie om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 26 januari 2022, Intel Corporation/Commissie (T-286/09 RENV, EU:T:2022:19; hierna: ‘bestreden arrest’), voor zover daarbij, ten eerste, artikel 1, onder a) tot en met e), en artikel 2 van beschikking C(2009) 3726 definitief van de Commissie van 13 mei 2009 inzake een procedure op grond van artikel [102 VWEU] en artikel 54 van de EER-Overeenkomst (zaak COMP/C-3/37.990 — Intel) (hierna: ‘litigieuze beschikking’) en, ten tweede, artikel 3 van deze beschikking, voor zover het betrekking heeft op artikel 1, onder a) tot en met e), van die beschikking, nietig worden verklaard.
Voorgeschiedenis van het geding en inhoud van de litigieuze beschikking
2
De voorgeschiedenis van het geding en de inhoud van de litigieuze beschikking zijn beschreven in de punten 1 tot en met 35 van het bestreden arrest. Ten behoeve van de onderhavige procedure kan zij als volgt worden samengevat.
3
Intel Corporation Inc. (hierna: ‘Intel’) is een vennootschap naar Amerikaans recht die zich bezighoudt met het ontwerpen, ontwikkelen, produceren en op de markt brengen van microprocessoren (Central Processing Units; hierna: ‘CPU's’), ‘chipsets’ en andere halfgeleidercomponenten, alsook van platformoplossingen voor gegevensverwerking en communicatieapparatuur.
4
Na een op 18 oktober 2000 door Advanced Micro Devices, Inc. (hierna: ‘AMD’) ingediende klacht, die op 26 november 2003 is gecompleteerd, heeft de Commissie krachtens verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101 en 102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1), een onderzoek naar Intel ingesteld.
5
Op 26 juli 2007 heeft de Commissie Intel een mededeling van punten van bezwaar ter kennis gebracht over haar handelwijze ten aanzien van vijf grote computerfabrikanten (Original Equipment Manufacturers; hierna: ‘OEM's’), namelijk Dell, Hewlett-Packard Company (HP), Acer Inc., NEC Corp. en International Business Machines Corp. (IBM).
6
Op 17 juli 2008 heeft de Commissie Intel een aanvullende mededeling van punten van bezwaar ter kennis gebracht over haar handelwijze ten aanzien van Media-Saturn-Holding GmbH (hierna: ‘MSH’), een Europese detailhandelaar in consumentenelektronica en de grootste detailhandelaar in Europa wat desktopcomputers betreft. Deze mededeling van punten van bezwaar had tevens betrekking op de handelwijze van Intel ten aanzien van Lenovo Group Ltd (hierna: ‘Lenovo’) en bevatte voorts nieuw bewijs omtrent de gedragingen van Intel ten aanzien van sommige van de OEM's waarop de mededeling van punten van bezwaar van 26 juli 2007 betrekking had, dat de Commissie na deze datum had verkregen.
7
Op 13 mei 2009 heeft de Commissie de litigieuze beschikking gegeven. Een samenvatting ervan is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (PB 2009, C 227, blz. 13).
8
Volgens de litigieuze beschikking heeft Intel zich van oktober 2002 tot december 2007 schuldig gemaakt aan één enkele voortgezette inbreuk op artikel 102 VWEU en artikel 54 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER) van 2 mei 1992 (PB 1994, L 1, blz. 3) door een strategie toe te passen die erop was gericht een concurrent, te weten AMD, van de markt van CPU's met de x86-architectuur (hierna: ‘x86-CPU's’) uit te sluiten.
9
De producten waarop de litigieuze beschikking betrekking heeft, zijn CPU's, onderdelen van elke computer die essentieel zijn voor zowel de algemene prestaties als de totale kosten van het systeem. Zij worden vaak beschouwd als het ‘brein’ van de computer. Voor de fabricage van CPU's zijn dan ook technologisch geavanceerde, kostbare faciliteiten nodig.
10
CPU's voor computers kunnen in twee categorieën worden ingedeeld, te weten x86-CPU's en CPU's die op een andere architectuur zijn gebaseerd. De x86-architectuur is een door Intel voor haar CPU's ontworpen norm die geschikt is voor zowel het Windows- als het Linux-besturingssysteem. Windows is grotendeels met de x86-instructieset verbonden. Vóór 2000 waren diverse fabrikanten van x86-CPU's op de markt actief. De meeste daarvan zijn echter van de markt verdwenen. Intel en AMD zijn sindsdien nagenoeg de enige bedrijven die nog x86-CPU's vervaardigen.
11
De geografische markt is als wereldomspannend gedefinieerd.
12
Gezien ten eerste het marktaandeel van Intel van ten minste 70 % tussen 1997 en 2007 en ten tweede de aanzienlijke barrières voor toegang tot en expansie op die markt — ten gevolge van de verzonken investeringen in onderzoek en ontwikkeling, intellectuele eigendom en productiefaciliteiten die voor de fabricage van x86-CPU's nodig zijn — is de Commissie tot de slotsom gekomen dat Intel in ieder geval in de periode van oktober 2002 tot en met december 2007 een machtspositie op de genoemde markt heeft ingenomen.
13
De Commissie heeft Intel twee soorten ongeoorloofde gedragingen verweten. In de eerste plaats heeft Intel kortingen verleend aan vier OEM's, te weten Dell, Lenovo, HP en NEC, op voorwaarde dat zij al hun of vrijwel al hun x86-CPU's bij Intel inkochten, alsook betalingen aan MSH verricht, op voorwaarde dat zij uitsluitend met door Intel vervaardigde x86-CPU's uitgeruste computers verkocht (hierna samen: ‘betwiste kortingen’). Deze kortingen waren getrouwheidskortingen. Het mechanisme van de voorwaardelijke betalingen aan MSH was overigens vergelijkbaar met dat van deze kortingen.
14
In de litigieuze beschikking heeft de Commissie een economische analyse verricht van de mogelijkheid om met behulp van de betwiste kortingen een concurrent uit te sluiten die even efficiënt was als Intel, maar geen machtspositie innam (criterium van de as efficient competitor; hierna: ‘AEC-criterium’ of ‘AEC-analyse’). Met deze analyse kan worden bepaald tegen welke prijs een even efficiënte concurrent als Intel zijn CPU's had moeten aanbieden om een OEM te ‘compenseren’ voor het derven van een dergelijke door Intel verleende korting. Een soortgelijke analyse is uitgevoerd voor de betalingen van Intel aan MSH.
15
Op basis van het door haar verzamelde bewijs is de Commissie tot de conclusie gekomen dat de betwiste kortingen de getrouwheid van zogenoemde ‘strategisch belangrijke’ OEM's en van MSH hebben verzekerd. Een bijkomend effect van deze kortingen was dat het vermogen van concurrenten van Intel om op de prestaties van hun x86-CPU's te concurreren, aanzienlijk werd beperkt. De mededingingsverstorende gedragingen van Intel hebben bijgevolg geleid tot minder keuzevrijheid voor de consument en een geringere prikkel tot innovatie.
16
In de tweede plaats verwijt de Commissie Intel onverbloemde concurrentiebeperkingen (naked restrictions), die erin bestaan dat Intel drie OEM's, te weten HP, Acer en Lenovo, heeft vergoed opdat zij de lancering van producten met door AMD vervaardigde x86-CPU's uitstelden of annuleerden en/of restricties hanteerden ten aanzien van de distributie van deze producten. De Commissie is tot de slotsom gekomen dat deze handelwijze, die geen normale mededinging op basis van verdienste vormde, tevens de mededinging rechtstreeks schade heeft toegebracht.
17
In de litigieuze beschikking komt de Commissie tot de conclusie dat elk van de aan Intel verweten gedragingen ten aanzien van bovengenoemde OEM's en ten aanzien van MSH misbruik in de zin van artikel 102 VWEU oplevert, en dat de afzonderlijke misbruiken bovendien een algemene strategie vormden die erop was gericht om AMD, Intels enige concurrent van betekenis, van de markt van x86-CPU's uit te sluiten. Deze misbruiken vormen derhalve tezamen één enkele inbreuk op artikel 102 VWEU.
18
Op grond van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die worden opgelegd uit hoofde van artikel 23, lid 2, onder a), van verordening (EG) nr. 1/2003 (PB 2006, C 210, blz. 2), heeft de Commissie Intel een geldboete van 1,06 miljard EUR opgelegd.
19
Het in punt 35 van het bestreden arrest weergegeven dispositief van de litigieuze beschikking luidt:
‘Artikel 1
Intel […] heeft zich van oktober 2002 tot december 2007 schuldig gemaakt aan één enkele voortgezette inbreuk op artikel [102 VWEU] en artikel 54 van de EER-Overeenkomst door een strategie toe te passen die erop was gericht de markt van x86-CPU's voor concurrenten af te schermen. Daartoe heeft Intel:
- a)
in het tijdvak van december 2002 tot december 2005 kortingen verleend aan Dell waarvan de hoogte was gebonden aan de voorwaarde dat Dell al haar x86-CPU's van Intel betrok;
- b)
in het tijdvak van november 2002 tot mei 2005 kortingen verleend aan HP waarvan de hoogte was gebonden aan de voorwaarde dat HP ten minste 95 % van de x86-CPU's voor haar zakelijke desktopcomputers van Intel betrok;
- c)
in het tijdvak van oktober 2002 tot november 2005 kortingen verleend aan NEC waarvan de hoogte was gebonden aan de voorwaarde dat NEC ten minste 80 % van de x86-CPU's voor haar client-pc's van Intel betrok;
- d)
in het tijdvak van januari 2007 tot december 2007 kortingen verleend aan Lenovo waarvan de hoogte was gebonden aan de voorwaarde dat Lenovo alle x86-CPU's voor haar laptopcomputers van Intel betrok;
- e)
in het tijdvak van oktober 2002 tot december 2007 betalingen verricht aan [MSH] waarvan de hoogte was gebonden aan de voorwaarde dat [MSH] uitsluitend met x86-CPU's van Intel uitgeruste computers verkocht;
- f)
in het tijdvak van november 2002 tot mei 2005 betalingen verricht aan HP onder de voorwaarde dat HP:
- i)
zich voor haar met x86-CPU's van AMD uitgeruste zakelijke desktopcomputers op kleine en middelgrote ondernemingen en op afnemers binnen de overheid, het onderwijs en de medische wereld in plaats van op grote zakelijke afnemers richtte;
- ii)
haar distributiepartners verbood voorraden aan te houden van haar met x86-CPU's van AMD uitgeruste zakelijke desktopcomputers, zodat deze computers door afnemers uitsluitend konden worden betrokken door de producten bij HP te bestellen (hetzij rechtstreeks, hetzij via distributiepartners van HP die optraden als handelsagent);
- iii)
de lancering van haar met een x86-CPU van AMD uitgeruste zakelijke desktopcomputer in de regio [Europa, Midden-Oosten en Afrika] met zes maanden uitstelde;
- g)
in het tijdvak van september 2003 tot januari 2004 betalingen verricht aan Acer onder de voorwaarde dat Acer de lancering van een met een x86-CPU van AMD uitgeruste laptopcomputer uitstelde;
- h)
in het tijdvak van juni 2006 tot december 2006 betalingen verricht aan Lenovo onder de voorwaarde dat Lenovo de lancering van haar met x86-CPU's van AMD uitgeruste laptopcomputers uitstelde en, uiteindelijk, annuleerde.
Artikel 2
Vanwege de in artikel 1 genoemde inbreuk wordt Intel […] een geldboete van 1 060 000 000 EUR opgelegd.
Artikel 3
Intel […] dient onverwijld een einde te maken aan de in artikel 1 beschreven inbreuk, voor zover zij dit nog niet heeft gedaan.
Intel […] dient zich te onthouden van de in artikel 1 beschreven handelingen of gedragingen en van elke handeling of gedraging die hetzelfde of een soortgelijk doel of gevolg heeft.
[…]’
Eerste procedure bij het Gerecht en bij het Hof
20
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 22 juli 2009, heeft Intel beroep tot nietigverklaring van de litigieuze beschikking ingesteld. Ter ondersteuning van haar beroep heeft zij negen middelen aangevoerd.
21
Association for Competitive Technology Inc. (hierna: ‘ACT’) en Union fédérale des consommateurs — Que choisir (UFC — que choisir) werden toegelaten tot interventie in de procedure aan de zijde van respectievelijk Intel en de Commissie.
22
Bij arrest van 12 juni 2014, Intel/Commissie (T-286/09, EU:T:2014:547; hierna: ‘oorspronkelijk arrest’) heeft het Gerecht het beroep in zijn geheel verworpen. De verwerping van dit beroep was met name gebaseerd op twee premissen met betrekking tot de rol van het AEC-criterium, dat de Commissie heeft gebruikt om de gevolgen van de betwiste kortingen te analyseren. Volgens de eerste premisse was voor de vaststelling van de onrechtmatigheid van deze kortingen geen onderzoek van de omstandigheden van de zaak vereist, zodat de Commissie niet verplicht was per geval aan te tonen dat die kortingen tot marktuitsluiting konden leiden. Zelfs al zou een beoordeling van de concrete omstandigheden nodig zijn om de potentiële mededingingsverstorende effecten van de getrouwheidskortingen aan te tonen, zou het volgens de tweede premisse daarentegen niet nodig zijn deze aan de hand van de toepassing van het AEC-criterium aan te tonen. In het kader van een subsidiair uitgevoerd onderzoek heeft het Gerecht geoordeeld dat de Commissie rechtens genoegzaam en op basis van een analyse van de concrete omstandigheden had aangetoond dat de betwiste kortingen de mededinging konden beperken. Hieruit volgt dat het Gerecht niet verplicht was te onderzoeken of de Commissie het AEC-criterium naar behoren en foutloos had gehanteerd, en dat evenmin hoefde te worden nagegaan of de door Intel voor dat criterium voorgestelde alternatieve berekeningen juist waren.
23
Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 26 augustus 2014 heeft Intel hogere voorziening tegen het oorspronkelijke arrest ingesteld. Ter ondersteuning van haar hogere voorziening heeft Intel zes middelen aangevoerd.
24
Bij arrest van 6 september 2017, Intel/Commissie (C-413/14 P, EU:C:2017:632; hierna: ‘arrest in hogere voorziening’), zoals gerectificeerd, heeft het Hof het oorspronkelijke arrest vernietigd en de zaak terugverwezen naar het Gerecht.
25
Na afwijzing van het vijfde en het vierde middel van de hogere voorziening, waarmee respectievelijk werd aangevoerd dat het Gerecht de criteria voor de bevoegdheid van de Commissie ten aanzien van de door Intel met Lenovo gesloten overeenkomsten en procedurele onregelmatigheden onjuist had toegepast, heeft het Hof het eerste middel onderzocht en aanvaard. Met dat middel werd betoogd dat het Gerecht blijk had gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omdat het de betwiste kortingen niet had onderzocht in het licht van alle omstandigheden van de zaak.
26
In dat verband heeft het Hof in de punten 133 en 134 van het arrest in hogere voorziening benadrukt dat artikel 102 VWEU geenszins tot doel heeft om een onderneming te beletten om door eigen verdienste een machtspositie op een markt te verwerven. Deze bepaling heeft evenmin tot doel om ervoor te zorgen dat minder efficiënte concurrenten dan de onderneming met een machtspositie op de markt aanwezig blijven. Niet elk uitsluitingseffect tast dus noodzakelijkerwijs de mededinging aan. Op verdienste gebaseerde mededinging kan er per definitie toe leiden dat minder efficiënte concurrenten dan de onderneming met een machtspositie, die dus op het punt van de prijs, de keuze, de kwaliteit of de innovatie voor de consument minder interessant zijn, van de markt verdwijnen of daarop een marginale plaats krijgen.
27
In de punten 135 tot en met 137 van het arrest in hogere voorziening heeft het Hof niettemin in herinnering gebracht dat, aangezien op een onderneming met een machtspositie een bijzondere verantwoordelijkheid rust om door haar gedrag geen afbreuk te doen aan de daadwerkelijke en onvervalste mededinging op de interne markt, zij haar even efficiënte concurrenten niet kan uitsluiten en haar machtspositie niet kan versterken met behulp van andere middelen dan die welke berusten op een mededinging op basis van verdienste, zoals een systeem van kortingen dat is gebonden aan de voorwaarde dat de afnemer zich voor zijn behoeften goeddeels of uitsluitend bevoorraadt bij de onderneming die een machtspositie inneemt.
28
In de punten 138 en 139 van het arrest in hogere voorziening heeft het Hof verduidelijkt dat wanneer de betrokken onderneming tijdens de administratieve procedure — onder overlegging van bewijs — betoogt dat haar gedrag dat erin bestond getrouwheidskortingen toe te passen de mededinging niet kon beperken en met name de verweten uitsluitingseffecten niet kon teweegbrengen, de Commissie er niet alleen toe gehouden is de omvang van de machtspositie van de onderneming op de relevante markt, de marktdekking van de betwiste kortingen en de duur en hoogte van die kortingen alsook de voorwaarden en de modaliteiten voor het verlenen ervan te onderzoeken, maar ook moet beoordelen of er sprake is van een strategie die erop gericht is minstens even efficiënte concurrenten als de onderneming met een machtspositie uit te sluiten.
29
Het Hof heeft dan ook in de punten 143 en 144 van het arrest in hogere voorziening vastgesteld dat het AEC-criterium van wezenlijk belang was geweest bij de beoordeling door de Commissie van de mogelijkheid dat de betwiste kortingen even efficiënte concurrenten als Intel zouden uitsluiten, zodat het Gerecht gehouden was om alle argumenten van Intel met betrekking tot dat criterium te onderzoeken.
30
Zoals is uiteengezet in de punten 145 en 146 van het arrest in hogere voorziening, heeft het Gerecht evenwel in het oorspronkelijke arrest geoordeeld dat het niet nodig was te onderzoeken of de Commissie het AEC-criterium naar behoren en foutloos had gehanteerd, en dat evenmin hoefde te worden nagegaan of de door Intel voorgestelde alternatieve berekeningen juist waren. Bijgevolg heeft het Gerecht in het kader van zijn onderzoek ten overvloede van de omstandigheden van de zaak in hetzelfde arrest het door de Commissie toegepaste AEC-criterium als irrelevant aangemerkt en derhalve niet geantwoord op de kritiek van Intel op dat criterium.
31
Dientengevolge heeft het Hof in punt 147 van het arrest in hogere voorziening geoordeeld dat het oorspronkelijke arrest moest worden vernietigd, aangezien het Gerecht bij zijn analyse van de mogelijkheid dat de betwiste kortingen de mededinging beperken ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het betoog van Intel waarmee zij opkwam tegen vermeende fouten van de Commissie in verband met het AEC-criterium.
32
In de punten 149 en 150 van het arrest in hogere voorziening heeft het Hof dan ook geoordeeld dat het Gerecht, waarnaar de zaak diende te worden terugverwezen, in het licht van de door Intel aangevoerde argumenten moest onderzoeken of de betwiste kortingen de mededinging konden beperken.
Procedure bij het Gerecht na terugverwijzing en bestreden arrest
33
Op 14, 15 en 16 november 2017 hebben respectievelijk ACT, Intel en de Commissie krachtens artikel 217, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht hun schriftelijke opmerkingen ingediend over de uit het arrest in hogere voorziening te trekken conclusies voor de beslechting van het geding (hierna: ‘hoofdopmerkingen over de terugverwijzing’).
34
Op 20 februari 2018 heeft ACT en op 5 maart 2018 hebben Intel en de Commissie aanvullende schriftelijke opmerkingen ingediend krachtens artikel 217, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht (hierna: ‘aanvullende opmerkingen over de terugverwijzing’).
35
In haar hoofdopmerkingen over de terugverwijzing heeft Intel, ondersteund door ACT, met name haar verzoek tot nietigverklaring van de litigieuze beschikking herhaald. In haar opmerkingen heeft de Commissie het Gerecht verzocht het beroep te verwerpen.
36
Om te beginnen heeft het Gerecht zich in de punten 74 tot en met 102 van het bestreden arrest uitgesproken over het voorwerp van het geding na terugverwijzing, en in de punten 103 tot en met 111 van dat arrest over de ontvankelijkheid van de hoofd- en aanvullende opmerkingen over de terugverwijzing van Intel en ACT.
37
Wat betreft het voorwerp van het bij hem aanhangige geding na terugverwijzing, is het Gerecht tot de slotsom gekomen dat dit voorwerp in wezen betrekking had op de analyse van de vraag of de betwiste kortingen de mededinging konden beperken in het licht van, ten eerste, de in de punten 133 en volgende van het arrest in hogere voorziening vermelde verduidelijkingen met betrekking tot de beginselen die zijn geformuleerd in het arrest van 13 februari 1979, Hoffmann-La Roche/Commissie (85/76, EU:C:1979:36), en ten tweede, de hoofd- en aanvullende opmerkingen over de terugverwijzing met betrekking tot de uit deze verduidelijkingen te trekken conclusies.
38
In dit verband heeft het Gerecht uit het oorspronkelijke arrest de bevindingen overgenomen die betrekking hebben op de onverbloemde concurrentiebeperkingen en de onrechtmatigheid daarvan in het licht van artikel 102 VWEU, evenals de beoordelingen met betrekking tot de kwalificatie van de betwiste kortingen als ‘exclusiviteitskortingen’. Het Gerecht was evenwel overeenkomstig de door het arrest in hogere voorziening beslechte rechtspunten van oordeel dat de kwalificatie van de betwiste kortingen als ‘exclusiviteitskortingen’ niet impliceerde dat er geen AEC-analyse nodig was om te beoordelen of die kortingen de mededinging konden beperken, noch dat die analyse volstond om deze kortingen als misbruik in de zin van artikel 102 VWEU aan te merken.
39
Wat betreft de ontvankelijkheid van de hoofd- en aanvullende opmerkingen over de terugverwijzing van Intel en ACT, heeft het Gerecht benadrukt dat artikel 84, lid 1, van zijn Reglement voor de procesvoering zich er niet tegen verzet dat Intel die opmerkingen hoofdzakelijk wijdt aan een herhaling of zelfs een uitwerking van de argumenten betreffende het AEC-criterium in het verzoekschrift. Volgens het Gerecht vormt het arrest in hogere voorziening als zodanig evenwel geen nieuw gegeven dat de wijziging of uitbreiding van Intels grieven tegen de litigieuze beschikking rechtvaardigt.
40
Vervolgens heeft het Gerecht, na te hebben herinnerd aan de methode die het Hof heeft vastgesteld om te beoordelen of een systeem van kortingen de mededinging kan beperken en aan de beginselen die voortvloeien uit het arrest in hogere voorziening, de gegrondheid van de argumenten van Intel en ACT beoordeeld.
41
In dit verband heeft het Gerecht eerst het argument onderzocht dat de litigieuze beschikking op een onjuiste juridische analyse is gebaseerd. Dienaangaande heeft het Gerecht geoordeeld dat de Commissie in de litigieuze beschikking blijk had gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door ervan uit te gaan dat zij op goede gronden kon vaststellen dat de betwiste kortingen in strijd waren met artikel 102 VWEU omdat zij naar hun aard misbruik vormden, zonder daarbij noodzakelijkerwijs rekening te hoeven houden met het eventuele mededingingsbeperkende effect van deze kortingen. Door aan te voeren dat het AEC-criterium ‘van wezenlijk belang’ was geweest bij de beoordeling door de Commissie van de mogelijkheid dat de betwiste kortingen even efficiënte concurrenten als Intel zouden uitsluiten, heeft het Gerecht zich echter verplicht geacht om als tweede stap alle argumenten van Intel dat de toepassing van het AEC-criterium talrijke onjuistheden bevatte, te onderzoeken.
42
Het deel van het bestreden arrest dat op deze argumenten betrekking heeft, bestaat uit vier onderdelen. De overwegingen in de punten 150 en 151 van het bestreden arrest betreffen de omvang van de toetsing door het Gerecht.
43
De overwegingen in de punten 152 tot en met 159 van dat arrest zijn gewijd aan algemene overwegingen betreffende de toepassing van het AEC-criterium in de litigieuze beschikking. Deze punten van het bestreden arrest luiden als volgt:
- ‘152.
Het vertrekpunt van de toepassing van het AEC-criterium, zoals omschreven in de [overwegingen] 1003 en volgende van de [litigieuze] beschikking en door de Commissie in de onderhavige zaak gehanteerd, is dat Intel, met name gelet op de aard van haar product, haar reputatie en haar profiel, een onvermijdelijke handelspartner was en dat de OEM's steeds ten minste een deel van hun behoefte aan CPU's bij Intel zouden hebben gekocht, ongeacht de kwaliteit van het aanbod van de alternatieve leverancier. Bijgevolg waren de afnemers slechts voor een deel van de markt bereid en in staat om hun bevoorradingsbehoeften naar deze alternatieve leverancier te verschuiven (hierna: ‘betwistbaar aandeel’). Die hoedanigheid van onvermijdelijke handelspartner bracht voor Intel de mogelijkheid met zich mee om het onbetwistbare aandeel te gebruiken als hefboom om de prijs voor het betwistbare aandeel te verlagen.
- 153.
Zoals het Gerecht in punt 141 van het oorspronkelijke arrest heeft opgemerkt, gaat het in de [litigieuze] beschikking gehanteerde AEC-criterium uit van het beginsel dat een even efficiënte concurrent [als Intel] die zich wil verzekeren van het betwistbare aandeel van de vraag waarin tot op dat moment werd voorzien door een onderneming met een machtspositie, de afnemer compensatie moet bieden voor de exclusiviteitskorting die hij zou verliezen indien hij een geringer dan het in de voorwaarde van exclusiviteit of quasi-exclusiviteit vastgestelde deel afneemt. Aan de hand van het AEC-criterium wordt bepaald of een concurrent die even efficiënt is als de onderneming met een machtspositie en die dezelfde kosten als die onderneming maakt, zijn kosten in dat geval nog steeds kan dekken.
- 154.
Het AEC-criterium, zoals toegepast in casu, bepaalt de prijs waarvoor een even efficiënte concurrent als Intel zijn x86-CPU's had moeten aanbieden om een OEM te compenseren voor het verlies van een door Intel verleende exclusiviteitsbetaling. Deze prijs wordt in het AEC-criterium ‘effectieve prijs’ of ‘EP’ genoemd.
- 155.
In beginsel omvat het gedeelte van de totale kortingen waarvoor een even efficiënte concurrent [als Intel] compensatie moet aanbieden, enkel het bedrag van de kortingen dat aan de voorwaarde van exclusieve bevoorrading is onderworpen, met uitsluiting van kwantumkortingen (hierna: ‘voorwaardelijk [aandeel]’ van de kortingen). Zoals met name uit [overweging] 1460 van de [litigieuze] beschikking blijkt, verwijst het AEC-criterium in casu, om enkel het voorwaardelijke deel van een betaling in aanmerking te nemen, naar de gemiddelde verkoopprijs […], te weten de catalogusprijs na aftrek van de voorwaardelijke kortingen.
- 156.
Hoe kleiner het betwistbare aandeel en bijgevolg hoe kleiner de hoeveelheid producten waarmee de alternatieve leverancier de concurrentie kan aangaan, hoe groter de waarschijnlijkheid dat de exclusiviteitsbetaling een even efficiënte concurrent [als de onderneming met een machtspositie] kan uitsluiten. Indien het verlies aan betalingen die door Intel aan haar afnemer worden verricht moet worden verdeeld over een geringe hoeveelheid producten die in het betwistbare aandeel door de alternatieve leverancier worden aangeboden, leidt dit namelijk tot een aanzienlijke verlaging van de effectieve prijs. Het is dus waarschijnlijker dat deze effectieve prijs onder het haalbare niveau van de kosten van Intel ligt.
- 157.
De effectieve prijs moet worden vergeleken met het niveau van de haalbare kosten van Intel. Het in de [litigieuze] beschikking vastgestelde haalbare niveau van kosten van Intel is dat van de gemiddelde vermijdbare kosten […].
- 158.
Zoals met name uit [overweging] 1006 van de [litigieuze] beschikking blijkt, kan worden geconcludeerd dat een systeem van exclusiviteitsbetalingen de toegang tot de markt voor even efficiënte concurrenten [als Intel] kan beletten wanneer de effectieve prijs lager is dan de [gemiddelde vermijdbare kosten] van Intel. In dat geval gaat het om een negatief resultaat van de toepassing van het AEC-criterium. Indien daarentegen de effectieve prijs hoger is dan de [gemiddelde vermijdbare kosten], wordt een even efficiënte concurrent [als Intel] geacht zijn kosten te kunnen dekken en dus in staat te zijn om tot de markt toe te treden. In dat geval leidt de toepassing van het AEC-criterium tot een positief resultaat.
- 159.
In het licht van deze algemene overwegingen moet de gegrondheid worden onderzocht van [Intels] argumenten dat de [toepassing van het AEC-criterium] talrijke onjuistheden bevat.’
44
Uit met name de punten 175, 258, 260, 283, 285, 286, 297 tot en met 299 en 334 van het bestreden arrest blijkt dat het — positieve of negatieve — resultaat van het AEC-criterium, zoals gedefinieerd in punt 158 van dat arrest, volgens de door de Commissie gehanteerde methode uiteindelijk wordt bepaald aan de hand van een vergelijking tussen het betwistbare aandeel en het vereiste aandeel, waarbij laatstgenoemd aandeel het deel is van de behoeften van de afnemer dat een even efficiënte concurrent als Intel moet verkrijgen om zonder verliezen te kunnen toetreden tot de markt. Indien het betwistbare aandeel groter is dan het vereiste aandeel, is het resultaat van het AEC-criterium voor Intel positief, terwijl de omgekeerde omstandigheid tot een negatief resultaat leidt en dus tot gevolg heeft dat de betwiste kortingen een concurrent die even efficiënt is als deze onderneming kunnen uitsluiten.
45
De overwegingen in de punten 160 tot en met 166 van het bestreden arrest hebben betrekking op de bewijslast en het vereiste bewijsniveau.
46
In de overwegingen in de punten 167 tot en met 482 van dat arrest heeft het Gerecht de gegrondheid onderzocht van Intels argumenten dat de litigieuze beschikking met betrekking tot het AEC-criterium talrijke onjuistheden bevat.
47
Deze overwegingen bestaan uit vijf delen, die elk betrekking hebben op de argumenten die Intel betreffende de toepassing van het AEC-criterium in de litigieuze beschikking heeft aangevoerd voor de vier betrokken OEM's, te weten Dell, HP, NEC en Lenovo enerzijds en MSH anderzijds.
48
De analyse van het Gerecht met betrekking tot de situatie van Dell is uiteengezet in de punten 202 tot en met 282 van het bestreden arrest. Na deze analyse heeft het Gerecht in de eerste plaats in punt 283 van dat arrest geoordeeld dat de Commissie niet rechtens genoegzaam had aangetoond dat haar veronderstelling dat het betwistbare aandeel van Dell in de betrokken periode 7,1 % bedroeg, gegrond was. Aangezien deze hypothese als basis had gediend om — door middel van een vergelijking tussen het betwistbare aandeel en het vereiste aandeel — aan te tonen dat de door Intel aan Dell verleende kortingen een uitsluitingseffect konden hebben, is die mogelijkheid volgens het Gerecht niet rechtens genoegzaam uit deze vergelijking gebleken.
49
In de tweede plaats heeft het Gerecht in punt 284 van het bestreden arrest geoordeeld dat, ten eerste, de factoren die volgens de Commissie het vermeende uitsluitingseffect van de betwiste kortingen konden versterken, en die er in wezen in bestonden dat elk verlies van Intels kortingen zou leiden tot een verhoging van de door Intel aan de met Dell concurrerende OEM's verleende kortingen en dat bij de raming van het betwistbare aandeel geen rekening werd gehouden met het feit dat Dell van Intel ook andere producten dan x86-CPU's — te weten chipsets — kocht, in de litigieuze beschikking onvoldoende waren geanalyseerd. Ten tweede toont een door de Commissie in deze beschikking toegepaste alternatieve berekeningsmethode niet aan dat de betwiste kortingen tijdens de gehele relevante periode een mededingingsverstorend uitsluitingseffect konden hebben.
50
In punt 285 van het bestreden arrest heeft het Gerecht eraan herinnerd dat de Commissie, volgens overweging 1281 van de litigieuze beschikking, haar conclusies betreffende de mogelijkheid dat de aan Dell verleende betwiste kortingen een mededingingsverstorend uitsluitingseffect hadden, heeft getrokken uit de vergelijking tussen het betwistbare aandeel en het vereiste aandeel, de versterkingsfactoren, en de genoemde alternatieve berekeningsmethode.
51
Derhalve heeft het Gerecht in punt 286 van het bestreden arrest geoordeeld dat de Commissie op basis van de vergelijking tussen het betwistbare aandeel en het vereiste aandeel alsmede van de versterkingsfactoren niet kon aantonen dat de aan Dell verleende betwiste kortingen een dergelijk uitsluitingseffect konden hebben. Bovendien kan het derde door de Commissie in aanmerking genomen element — een alternatieve berekeningsmethode die volgens de bewoordingen van overweging 1281 van de litigieuze beschikking de eerste twee elementen moet bevestigen — volgens het Gerecht op zich de conclusies van de Commissie niet staven, temeer daar uit dit element niet blijkt dat de betwiste kortingen een mededingingsverstorend uitsluitingseffect tijdens de gehele relevante periode konden hebben.
52
Derhalve heeft het Gerecht in punt 287 van het bestreden arrest ingestemd met de grief van Intel dat de Commissie niet rechtens genoegzaam de gegrondheid had aangetoond van de conclusie in overweging 1281 van de litigieuze beschikking dat de betwiste kortingen van Intel in de periode tussen december 2002 en december 2005 mogelijk of waarschijnlijk een mededingingsverstorend uitsluitingseffect hadden, omdat zelfs een even efficiënte concurrent als Intel zou zijn belet om in Dells bevoorradingsbehoefte aan x86-CPU's te voorzien.
53
De analyse van het Gerecht met betrekking tot de situatie van HP is uiteengezet in de punten 288 tot en met 335 van het bestreden arrest. Na een reeks elementen met betrekking tot de aankoopvolumen, het bedrag van de kortingen en de gemiddelde verkoopprijs van x86-CPU's te hebben onderzocht, heeft het Gerecht in punt 319 van dat arrest vastgesteld dat de Commissie zich ten onrechte op het standpunt had gesteld dat zij op basis van haar berekening van het vereiste aandeel conclusies kon trekken met betrekking tot het mededingingsverstorende uitsluitingseffect van de kortingen die Intel voor de gehele periode tussen november 2002 en mei 2005 aan HP had verleend. In het bijzonder had de Commissie het bestaan van dat effect voor de periode van november 2002 tot september 2003 niet aangetoond.
54
Bovendien heeft het Gerecht in punt 320 van het bestreden arrest geoordeeld dat de omstandigheid dat de Commissie in overweging 1389 van de litigieuze beschikking een alternatieve berekening heeft gemaakt van het vereiste aandeel onder verwijzing naar de cijfers in overweging 1338 van die beschikking, deze fout niet kan rechtzetten, aangezien deze alternatieve berekening evenmin de gehele periode tussen november 2002 en mei 2005 dekt.
55
Overigens heeft het Gerecht in de punten 328 tot en met 331 van het bestreden arrest met betrekking tot de versterkingsfactor bestaande in de verschuiving van de aanvankelijk door Intel aan HP verleende kortingen naar een van de concurrenten van deze laatste, vastgesteld dat de Commissie had moeten verduidelijken welke van de bij het AEC-criterium in aanmerking genomen elementen zouden zijn beïnvloed en op welke wijze. Bijgevolg was de litigieuze beschikking gebrekkig gemotiveerd.
56
Derhalve heeft het Gerecht in punt 335 van het bestreden arrest geconcludeerd dat de Commissie niet rechtens genoegzaam de gegrondheid had aangetoond van de conclusie in overweging 1406 van de litigieuze beschikking dat de door Intel aan HP verleende kortingen in de periode van november 2002 tot mei 2005 mogelijk of waarschijnlijk een mededingingsverstorend uitsluitingseffect hadden, aangezien zij voor de periode van 1 november 2002 tot en met 30 september 2003 niet heeft aangetoond dat er sprake was van een dergelijk uitsluitingseffect.
57
De analyse van het Gerecht met betrekking tot de situatie van NEC is uiteengezet in de punten 336 tot en met 411 van het bestreden arrest. In punt 411 van het bestreden arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat de Commissie twee beoordelingsfouten had gemaakt, namelijk door uit te gaan van een overdreven waarde voor het voorwaardelijke deel van de kortingen en door de resultaten waartoe zij kwam voor het vierde kwartaal van 2002 te extrapoleren naar de gehele inbreukmakende periode. Het Gerecht heeft uit deze vaststellingen afgeleid dat de basisparameters van de toepassing van het AEC-criterium door de Commissie onjuist waren. Bijgevolg had de Commissie niet rechtens genoegzaam aangetoond dat de conclusie in overweging 1456 van de litigieuze beschikking dat de door Intel aan NEC verrichte betalingen mogelijk of waarschijnlijk een even efficiënte concurrent als Intel konden uitsluiten, gegrond was.
58
De analyse van het Gerecht met betrekking tot de situatie van Lenovo is uiteengezet in de punten 412 tot en met 457 van het bestreden arrest. In punt 439 van dat arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat de berekeningen van de Commissie ter vaststelling van het voorwaardelijke aandeel van de kortingen en dus van het vereiste aandeel dat een even efficiënte concurrent als Intel moest bereiken om zonder verliezen te kunnen toetreden tot de markt, waren gebaseerd op een veronderstelling die in strijd was met de in de overwegingen 1003 en 1004 van de litigieuze beschikking uiteengezette grondslagen van de toepassing van het AEC-criterium. Een van die grondslagen is onder meer het beginsel dat de hypothetische concurrent even efficiënt is als Intel, met name vanuit het oogpunt van de kosten voor de uitbreiding van een distributieplatform of een garantie. Volgens het Gerecht heeft de Commissie in haar analyse van het bedrag van de betwiste kortingen die Intel aan Lenovo had verleend in de vorm van twee voordelen in natura, namelijk de uitbreiding van Intels standaardgarantie van een jaar alsmede het voorstel voor een beter gebruik van een distributieplatform in China, in feite een redenering ontwikkeld ten opzichte van een minder efficiënte concurrent, die evenwel niet de relevante marktdeelnemer is om te beoordelen of de betwiste kortingen tot een mededingingsverstorend uitsluitingseffect kunnen leiden.
59
Na in de punten 440 tot en met 456 van het bestreden arrest te hebben geoordeeld dat de argumenten van de Commissie niet aan deze overweging konden afdoen, heeft het Gerecht in punt 457 van dat arrest geoordeeld dat de Commissie niet rechtens genoegzaam had aangetoond dat de conclusie in overweging 1507 van de litigieuze beschikking dat de door Intel verleende betwiste kortingen in 2007 mogelijk of waarschijnlijk een dergelijk uitsluitingseffect konden hebben ten nadele van een even efficiënte concurrent als Intel, gegrond was.
60
De analyse van het Gerecht met betrekking tot de situatie van MSH is uiteengezet in de punten 458 tot en met 481 van het bestreden arrest. In de punten 466 tot en met 480 van dat arrest heeft het Gerecht zich geconcentreerd op de methode van de ‘dubbele voorwaardelijke korting’. Deze methode berust op de gedachte dat een even efficiënte concurrent als Intel, om computers van een bepaald merk aan MSH te kunnen verkopen, zich er niet alleen van zou moeten vergewissen dat MSH bereid was om computers te kopen die met CPU's van die concurrent zijn uitgerust, maar ook en vooral dat OEM's bereid waren deze computers te vervaardigen. Deze concurrent had dus twee betalingen moeten verrichten: een eerste om ervoor te zorgen dat het betwistbare aandeel van de OEM zou worden verkregen, en een tweede om ervoor te zorgen dat het betwistbare aandeel van MSH zou worden verkregen. Bijgevolg hadden de praktijken van Intel op verschillende niveaus van de toeleveringsketen een cumulatief effect kunnen hebben. Zonder het principe van deze redenering ter discussie te stellen, heeft het Gerecht vastgesteld dat de uitvoering ervan, die was gebaseerd op het vermoeden dat elke OEM die leverancier was van MSH een voorwaardelijke korting genoot die gelijk was aan de totale betwiste korting die in het vierde kwartaal van 2002 aan NEC was verleend, twee gebreken vertoonde die elk de resultaten van de toepassing van het AEC-criterium betreffende MSH kunnen ontkrachten. Ten eerste heeft de Commissie niet gesteld of aangetoond dat Intel aan een van de andere OEM's waarbij MSH haar aankopen deed, namelijk Fujitsu, Acer, HP, Compaq, Toshiba en Medion, voorwaardelijke kortingen heeft verleend in het segment van computers voor particulieren, onder voorwaarden die vergelijkbaar waren met de betwiste kortingen voor de bij NEC gekochte computers. Ten tweede heeft de Commissie hoe dan ook niet aangetoond dat de betwiste kortingen die aan NEC zijn verleend voor het vierde kwartaal van 2002, gesteld dat zij representatief waren voor alle OEM's, over een periode van tien jaar stabiel waren geweest.
61
Derhalve heeft het Gerecht in punt 482 van het bestreden arrest geoordeeld dat Intels argument dat door de Commissie fouten zijn begaan bij de toepassing van het AEC-criterium in de litigieuze beschikking ten aanzien van Dell, HP, NEC, Lenovo en MSH, moest worden aanvaard.
62
Vervolgens is het Gerecht in de punten 483 tot en met 521 van het bestreden arrest ingegaan op de argumenten van Intel en ACT dat de Commissie de marktdekking van de betwiste kortingen alsmede de duur en de hoogte van die kortingen — als in punt 139 van het arrest in hogere voorziening vastgestelde criteria — niet naar behoren had onderzocht.
63
Wat betreft de marktdekking van de betwiste kortingen, heeft het Gerecht in punt 485 van het bestreden arrest afdeling 4.2.4 van de litigieuze beschikking, dat de overwegingen 1577 tot en met 1596 van deze beschikking bevat, als relevant aangemerkt inzake het strategisch belang van de OEM's die de betwiste kortingen hebben ontvangen. Volgens het Gerecht heeft de Commissie in overweging 1577 van die beschikking in wezen benadrukt dat sommige OEM's — in casu Dell en HP — wegens hun marktaandeel, hun sterke aanwezigheid in het meest winstgevende segment van de betrokken markt en hun macht om een nieuwe processor op de markt te legitimeren, strategisch belangrijker waren dan andere om de fabrikanten van x86-CPU's toegang tot die markt te verschaffen. Volgens het Gerecht was ook overweging 1597 van die beschikking relevant, waarin is gesteld dat de OEM's waarop de gedraging van Intel zich richtte een aanzienlijk marktaandeel hadden en strategisch belangrijker waren dan de andere, hetgeen een grotere weerslag had op de markt in haar geheel dan de weerslag van enkel hun gezamenlijke marktaandeel. De Commissie heeft daaruit geconcludeerd dat de marktdekking van de betwiste kortingen als aanzienlijk moest worden beschouwd.
64
In punt 493 van het bestreden arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat niet kon worden uitgesloten dat afdeling 4.2.4 van de litigieuze beschikking relevant kon zijn in het kader van het onderzoek van de marktdekking van de betwiste kortingen, aangezien daarin bepaalde factoren worden besproken die a priori relevant zijn voor het onderzoek naar de vraag of een kortingssysteem een uitsluitingseffect kan hebben. In punt 494 van dat arrest heeft het Gerecht evenwel opgemerkt dat afdeling 4.2.4 alsmede overweging 1597 van de litigieuze beschikking waar de Commissie zich op heeft gebaseerd om te stellen dat de marktdekking was onderzocht, niet aldus kunnen worden uitgelegd dat zij, in de omstandigheden van de onderhavige zaak, op zichzelf een toereikend onderzoek vormen van de marktdekking van de betwiste kortingen in de zin van punt 139 van het arrest in hogere voorziening.
65
Dienaangaande heeft het Gerecht er in punt 495 van het bestreden arrest op gewezen dat de Commissie — gesteld al dat zij zich op goede gronden kon baseren op de marktaandelen van bepaalde OEM's in plaats van te onderzoeken wat de marktdekking was van de betwiste kortingen — in de overwegingen 1578 tot en met 1580 van de litigieuze beschikking enkel rekening heeft gehouden met de marktaandelen van Dell en HP, terwijl de andere OEM's die bij die kortingen betrokken zijn, zijn uitgesloten. Bovendien hadden de aldus door de Commissie in aanmerking genomen marktaandelen slechts betrekking op de periode van het eerste trimester van 2003 tot en met het laatste trimester van 2005, dus slechts een deel van de periode van oktober 2002 tot en met december 2007 waarop die beschikking betrekking heeft, en wordt bijgevolg tevens voorbijgegaan aan de periode 2006–2007, waarin Lenovo en MSH betrokken waren. Tot slot houden de cijfers betreffende de marktaandelen waarvan de Commissie is uitgegaan rekening met de wereldwijde marktaandelen van Dell en HP in alle segmenten, ondanks het feit dat de aan HP verleende betwiste kortingen enkel betrekking hebben op zakelijke desktopcomputers, zoals is aangegeven in artikel 1, onder b), van de litigieuze beschikking.
66
Derhalve heeft het Gerecht in de punten 499 en 500 van het bestreden arrest vastgesteld dat de Commissie — anders dan zij overeenkomstig punt 139 van het arrest in hogere voorziening had moeten doen — heeft nagelaten te bepalen wat de marktdekking van de betwiste kortingen was, en daaruit afgeleid dat de Commissie het criterium betreffende de marktdekking niet naar behoren had onderzocht.
67
Wat betreft de duur van de betwiste kortingen heeft het Gerecht in de punten 508 tot en met 515 van het bestreden arrest twee groepen overwegingen van de litigieuze beschikking aangewezen waarin de Commissie elementen in verband met deze duur had onderzocht. Het betreft ten eerste de overwegingen 1013 tot en met 1035 van de litigieuze beschikking en ten tweede de overwegingen 201, 202, 965 tot en met 968 en 1227 ervan.
68
In dit verband heeft het Gerecht ten eerste geoordeeld dat de overwegingen 1013 tot en met 1035 van de litigieuze beschikking enkel tot doel hadden om de tijdshorizon — in casu één jaar — te bepalen waarbinnen de OEM's hun keuzen maakten wat hun behoeften aan x86-CPU's betreft, als hypothese waarop de berekening van het betwistbare aandeel van de door Intel aan elk van de betrokken OEM's verleende betwiste kortingen werd gebaseerd.
69
Volgens het Gerecht heeft de Commissie dus een dergelijke temporele factor gebruikt ter bepaling van de berekeningsmethode van het betwistbare aandeel van een OEM, dat vervolgens moest worden vergeleken met andere factoren in de toepassing van het AEC-criterium om te beoordelen of de betwiste kortingen een mededingingsverstorend uitsluitingseffect konden hebben. Een dergelijk onderzoek vormt volgens het Gerecht dus geen analyse van de duur van die kortingen als factor die op zich kan aantonen dat zij een dergelijk uitsluitingseffect kunnen hebben.
70
Ten tweede is het juist dat de Commissie in de overwegingen 201, 202, 965 tot en met 968 en 1227 van de litigieuze beschikking de duur en de vorm van de door de OEM's bij Intel aangegane verbintenissen die recht gaven op kortingen heeft onderzocht als factoren die de toetreding van een nieuwe concurrent tot de markt konden bevorderen of belemmeren, met name gelet op de temporele draagwijdte van die verbintenissen of op het vermogen van Intel om haar kortingen binnen korte tijd te betalen of aan te passen.
71
Hoewel de aspecten van de temporele factor haar relevant leken, heeft de Commissie deze volgens het Gerecht evenwel slechts incidenteel en in beperkte mate onderzocht. Zij heeft die aspecten niet voor alle OEM's onderzocht als factor die relevant is om vast te stellen of de betwiste kortingen tot een mededingingsverstorend uitsluitingseffect konden leiden.
72
Bovendien heeft het Gerecht in de punten 516 tot en met 518 van het bestreden arrest het argument van de Commissie afgewezen dat — ook al zou uit de toepassing van het AEC-criterium niet blijken dat de betwiste kortingen een uitsluitingseffect konden hebben — rekening moet worden gehouden met de totale periode waarin Intel exclusiviteitskortingen en -betalingen voor OEM's heeft gehanteerd, en dat, aangezien de kortingen voor Lenovo gedurende een jaar, en voor de andere OEM's en voor MSH gedurende meerdere jaren zijn toegepast, moet worden geconcludeerd dat een concurrent van Intel op de markt van x86-CPU's een daling van de winstgevendheid en een veel beperktere winst op die verkopen dan Intel had moeten aanvaarden. Volgens de Commissie bleken deze overwegingen uit de punten 93 en 195 van het oorspronkelijke arrest en waren zij dus definitief.
73
In dit verband heeft het Gerecht om te beginnen opgemerkt dat het Hof het oorspronkelijke arrest in zijn geheel had vernietigd, zodat het Gerecht na de terugverwijzing de argumenten van partijen betreffende de duur van de kortingen opnieuw diende te onderzoeken, zonder gebonden te zijn aan de punten 93 en 195 van het oorspronkelijke arrest.
74
Vervolgens heeft het Gerecht geoordeeld dat — gelet op alle in punt 139 van het arrest in hogere voorziening vermelde criteria die moeten worden onderzocht ingeval de betrokken onderneming met bewijs betoogt dat haar gedragingen de mededinging niet konden beperken — de loutere verwijzing naar de duur van de door Intel aan de OEM's en MSH verleende betwiste kortingen op zich niet volstaat om, ondanks de conclusies die uit de toepassing van het AEC-criterium kunnen worden getrokken, definitieve conclusies over de aldus teweeggebrachte mededingingsverstorende uitsluitingseffecten te schragen.
75
Om dezelfde redenen heeft het Gerecht in punt 519 van het bestreden arrest het argument van de Commissie afgewezen dat de duur van de betwiste kortingen niet los kon worden gezien van het tijdsschema (timing) ervan, omdat die kortingen nodig waren geweest om het hoofd te bieden aan het onvermogen van Intel om tijdig een technisch antwoord te geven op de door AMD verhandelde 64 bits-x86-CPU's.
76
Op basis van deze overwegingen heeft het Gerecht in punt 520 van het bestreden arrest geoordeeld dat de Commissie een fout had gemaakt door in de litigieuze beschikking de duur van de kortingen niet te onderzoeken als factor aan de hand waarvan kon worden vastgesteld of de betwiste kortingen een mededingingsverstorend uitsluitingseffect konden hebben.
77
Zodoende heeft het Gerecht in punt 521 van het bestreden arrest vastgesteld dat Intel op goede gronden kon stellen dat de analyse van de in punt 139 van het arrest in hogere voorziening vermelde criteria die in de litigieuze beschikking was verricht, op meerdere punten onjuist was, omdat de Commissie in die beschikking het criterium betreffende de marktdekking van de betwiste kortingen niet naar behoren had onderzocht en de duur van die kortingen niet correct had geanalyseerd.
78
In de slotoverwegingen van het bestreden arrest heeft het Gerecht de overwegingen die ten grondslag liggen aan het dictum van dat arrest samengevat.
79
Dienaangaande herinnert het Gerecht er in punt 523 van het bestreden arrest aan dat Intel tijdens de administratieve procedure, onder overlegging van bewijs, had aangevoerd dat de betwiste kortingen de haar verweten uitsluitingseffecten niet konden teweegbrengen. In de overwegingen 1002 tot en met 1573 van de litigieuze beschikking heeft de Commissie het AEC-criterium toegepast en, gelet op de resultaten daarvan, in de overwegingen 1574 en 1575 van die beschikking geconcludeerd dat de betwiste kortingen en betalingen van Intel mogelijk of waarschijnlijk mededingingsverstorende uitsluitingseffecten hadden, aangezien zelfs een even efficiënte concurrent als Intel zou zijn belemmerd om in de bevoorradingsbehoefte aan x86-CPU's van Dell, HP, NEC en Lenovo te voorzien of om door middel van door MSH verkochte computers de door haar geproduceerde x86-CPU's te verkopen.
80
In punt 524 van het bestreden arrest heeft het Gerecht benadrukt dat uit de beoordelingen met betrekking tot de onderzochte middelen en argumenten evenwel volgde dat, ten eerste, bij de toepassing van het AEC-criterium in de litigieuze beschikking fouten zijn gemaakt en, ten tweede, wat de in punt 139 van het arrest in hogere voorziening vermelde criteria betreft, de Commissie het criterium betreffende de marktdekking van de betwiste kortingen niet naar behoren had onderzocht en de duur van de kortingen niet correct had geanalyseerd.
81
Wat met name de aan HP verleende kortingen betreft, heeft het Gerecht in punt 525 van het bestreden arrest in herinnering geroepen dat de Commissie haar conclusie dat de aan HP verleende betwiste kortingen in de periode van november 2002 tot mei 2005 mogelijk of waarschijnlijk een mededingingsverstorend uitsluitingseffect hadden, niet rechtens genoegzaam had aangetoond, aangezien zij voor de periode van 1 november 2002 tot en met 30 september 2003 niet had aangetoond dat er sprake was van een dergelijk effect. Gesteld al dat daaruit moest worden afgeleid dat de toepassing van het AEC-criterium voor een deel van de periode van november 2002 tot mei 2005 als een bewijs zou kunnen worden beschouwd, dan nog kon dit volgens het Gerecht niet rechtens genoegzaam het mededingingsverstorend uitsluitingseffect van deze kortingen aantonen, aangezien de Commissie het criterium betreffende de marktdekking van de betwiste kortingen niet naar behoren had onderzocht en de duur van die kortingen niet correct had geanalyseerd.
82
Het Gerecht heeft in de punten 526 en 527 van het bestreden arrest dan ook geoordeeld dat de Commissie niet had kunnen aantonen dat de betwiste kortingen en de betalingen van Intel mogelijk of waarschijnlijk mededingingsverstorende uitsluitingseffecten hadden en dus een schending van artikel 102 VWEU vormden, zodat de motivering van de litigieuze beschikking niet kon dienen als grondslag voor artikel 1, onder a) tot en met e), van die beschikking.
83
Derhalve heeft het Gerecht, ten eerste, artikel 1, onder a) tot en met e), alsook artikel 2 van de litigieuze beschikking nietig verklaard en, ten tweede, artikel 3 van deze beschikking nietig verklaard voor zover het betrekking heeft op artikel 1, onder a) tot en met e) van die beschikking. Aangezien het Gerecht de bevindingen in het oorspronkelijke arrest die betrekking hebben op de onverbloemde concurrentiebeperkingen en de onrechtmatigheid ervan in het licht van artikel 102 VWEU had overgenomen, heeft het Gerecht het beroep evenwel verworpen voor het overige.
Procedure bij het Hof en conclusies van partijen
84
Bij beschikking van de president van het Hof van 5 augustus 2022 is de Bondsrepubliek Duitsland toegelaten tot interventie in de onderhavige procedure aan de zijde van de Commissie.
85
De Commissie verzoekt het Hof:
- —
het bestreden arrest te vernietigen, behalve punt 3 van het dictum, waarin het Gerecht het bij hem ingestelde beroep heeft verworpen voor het overige;
- —
de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht, en
- —
de beslissing omtrent de kosten aan te houden.
86
Intel en ACT verzoeken het Hof:
- —
de hogere voorziening af te wijzen, en
- —
de Commissie te verwijzen in de kosten van de hogere voorziening en de Bondsrepubliek Duitsland te verwijzen in de kosten van haar interventie.
87
De Bondsrepubliek Duitsland verzoekt het Hof:
- —
het bestreden arrest te vernietigen, behalve punt 3 van het dictum;
- —
de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht, en
- —
de beslissing omtrent de kosten aan te houden.
Hogere voorziening
88
Ter ondersteuning van de hogere voorziening voert de Commissie zes middelen aan:
- —
het eerste middel betreft schending van het beginsel ne ultra petita, gepaard gaande met de onjuiste uitlegging en toepassing van de criteria die het Hof in het arrest in hogere voorziening heeft vastgesteld met betrekking tot de mogelijkheid dat de betwiste kortingen de mededinging uitsluiten;
- —
het tweede middel heeft betrekking op schending van de rechten van verdediging van de Commissie bij het onderzoek van het AEC-criterium;
- —
het derde middel is ontleend aan een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot het vereiste bewijs, schending van de rechten van de verdediging, en een onjuiste opvatting van de bewijzen bij het onderzoek van de toepassing van het AEC-criterium ten aanzien van Dell;
- —
met het vierde middel wordt aangevoerd dat er sprake is van verscheidene onjuiste rechtsopvattingen en van schending van de rechten van verdediging van de Commissie bij het onderzoek van de toepassing van het AEC-criterium ten aanzien van HP;
- —
het vijfde middel is ontleend aan een onjuiste uitlegging van het door de Commissie toegepaste AEC-criterium en van artikel 102 VWEU, een onjuiste opvatting van het bewijs en schending van de rechten van verdediging van de Commissie bij het onderzoek van het AEC-criterium ten aanzien van Lenovo, en
- —
het zesde middel betreft de onjuiste beoordeling van de gevolgen die moeten worden verbonden aan de bij de toepassing van het AEC-criterium vastgestelde fouten.
89
Alvorens te antwoorden op elk van de ter ondersteuning van de hogere voorziening aangevoerde middelen wijst Intel erop, hierbij ondersteund door ACT, dat deze middelen geen doel treffen omdat de Commissie de analyse van het Gerecht in de punten 144 tot en met 149 van het bestreden arrest niet ter discussie heeft gesteld. Volgens deze analyse vormt de kwalificatie van de betwiste kortingen als misbruik naar hun aard en ongeacht of zij de mededinging kunnen beperken, een onjuiste toepassing van het recht. De Commissie heeft volgens Intel aldus erkend dat de toepassing van het AEC-criterium geen deel uitmaakte van de redenering die ten grondslag lag aan het dispositief van de litigieuze beschikking. Derhalve volstaat de vaststelling van deze fout op zich als motivering van het dictum van het bestreden arrest en is elke vermeende onjuiste beoordeling van het Gerecht na die vaststelling irrelevant.
90
Dit argument kan niet worden aanvaard. Zoals het Gerecht in punt 149 van het bestreden arrest in wezen heeft opgemerkt, volstond de fout door de betwiste kortingen naar hun aard als schending van artikel 102 VWEU te kwalificeren niet om de litigieuze beschikking nietig te verklaren, aangezien de toepassing van het AEC-criterium door de Commissie een belangrijke rol had gespeeld bij de beoordeling of deze kortingen een even efficiënte concurrent als Intel konden uitsluiten. Derhalve berust de nietigverklaring van deze beschikking door het Gerecht — zoals overigens blijkt uit punt 524 van het bestreden arrest — op de bij de toepassing van het AEC-criterium vastgestelde fouten, op het feit dat de marktdekking van de betwiste kortingen niet is onderzocht, en op de onjuiste analyse van de duur van deze kortingen door de Commissie. Hieruit volgt dat de ter ondersteuning van de onderhavige hogere voorziening aangevoerde middelen kunnen afdoen aan de beoordeling van het Gerecht die ten grondslag ligt aan het dictum van het bestreden arrest en — onder voorbehoud van de gegrondheid ervan — kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. Bijgevolg moet Intels bezwaar dat deze middelen geen doel treffen worden afgewezen, en moeten zij dus worden onderzocht.
Eerste middel: het Gerecht heeft ultra petita geoordeeld en heeft een onjuiste uitlegging en toepassing gegeven aan het vermogen van de betwiste kortingen om de mededinging uit te sluiten
91
Het eerste middel bestaat uit twee onderdelen, die respectievelijk inhouden dat het Gerecht ultra petita heeft geoordeeld en, subsidiair, dat het Gerecht de criteria aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat de betwiste kortingen de mededinging kunnen uitsluiten, onjuist heeft uitgelegd en toegepast.
Eerste onderdeel: het Gerecht heeft ultra petita geoordeeld
— Argumenten van partijen
92
De Commissie voert aan dat Intel in haar verzoekschrift in eerste aanleg niet had betoogd dat het onderzoek — in de litigieuze beschikking — van de criteria betreffende de marktdekking en de duur van de betwiste kortingen onvoldoende ruim was. Intel heeft dit enkel in de hoofdopmerkingen over de terugverwijzing aangevoerd.
93
Ten eerste verwijst dit verzoekschrift namelijk nergens naar de punten van de litigieuze beschikking die betrekking hebben op het strategisch belang van de OEM's die de betwiste kortingen hebben gekregen. In het kader van haar hogere voorziening tegen het oorspronkelijke arrest heeft Intel enkel de beoordeling door het Gerecht van de omvang van de marktdekking van deze kortingen betwist. Het door Intel in dat verzoekschrift aangevoerde argument had betrekking op het beweerdelijk zeer beperkte deel van de markt dat daadwerkelijk werd getroffen door het mededingingsverstorende uitsluitingseffect van deze kortingen, en niet op de vraag of de Commissie de marktdekking van die kortingen naar behoren had geanalyseerd.
94
Ten tweede heeft Intel, op vergelijkbare wijze, niet de omvang van de door de Commissie verrichte analyse van de duur van de betwiste kortingen betwist, maar enkel vraagtekens gesteld bij de geldigheid van de benadering van de Commissie die erin bestond overeenkomsten van korte duur met de OEM's en MSH te cumuleren, hetgeen een vervolgvraag is. Ter ondersteuning van haar hogere voorziening tegen het oorspronkelijke arrest heeft Intel zich er dus toe beperkt de cumulatie van deze overeenkomsten ter discussie te stellen, die het Gerecht had overgenomen om aan te tonen dat de betwiste kortingen de mededinging konden uitsluiten. Anders dan het Gerecht in punt 506 van het bestreden arrest vermeldt, houden de grieven inzake de duur van de betwiste kortingen geen verband met de grieven in de punten 102 en 111 tot en met 114 van het verzoekschrift.
95
Intel, ondersteund door ACT, betwist dat dit onderdeel van het eerste middel gegrond is.
— Beoordeling door het Hof
96
Uit de regels inzake het procesverloop bij de rechterlijke instanties van de Europese Unie, en met name uit artikel 21 van het Statuut van het Hof alsook uit artikel 76 en artikel 84, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, volgt dat de partijen in beginsel het geding bepalen en afbakenen en dat de Unierechter niet ultra petita mag beslissen (arrest van 13 juli 2023, Commissie/CK Telecoms UK Investments, C-376/20 P, EU:C:2023:561, punt 324), aangezien de door hem uitgesproken nietigverklaring niet verder kan gaan dan hetgeen de verzoekende partij heeft gevorderd (zie in die zin arrest van 14 november 2017, British Airways/Commissie, C-122/16 P, EU:C:2017:861, punt 81 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
97
Zoals in punt 83 van het onderhavige arrest is uiteengezet, heeft het Gerecht in de onderhavige zaak ten eerste artikel 1, onder a) tot en met e), alsook artikel 2 van de litigieuze beschikking nietig verklaard en, ten tweede, artikel 3 van deze beschikking nietig verklaard voor zover het betrekking heeft op de in artikel 1, onder a) tot en met e), van die beschikking beschreven handelingen. Daarnaast heeft het Gerecht krachtens punt 3 van het dictum van het bestreden arrest het beroep verworpen voor het overige, met name wat betreft de onverbloemde concurrentiebeperkingen en de onrechtmatigheid ervan in het licht van artikel 102 VWEU.
98
In dit verband zij opgemerkt dat Intel in punt 674 van het verzoekschrift met name heeft verzocht om nietigverklaring van de litigieuze beschikking in haar geheel, zodat de door het Gerecht uitgesproken nietigverklaring minder ver gaat dan de door Intel gevorderde nietigverklaring. Hieruit volgt dat de grief waarmee de Commissie het Gerecht formeel verwijt ultra petita te hebben beslist, niet kan slagen.
99
De Commissie verwijt het Gerecht ook in de punten 485 tot en met 500 van het bestreden arrest de rechtmatigheid van de beoordeling die zij in de litigieuze beschikking had verricht inzake de marktdekking van de betwiste kortingen, te hebben getoetst aan een middel dat Intel voor het eerst in haar hoofdopmerkingen over de terugverwijzing heeft opgeworpen. Daarmee heeft het Gerecht het kader van het geding zoals bepaald en afgebakend in het verzoekschrift en, in voorkomend geval in repliek, overschreden en aldus artikel 84 van zijn Reglement voor de procesvoering geschonden.
100
In dit verband zij eraan herinnerd dat volgens artikel 84, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht in de loop van het geding geen nieuwe middelen mogen worden voorgedragen, tenzij zij steunen op gegevens, rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken.
101
Hieruit volgt, zoals het Gerecht in punt 106 van het bestreden arrest terecht heeft benadrukt, dat de partijen na een terugverwijzingsarrest van het Hof in beginsel geen middelen kunnen voordragen die niet zijn aangevoerd in de procedure die heeft geleid tot het door het Hof vernietigde arrest van het Gerecht (arrest van 1 juli 2008, Chronopost en La Poste/UFEX e.a., C-341/06 P en C-342/06 P, EU:C:2008:375, punt 71). Alleen een middel dat een uitwerking is van een eerder in het inleidend verzoekschrift rechtstreeks of stilzwijgend opgeworpen middel en daarmee nauw verband houdt, moet ontvankelijk worden verklaard (arrest van 11 maart 2020, Commissie/Gmina Miasto Gdynia en Port Lotniczy Gdynia Kosakowo, C-56/18 P, EU:C:2020:192, punt 66).
102
In casu heeft Intel, na in punt 12 van het verzoekschrift te hebben gesteld dat de Commissie in strijd met artikel 102 VWEU had nagelaten te beoordelen of de betwiste kortingen de mededinging konden beperken in het licht van alle omstandigheden van de zaak, in de punten 115 tot en met 117 van het verzoekschrift uiteengezet dat de Commissie rekening had moeten houden met het onbeduidend deel van de markt van x86-CPU's waarop deze kortingen betrekking hadden, namelijk tussen 0,3 % en 2 % per jaar. In deze punten van het verzoekschrift heeft Intel tevens kritiek geuit op de benadering van de Commissie om de mededingingsverstorende uitsluitingseffecten van deze kortingen afzonderlijk per marktsegment te beoordelen, terwijl AMD kon concurreren in segmenten waarop de betwiste kortingen geen betrekking hadden, en heeft zij benadrukt dat de Commissie niet had vastgesteld dat aan verschillende andere vooraanstaande OEM's kortingen waren verleend. Intel heeft deze grieven verder uitgewerkt in de punten 12, 37, 38, 52, 155, 185, 208 en 257 van de repliek, waarbij de laatste vier punten betrekking hebben op de betwiste kortingen die respectievelijk aan HP, Lenovo, NEC en MSH zijn verleend. Ter staving van haar berekeningen heeft Intel herhaaldelijk verwezen naar het rapport van professor Salop en doctor Hayes van 22 juli 2009 (hierna: ‘rapport Salop-Hayes’).
103
Hieruit volgt dat Intel met deze grieven voor het Gerecht in wezen heeft aangevoerd dat de marktdekking van de betwiste kortingen zo gering was dat elke vorm van mededingingsverstorende uitsluiting onmogelijk was. Door in de punten 492 tot en met 500 van het bestreden arrest de rechtmatigheid te onderzoeken van de beoordeling die de Commissie dienaangaande in de litigieuze beschikking heeft verricht, heeft het Gerecht het kader van het geding zoals dat door Intel in haar beroep in eerste aanleg was bepaald en afgebakend, dus niet overschreden.
104
De Commissie betoogt tevens dat het onderzoek — in het bestreden arrest — van de in de litigieuze beschikking verrichte analyse van de duur van de betwiste kortingen geen verband houdt met een in het verzoekschrift aangevoerd middel, maar enkel met een nieuw middel dat is aangevoerd in de hoofd- en aanvullende opmerkingen van Intel over de terugverwijzing, en dat derhalve niet-ontvankelijk is.
105
In dit verband heeft Intel in de punten 101 en 102 van het verzoekschrift gewezen op het belang van de duur van een praktijk bij de beoordeling van de vraag of die praktijk de mededinging kan beperken. Dienaangaande heeft Intel in de punten 111 en 112 van het verzoekschrift, die betrekking hebben op de mogelijkheid dat de betwiste kortingen de mededinging uitsluiten, benadrukt dat de betwiste kortingen slechts voor perioden van enkele maanden werden verleend en dat de OEM's sommige van de overeenkomsten waarin die kortingen waren voorzien konden beëindigen mits een termijn van dertig dagen in acht werd genomen, zodat een dergelijk uitsluitingseffect niet kon worden vermoed. Intel heeft dit argument herhaald in punt 39 van de repliek.
106
Hieruit volgt dat Intel met deze grieven in wezen heeft aangevoerd dat de duur van de betwiste kortingen van dien aard was dat niet kon worden verondersteld dat zij een mededingingsverstorend uitsluitingseffect konden hebben. Bijgevolg heeft het Gerecht in punt 506 van het bestreden arrest, waarin de door de Commissie in dit verband opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid is afgewezen, terecht geoordeeld dat de door Intel in haar hoofd- en aanvullende opmerkingen aangevoerde argumenten met betrekking tot de duur van de betwiste kortingen duidelijk aansloten bij de argumenten in haar verzoekschrift en dus ontvankelijk waren.
107
Hieruit volgt dat het eerste onderdeel van het eerste middel moet worden afgewezen.
Tweede onderdeel: het Gerecht heeft een onjuiste uitlegging en toepassing gegeven aan de criteria aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat de betwiste kortingen de mededinging kunnen uitsluiten
— Argumenten van partijen
108
Subsidiair voert de Commissie aan dat het Gerecht zijn onderzoek betreffende de in punt 139 van het arrest in hogere voorziening vastgestelde criteria heeft beperkt tot de vraag of het volstond de marktdekking van de betwiste kortingen en van de duur daarvan te analyseren, zonder rekening te houden met een van de andere relevante criteria om te beoordelen of deze kortingen de mededinging konden uitsluiten. Deze benadering druist in tegen het vereiste dat alle relevante omstandigheden van de zaak globaal worden beoordeeld.
109
In dit verband zijn de door het Hof in punt 139 van het arrest in hogere voorziening vastgestelde criteria weliswaar niet uitputtend, maar zij maken deel uit van de relevante omstandigheden om te beoordelen of een kortingssysteem de mededinging kan uitsluiten. De betrokken criteria zijn dus niet cumulatief, in die zin dat de Commissie niet elk criterium afzonderlijk hoeft te onderzoeken of aan elk criterium hetzelfde gewicht hoeft toe te kennen. Hieruit volgt dat de mogelijkheid dat een kortingssysteem de mededinging uitsluit, niet kan worden ontkracht op basis van één of twee afzonderlijk onderzochte omstandigheden. In de punten 519 tot en met 521 en 525 tot en met 527 van het bestreden arrest heeft het Gerecht evenwel geoordeeld dat het feit dat de Commissie het criterium betreffende de marktdekking van de betwiste kortingen niet naar behoren heeft onderzocht en de duur van de betwiste kortingen niet correct heeft geanalyseerd, volstond om de litigieuze beschikking nietig te verklaren. Uit het bestreden arrest blijkt namelijk niet duidelijk in welke mate het Gerecht zijn beoordeling heeft gebaseerd op de fouten die in de toepassing van het AEC-criterium zijn vastgesteld. Daarnaast heeft het Gerecht in punt 525 van het bestreden arrest geoordeeld dat de mogelijkheid van een mededingingsverstorend uitsluitingseffect niet kan worden geacht te zijn aangetoond wanneer de Commissie het criterium betreffende de marktdekking en het criterium betreffende de duur van de kortingen niet naar behoren onderzoekt.
110
Het Gerecht lijkt dus een formalistische zienswijze te hebben gevolgd, volgens welke de Commissie alle in punt 139 van het arrest in hogere voorziening vastgestelde criteria had moeten onderzoeken en aan elk daarvan hetzelfde gewicht had moeten toekennen, los van het relatieve belang van elk criterium in de specifieke context van de bij hem aanhangige zaak of van een globale beoordeling van alle relevante omstandigheden waaruit blijkt dat de betwiste kortingen de mededinging kunnen uitsluiten.
111
Volgens de Commissie kon het Gerecht echter niet tot een conclusie komen over de beoordeling of de gelaakte gedragingen tot een beperking van de mededinging konden leiden, zonder daarbij volgende elementen te onderzoeken: i) de omvang van de machtspositie van Intel op de relevante markt, ii) de voorwaarden en de nadere bepalingen voor het verlenen van de betwiste kortingen en hun invloed op de beslissingen van de OEM's en van MSH in verband met hun bevoorradingsbehoeften, iii) de hoogte van deze kortingen, iv) het tijdsschema, en v) het bestaan van een mededingingsverstorende strategie.
112
Wat meer bepaald de eerste twee in het vorige punt vermelde criteria betreft, heeft Intel niet betwist dat de voorwaarde van exclusieve bevoorrading, waarvan de betwiste kortingen afhankelijk waren, de beslissingen van de OEM's en van MSH in verband met hun bevoorradingsbronnen heeft beïnvloed. Gelet op het duopolie dat kenmerkend is voor de markt van x86-CPU's, houdt het bestaan van een strategie die erop gericht is AMD uit te sluiten op soortgelijke wijze een gevaar in dat elke mededinging op die markt wordt uitgeschakeld. Het Gerecht heeft echter geen rekening gehouden met het bestaan van een dergelijke strategie, niet alleen als een relevant criterium op zichzelf, maar ook in het kader van de toepassing van het AEC-criterium. Bovendien is volgens de Commissie het tijdsschema van de betwiste kortingen van bijzonder belang, aangezien daaruit blijkt dat de toepassing van deze kortingen een oplossing bood voor het onvermogen van Intel om tijdig een technisch antwoord te geven op de door AMD verhandelde 64 bits-x86-CPU's.
113
Bijgevolg heeft het Gerecht de litigieuze beschikking nietig verklaard op de enkele grond dat de Commissie twee van de in punt 139 van het arrest in hogere voorziening geformuleerde criteria onvoldoende had onderzocht. Deze omstandigheid volstaat evenwel niet om een handeling die is gebaseerd op een geheel van complexe beoordelingen nietig te verklaren indien andere elementen van die beoordelingen, die niet zijn betwist of die zijn bekrachtigd, volstaan om de in die handeling getrokken conclusie te staven. Het Gerecht had dus moeten nagaan of, ondanks de leemten die waren vastgesteld in de omvang van het onderzoek van de twee betrokken criteria in de litigieuze beschikking, in die beschikking een analyse was gemaakt van de andere criteria die de vaststelling rechtvaardigden dat de betwiste kortingen de mededinging konden uitsluiten.
114
De Bondsrepubliek Duitsland betoogt dat het Gerecht eerst had moeten onderzoeken of Intel tijdens de administratieve procedure precieze argumenten had aangevoerd betreffende de marktdekking van de betwiste kortingen en de duur ervan, die het vermoeden konden weerleggen dat die kortingen de mededinging konden uitsluiten. Alleen in dat geval zou de Commissie, op grond van het recht om te worden gehoord, verplicht zijn geweest om in de litigieuze beschikking op deze twee criteria in te gaan. Bovendien had het Gerecht moeten onderzoeken of een andere analyse of weging van deze twee criteria door de Commissie tot de conclusie zou hebben geleid dat er geen sprake kon zijn van mededingingsverstorende uitsluiting. Het Gerecht had het belang van deze criteria dus moeten meten in het licht van het bestaan van een algemene strategie die Intel ten uitvoer zou hebben gelegd om AMD, haar enige concurrent op de markt van x86-CPU's, uit te sluiten. Het bestaan van een intentie om concurrenten uit te sluiten kan elke mogelijke twijfel over de marktdekking van de betwiste kortingen en de duur ervan wegnemen.
115
Intel en ACT stellen dat het tweede onderdeel van het eerste middel ongegrond is.
— Beoordeling door het Hof
116
Er zij aan herinnerd dat een partij die krachtens artikel 40 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie is toegelaten tot interventie in een bij het Hof aanhangig geding, het voorwerp van dat geding, zoals dat is omschreven in de conclusies en de middelen van de hoofdpartijen, niet mag wijzigen. Derhalve zijn enkel de argumenten van een interveniënt die passen binnen het door die conclusies en die middelen vastgestelde kader ontvankelijk, en kan de interveniërende partij geen nieuwe middelen aanvoeren die verschillen van die welke rekwirante heeft aangevoerd (zie in die zin arrest van 10 november 2016, DTS Distribuidora de Televisión Digital/Commissie, C-449/14 P, EU:C:2016:848, punten 114 en 121).
117
De grief van de Bondsrepubliek Duitsland dat het Gerecht eerst had moeten onderzoeken of Intel tijdens de administratieve procedure precieze argumenten had aangevoerd betreffende de marktdekking van de betwiste kortingen en de duur ervan, moet niet-ontvankelijk worden verklaard. Deze grief houdt immers geen verband met enig middel dat de Commissie ter ondersteuning van de hogere voorziening heeft aangevoerd. Bovendien weerspreekt deze grief in feite de stelling van de Commissie in het tweede middel dat Intel tijdens de administratieve procedure een zeer groot aantal bewijzen heeft overgelegd met betrekking tot het vermogen van de betwiste kortingen om de verweten mededingingsverstorende uitsluitingseffecten teweeg te brengen, hetgeen volgens de punten 138 en 139 van het arrest in hogere voorziening betekent dat de Commissie onder meer de marktdekking en de duur van de betwiste kortingen moest onderzoeken.
118
Met betrekking tot de grieven waarop de Commissie zich baseert in het kader van het tweede onderdeel van het eerste middel, moet worden opgemerkt dat de Commissie in haar hogere voorziening stelt dat dit onderdeel berust op de premisse dat het Gerecht de litigieuze beschikking nietig heeft verklaard louter op basis van het feit dat zij het criterium betreffende de marktdekking van de betwiste kortingen niet naar behoren had onderzocht en de duur van die kortingen niet correct had geanalyseerd. De Commissie wijst er ook op dat het Hof, indien het van oordeel is dat deze premisse onjuist is, de andere middelen van de hogere voorziening moet onderzoeken.
119
Om die premisse te rechtvaardigen baseert de Commissie zich op punt 525 van het bestreden arrest, waarvan de inhoud in punt 81 van het onderhavige arrest is weergegeven.
120
De Commissie leidt uit dit punt 525, dat meer bepaald betrekking heeft op de betwiste kortingen die Intel aan HP heeft verleend, af dat het Gerecht — niettegenstaande de uitdrukkelijke verwijzing in punt 524 van het bestreden arrest naar drie redenen die ten grondslag lagen aan de nietigverklaring van de litigieuze beschikking, namelijk ten eerste, de fouten bij de toepassing van het AEC-criterium ten aanzien van de OEM's en MSH, ten tweede, het gebrekkige onderzoek van de marktdekking van de betwiste kortingen en, ten derde, de onjuiste analyse van de duur van de kortingen — deze nietigverklaring in feite uitsluitend heeft gebaseerd op de beoordelingen die betrekking hebben op de laatste twee redenen. Volgens de Commissie heeft het Gerecht met deze benadering op abstracte en formalistische wijze beoordeeld of het door haar verrichte onderzoek van deze twee criteria toereikend was, zonder rekening te houden met het relatieve belang van elk van die criteria en zonder andere in de litigieuze beschikking onderzochte omstandigheden in aanmerking te nemen.
121
In dit verband zij eraan herinnerd dat het Gerecht — na in de punten 145 en 147 van het bestreden arrest te hebben geoordeeld dat het recht in de in de litigieuze beschikking gekozen benadering onjuist was toepast, volgens welke benadering de betwiste kortingen naar hun aard misbruik vormden, ongeacht of zij de mededinging konden beperken door de uitsluiting van een even efficiënte concurrent, zodat het AEC-criterium niet hoefde te worden toegepast om die mogelijkheid tot uitsluiting te beoordelen — in punt 149 van dit arrest heeft vastgesteld dat de Commissie toch een AEC-analyse had verricht die van wezenlijk belang was geweest bij de beoordeling van die mogelijkheid tot uitsluiting, zodat Intels argumenten met betrekking tot die analyse nog moesten worden onderzocht. Overeenkomstig deze beoordeling heeft het Gerecht in de punten 150 tot en met 482 van dat arrest Intels argumenten onderzocht dat de litigieuze beschikking nietig moest worden verklaard op grond dat bij de toepassing van het AEC-criterium ten aanzien van Dell, HP, NEC, Lenovo en MSH verschillende fouten waren gemaakt (zie punten 42–61 van het onderhavige arrest).
122
Pas na in punt 482 van het bestreden arrest te hebben geoordeeld dat een groot deel van deze argumenten moest worden aanvaard, heeft het Gerecht in de punten 483 tot en met 520 van dat arrest de argumenten van Intel en ACT onderzocht dat de Commissie de marktdekking van de betwiste kortingen alsmede de duur en de hoogte van die kortingen, als in punt 139 van het arrest in hogere voorziening genoemde criteria, niet naar behoren had onderzocht (zie punten 62 tot en met 77 van het onderhavige arrest).
123
Na dit onderzoek heeft het Gerecht in punt 521 van het bestreden arrest vastgesteld dat Intel op goede gronden kon stellen dat de analyse van de in punt 139 van het arrest in hogere voorziening vermelde criteria die in de litigieuze beschikking was verricht, op meerdere punten onjuist was, omdat de Commissie het criterium betreffende de marktdekking van de betwiste kortingen niet naar behoren had onderzocht en de duur van die kortingen niet correct had geanalyseerd.
124
In de punten 523 en 524 van het bestreden arrest heeft het Gerecht dus uiteengezet dat de Commissie op basis van de toepassing van het AEC-criterium in de overwegingen 1002 tot en met 1575 van de litigieuze beschikking weliswaar had geconcludeerd dat de betwiste kortingen een even efficiënte concurrent als Intel konden uitsluiten en zodoende de mededinging konden beperken, maar dat dit niet wegnam dat, ten eerste, bij de toepassing van het AEC-criterium fouten waren gemaakt, ten tweede, de Commissie het criterium betreffende de marktdekking van de betwiste kortingen niet naar behoren had onderzocht en, ten derde, zij de duur van die kortingen niet correct had geanalyseerd.
125
In dit kader heeft het Gerecht in punt 525 van het bestreden arrest in herinnering gebracht dat de bij de toepassing van het AEC-criterium vastgestelde fout, met name wat betreft de betwiste kortingen die aan HP zijn verleend, betrekking had op de periode van 1 november 2002 tot en met 30 september 2003, terwijl de inbreukperiode betreffende deze OEM liep van november 2002 tot mei 2005. Gelet op het feit dat de Commissie het criterium betreffende de marktdekking van de betwiste kortingen niet naar behoren had onderzocht en de duur van de betwiste kortingen niet correct had geanalyseerd, was het Gerecht evenwel van oordeel dat het eventuele mededingingsverstorende uitsluitingseffect van de ten aanzien van HP toegepaste praktijk niet rechtens genoegzaam kon worden aangetoond voor de gehele inbreukperiode, ook al moest worden geoordeeld dat de toepassing van het AEC-criterium voor een deel van die periode als een bewijs zou kunnen worden beschouwd.
126
Uit het voorgaande volgt dat de Commissie blijk geeft van een onjuiste lezing van punt 525 van het bestreden arrest.
127
Ten eerste kan punt 525, voor zover het alleen betrekking heeft op de aan HP verleende kortingen, namelijk niet afdoen aan het feit dat — zoals blijkt uit punt 524 van het bestreden arrest — het vermogen van de betwiste kortingen om een even efficiënte concurrent als Intel uit te sluiten van de markt die wordt gevormd door Dell, Lenovo, NEC en MSH, is gebaseerd op het onderzoek van meerdere criteria, namelijk de toepassing van het AEC-criterium, de marktdekking en de duur van deze kortingen. Ten tweede en voor zover die mogelijkheid enkel moet worden beoordeeld in het licht van de betwiste kortingen die aan HP zijn verleend, blijkt uit punt 525 van dat arrest dat de marktdekking van die kortingen en de duur ervan van nog fundamenteler belang zijn om vast te stellen dat er sprake is van een dergelijk vermogen en dus van een inbreuk voor de gehele inbreukperiode. De Commissie betoogt evenwel niet dat de litigieuze beschikking een analyse bevat die, louter op grond van de kortingen die aan HP zijn verleend en voor de periode van oktober 2003 tot mei 2005, kan aantonen dat er sprake is van een mededingingsverstorend uitsluitingseffect Overigens blijkt uit de punten 483 tot en met 521 van dat arrest niet dat de litigieuze beschikking een dergelijke analyse bevat.
128
Hieruit volgt dat punt 525 van het bestreden arrest — los van zijn context — niet aldus kan worden begrepen dat dit impliceert dat de analyse die het Gerecht in de punten 150 tot en met 482 van dat arrest van de toepassing van het AEC-criterium heeft verricht, buiten beschouwing wordt gelaten, ook al wordt in punt 524 van dat arrest uitdrukkelijk aangegeven dat die analyse, evenals de beoordelingen met betrekking tot de marktdekking van de betwiste kortingen en de duur van die kortingen, ten grondslag ligt aan de nietigverklaring van de litigieuze beschikking. De premisse in punt 118 van het onderhavige arrest, waarop de Commissie het tweede onderdeel van het eerste middel baseert, is dus onjuist.
129
De onjuistheid van deze premisse impliceert eveneens dat de Commissie het Gerecht niet op goede gronden kan verwijten de litigieuze beschikking nietig te hebben verklaard op louter formele gronden, volgens welke de Commissie elk van de in punt 139 van het arrest in hogere voorziening genoemde criteria afzonderlijk en even gedetailleerd had moeten onderzoeken, los van het relatieve gewicht van elk criterium in het licht van de omstandigheden van de zaak.
130
Zoals blijkt uit de punten 137 tot en met 139 van het arrest in hogere voorziening, maken de marktdekking van de betwiste kortingen en de duur ervan deel uit van de elementen die de Commissie moet beoordelen om vast te stellen dat de beschuldigde onderneming misbruik heeft gemaakt van een machtspositie, waarbij het feit dat deze onderneming tijdens de administratieve procedure — onder overlegging van bewijs — betoogt dat haar gedragingen niet tot een mededingingsverstorend uitsluitingseffect konden leiden, voor de Commissie de bijzondere verplichting meebrengt om te beoordelen of er sprake kan zijn van een strategie die erop gericht is minstens even efficiënte concurrenten uit te sluiten.
131
In dit kader heeft het Gerecht ten eerste, zoals blijkt uit de punten 485, 493 tot en met 495, 509 en 510 van het bestreden arrest en anders dan de Commissie het Gerecht verwijt, getracht te bepalen welke overwegingen van de litigieuze beschikking relevant konden zijn voor de marktdekking van de betwiste kortingen en de duur ervan.
132
Ten tweede blijkt uit de punten 493 tot en met 500 en 506 tot en met 520 van het bestreden arrest dat het Gerecht een reeks leemten in de relevante overwegingen van de litigieuze beschikking heeft geïdentificeerd, op grond waarvan het Gerecht heeft geoordeeld dat de Commissie het criterium betreffende de marktdekking van de betwiste kortingen en de duur van die kortingen niet naar behoren had onderzocht als factoren aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat deze kortingen een mededingingsverstorend uitsluitingseffect konden hebben. De Commissie komt in het kader van de onderhavige hogere voorziening echter niet op tegen deze beoordelingen van het Gerecht.
133
Overigens kan evenmin worden ingestemd met de door de Bondsrepubliek Duitsland gedeelde grief van de Commissie dat het Gerecht de litigieuze beschikking niet nietig kon verklaren zonder een onderzoek naar de omvang van de machtspositie van Intel op de relevante markt, de voorwaarden en de nadere bepalingen voor het verlenen van de betwiste kortingen en voor de betalingen in kwestie alsook de invloed ervan op de beslissingen van de OEM's en MSH in verband met hun bevoorradingsbehoeften, de hoogte van die kortingen, het tijdsschema ervan en de vraag of er sprake was van een mededingingsverstorende strategie.
134
In dit verband en in de eerste plaats berust ook deze grief, als integrerend deel van het tweede onderdeel van het eerste middel van de hogere voorziening, op de onjuiste premisse dat de nietigverklaring van de litigieuze beschikking louter is gebaseerd op de beoordelingen van het Gerecht met betrekking tot de marktdekking van de betwiste kortingen en de duur van die kortingen.
135
In de tweede plaats is volgens het bestreden arrest de enige analyse in de litigieuze beschikking die ertoe strekt aan te tonen dat de betwiste kortingen misbruik opleveren, ongeacht of zij een even efficiënte concurrent als Intel kunnen uitsluiten, de analyse die blijkt uit met name de in de punten 133 tot en met 144 van het bestreden arrest onderzochte overwegingen 920 tot en met 926, 950, 972, 981, 989, 1000 en 1001 van die beschikking. Zoals het Gerecht in de punten 145 tot en met 147 van dat arrest heeft opgemerkt, blijkt uit de punten 137 tot en met 139 en 141 van het arrest in hogere voorziening dat het recht in deze analyse onjuist is toegepast.
136
Voor zover de Commissie zich baseert op de machtspositie van Intel, het voorwaardelijke karakter van de kortingen en het bestaan van een strategie die erop gericht is een concurrent van Intel uit te sluiten, los van de vraag of deze concurrent even efficiënt is als Intel, berusten de aldus ter ondersteuning van deze grief aangevoerde argumenten impliciet maar noodzakelijkerwijs op de opvatting dat de betwiste kortingen per definitie misbruik opleveren.
137
Voor zover de Commissie zich beroept op de hoogte van de betwiste kortingen, de factoren die de uitsluitingseffecten versterken en het strategische karakter van de OEM's die deze kortingen ontvangen, moet worden opgemerkt dat het Gerecht — anders dan de Commissie stelt — deze elementen heeft onderzocht bij zijn beoordelingen van de toepassing van het AEC-criterium, de marktdekking van de betwiste kortingen en de duur ervan.
138
In feite verwijt de Commissie het Gerecht dus niet te hebben onderzocht of de verschillende hoofdstukken van de litigieuze beschikking elementen bevatten waarmee een redenering kon worden opgezet om aan te tonen dat de betwiste kortingen een mededingingsverstorend uitsluitingseffect konden hebben, ondanks hetgeen het Gerecht had vastgesteld inzake de marktdekking van de betwiste kortingen en de duur ervan, terwijl de Commissie deze vaststellingen niet betwist in het kader van de onderhavige hogere voorziening. Los van het feit dat de criteria waarop de Commissie zich baseert als zodanig niet lijken te volstaan om een inbreuk op artikel 102 VWEU vast te stellen, kon het Gerecht een dergelijk onderzoek evenwel niet verrichten, aangezien het — zoals het in wezen in punt 150 van het bestreden arrest in herinnering heeft gebracht — de bestanddelen van de door de Commissie vastgestelde inbreuk niet kan wijzigen door zijn eigen motivering in de plaats te stellen van degene die de handeling, waarvan het de rechtmatigheid krachtens artikel 263 VWEU toetst, heeft verricht (zie in die zin arrest van 16 juni 2022, Sony Corporation en Sony Electronics/Commissie, C-697/19 P, EU:C:2022:478, punt 95 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
139
Hieruit volgt dat het Gerecht, door in de punten 150 tot en met 527 van het bestreden arrest de fouten aan te geven waardoor naar zijn oordeel de motivering van de litigieuze beschikking onrechtmatig werd wat betreft de toepassing van het AEC-criterium, de marktdekking van de betwiste kortingen en de duur ervan, zodat deze gronden overeenkomstig zijn analyse niet geschikt waren om schending van artikel 102 VWEU vast te stellen en dus als grondslag voor artikel 1, onder a) tot en met e), van deze beschikking te dienen, niet is voorbijgegaan aan de criteria betreffende de vraag of de betwiste kortingen de mededinging konden uitsluiten.
140
Bijgevolg moet het tweede onderdeel van het eerste middel worden afgewezen, zodat het eerste middel in zijn geheel moet worden afgewezen.
Tweede middel: schending van de rechten van verdediging van de Commissie
Argumenten van partijen
141
Volgens de Commissie kan zij, aangezien de door Intel verleende betwiste kortingen worden vermoed misbruik op te leveren, niet worden verplicht om de litigieuze beschikking aldus te motiveren dat zij niet alleen reageert op het grote aantal bewijzen dat Intel tijdens de administratieve procedure heeft overgelegd, maar ook op argumenten die Intel tijdens deze procedure niet heeft aangevoerd. Tijdens de procedure voor het Gerecht heeft Intel aanvullende argumenten met betrekking tot de toepassing van het AEC-criterium aangevoerd in de vorm van economische deskundigenverslagen. Ondanks het feit dat het Gerecht rekening heeft gehouden met dit grote aantal nieuwe bewijzen, heeft het in de punten 235, 236, 252, 253, 316, 317, 443 en 444 van het bestreden arrest geweigerd rekening te houden met de weerlegging van deze elementen door de Commissie, op grond dat een dergelijk onderzoek ertoe zou leiden dat het zijn eigen motivering in de plaats zou stellen van die welke in de litigieuze beschikking is uiteengezet. Deze weerlegging was echter niet bedoeld om een leemte in de motivering van deze beschikking te vullen, maar om te reageren op de nieuwe economische analysen die door Intel voor het eerst in de loop van het geding zijn verstrekt. Door de argumenten van de Commissie in aanmerking te nemen zou het Gerecht zijn eigen beoordeling dus niet in de plaats hebben gesteld van de analysen in de litigieuze beschikking.
142
Derhalve heeft het Gerecht de rechten van verdediging van de Commissie geschonden met betrekking tot, ten eerste, de berekening van het betwistbare aandeel van Dell, ten tweede, het mogelijke uitsluitingseffect van de tussen november 2002 en september 2003 aan HP verleende betwiste kortingen en, ten derde, de waarde van de aan Lenovo toegekende voordelen in natura.
143
Intel betwist de gegrondheid van het tweede middel.
Beoordeling door het Hof
144
Om te beginnen zij eraan herinnerd dat, zoals blijkt uit de punten 137 tot en met 139 van het arrest in hogere voorziening, wanneer de Commissie slechts verplicht is om na te gaan of er eventueel sprake is van een strategie van de onderneming met een machtspositie die erop gericht is minstens even efficiënte concurrenten als zijzelf uit te sluiten wanneer de betrokken onderneming tijdens de administratieve procedure — onder overlegging van bewijs — betoogt dat haar gedragingen de mededinging niet konden beperken en met name de verweten uitsluitingseffecten niet konden teweegbrengen.
145
Hieruit volgt dat het Gerecht, wanneer de Commissie door toepassing van het AEC-criterium heeft aangetoond dat de gedragingen van de beschuldigde onderneming wel die effecten konden hebben en daarbij rekening heeft gehouden met de door die onderneming verstrekte gegevens, niet op basis van gegevens die deze onderneming daartoe voor het eerst voor het Gerecht heeft aangevoerd tot de slotsom kan komen dat deze toepassing ongeldig is, wanneer deze elementen de Commissie niet bekend waren en tijdens de administratieve procedure hadden kunnen worden overgelegd.
146
Verder wordt het positieve dan wel negatieve resultaat van de toepassing van het AEC-criterium, in de zin van punt 158 van het bestreden arrest, volgens de methode van de Commissie om te beoordelen of de betwiste kortingen een even efficiënte concurrent als Intel kunnen uitsluiten, uiteindelijk bepaald aan de hand van een vergelijking tussen het betwistbare aandeel en het vereiste aandeel. Laatstgenoemd aandeel is het deel van de behoeften van de afnemer dat een even efficiënte concurrent als Intel moet verkrijgen om zonder verliezen te kunnen toetreden tot de markt. Indien het betwistbare aandeel groter is dan het vereiste aandeel, is het resultaat van de toepassing van het AEC-criterium voor Intel positief, terwijl de omgekeerde omstandigheid tot een negatief resultaat leidt en dus tot de vaststelling dat de betwiste kortingen een concurrent die even efficiënt is als deze onderneming kunnen uitsluiten.
147
Wat in de eerste plaats de situatie van Dell betreft, heeft het Gerecht in de punten 204 tot en met 206, 215 en 220 van het bestreden arrest een overzicht gegeven van de bewijzen die Intel had aangevoerd ter betwisting van de berekening van het betwistbare aandeel van 7,1 % waarvan de Commissie in de litigieuze beschikking ten aanzien van deze onderneming was uitgegaan.
148
Het gaat ten eerste om een e-mail van 10 november 2005, die is opgesteld door een bestuurder van Dell, ‘D1’ genaamd (hierna: ‘e-mail van D1’), waaruit blijkt dat de verschuiving van de vraag van Dell naar AMD tot 25 % van het volume aan x86-CPU's kon betreffen. Deze bestuurder heeft de inhoud van die e-mail overigens onder ede bevestigd in het kader van een besloten procedure tussen Intel en AMD in de staat Delaware (Verenigde Staten van Amerika). In punt 204 van het bestreden arrest zet het Gerecht voorts uiteen dat volgens het door Intel voor het eerst voor het Gerecht overgelegde rapport Salop-Hayes het verwachte volume van 25 % van de behoeften van Dell voor het eerste jaar een betwistbaar aandeel van 17,5 % opleverde, of 12,5 % indien de benadering van de Commissie werd gevolgd, die Intel onredelijk achtte.
149
Ten tweede werd in een e-mail van 9 maart 2004, die is opgesteld door een andere bestuurder van Dell, ‘D5’ genaamd (hierna: ‘e-mail van D5’), verwezen naar een mogelijke verschuiving van de bevoorradingsbehoefte van Dell naar AMD voor 25 % van de totale behoefte van Dell aan x86-CPU's in negentig dagen.
150
Ten derde blijkt uit een verklaring van 21 december 2007 van — zoals blijkt uit punt 194 van het bestreden arrest — een werknemer, ‘I1’ genaamd (hierna: ‘verklaring van I1’), die ten tijde van de feiten bij Intel verantwoordelijk was voor de relatie met Dell, dat Intels interne ramingen van het betwistbare aandeel van de behoefte van Dell aan x86-CPU's in het eerste jaar tussen 15 en 25 % lagen.
151
Ten vierde en ten slotte bevestigt een verklaring die D1 in het kader van de besloten procedure tussen Intel en AMD in de staat Delaware heeft afgelegd de inhoud van zijn e-mail van 10 november 2005, terwijl uit een verklaring van een andere bestuurder van Dell, ‘D3’ genaamd, die eveneens in het kader van die procedure is afgelegd, blijkt dat de aangever geen enkele reden had om zich af te vragen of de uitlatingen van D1 juist waren.
152
Uit de punten 174, 196, 209 tot en met 211 en 222 van het bestreden arrest blijkt dat alle door Intel aangevoerde documenten, met uitzondering van het rapport Salop-Hayes, deel uitmaakten van het administratieve dossier en in de litigieuze beschikking zijn besproken, hetgeen de Commissie niet betwist. De Commissie richt haar betoog op het feit dat het Gerecht het rapport Salop-Hayes heeft gebruikt om het door de Commissie in die beschikking berekende betwistbare aandeel van 7,1 % in twijfel te trekken, en uit de kritiek dat het Gerecht heeft geweigerd om rekening te houden met de analysen die geen deel uitmaken van de motivering van die beschikking, en door de Commissie bij het verweerschrift en de dupliek zijn gevoegd die in het kader van de procedure in eerste aanleg zijn overgelegd.
153
Dienaangaande blijkt uit de punten 171, 229, 233 en 234 van het bestreden arrest dat de Commissie voor de toepassing van het AEC-criterium ten aanzien van Dell is uitgegaan van een betwistbaar aandeel van 7,1 % op basis van een spreadsheet van januari 2004 (hierna: ‘spreadsheet van 2004’) die Dell haar tijdens de administratieve procedure had verstrekt. De Commissie heeft het betwistbare aandeel van 7,1 % in het bijzonder afgeleid uit een verschuiving van de vraag van Dell naar AMD voor 7 % van het volume aan x86-CPU's dat Dell volgens de spreadsheet van 2004 voornemens was voor 2005 van AMD af te nemen.
154
In punt 175 van het bestreden arrest heeft het Gerecht verwezen naar de door de Commissie in de litigieuze beschikking gemaakte vergelijking van het vereiste aandeel met het betwistbare aandeel. Uit deze vergelijking heeft de Commissie geconcludeerd dat het vereiste aandeel voor negen van de dertien kwartalen waaruit de inbreukperiode met betrekking tot Dell bestond, hoger was dan het betwistbare aandeel.
155
Zoals blijkt uit punt 204 van het bestreden arrest, dat is gewijd aan de uiteenzetting van het betoog van Intel, heeft het rapport Salop-Hayes het inderdaad mogelijk gemaakt het verwachte volume van 25 % van de uit de e-mails van D1 en D5 voortvloeiende behoeften van Dell voor het eerste jaar te vertalen in een betwistbaar aandeel van 17,5 %, of 12,5 % indien de benadering van de Commissie wordt gevolgd, die Intel verwerpt.
156
Ten eerste blijkt evenwel uit de punten 220 tot en met 234 van het bestreden arrest, die betrekking hebben op de beoordeling van het bewijs waarop Intel zich voor het Gerecht heeft beroepen, dat het Gerecht de in de litigieuze beschikking gemaakte berekening van het betwistbare aandeel van Dell in twijfel heeft getrokken op basis van de e-mails van D1 en D5, de verklaringen van de bestuurders van Dell in het kader van de besloten procedure tussen Intel en AMD in de staat Delaware, en de verklaring van I1. Het Gerecht heeft zich daarentegen voor zijn beoordeling niet gebaseerd op het rapport Salop-Hayes, dat in die punten overigens niet wordt genoemd.
157
Anders dan de premisse waarop de Commissie haar redenering baseert, heeft het Gerecht zijn beoordeling dus niet op dat rapport gebaseerd, zodat het betoog van de Commissie hoe dan ook moet worden afgewezen.
158
Ten tweede heeft het Gerecht er in punt 236 van het bestreden arrest inderdaad aan herinnerd dat het rekening houden met de aanvullende analysen, die de Commissie voor het eerst voor het Gerecht heeft overgelegd om de toepassing van het AEC-criterium in de litigieuze beschikking te bevestigen, ertoe zou leiden dat het zijn eigen motivering in de plaats zou stellen van die in deze beschikking, hetgeen in het kader van de rechtmatigheidstoetsing van artikel 263 VWEU niet is toegestaan. In de punten 237 tot en met 239 van het bestreden arrest heeft het Gerecht deze elementen echter toch ten overvloede onderzocht en geconcludeerd dat zij geen afbreuk deden aan de overweging in punt 234 van dat arrest, zodat de door de Commissie ter ondersteuning van dit middel in hogere voorziening aangevoerde grief ook om die reden op een onjuiste premisse is gebaseerd.
159
Daarnaast heeft het Gerecht in de punten 240 tot en met 255 van het bestreden arrest de elementen inzake de daadwerkelijke verschuiving van de vraag van Dell naar AMD in 2006 en 2007 onderzocht, en geoordeeld dat deze elementen de twijfel over de vaststelling van het betwistbare aandeel van Dell op 7,1 % bevestigden. Dienaangaande heeft het Gerecht in punt 243 van het bestreden arrest uiteengezet dat, volgens overweging 1245 van de litigieuze beschikking, op basis van hetgeen met betrekking tot de daadwerkelijke verschuiving van een deel van de vraag van Dell naar AMD was vastgesteld, een betwistbaar aandeel van meer dan 7,1 % kon worden berekend, namelijk tussen 8,2 en 10,1 %.
160
Anders dan de Commissie betoogt, zijn de beoordelingen van het Gerecht met betrekking tot de daadwerkelijke verschuiving van de vraag van Dell naar AMD in 2006 en 2007 uitsluitend gebaseerd op gegevens die uit de litigieuze beschikking blijken. Het Gerecht baseert zich op geen enkel element dat Intel voor het eerst in de loop van het geding heeft overgelegd. De Commissie geeft ook niet aan in welk punt van het bestreden arrest het Gerecht zich op een dergelijk element heeft gebaseerd.
161
Hieruit volgt dat de grief van de Commissie dat het Gerecht zijn beoordeling van het betwistbare aandeel van Dell heeft gebaseerd op elementen die voor het eerst voor het Gerecht zijn overgelegd, zonder rekening te houden met de analysen die de Commissie heeft overgelegd om de gegrondheid van die elementen te weerleggen, hoe dan ook op onjuiste premissen berust.
162
Wat in de tweede plaats HP betreft, heeft het Gerecht opgemerkt dat de Commissie niet had aangetoond dat er tussen 1 november 2002 en 30 september 2003 sprake was van mededingingsverstorende uitsluitingseffecten. De Commissie is evenwel van mening dat indien Intel voor het eerst voor het Gerecht mocht aanvoeren dat elementen betreffende een bepaalde periode niet waren gebruikt bij de toepassing van het AEC-criterium, zij in de loop van het geding elementen zou moeten kunnen toevoegen aan die toepassing.
163
In dit verband moet worden benadrukt dat Intels betoog voor het Gerecht met betrekking tot HP ertoe strekte de rechtmatigheid van de toepassing van het AEC-criterium in de litigieuze beschikking te betwisten zonder elementen aan te voeren die Intel tijdens de administratieve procedure niet had overgelegd. Hieruit volgt dat het Gerecht hoe dan ook geen fout heeft gemaakt door in de punten 300 en 301 van het bestreden arrest op grond van het arrest van 1 juli 2010, Knauf Gips/Commissie (C-407/08 P, EU:C:2010:389, punt 89), het argument van de Commissie af te wijzen dat dit betoog niet-ontvankelijk was omdat Intel tijdens de administratieve procedure de door de Commissie voor haar berekeningen gebruikte perioden niet heeft betwist. Evenzo heeft het Gerecht — zoals in punt 138 van het onderhavige arrest is opgemerkt — in punt 317 van het bestreden arrest terecht geoordeeld dat het geen rekening kon houden met aanvullende berekeningen die niet uit de litigieuze beschikking blijken en die de Commissie voor het eerst als bijlage bij de dupliek heeft overgelegd om de toepassing van het AEC-criterium in die beschikking te onderbouwen, zonder zijn eigen motivering in de plaats te stellen van die in die beschikking.
164
In de derde plaats heeft het Gerecht geoordeeld dat de Commissie in haar analyse van het bedrag van de aan Lenovo verleende betwiste kortingen in de vorm van twee voordelen in natura, namelijk de uitbreiding van Intels standaardgarantie van een jaar en een beter gebruik van een distributieplatform in China, is uitgegaan van de waarde van die voordelen voor Lenovo in plaats van de kosten ervan voor Intel en daarmee in feite een redenering heeft ontwikkeld ten opzichte van een minder efficiënte concurrent dan Intel, die evenwel niet de relevante marktdeelnemer was om te beoordelen of de betwiste kortingen in kwestie tot een mededingingsverstorend uitsluitingseffect konden leiden.
165
Zoals blijkt uit de punten 433 tot en met 439 van het bestreden arrest, heeft het Gerecht zich ter staving van deze beoordeling betreffende de grondslagen van het AEC-criterium gebaseerd op de aard van dat criterium zoals beschreven in de litigieuze beschikking. Anders dan de Commissie betoogt om aan te tonen dat het Gerecht haar rechten van verdediging heeft geschonden, heeft het Gerecht zich daartoe niet gebaseerd op het aanvullende rapport Shapiro-Hayes van 28 januari 2009 (hierna: ‘aanvullend rapport Shapiro-Hayes’), dat Intel voor het eerst in eerste aanleg heeft overgelegd en dat — zoals blijkt uit de punten 423 en 452 van het bestreden arrest — betrekking heeft op een afzonderlijke kwestie, namelijk de berekening van de kosten voor Intel van de twee voordelen in natura.
166
Derhalve levert de uit de punten 443 en 444 van het bestreden arrest blijkende weigering van het Gerecht om rekening te houden met de door de Commissie overgelegde berekeningen van de werkelijke kosten voor Intel van de betrokken voordelen in natura, op grond dat het Gerecht daardoor zijn beoordeling in de plaats zou stellen van die in de litigieuze beschikking, geen schending van de rechten van verdediging van de Commissie op.
167
Het Gerecht heeft pas naar het aanvullende rapport Shapiro-Hayes verwezen in punt 452 van het bestreden arrest, in het kader van een in de punten 451 tot en met 453 van dat arrest ten overvloede verrichte analyse van de elementen die de Commissie voor het eerst voor het Gerecht heeft overgelegd.
168
Uit een en ander volgt dat het tweede middel moet worden afgewezen.
Derde middel: onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot het vereiste bewijs, schending van de rechten van verdediging van de Commissie, en onjuiste opvatting van de bewijzen bij het onderzoek van de toepassing van het AEC-criterium ten aanzien van Dell
169
Het derde middel bestaat uit drie onderdelen.
Eerste onderdeel: onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot het vereiste bewijs
— Argumenten van partijen
170
De Commissie betoogt dat het Gerecht zich op onjuiste juridische criteria heeft gebaseerd bij de beoordeling van het bewijs dat de Commissie heeft aangevoerd ter staving van haar vaststelling dat er sprake was van misbruik van een machtspositie. Ten eerste wordt bij de toepassing van het AEC-criterium niet uitgegaan van veronderstellingen over gedragingen die voortvloeien uit vastgestelde feiten, maar wel van een econometrisch model voor de beoordelingen van de inputwaarden (input values) voor dit model. Anders dan het Gerecht in punt 165 van het bestreden arrest uiteenzet, kan de omstandigheid dat Intel een plausibele verklaring van de feiten heeft gegeven op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een inbreuk, dan ook niet leiden tot de nietigverklaring van de litigieuze beschikking. Ten tweede is de toepassing van het AEC-criterium in wezen een toetsing die, wat het betwistbare aandeel van een OEM betreft, is gebaseerd op veronderstellingen waarvoor per definitie geen zeker en definitief antwoord, doch slechts een optimale of redelijke beoordeling bestaat. Anders dan het Gerecht in punt 166 van het bestreden arrest heeft geoordeeld, volstaat het dus niet om vraagtekens te stellen bij de beoordeling die de Commissie na zo'n toepassing heeft verricht, noch a fortiori om louter te suggereren dat een ander resultaat denkbaar is, om de litigieuze beschikking nietig te laten verklaren.
171
De juiste benadering met betrekking tot de bewijsstandaard en rechterlijke toetsing van een toepassing van het AEC-criterium is dus die waarbij, zonder de toepassing van het AEC-criterium aan rechterlijke toetsing te onttrekken, niet alleen de materiële juistheid, de betrouwbaarheid en de samenhang van de aangevoerde bewijselementen wordt nagegaan, maar ook wordt gecontroleerd of deze elementen alle relevante feiten omvatten die bij de beoordeling van een complexe toestand in aanmerking dienen te worden genomen, en of zij de daaruit getrokken conclusies kunnen schragen. Of een praktijk van een onderneming met een machtspositie de mededinging kan beperken, wordt immers beoordeeld op basis van contextuele elementen die niet uitsluitend verband houden met de gedragingen van die onderneming.
172
Het Gerecht heeft de beoordeling van het betwistbare aandeel van Dell in de litigieuze beschikking dus afgewezen op basis van een onjuiste bewijsstandaard, door in punt 244 van het bestreden arrest enkel vast te stellen dat ‘de hypothese van een betwistbaar aandeel van 7,1 % niet de enige mogelijke hypothese was’ en dit ‘ertoe [leidt] dat de juistheid van de door de Commissie in de [litigieuze] beschikking verrichte beoordeling in twijfel wordt getrokken’. Het vermoeden van onschuld betekent niet dat de beoordelingen van contextuele elementen die geen verband houden met de gedragingen van de onderneming met een machtspositie, ongeldig moeten worden geacht zodra het Gerecht ‘twijfels’ heeft over een van deze elementen.
173
Intel betwist de gegrondheid van dit onderdeel van het derde middel.
— Beoordeling door het Hof
174
Voor de beoordeling van de gegrondheid van de argumenten van de Commissie zij herinnerd aan de context waarvan de in casu verrichte toepassing van het AEC-criterium deel uitmaakt.
175
In de punten 133 en 134 van het arrest in hogere voorziening heeft het Hof in herinnering gebracht dat artikel 102 VWEU niet tot doel heeft te beletten dat een onderneming op basis van haar eigen verdienste de machtspositie op een of meer markten inneemt, noch om ervoor te zorgen dat minder efficiënte concurrerende ondernemingen dan ondernemingen met een dergelijke positie op de markt aanwezig blijven. Niet elk uitsluitingseffect tast dus noodzakelijkerwijs de mededinging aan. Een op verdienste gebaseerde mededinging kan er immers toe leiden dat minder efficiënte concurrenten, die dus op het punt van de prijs, de productie, de keuze, de kwaliteit of de innovatie voor de consument minder interessant zijn, van de markt verdwijnen of daarop een marginale plaats krijgen (arrest van 21 december 2023, European Superleague Company, C-333/21, EU:C:2023:1011, punten 126 en 127 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
176
Om in een concreet geval te kunnen oordelen dat een gedraging als ‘misbruik van een machtspositie’ moet worden aangemerkt, moet bijgevolg normaliter worden vastgesteld dat die gedraging, door het gebruik van andere middelen dan die welke bij een normale, op verdienste gebaseerde mededinging tussen ondernemingen gebruikelijk zijn, daadwerkelijk of potentieel tot gevolg heeft dat de mededinging wordt beperkt, doordat even efficiënte concurrerende ondernemingen van de betrokken markt of markten worden uitgesloten of doordat hun ontwikkeling op die markten wordt belemmerd (arrest van 21 december 2023, European Superleague Company, C-333/21, EU:C:2023:1011, punt 129 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
177
Gelet op de bijzondere verantwoordelijkheid die op een onderneming met een machtspositie rust om door haar gedragingen geen afbreuk te doen aan de daadwerkelijke en onvervalste mededinging op de interne markt, verbiedt artikel 102 VWEU haar praktijken — waaronder tariefpraktijken — toe te passen die leiden tot de uitsluiting van haar even efficiënte concurrenten, en aldus haar machtspositie te versterken met behulp van andere middelen dan die welke berusten op een mededinging op basis van verdienste (zie in die zin arrest in hogere voorziening, punten 135 en 136, en arrest van 12 mei 2022, Servizio Elettrico Nazionale e.a., C-377/20, EU:C:2022:379, punt 76).
178
Zoals het Hof in punt 137 van het arrest in hogere voorziening in herinnering brengt, kan een dergelijke praktijk de vorm aannemen van een stelsel van getrouwheidskortingen, dat wil zeggen een systeem van rabatten, gebonden aan de voorwaarde dat de afnemer zich, ongeacht hoeveel hij bij de onderneming met een machtspositie aankoopt, voor zijn behoeften goeddeels of uitsluitend bevoorraadt bij die onderneming.
179
Dit neemt niet weg dat bij de vaststelling van de daadwerkelijke of potentiële mededingingsbeperkende gevolgen van een gedraging, waarbij mogelijk verschillende analyseschema's moeten worden gebruikt afhankelijk van het soort gedragingen dat in een bepaalde zaak aan de orde is, in elk geval alle relevante feitelijke omstandigheden moeten worden beoordeeld, ongeacht of die omstandigheden betrekking hebben op die gedraging zelf, op de betrokken markt of markten of op de werking van de mededinging daarop. Bovendien moet met die vaststelling worden beoogd om aan de hand van nauwkeurige en concrete analyse- en bewijselementen aan te tonen dat deze gedraging op zijn minst uitsluitingseffecten kan hebben (arrest van 21 december 2023, European Superleague Company, C-333/21, EU:C:2023:1011, punten 129 en 130 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
180
Wanneer het gaat om een praktijk die erin bestaat getrouwheidskortingen te verlenen, waarvan de onderneming met een machtspositie tijdens de administratieve procedure — onder overlegging van bewijs — betoogt dat deze praktijk niet de verweten uitsluitingseffecten kon teweegbrengen, staat het dus aan de Commissie om niet alleen elementen te onderzoeken zoals de omvang van de machtspositie van de betrokken onderneming, de marktdekking van de betwiste kortingen alsook de voorwaarden en de modaliteiten voor het verlenen van de betrokken kortingen, de duur en de hoogte ervan, maar ook of er sprake is van een strategie die erop gericht is minstens even efficiënte concurrenten uit te sluiten (arrest in hogere voorziening, punten 138 en 139 en aldaar aangehaalde rechtspraak; zie in die zin arrest van 19 januari 2023, Unilever Italia Mkt. Operations, C-680/20, EU:C:2023:33, punten 47–49).
181
De mogelijkheid om met dergelijke kortingen een concurrent uit te sluiten die even efficiënt is als de onderneming met een machtspositie en die wordt geacht dezelfde kosten te dragen als deze onderneming, wordt in het algemeen beoordeeld aan de hand van de toepassing van het AEC-criterium. Hoewel dit criterium slechts een van de manieren is om vast te stellen of een onderneming met een machtspositie zich heeft bediend van andere middelen dan die welke bij een ‘normale’ mededinging gebruikelijk zijn, heeft het immers juist tot doel na te gaan in hoeverre een dergelijke even efficiënte concurrent in abstracto in staat is om de gedragingen van de onderneming met een machtspositie te reproduceren en bijgevolg of die gedragingen moeten worden beschouwd als een normale mededinging op basis van verdienste (zie in die zin arrest van 12 mei 2022, Servizio Elettrico Nazionale e.a., C-377/20, EU:C:2022:379, punten 80–82 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
182
Om de gegrondheid van de argumenten van de Commissie te beoordelen moet ook in gedachten worden gehouden dat — zoals in de punten 43 en 44 van het onderhavige arrest is uiteengezet — de zoals in casu verrichte toepassing van het AEC-criterium onder meer rekening houdt met het mogelijke verlies van de betwiste kortingen ingeval een OEM zich bij AMD bevoorraadt en, uiteindelijk, berust op een vergelijking tussen het betwistbare aandeel en het vereiste aandeel voor elke OEM en voor MSH.
183
Wat de vergelijking tussen het betwistbare aandeel en het vereiste aandeel betreft, blijkt uit punt 175 van het bestreden arrest dat de Commissie in tabel nr. 22 van de litigieuze beschikking het vereiste aandeel heeft vermeld (hierna: ‘tabel nr. 22’).
184
Bovendien wijst het Gerecht er in punt 171 van het bestreden arrest op dat de Commissie is uitgegaan van een betwistbaar aandeel van 7,1 %, een cijfer dat voortvloeit uit de in punt 153 van het onderhavige arrest genoemde spreadsheet van 2004.
185
In punt 175 van het bestreden arrest heeft het Gerecht uiteengezet dat de Commissie dit cijfer in wezen heeft genomen als het relevante percentage dat moest worden toegepast om het betwistbare aandeel te bepalen, en heeft het vergeleken met het vereiste aandeel als vermeld in tabel nr. 22 voor elk betrokken kwartaal.
186
De laatste kolom van deze tabel, waarnaar ook punt 175 van het bestreden arrest verwijst, vermeldt dat het vereiste aandeel voor de periode van het vierde kwartaal van het boekjaar 2003 tot en met het vierde kwartaal van het boekjaar 2006 zich situeerde tussen 4,9 % (de voor het eerste kwartaal van het boekjaar 2004 berekende waarde) en 12,1 % (de voor het vierde kwartaal van het boekjaar 2006 berekende waarde). Zoals het Gerecht in dat punt van het bestreden arrest verduidelijkt, was de Commissie van mening dat voor de laatste negen kwartalen van de betrokken periode het vereiste aandeel hoger was dan het betwistbare aandeel.
187
Na in de punten 189 tot en met 201 van het bestreden arrest de argumenten van Intel te hebben afgewezen waarmee Intel de Commissie verwijt het rechtszekerheidsbeginsel te hebben geschonden door rekening te houden met de spreadsheet van 2004, heeft het Gerecht in de punten 202 tot en met 256 van dat arrest de argumenten van Intel betreffende de vaststelling van het betwistbare aandeel op 7,1 % onderzocht.
188
Dienaangaande blijkt uit de punten 203 en 240 van het bestreden arrest dat Intel het door de Commissie gehanteerde betwistbare aandeel van 7,1 % ter discussie heeft gesteld door zich te beroepen op, ten eerste, andere bewijzen dan de spreadsheet van 2004 en, ten tweede, gegevens met betrekking tot de daadwerkelijke verschuiving van de vraag van Dell naar AMD in 2006 en 2007 waaruit blijkt dat het betwistbare aandeel van Dell groter kon zijn dan 7,1 %.
189
In de eerste plaats zijn de bewijzen waarop Intel zich heeft gebaseerd — zoals blijkt uit de punten 204 tot en met 206, 215 en 220 van het bestreden arrest — de e-mail van D1, de e-mail van D5, de verklaringen van de bestuurders van Dell in het kader van de besloten procedure tussen Intel en AMD in de staat Delaware en de verklaring van I1, die in de punten 147 tot en met 151 van het onderhavige arrest zijn vermeld.
190
Het Gerecht heeft deze bewijzen onderzocht in de punten 213 tot en met 232 van het bestreden arrest. In punt 233 van dat arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat uit de e-mails van D1 en D5, uit de verklaringen van de bestuurders van Dell in het kader van de besloten rechtszaak tussen Intel en AMD in de staat Delaware alsook uit de verklaring van I1, die gezamenlijk elkaar onderling bevestigen, blijkt dat de verschuiving van de vraag van Dell naar AMD, in de loop van 2005, tot 25 % van de hoeveelheid x86-CPU's kon betreffen, en niet 7 % zoals blijkt uit de spreadsheet van 2004.
191
Derhalve heeft het Gerecht in punt 234 van het bestreden arrest geoordeeld dat het bewijsmateriaal waarop Intel steunde twijfel deed rijzen over het feit dat het betwistbare aandeel van Dell uitsluitend moest worden beoordeeld op basis van de spreadsheet van 2004 waarin stond dat een volume van 7 % van de vraag van Dell voor 2005 zou verschuiven naar AMD, waaruit de Commissie een betwistbaar aandeel van 7,1 % had afgeleid.
192
In de tweede plaats heeft het Gerecht in punt 243 van het bestreden arrest opgemerkt dat de Commissie in overweging 1245 van de litigieuze beschikking uitdrukkelijk had erkend dat op basis van hetgeen met betrekking tot de daadwerkelijke verschuiving van een deel van de vraag van Dell naar AMD in 2006 en 2007 was vastgesteld, een betwistbaar aandeel van meer dan 7,1 %, namelijk tussen 8,2 en 10,1 %, kon worden berekend.
193
In dat kader heeft het Gerecht er in punt 244 van het bestreden arrest ten eerste op gewezen dat het feit dat die ramingen op zich bestaan, volstond om aan te tonen dat de hypothese van een betwistbaar aandeel van 7,1 % niet de enige mogelijke hypothese was, en tot gevolg had dat de juistheid van de door de Commissie in de litigieuze beschikking verrichte beoordeling in twijfel werd getrokken.
194
Ten tweede heeft het Gerecht in de punten 246 tot en met 251 van het bestreden arrest de argumenten van de Commissie afgewezen dat de verschuiving van de bevoorradingsbehoefte van Dell naar AMD in 2006 en 2007 slechts een beperkt belang had bij het onderzoek van de situatie gedurende de inbreukperiode, dat op zijn minst bepaalde parameters van de berekening moesten worden aangepast, met name de hoogte van de betwiste kortingen in 2006, en dat de Commissie in de litigieuze beschikking subsidiair een toepassing van het AEC-criterium had verricht waarbij rekening was gehouden met de situatie in 2006 en 2007 en die haar bevindingen bevestigde.
195
In dit verband heeft het Gerecht in punt 254 van het bestreden arrest vastgesteld dat uit de litigieuze beschikking bleek dat het mogelijk was om aan de hand van andere elementen dan de spreadsheet van 2004 een betwistbaar aandeel voor Dell tussen 8,2 en 10,1 % vast te stellen. Het Gerecht heeft dus zijn oordeel herhaald dat het bestaan zelf van ramingen in die zin in de litigieuze beschikking zelf aantoonde dat de hypothese van een betwistbaar aandeel van 7,1 % voor Dell niet de enige mogelijke hypothese was, waardoor het Gerecht twijfelde aan de juistheid van die hypothese die door de Commissie in de litigieuze beschikking is gehanteerd.
196
In punt 255 van het bestreden arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat deze vaststelling, alsook de vaststelling in punt 234 van dat arrest over de beoordeling van het betwistbare aandeel van Dell op basis van andere door Intel aangevoerde elementen dan de spreadsheet van 2004, samen de twijfel versterkten over de waardering van dat betwistbare aandeel die in de litigieuze beschikking is gebruikt.
197
Gelet op deze beoordelingen heeft het Gerecht zich in punt 256 van het bestreden arrest op het standpunt gesteld dat de door Intel aangevoerde elementen bij de rechter twijfel konden doen rijzen over het feit dat het betwistbare aandeel voor Dell op 7,1 % moest worden vastgesteld. Bijgevolg had de Commissie volgens het Gerecht niet rechtens genoegzaam aangetoond dat de waardering van dat betwistbare aandeel gegrond was.
198
Bovendien heeft het Gerecht in de punten 257 tot en met 271 van het bestreden arrest ten overvloede onderzocht of de analyse van de Commissie met betrekking tot het betwistbare aandeel van Dell voor het eerste deel van de relevante periode, tussen december 2002 en oktober 2003, gegrond was. In dit verband heeft het Gerecht in punt 260 van het bestreden arrest benadrukt dat tabel nr. 22 duidelijk aangaf dat het betwistbare aandeel voor de aangegeven eerste vier kwartalen hoger was dan het vereiste aandeel, zelfs indien de door de Commissie verrichte berekeningen van het vereiste aandeel en het betwistbare aandeel werden aanvaard.
199
Na de argumenten van de Commissie dienaangaande te hebben onderzocht, heeft het Gerecht in de punten 270 en 271 van het bestreden arrest geoordeeld dat de Commissie het verschil tussen de voor de eerste vier kwartalen van de inbreukperiode in tabel nr. 22 vermelde positieve resultaten voor Intel en haar conclusie voor die gehele periode dat Intel de toepassing van het AEC-criterium niet had doorstaan, niet achteraf kon verklaren of valideren.
200
De slotoverwegingen van het Gerecht over de toepassing van het AEC-criterium voor de aan Dell verleende betwiste kortingen worden uiteengezet in de punten 283 tot en met 287 van het bestreden arrest, waarvan de inhoud is weergegeven in de punten 48 tot en met 51 van het onderhavige arrest.
201
In dit verband zij opgemerkt — zoals de Commissie overigens aanvoert — dat de in casu verrichte toepassing van het AEC-criterium een econometrisch model is dat wordt gevoed met inputwaarden (input values), waarmee ten eerste het vereiste aandeel kan worden berekend en ten tweede het betwistbare aandeel kan worden vastgesteld. Bij de berekening van het vereiste aandeel wordt rekening gehouden met de voorwaardelijke kortingen die door de onderneming met een machtspositie zijn verleend, met de gemiddelde vermijdbare kosten en met de gemiddelde verkoopprijs van deze onderneming. Bij de berekening van het betwistbare aandeel wordt rekening gehouden met de ramingen die kunnen zijn gemaakt door de onderneming die de kortingen ontvangt, maar ook met de ramingen die door andere betrokken actoren kunnen zijn gemaakt met betrekking tot het aandeel van de behoeften dat de begunstigde onderneming kan dekken door zich te bevoorraden bij een concurrent van de onderneming met een machtspositie.
202
Het resultaat van de toepassing van het AEC-criterium kan aangeven of een tariefpraktijk — zoals getrouwheidskortingen — van een onderneming met een machtspositie, die voldoende uitgesproken kenmerken heeft wat betreft de marktdekking, de voorwaarden en de nadere bepalingen voor het verlenen van deze kortingen, de duur en de hoogte ervan, een even efficiënte concurrent als deze onderneming kan uitsluiten en zodoende de door artikel 102 VWEU beschermde mededinging kan aantasten.
203
Wat Dell betreft, hangt het positieve of negatieve resultaat van de toepassing van het AEC-criterium — zoals blijkt uit de punten 183 tot en met 186 van het onderhavige arrest — af van een vergelijking tussen twee percentages, namelijk dat van het betwistbare aandeel en dat van het vereiste aandeel, weergegeven tot op de eerste decimaal. Voor de berekening van deze percentages baseert de Commissie zich op veronderstellingen waarbij een groot aantal cijfers in aanmerking wordt genomen.
204
Hieruit volgt — zoals de Commissie eveneens aanvoert — dat het voor de onderneming met een machtspositie niet volstaat om de juistheid van een van de bij de toepassing van het AEC-criterium verrichte berekeningen in twijfel te trekken teneinde de conclusie te weerleggen die de Commissie uit een dergelijke toepassing heeft getrokken met betrekking tot de mogelijkheid van een stelsel van getrouwheidskortingen om een concurrent die even efficiënt is als deze onderneming uit te sluiten. Bovendien moet het vastgestelde gebrek of de vastgestelde fout van dien aard zijn dat het resultaat van de toepassing wordt gewijzigd van negatief in positief, zodat redelijke twijfel kan rijzen over de gegrondheid van het door de Commissie in aanmerking genomen resultaat en dus over de vraag of de betrokken kortingen een concurrent kunnen uitsluiten die even efficiënt is als de onderneming met een machtspositie. Dit soort twijfel kan ontstaan als gevolg van berekeningsfouten of door selectief of onvolledig rekening te houden met bewijs.
205
Dienaangaande blijkt uit de punten 213 tot en met 256 en 283 van het bestreden arrest dat het Gerecht zijn overwegingen in verband met de toepassing van het AEC-criterium ten aanzien van de aan Dell verleende betwiste kortingen niet heeft gebaseerd op twijfel over een niet-doorslaggevend deel van de beoordeling van de Commissie of op de loutere suggestie dat voor die toepassing een ander resultaat denkbaar was. Het Gerecht heeft zich daarentegen gebaseerd op het feit dat alle relevante gegevens die bij de beoordeling van het betwistbare aandeel van Dell in aanmerking moesten worden genomen — een beoordeling die tot de uitsluitende bevoegdheid van het Gerecht behoort, behalve wanneer wordt aangevoerd dat er sprake is van een onjuiste opvatting, welk argument is onderzocht in het derde onderdeel van het onderhavige middel en waarvoor de Commissie enkel de spreadsheet van 2004 in aanmerking had genomen — aantoonden dat dit betwistbare aandeel hoogstwaarschijnlijk niet alleen hoger kon zijn dan het door de Commissie gehanteerde percentage van 7,1 %, maar ook dan het vereiste aandeel, zodat het resultaat van de toepassing van het AEC-criterium had kunnen worden gewijzigd van negatief in positief indien met al deze gegevens rekening was gehouden. Op basis daarvan heeft het Gerecht in het kader van zijn soevereine beoordeling van het bewijs geoordeeld dat de veronderstelling van de Commissie dat dit betwistbare aandeel 7,1 % bedroeg, niet rechtens genoegzaam was aangetoond, zodat de conclusies die de Commissie uit de toepassing van het AEC-criterium had getrokken ongeldig waren.
206
De Commissie kan zich niet met succes in tegenovergestelde zin beroepen op de loutere formulering van de punten 244 en 254 van het bestreden arrest dat het feit dat er sprake is van ramingen in de litigieuze beschikking die betrekking hebben op de daadwerkelijke verschuiving van een deel van de vraag van Dell naar AMD in 2006 en 2007 ‘volstaat om aan te tonen dat de hypothese van een betwistbaar aandeel van 7,1 % niet de enige mogelijke hypothese was, en [ertoe] leidt dat de juistheid van de door de Commissie in de [litigieuze] beschikking verrichte beoordeling in twijfel wordt getrokken.’
207
Uit de bewoordingen van deze punten van het bestreden arrest, gelezen in het licht van de punten 242 en 243 van dat arrest, blijkt immers dat het Gerecht heeft willen benadrukken dat een betwistbaar aandeel dat niet alleen hoger was dan 7,1 % maar ook dan het vereiste aandeel, zelfs op basis van de ramingen van de Commissie in de litigieuze beschikking denkbaar was. Dit betwistbare aandeel was dus ‘denkbaar’ voor de Commissie zelf, die er evenwel voor heeft gekozen zich uitsluitend te baseren op de spreadsheet van 2004. Voorts is het Gerecht tot de beoordeling in punt 254 van het bestreden arrest gekomen, na in de punten 245 tot en met 251 van dat arrest de argumenten van de Commissie te hebben afgewezen waarmee zij de relevantie van de gegevens met betrekking tot de daadwerkelijke verschuiving van de vraag van Dell naar AMD in 2006 en 2007 ter discussie stelde.
208
Hieruit volgt dat het Gerecht niet is voorbijgegaan aan de aard van de toepassing van het AEC-criterium als een econometrisch model waarmee kan worden beoordeeld of de betwiste kortingen een concurrent kunnen uitsluiten die even efficiënt is als de onderneming met een machtspositie, zodat het eerste onderdeel van het derde middel moet worden afgewezen.
Tweede onderdeel: onjuiste toepassing van de gehanteerde bewijsstandaard
— Argumenten van partijen
209
Subsidiair betoogt de Commissie dat het Gerecht de bewijsstandaard die het zelf in punt 166 van het bestreden arrest heeft gehanteerd, onjuist heeft toegepast. Zoals het Gerecht in punt 217 van dat arrest heeft aangegeven, had met name de spreadsheet van 2004, waarop de Commissie zich heeft gebaseerd om het betwistbare aandeel van Dell te berekenen, meer bewijskracht dan de documenten of verklaringen van hooggeplaatste bestuurders van Dell waarop Intel zich beroept. Derhalve volstaat het feit dat de door Intel aangevoerde bewijzen niet elke bewijskracht ontberen, niet om het door de Commissie aangevoerde bewijs in twijfel te trekken.
210
Intel betwist de gegrondheid van dit onderdeel van het derde middel.
— Beoordeling door het Hof
211
In punt 166 van het bestreden arrest heeft het Gerecht er in wezen aan herinnerd dat wanneer de onderneming met een machtspositie melding maakt van de mogelijkheid dat zich een omstandigheid heeft voorgedaan die de bewijskracht kan aantasten van het bewijs waarop de Commissie zich baseert, het aan deze onderneming staat om rechtens genoegzaam het bestaan en de relevantie van de door haar aangevoerde omstandigheid aan te tonen, alsook de invloed die zij uitoefent op de bewijskracht van de tegen haar aangevoerde elementen.
212
In dit verband zij opgemerkt dat de beoordelingen in de punten 217 en 218 van het bestreden arrest een antwoord vormen op het in punt 215 van dat arrest uiteengezette argument van Intel dat, ten eerste, de documenten waarop zij steunde door hooggeplaatste bestuurders van Dell waren opgesteld, ten tweede, D1 de inhoud van zijn e-mail van 10 november 2005 onder ede had bevestigd in de besloten procedure tussen Intel en AMD in de staat Delaware en, ten derde, D3, een andere bestuurder van Dell, in het kader van die procedure had verklaard dat hij geen enkele reden had om zich af te vragen of de uitlatingen van D1 juist waren.
213
In punt 216 van het bestreden arrest heeft het Gerecht op dit specifieke argument geantwoord dat antwoorden die in naam van een onderneming zijn gegeven, zoals het antwoord van Dell tijdens de administratieve procedure, waarbij Dell de spreadsheet van 2004 had overgelegd, geloofwaardiger zijn dan antwoorden die afkomstig zijn van een personeelslid of van een van diens bestuurders. Het is dan ook vanuit het oogpunt van deze algemene regel dat het Gerecht in de punten 217 en 218 van het bestreden arrest erop heeft gewezen dat de spreadsheet van 2004 meer bewijskracht heeft, alsook nauwkeuriger en gedetailleerder is.
214
Ten eerste doet deze algemene regel evenwel niet af aan de verplichting van de Commissie om alle relevante factoren in aanmerking te nemen bij de beoordeling of een inbreuk op artikel 102 VWEU rechtens genoegzaam kan worden aangetoond. Deze beoordeling is des te dwingender omdat, zoals het Gerecht in punt 172 van het bestreden arrest heeft opgemerkt, ook de spreadsheet van 2004 een intern document van Dell was met hypothesen waarin de relatie tussen Dell en AMD kon evolueren, waarbij AMD in de verschillende activiteitssegmenten van Dell een belangrijker plaats ging innemen.
215
Ten tweede blijkt uit het gedetailleerde onderzoek van het bewijs door het Gerecht in de punten 220 tot en met 256 van het bestreden arrest, dat het aan de elementen waarop Intel zich heeft gebaseerd geen grotere bewijskracht heeft toegekend dan aan de spreadsheet van 2004, maar dat het bij zijn soevereine beoordeling van het bewijs heeft geoordeeld dat dit bewijs rechtens genoegzaam ter discussie stelde of het betwistbare aandeel wel juist was vastgesteld op 7,1 % in plaats van op specifieke hogere niveaus die, indien zij in aanmerking waren genomen, het resultaat van de toepassing van het AEC-criterium in het voordeel van Intel zouden hebben gewijzigd. Bovendien heeft het Gerecht in de punten 257 tot en met 271 van het bestreden arrest tevens geoordeeld — zoals in de punten 198 en 199 van het onderhavige arrest is opgemerkt — dat de Commissie niet had aangetoond dat de aan Dell verleende kortingen de mededinging tijdens het eerste deel van de relevante periode konden beperken.
216
Hieruit volgt dat de Commissie haar betoog inzake schending van de door het Gerecht gehanteerde bewijsstandaard baseert op een gedeeltelijke lezing van het bestreden arrest.
217
Derhalve dient het tweede onderdeel van het derde middel te worden afgewezen.
Derde onderdeel: onjuiste opvatting van bewijs bij het onderzoek van de toepassing van het AEC-criterium ten aanzien van Dell en schending van de rechten van verdediging van de Commissie
— Argumenten van partijen
218
Meer subsidiair voert de Commissie aan dat het Gerecht de bewijzen onjuist heeft opgevat, zijn beslissing op tegenstrijdige gronden heeft gebaseerd en haar rechten van verdediging heeft geschonden.
219
In het bijzonder de overweging in punt 239 van het bestreden arrest dat er twijfel bleef bestaan over de vraag welk percentage definitief aan het betwistbare aandeel voor Dell kon worden toegekend en, meer in het bijzonder, over het feit dat dit percentage op 7,1 % moest worden vastgesteld, berust op een onjuiste opvatting van het bewijs. Uit de punten 204 tot en met 206 van het bestreden arrest komt naar voren dat Intel haar betoog hoofdzakelijk heeft gebaseerd op drie documenten, namelijk de e-mail van D1, de e-mail van D5 en de verklaring van I1, alsook op economische analysen die berusten op die documenten.
220
Met betrekking tot de eerste twee documenten voert de Commissie aan dat het Gerecht — door daaruit in punt 233 van het bestreden arrest een betwistbaar aandeel af te leiden dat kon oplopen tot 25 % van Dells bevoorradingsbehoeften — de behoeften die Dell aan het einde van een periode van één jaar bij AMD kon dekken heeft verward met het gemiddelde van die behoeften gedurende die periode. Het spreekt vanzelf dat dit gemiddelde minder dan 25 % bedroeg. Zoals het Gerecht in punt 218 van het bestreden arrest heeft erkend, heeft de Commissie zich terecht gebaseerd op de nauwkeurigheid en gedetailleerdheid van de informatie in de spreadsheet van 2004, hetgeen rechtvaardigt dat het betwistbare aandeel van Dell op 7,1 % is vastgesteld. Anders dan het Gerecht in punt 239 van het bestreden arrest uiteenzet, kan het feit dat het betwistbare aandeel van Dell op grond van de e-mail van D1 kan worden gewaardeerd tussen 5,6 % en 10,4 % derhalve geen reden zijn om te betwijfelen dat het betwistbare aandeel van Dell op 7,1 % moest worden vastgesteld. Bovendien zou voor de vaststelling van een betwistbaar aandeel op basis van de in punt 219 van het onderhavige arrest genoemde documenten wat betreft het tijdsschema en het groeipercentage van Intels overgang naar AMD als leverancier van Dell moeten worden uitgegaan van veronderstellingen, terwijl de spreadsheet van 2004 alle daartoe noodzakelijke informatie bevat. Op basis van de bewijzen waarop het Gerecht zich heeft gebaseerd kon het betwistbare aandeel slechts in orden van grootte worden berekend, terwijl aan de hand van de nauwkeurige en gedetailleerde informatie in de spreadsheet van 2004 een concreet cijfer kon worden berekend, zoals in punt 218 van het bestreden arrest is erkend.
221
Het Gerecht heeft de bewijswaarde van het derde document, te weten de verklaring van I1, die ten behoeve van het onderzoek is opgesteld en die bedoeld is om Intel van elke aansprakelijkheid te vrijwaren, in punt 227 van het bestreden arrest als zwak aangemerkt, terwijl het in punt 230 van dat arrest heeft getracht de geloofwaardigheid ervan te herstellen door een tegenstrijdige motivering waaruit blijkt dat deze verklaring onjuist is opgevat. Bewijs met een zwakke bewijskracht kan immers niet opwegen tegen nauwkeurige en gedetailleerde bewijzen. Zonder te oordelen dat de spreadsheet van 2004 de conclusies die daaruit in de litigieuze beschikking worden getrokken niet kon schragen, heeft het Gerecht een onjuist criterium toegepast door na te gaan of de goed gefundeerde beoordeling van de Commissie, die het betwistbare aandeel op 7,1 % had vastgesteld, de enige mogelijke was.
222
Bovendien heeft het Gerecht de litigieuze beschikking onjuist opgevat, door in punt 247 van het bestreden arrest vast te stellen dat de Commissie voor de beoordeling van het betwistbare aandeel had gebruikgemaakt van waarnemingen die waren afgeleid uit de verschuiving, in 2006 en 2007, van een deel van de vraag van Dell naar AMD. De Commissie heeft volgens het Gerecht geen rekening gehouden met gegevens van na de inbreuk, zodat zij niet heeft erkend dat het betwistbare aandeel tijdens de inbreukperiode tot 10,1 % kon oplopen. De omstandigheid dat de toenemende concurrentiedruk van AMD, waarop in overweging 1243 van de litigieuze beschikking is gewezen, AMD uiteindelijk in staat heeft gesteld om te concurreren met een betwistbaar aandeel dat tussen oktober 2006 en juni 2007 kon oplopen tot 10,1 %, impliceert noodzakelijkerwijs dat de concurrentiedruk tijdens de inbreukperiode kleiner was. De overwegingen van het Gerecht in de punten 249 tot en met 251 van het bestreden arrest berusten eveneens op een onjuiste opvatting van de overwegingen 1245 en 1258 van de litigieuze beschikking, voor zover zij ervan uitgaan dat de Commissie bij de berekening van het betwistbare aandeel rekening heeft gehouden met gegevens betreffende de periode na de inbreuk en voorbijgaan aan de informatie in tabel nr. 22. In punt 250 van het bestreden arrest heeft het Gerecht de kalenderjaren verward met Dells boekjaren, waardoor het ten onrechte heeft geconcludeerd dat de periode na de inbreuk in aanmerking was genomen bij de toepassing van het AEC-criterium.
223
Afgezien daarvan kan, anders dan het Gerecht in punt 263 van het bestreden arrest heeft gesteld, geen tegenstrijdigheid worden vastgesteld tussen overweging 1256 van de litigieuze beschikking, waaruit blijkt dat Intel minstens gedurende vier kwartalen van de inbreukperiode de AEC-analyse had doorstaan, en de conclusies van de Commissie in de overwegingen 1281 en 1282 van die beschikking, waaruit volgt dat de aan Dell verleende betwiste kortingen gedurende de gehele relevante periode een uitsluitingseffect teweeg konden brengen. Terwijl in overweging 1263 van deze beschikking enkel een vergelijking wordt gemaakt tussen het vereiste aandeel en het betwistbare aandeel, bevat overweging 1281 van die beschikking namelijk een globale beoordeling van de mogelijkheid van de betwiste kortingen om de mededinging uit te sluiten, waarbij mede is gelet op versterkingsfactoren, die de Commissie niet hoeft te kwantificeren en waarvan Intel het bestaan niet heeft betwist. Deze versterkingsfactoren, die deel uitmaken van de context waarin het AEC-criterium wordt toegepast en die relevant zijn om te beoordelen of de betwiste kortingen een even efficiënte concurrent als Intel kunnen uitsluiten, waren ook aanwezig in de eerste vier kwartalen van de inbreuk.
224
Op soortgelijke wijze is de overweging in punt 268 van het bestreden arrest dat de Commissie geen rekening heeft gehouden met betwistbare aandelen van 17,3 %, 22,5 % en 24,2 %, die ook uit de spreadsheet van 2004 blijken, gebaseerd op een onjuiste opvatting van overweging 1212 van de litigieuze beschikking. De percentages waarnaar het Gerecht verwijst hebben namelijk betrekking op perioden na de periode die in aanmerking is genomen voor de berekening van het betwistbare aandeel en waarin Dell, nadat zij erin was geslaagd haar met x86-CPU's van AMD uitgeruste computers door de markt te laten accepteren, haar aandeel van de aankopen van die CPU's kon verhogen. Het feit dat het Gerecht deze hogere cijfers als ‘betwistbaar aandeel’ kwalificeert, toont aan dat het een fout heeft gemaakt door te oordelen dat die cijfers de vaststelling door de Commissie van een betwistbaar aandeel op 7,1 % ter discussie stelden.
225
Deze onjuiste opvatting van de litigieuze beschikking doet afbreuk aan de overweging van het Gerecht in punt 270 van het bestreden arrest dat de argumenten van de Commissie het verschil tussen de door de Commissie voor de eerste vier kwartalen van de inbreukperiode in tabel nr. 22 vermelde resultaten en haar conclusie voor de gehele relevante periode dat Intel de AEC-analyse niet had doorstaan, niet achteraf konden verklaren of valideren.
226
Ten slotte had het Gerecht rekening moeten houden met de door de Commissie in de loop van het geding overgelegde economische analysen, die ertoe strekten aan te tonen dat — gesteld al dat het betwistbare aandeel op basis van de in punt 219 van het onderhavige arrest genoemde documenten moest worden berekend — daaruit geen betwistbaar aandeel tussen 12,5 % en 17,5 % kon worden afgeleid. Door hiermee geen rekening te houden heeft het Gerecht in de punten 235, 236, 252 en 253 van het bestreden arrest de rechten van verdediging van de Commissie geschonden.
227
Intel betwist de gegrondheid van dit onderdeel van het derde middel.
— Beoordeling door het Hof
228
Gelet op de uitzonderlijke aard van een grief inzake onjuiste opvatting van bewijs moet de rekwirant ingevolge artikel 256 VWEU, artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 168, lid 1, onder d), van het Reglement voor de procesvoering van het Hof precies aangeven welke elementen volgens hem door het Gerecht onjuist zijn opgevat, en aantonen welke fouten in de analyse tot die onjuiste opvatting in de beoordeling van het Gerecht hebben geleid. Een dergelijke onjuiste opvatting moet duidelijk uit de processtukken blijken, zonder dat een nieuwe beoordeling van de feiten en van het bewijs nodig is (zie in die zin arrest van 25 juli 2018, QuaMa Quality Management/EUIPO, C-139/17 P, EU:C:2018:608, punt 34).
229
Hoewel een onjuiste opvatting van de bewijzen dus kan bestaan in een interpretatie van een document die in strijd is met de inhoud ervan, volstaat het voor de vaststelling van een onjuiste opvatting van de bewijzen niet dat wordt aangetoond dat het betreffende document anders kon worden geïnterpreteerd dan het Gerecht heeft gedaan. Daartoe moet namelijk worden aangetoond dat het Gerecht de grenzen van een redelijke beoordeling van dit document kennelijk heeft overschreden, met name door een lezing van dat document die in strijd is met de bewoordingen ervan (arresten van 25 februari 2021, Dalli/Commissie, C-615/19 P, EU:C:2021:133, punt 139, en 23 maart 2023, PV/Commissie, C-640/20 P, EU:C:2023:232, punt 134).
230
Er zij aan herinnerd dat de passages van het bestreden arrest die betrekking hebben op de toepassing van het AEC-criterium op Dell bestaan uit een deel dat betrekking heeft op de beoordeling van het betwistbare aandeel (punten 171-271 van het bestreden arrest), een deel dat betrekking heeft op een alternatieve berekening die de Commissie heeft gemaakt om aan te tonen dat de aan Dell verleende betwiste kortingen een even efficiënte concurrent als Intel konden uitsluiten (punten 272–276 van dat arrest), en een deel dat betrekking heeft op de inaanmerkingneming van bepaalde factoren die, indien zij waren gebruikt bij de toepassing van het AEC-criterium, volgens de litigieuze beschikking het vermeende uitsluitingseffect van deze kortingen zouden versterken. Deze versterkingsfactoren bestaan erin dat, ten eerste, Dell er duidelijk van was uitgegaan dat elke betwiste korting die zij zou verliezen gepaard zou gaan met een verhoging van de betwiste kortingen die Intel verleende aan de met haar concurrerende OEM's en, ten tweede, bij de raming van het betwistbare aandeel geen rekening werd gehouden met het feit dat Dell van Intel ook andere producten dan x86-CPU's — te weten chipsets — kocht (punten 177 en 277–282 van dat arrest).
231
Het deel dat betrekking heeft op de beoordeling van het betwistbare aandeel van Dell valt in drieën uiteen. Het eerste gedeelte, in de punten 189 tot en met 201 van het bestreden arrest, heeft betrekking op de argumenten van Intel op basis van het rechtszekerheidsbeginsel, die het Gerecht heeft afgewezen. Het tweede gedeelte, in de punten 202 tot en met 256 van dat arrest, heeft betrekking op Intels argumenten ter betwisting van het door de Commissie gehanteerde betwistbare aandeel van 7,1 %, die het Gerecht heeft aanvaard. Het derde gedeelte, in de punten 257 tot en met 271 van dat arrest, heeft betrekking op Intels beweringen betreffende het eerste deel van de inbreukperiode, tussen december 2002 en oktober 2003, die het Gerecht ten overvloede heeft onderzocht en eveneens heeft aanvaard.
232
Wat betreft het deel met betrekking tot de door de Commissie toegepaste alternatieve berekening, is het Gerecht in punt 276 van het bestreden arrest tot de slotsom gekomen dat deze berekening niet aantoonde dat Intels kortingspraktijken gedurende de gehele inbreukperiode een uitsluitingseffect konden hebben.
233
Aangaande het deel over de versterkingsfactoren heeft het Gerecht in punt 282 van het bestreden arrest vastgesteld dat deze factoren in de litigieuze beschikking waren opgenomen als elementen die het primaire onderzoek naar het bestaan van een uitsluitingseffect als gevolg van de betwiste kortingen konden versterken, en dat de Commissie deze factoren onvoldoende had geanalyseerd wat betreft de invloed die zij zouden hebben gehad op de beoordeling van de vraag of die kortingen tot uitsluitingseffecten konden hebben geleid. Volgens datzelfde punt van het bestreden arrest kon het Gerecht dus niet doeltreffend controleren hoe deze factoren in aanmerking waren genomen, en kon het zijn overwegingen niet in de plaats stellen van de primaire analyse van de Commissie ten aanzien van de vraag of de aan Dell verleende betwiste kortingen een uitsluitingseffect konden hebben.
234
De argumenten die de Commissie aanvoert ter ondersteuning van de grief dat het bewijs onjuist is opgevat, houden verband met de laatste twee gedeelten van het deel van het bestreden arrest dat betrekking heeft op de beoordeling van het betwistbare aandeel van Dell en met de versterkingsfactoren (zie punten 231 en 233 van het onderhavige arrest).
235
In dit verband heeft het Gerecht — zoals blijkt uit de punten 203 en 240 van het bestreden arrest — in twee fasen het betoog onderzocht waarmee Intel opkwam tegen het betwistbare aandeel van 7,1 % dat de Commissie met betrekking tot Dell had gehanteerd. In de eerste plaats heeft het Gerecht in de punten 203 tot en met 239 van dat arrest het bewijs onderzocht waarop Intel zich ter betwisting van dat aandeel had gebaseerd, en in de tweede plaats heeft het in de punten 240 tot en met 255 van dat arrest Intels argumenten met betrekking tot de daadwerkelijke verschuiving van de vraag van Dell naar AMD in 2006 en 2007 onderzocht.
236
In dit kader berust ten eerste het argument van de Commissie dat het Gerecht de e-mail van D1 of de e-mail van D5 onjuist heeft opgevat door een verschuiving van het volume van de bevoorradingsbehoeften van Dell naar AMD aan het einde van een periode van een jaar te hebben verward met het betwistbare aandeel van Dell, op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Uit met name de punten 204, 233 en 234 van het bestreden arrest blijkt namelijk dat het Gerecht een onderscheid maakt tussen de verschuiving van het volume van de aankopen van x86-CPU's van Intel naar AMD, en het betwistbare aandeel. In die punten zet het Gerecht meer bepaald uiteen dat de prognose van een verschuiving van 25 % van een dergelijk volume volgens de ramingen van de partijen in het geding kon leiden tot een betwistbaar aandeel tussen 12,5 en 17,5 %, en vergelijkt het deze verschuiving van volume met de 7 % die de Commissie in aanmerking heeft genomen om een betwistbaar aandeel van 7,1 % vast te stellen. Derhalve moet worden vastgesteld dat de Commissie, onder het mom van een vermeende onjuiste opvatting, in feite probeert om het Hof het bewijs opnieuw te laten beoordelen door zich te beroepen op de hoge bewijswaarde van de spreadsheet van 2004 in vergelijking met de bewijswaarde van de e-mail van D1. Dit betoog moet bijgevolg niet-ontvankelijk worden verklaard.
237
Wat ten tweede het betoog van de Commissie inzake de verklaring van I1 betreft, blijkt uit punt 233 van het bestreden arrest dat deze verklaring slechts een van de vier elementen was waarop het Gerecht zich heeft gebaseerd om in datzelfde punt te oordelen dat de verschuiving van de vraag van Dell naar AMD tot 25 % van de hoeveelheid x86-CPU's kon betreffen, en niet 7 % zoals bleek uit de spreadsheet van 2004. Bovendien geeft de Commissie niet nauwkeurig aan welke elementen het Gerecht verkeerd zou hebben opgevat. Derhalve is het betrokken argument in feite niet ontleend aan een onjuiste opvatting van de verklaring van I1 in de zin van de punten 228 en 229 van het onderhavige arrest, maar strekt het er daarentegen toe het Hof dit bewijs en het belang ervan binnen het geheel van het door het Gerecht onderzochte bewijs opnieuw te laten beoordelen, zodat het niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
238
Wat ten derde de argumenten betreft waarmee de Commissie aanvoert dat de litigieuze beschikking onjuist is opgevat in de beoordelingen van het Gerecht in de punten 247 tot en met 251 van het bestreden arrest, waarin rekening is gehouden met de gegevens die voortvloeien uit de daadwerkelijke verschuiving van de vraag van Dell naar AMD in 2006 en 2007 — dat wil zeggen na de inbreukperiode, die in december 2005 is geëindigd — moet het volgende worden opgemerkt.
239
In de punten 247 en 248 van het bestreden arrest heeft het Gerecht opgemerkt dat de Commissie zich niet kan baseren op de relevantie van de elementen die zijn afgeleid uit de verschuiving van de vraag van Dell naar AMD in 2006 en 2007 om Intels betoog betreffende het beginpunt van de tijdshorizon van een jaar voor de berekening van het betwistbare aandeel te weerleggen, en tegelijkertijd te ontkennen dat die elementen relevant zijn voor de vaststelling van het exacte percentage van het betwistbare aandeel. Anders dan de Commissie betoogt, heeft het Gerecht bij het innemen van dit principiële standpunt, waarin kritiek wordt geleverd op het selectieve gebruik van bewijs door de Commissie, niet geoordeeld dat de Commissie ter beoordeling van het betwistbare aandeel gebruik had gemaakt van de opmerkingen die waren afgeleid uit de verschuiving van een deel van de vraag van Dell naar AMD in 2006 en 2007.
240
Bovendien heeft het Gerecht in punt 249 van het bestreden arrest het door de Commissie in haar aanvullende opmerkingen over de terugverwijzing aangevoerde argument afgewezen dat de relevantie van de daadwerkelijke verschuiving van de vraag van Dell naar AMD in 2006 en 2007 moest worden gerelativeerd wegens de verhoging van de betwiste kortingen die Intel in die periode had verleend. In dit verband heeft het Gerecht opgemerkt dat de Commissie het in overweging 1245 van de litigieuze beschikking vastgestelde betwistbare aandeel, dat tussen 8,2 % en 10,1 % werd geraamd, niet had aangepast om daarmee rekening te houden. Uit dit punt van het bestreden arrest blijkt niet dat het Gerecht heeft geoordeeld dat de Commissie is uitgegaan van percentages van 8,2 % tot 10,1 % voor het betwistbare aandeel tijdens de inbreukperiode. Het Gerecht merkt in dat punt enkel op dat indien de Commissie van mening was dat een bepaalde factor van invloed was op de betrouwbaarheid van de in overweging 1245 van die beschikking genoemde percentages, zij deze percentages had moeten aanpassen om met deze factor rekening te houden.
241
In punt 250 van het bestreden arrest verwijst het Gerecht naar een ander argument dat de Commissie in haar aanvullende opmerkingen over de terugverwijzing heeft aangevoerd, namelijk dat bij de toepassing van het AEC-criterium ‘rekening is gehouden’ met het reële marktaandeel van AMD bij Dells aankopen in 2006 en 2007 en dat de resultaten van deze berekeningen de vaststellingen in de litigieuze beschikking schraagden ‘voor de periode die in 2005 eindigt.’ In dit verband heeft het Gerecht in punt 251 van het bestreden arrest opgemerkt dat de Commissie het betwistbare aandeel voor 2005 niet had aangepast op basis van de berekeningen in overweging 1245 van de litigieuze beschikking, die betrekking hebben op de periode na de inbreuk. Zonder een dergelijke aanpassing zou namelijk niet kunnen worden gesteld dat de resultaten van de berekeningen in die beschikking de vaststellingen in diezelfde beschikking betreffende de inbreukperiode bevestigen, des te minder daar in die berekeningen wordt uitgegaan van een groot betwistbaar aandeel, dat veeleer afbreuk doet aan deze vaststellingen.
242
Uit deze overwegingen volgt dat het Gerecht correct onderscheid heeft gemaakt tussen de gegevens van de toepassing van het AEC-criterium die betrekking hebben op de inbreukperiode en de gegevens die betrekking hebben op de periode na de inbreuk en die geen deel uitmaken van deze toepassing. Aldus heeft het Gerecht in antwoord op de argumenten van Intel onderzocht of de Commissie de relevantie van de gegevens betreffende de periode na de inbreuk juist had beoordeeld zonder de inhoud van de relevante overwegingen van de litigieuze beschikking onjuist op te vatten.
243
Voorts falen de argumenten van de Commissie dat het Gerecht haar rechten van verdediging heeft geschonden door in de punten 236 en 253 van het bestreden arrest geen rekening te houden met de in de punten 235 en 252 van dat arrest vermelde aanvullende analysen die zij voor het eerst in de loop van het geding heeft overgelegd ter weerlegging van gegevens die Intel voor het eerst voor het Gerecht zou hebben overgelegd. Zoals blijkt uit de punten 156 tot en met 161 van het onderhavige arrest, heeft het Gerecht immers geen rekening gehouden met gegevens die Intel voor het eerst voor het Gerecht heeft overgelegd, zodat de argumenten die de Commissie ter ondersteuning van dit middel in hogere voorziening heeft aangevoerd, hoe dan ook op een onjuiste premisse zijn gebaseerd.
244
Gelet op de beoordelingen in de punten 235 tot en met 243 van het onderhavige arrest, zijn de argumenten van de Commissie betreffende de beoordeling die het Gerecht in de punten 257 tot en met 271 van het bestreden arrest ten overvloede heeft verricht met betrekking tot de analyse van het betwistbare aandeel van Dell voor het eerste deel van de inbreukperiode, tussen december 2002 en oktober 2003, niet ter zake dienend. Zoals in punt 257 van het bestreden arrest is verduidelijkt, heeft het Gerecht die beoordeling namelijk verricht hoewel zijn conclusie in punt 256 van het bestreden arrest dat de Commissie niet rechtens genoegzaam had aangetoond dat de waardering van het betwistbare aandeel van Dell in de litigieuze beschikking gegrond was, de door de Commissie verrichte beoordeling van dat betwistbare aandeel op zichzelf reeds ongeldig maakte.
245
Ten slotte berust het argument van de Commissie dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door een kwantificering te vereisen van de versterkingsfactoren die zij had aangevoerd om aan te tonen dat de betwiste kortingen een concurrent die even efficiënt was als Intel konden uitsluiten, op een onjuiste lezing van de punten 278 tot en met 282 van het bestreden arrest. Uit deze punten volgt dat het Gerecht de analyse in de litigieuze beschikking van de verschuiving van de aan Dell verleende betwiste kortingen naar haar concurrenten en van het verlies van deze kortingen in het kader van de aankoop van chipsets heeft afgewezen op grond dat het, bij gebreke van een becijferde beoordeling dienaangaande, onmogelijk naar behoren kon nagaan of deze twee versterkingsfactoren geschikt waren om de tekortkomingen te verhelpen die voortvloeiden uit de fouten bij de toepassing van het AEC-criterium op Dells betwistbare aandeel, en of die kortingen een uitsluitingseffect konden hebben. Dientengevolge heeft het Gerecht niet geoordeeld dat de versterkingsfactoren onder alle omstandigheden nauwkeurig moesten worden becijferd, maar wel dat, indien deze factoren in de plaats kwamen van de primaire analyse van de Commissie dat de aan Dell verleende kortingen een concurrent die even efficiënt is als Intel konden uitsluiten, het onderzoek van die factoren geschikt moest zijn om die mogelijkheid aan te tonen.
246
Hieruit volgt dat het derde onderdeel moet worden afgewezen, en daarmee het derde middel in zijn geheel.
Vierde middel: verscheidene onjuiste rechtsopvattingen en schending van de rechten van verdediging van de Commissie bij het onderzoek van de toepassing van het AEC-criterium ten aanzien van HP
247
Het vierde middel bestaat uit twee onderdelen.
Eerste onderdeel: verscheidene onjuiste rechtsopvattingen bij het onderzoek van de toepassing van het AEC-criterium ten aanzien van HP
— Argumenten van partijen
248
Volgens de Commissie heeft het Gerecht in de punten 319 en 335 van het bestreden arrest blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, door te oordelen dat op basis van de berekening van het vereiste aandeel van HP niet kon worden geconcludeerd dat de aan HP verleende betwiste kortingen in de periode van 1 november 2002 tot 30 september 2003 de mededinging konden uitsluiten.
249
In dit verband voert de Commissie ten eerste aan dat het Gerecht een onjuiste bewijsstandaard heeft gehanteerd die, met betrekking tot de toepassing van het AEC-criterium ten aanzien van HP, de punten 292 tot en met 320 van het bestreden arrest onrechtmatig maakt. Het Gerecht heeft dus blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 335 van het bestreden arrest vast te stellen dat de Commissie niet had aangetoond dat de aan HP verleende betwiste kortingen in de periode van november 2002 tot mei 2005 mogelijk een mededingingsverstorend uitsluitingseffect teweegbrachten.
250
Het Gerecht heeft met name niet betwist dat in de litigieuze beschikking eveneens het vereiste aandeel voor de periode van november 2002 tot september 2003 was vermeld. In de punten 304 en 305 van het bestreden arrest heeft het Gerecht evenwel kritiek geuit op het feit dat de Commissie zich voor de vaststelling van dit aandeel heeft gebaseerd op cijfers die voortvloeiden uit de som of het rekenkundig gemiddelde van de cijfers voor slechts drie kwartalen, te weten het vierde kwartaal van het boekjaar 2003 en het eerste en tweede kwartaal van het boekjaar 2004. Volgens de Commissie zijn deze cijfers echter voldoende representatief voor de gehele periode van de eerste overeenkomst tussen Intel en HP, die van kracht was tussen november 2002 en mei 2004 (hierna: ‘HPA1-overeenkomst’), en dat is de reden waarom zij zich daarop heeft gebaseerd.
251
Het Gerecht heeft dus kritiek geuit op de door de Commissie gekozen economische parameter, in casu de referentieperiode die is gekozen voor de berekening van het vereiste aandeel. Deze economische parameter is geen feitelijke kwestie, maar een aspect van een ingewikkelde economische beoordeling waarvoor de Commissie over een ruime beoordelingsmarge beschikt, zodat de toetsing door het Gerecht beperkt moet blijven tot de vraag of er sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling, zoals het gebruik van een ongeoorloofde methode door de Commissie. Intel heeft voor de kwartalen in kwestie echter geen alternatieve berekening overgelegd, en de benadering van de Commissie was hoe dan ook gunstig voor Intel. Derhalve heeft het Gerecht zijn eigen beoordeling in de plaats gesteld van die van de Commissie.
252
Bovendien berust de methodologische keuze die de Commissie heeft gemaakt om deze referentieperiode te bepalen op een impliciete motivering die voortvloeit uit het feit dat het vereiste aandeel in tabel nr. 35 van de litigieuze beschikking betrekking heeft op de volledige duur van de HPA1-overeenkomst en uit het feit dat — zoals in overweging 346 van de litigieuze beschikking is uiteengezet — de doorslaggevende factor, namelijk de hoogte van de aan HP verleende betwiste kortingen, ongewijzigd bleef gedurende de gehele periode waarop die overeenkomst betrekking had, hetgeen Intel niet heeft betwist.
253
Ten tweede heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door geen rekening te houden met het feit dat Intel de perioden die de Commissie had gebruikt voor haar berekeningen in de mededeling van punten van bezwaar niet had betwist tijdens de administratieve procedure, noch met het feit dat Intel deze perioden zelfs had gebruikt voor haar eigen berekeningen, die zij in de loop van die procedure aan de Commissie heeft overgelegd.
254
Ten derde rechtvaardigt de beoordeling van het Gerecht dat de Commissie voor de periode tussen november 2002 en september 2003 niet had aangetoond dat er sprake was van een mededingingsverstorend uitsluitingseffect — gesteld al dat deze beoordeling juist is — niet om daaruit af te leiden, zoals het Gerecht doet in punt 335 van het bestreden arrest, dat deze fout afdeed aan de gehele analyse dat de aan HP verleende betwiste kortingen de mededinging konden uitsluiten in de periode van november 2002 tot mei 2005, die de periode van juni 2004 tot mei 2005 omvat waarop de tweede overeenkomst tussen Intel en HP (hierna: ‘HPA2-overeenkomst’) betrekking had. Integendeel, zoals het Gerecht in punt 525 van het bestreden arrest heeft erkend, kan de toepassing van het AEC-criterium voor de periode van oktober 2003 tot mei 2005 juist als steekhoudend worden beschouwd.
255
Ten vierde heeft het Gerecht met de conclusie in punt 334 van het bestreden arrest dat de litigieuze beschikking niet rechtens genoegzaam is gemotiveerd met betrekking tot de versterkingsfactoren, noodzakelijkerwijs verwezen naar de twee versterkingsfactoren die in die beschikking in aanmerking zijn genomen en die in punt 321 van het bestreden arrest zijn vermeld, namelijk dat de Commissie cijfers had gebruikt die gunstig waren voor Intel en dat de betwiste kortingen die aanvankelijk voor HP waren bestemd, konden worden overgedragen aan een andere concurrent van HP. Het Gerecht heeft de motivering van de litigieuze beschikking evenwel alleen onderzocht met betrekking tot de tweede van die factoren, zodat het bestreden arrest niet — ook niet impliciet — is gemotiveerd wat de eerste factor betreft. In ieder geval heeft het Gerecht ook blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 328, 331 en 334 van het bestreden arrest te oordelen dat de litigieuze beschikking niet rechtens genoegzaam was gemotiveerd wat de tweede versterkingsfactor betreft. In dit verband merkt de Commissie met name op dat het Gerecht in feite van haar heeft geëist verder te gaan dan een beoordeling van het vermogen van de betwiste kortingen om een concurrent die even efficiënt is als Intel uit te sluiten en de uitsluitingseffecten te kwantificeren, door te verwijzen naar een factor die hypothetisch is en die geen verband houdt met de parameters van de toepassing van het AEC-criterium. Bijgevolg is de algemene gevolgtrekking in punt 335 van dat arrest onjuist, zelfs indien het Gerecht in het bestreden arrest terecht heeft geoordeeld dat de litigieuze beschikking niet aantoonde dat er in de periode van november 2002 tot september 2003 sprake was van een mededingingsverstorend uitsluitingseffect.
256
Intel betwist de gegrondheid van de argumenten van de Commissie.
— Beoordeling door het Hof
257
Het Gerecht heeft de feitelijke context van de aan HP verleende betwiste kortingen uiteengezet in de punten 288 en 289 van het bestreden arrest. Uit deze punten blijkt dat Intel voor de periode van november 2002 tot mei 2005 met HP twee opeenvolgende overeenkomsten had gesloten met betrekking tot de uitrusting van zakelijke desktopcomputers met x86-CPU's. De eerste overeenkomst, namelijk de HPA1-overeenkomst, had betrekking op de periode van november 2002 tot mei 2004, en de tweede, namelijk de HPA2-overeenkomst, had betrekking op de periode van juni 2004 tot mei 2005. De verlening van de in die overeenkomsten bedoelde kortingen was afhankelijk van de ongeschreven voorwaarde dat HP ten minste 95 % van haar behoefte aan x86-CPU's voor de uitrusting van haar zakelijke desktopcomputers bij Intel zou inkopen. Volgens punt 288 van het bestreden arrest, dat in dit verband verwijst naar overweging 1406 van de litigieuze beschikking, heeft de Commissie op basis van de toepassing van het AEC-criterium geconcludeerd dat deze kortingen mededingingsverstorende uitsluitingseffecten konden hebben.
258
Volgens de punten 298, 299, 303 en 321 van het bestreden arrest is deze conclusie gebaseerd op een vergelijking van het betwistbare aandeel met het vereiste aandeel en op twee versterkingsfactoren. Deze factoren bestaan er ten eerste in dat de Commissie de voor Intel meest gunstige cijfers gebruikt, en ten tweede dat indien HP voor haar aankopen van x86-CPU's naar AMD zou overschakelen, Intel op haar beurt de betwiste kortingen die aanvankelijk voor HP waren bestemd, kon overdragen aan een andere concurrent van HP, zoals Dell.
259
Uit punt 299 van het bestreden arrest blijkt dat volgens de litigieuze beschikking het betwistbare aandeel van HP door de Commissie op 7 % was vastgesteld.
260
Het vereiste aandeel is vermeld in tabel nr. 34, die is opgenomen in overweging 1334 van de litigieuze beschikking (hierna: ‘tabel nr. 34’), waarnaar punt 303 van het bestreden arrest verwijst. De laatste kolom van deze tabel vermeldt dat het vereiste aandeel voor de periode van het derde kwartaal van het boekjaar 2003 tot en met het derde kwartaal van het boekjaar 2006 zich situeerde tussen 9,7 % (de voor het vierde kwartaal van het boekjaar 2003 berekende waarde) en 18,9 % (de voor het eerste kwartaal van het boekjaar 2005 berekende waarde). Zo heeft de Commissie zich in overweging 1387 van de litigieuze beschikking, waarnaar in punt 298 van het bestreden arrest wordt verwezen, op het standpunt gesteld dat het vereiste aandeel hoger was dan het betwistbare aandeel voor de gehele inbreukperiode.
261
Bovendien toont tabel nr. 35 in overweging 1337 van de litigieuze beschikking, waarnaar in punt 292 van het bestreden arrest wordt verwezen, volgens die overweging aan dat de conclusie van de Commissie betrouwbaar is, en wordt deze tabel zo gepresenteerd dat hij de volledige door de HPA1-overeenkomst gedekte periode lijkt te omvatten. Deze tabel toont een vereist aandeel van 10,6 % voor de periode waarop de HPA1-overeenkomst betrekking heeft.
262
Uit punt 291 van het bestreden arrest blijkt dat Intel de Commissie heeft verweten dat zij met name vier fouten heeft gemaakt, waarvan de eerste betrekking heeft op het betwistbare aandeel, de tweede op het bedrag van het voorwaardelijke deel van de betwiste kortingen, het derde op de onderzochte inbreukperiode en het vierde op de in aanmerking genomen versterkingsfactoren. Het Gerecht heeft zijn analyse gericht op de in de derde en de vierde plaats aangevoerde fouten.
263
Wat betreft de onderzochte inbreukperiode, heeft het Gerecht in punt 303 van het bestreden arrest opgemerkt dat tabel nr. 34 betrekking had op de periode van het vierde kwartaal van het boekjaar 2003 tot en met het derde kwartaal van het boekjaar 2005, zodat daarin geen gegevens zijn opgenomen betreffende de maanden november en december 2002 en de eerste drie kwartalen van het boekjaar 2003.
264
Op soortgelijke wijze heeft het Gerecht in punt 304 van het bestreden arrest benadrukt dat de cijfers voor de HPA1-overeenkomst in de eerste regel van tabel nr. 35 voortvloeien uit de som of het rekenkundig gemiddelde van de cijfers in de eerste drie regels van tabel nr. 34. In punt 305 van dat arrest heeft het Gerecht de details die aan deze beoordeling ten grondslag liggen uiteengezet en daaraan in punt 306 ervan toegevoegd dat de Commissie niet had gesteld dat deze rekenkundige relatie uit toeval voortvloeit of dat de verschillende genoemde waarden voor de drie ontbrekende kwartalen en voor de drie daaropvolgende kwartalen identiek zijn.
265
Derhalve heeft het Gerecht in punt 307 van het bestreden arrest geoordeeld dat de Commissie inderdaad geen rekening had gehouden met de maanden november en december 2002 en de eerste drie kwartalen van het boekjaar 2003 in de berekeningen die hebben geleid tot de in tabel nr. 35 vermelde cijfers. In datzelfde punt heeft het Gerecht daaraan toegevoegd dat de berekening van het tijdens de looptijd van de HPA1-overeenkomst vereiste aandeel, die heeft geleid tot de resultaten in de tabellen nrs. 34 en 35, dus geen betrekking had op de volledige periode tussen november 2002 en mei 2005 waarvoor de Commissie meende te kunnen aantonen dat er sprake was van een mededingingsverstorend uitsluitingseffect door de aan HP verleende betwiste kortingen.
266
In de punten 308 tot en met 320 van het bestreden arrest heeft het Gerecht de argumenten afgewezen die de Commissie had gebaseerd op, ten eerste, de stelling dat het resultaat van een berekening op kwartaalbasis niet fundamenteel verschilt van het resultaat van de totale berekening die zou zijn gemaakt en, ten tweede, de verwijzing naar een bijlage bij het verweerschrift en naar een bijlage bij de dupliek.
267
Met betrekking tot de argumenten van de Commissie dat de toepassing van het AEC-criterium ingewikkelde economische beoordelingen inhoudt ten aanzien waarvan de Commissie beschikt over een beoordelingsmarge die het Gerecht in acht had moeten nemen, zij eraan herinnerd dat de Commissie het AEC-criterium heeft toegepast om aan te tonen dat de betwiste kortingen een even efficiënte concurrent als Intel konden uitsluiten.
268
Zoals de advocaat-generaal in de punten 83 tot en met 85 van haar conclusie in wezen verduidelijkt, omvat de berekening van het vereiste aandeel methodologische keuzen die de Commissie op zodanige wijze moet maken dat zij haar conclusies baseert op alle materieel juiste, betrouwbare en samenhangende gegevens die daartoe noodzakelijk zijn. In dat kader kon de Commissie beslissen om op kwartaalbasis voor een periode van november 2002 tot mei 2005 te onderzoeken of de aan HP verleende betwiste kortingen een even efficiënte concurrent als Intel konden uitsluiten. Bij gebreke van enig ander middel dat in de litigieuze beschikking is gebruikt om die mogelijkheid aan te tonen, moet de toepassing van het AEC-criterium evenwel de conclusie kunnen staven dat deze kortingen voor die gehele periode een dergelijk uitsluitingseffect hebben.
269
Ten eerste betoogt de Commissie niet dat de feitelijke vaststellingen van het Gerecht, die onder zijn soevereine beoordeling vallen, namelijk dat tabel nr. 34 betreffende de berekening van het vereiste aandeel niet de periode tot het begin van het vierde kwartaal van het boekjaar 2004 dekt en dat tabel nr. 35 dezelfde onvolledigheid vertoont ondanks een verwijzing naar de HPA1-overeenkomst, het gevolg zijn van enige onjuiste opvatting van het bewijs of van een onjuiste opvatting van de litigieuze beschikking zelf.
270
Ten tweede en zoals de advocaat-generaal in de punten 91 en 92 van haar conclusie in wezen uiteenzet, moet het gebruik van een extrapolatiemechanisme — ook al is dit in beginsel niet verboden, voor zover dit mechanisme ertoe strekt een onbekend element af te leiden uit bekende gegevens — berusten op een concrete logische volgorde die is vastgesteld en toegelicht door de partij die de bewijslast draagt, in casu de Commissie.
271
De Commissie voert echter niet aan, en uit het bestreden arrest blijkt evenmin, dat zij, teneinde de extrapolatie van de gegevens betreffende de periode na het derde belastingkwartaal van 2003 naar het deel van de inbreukperiode tot het einde van dat kwartaal te rechtvaardigen, voor het Gerecht heeft aangevoerd dat deze gegevens representatief zijn, laat staan dat dit representatieve karakter uit de litigieuze beschikking blijkt. In voetnoot 1658, die wordt vermeld in overweging 1337 van de litigieuze beschikking, waarnaar in de punten 292 en 297 van het bestreden arrest wordt verwezen, wordt integendeel aangegeven dat de onderzochte periode niet volledig samenvalt met de duur van de overeenkomsten in kwestie, omdat met betrekking tot de HPA1-overeenkomst de door HP verstrekte cijfers niet de volledige duur van deze overeenkomst dekten. Deze verwijzing sluit overigens uit dat kan worden aangenomen dat de litigieuze beschikking een impliciete motivering bevat betreffende het representatieve karakter van de gegevens betreffende de periode na het derde belastingkwartaal van 2003, die een extrapolatie had kunnen rechtvaardigen. Aangezien de Commissie de stelling in punt 306 van het bestreden arrest, die is beschreven in punt 264 van het onderhavige arrest, verder niet ter discussie stelt, moet worden vastgesteld dat het Gerecht geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 307 van het bestreden arrest te oordelen dat de Commissie inderdaad geen rekening had gehouden met de maanden november en december 2002 en de eerste drie kwartalen van het boekjaar 2003.
272
Ten derde heeft het Gerecht in punt 318 van het bestreden arrest ten overvloede de berekeningen onderzocht die de Commissie als bijlage bij de dupliek had overgelegd om aan te tonen dat de resultaten van het vereiste aandeel van HP voor de twee ontbrekende maanden en de drie ontbrekende kwartalen hetzelfde zouden zijn als de resultaten van dat aandeel voor de kwartalen die de Commissie daadwerkelijk in aanmerking heeft genomen. Dienaangaande heeft het Gerecht geoordeeld dat niets aantoonde dat het juist was om te veronderstellen dat — gezien de betwiste kortingen stabiel waren in de periode waarop de HPA1-overeenkomst betrekking had — de resultaten van het vereiste aandeel voor laatstgenoemde periode tevens golden voor de periode die niet in aanmerking is genomen, temeer daar niets erop wees dat het volume van de aankopen van HP en de gemiddelde verkoopprijs tijdens de gehele inbreukperiode ongewijzigd waren gebleven. De Commissie geeft enkel aan dat de hoogte van de door HP verloren betwiste kortingen de belangrijkste factor is bij de berekening van het vereiste aandeel, zonder evenwel te stellen dat bovengenoemde beoordeling van het Gerecht getuigt van een onjuiste opvatting van het bewijs.
273
Wat het argument van de Commissie betreft dat Intel de door de Commissie voor haar berekeningen gebruikte perioden niet tijdens de administratieve procedure had betwist, dient in herinnering te worden gebracht dat de Commissie dient te beoordelen of er met name sprake kan zijn van een strategie die erop gericht is om, door middel van het verlenen van getrouwheidskortingen, minstens even efficiënte concurrenten als de onderneming met een machtspositie uit te sluiten, wanneer laatstgenoemde onderneming tijdens de administratieve procedure — onder overlegging van bewijs — betoogt dat haar gedrag de mededinging niet kon beperken en met name de haar verweten uitsluitingseffecten niet kon teweegbrengen (zie punten 138 en 139 van het arrest in hogere voorziening).
274
Hieruit volgt dat de Commissie haar beoordeling mag baseren op dezelfde premissen en elementen als die welke door de beschuldigde onderneming zijn aangevoerd, net zoals zij haar eigen analysen kan verrichten op basis van ander bewijs dat zij heeft verkregen in de loop van haar onderzoek.
275
Het feit dat Intel tijdens de administratieve procedure berekeningen heeft overgelegd die, zelfs al zijn zij gebaseerd op de door de Commissie gebruikte referentieperioden, volgens deze onderneming aantonen dat de betwiste kortingen een even efficiënte concurrent als Intel niet konden uitsluiten, verschilt duidelijk van een situatie waarin Intel tijdens deze procedure gegevens betreffende een deel van de inbreukperiode heeft overgelegd die zij zelf had geëxtrapoleerd naar een ander deel daarvan, en waarop de Commissie zich op haar beurt heeft gebaseerd in de mededeling van punten van bezwaar en, bij gebreke van betwisting, in de litigieuze beschikking. Dit onderscheid geldt ongeacht of Intel, zoals zij verklaart, tijdens de administratieve procedure de leemte met betrekking tot de periode van november 2002 tot juli 2003 aan het licht had gebracht.
276
In dit verband zij eraan herinnerd dat, zoals reeds blijkt uit punt 163 van het onderhavige arrest en zoals het Gerecht in punt 300 van het bestreden arrest terecht heeft opgemerkt, er geen bepalingen van Unierecht zijn die de geadresseerde van de mededeling van punten van bezwaar verplichten de diverse elementen daarin rechtens of feitelijk in de loop van de administratieve procedure te betwisten om het recht dit later in de rechterlijke procedure te doen niet te verwerken (arrest van 1 juli 2010, Knauf Gips/Commissie, C-407/08 P, EU:C:2010:389, punt 89).
277
Aangezien Intel tijdens de administratieve procedure — onder overlegging van bewijs — heeft betoogd dat haar gedragingen de mededinging ten aanzien van HP niet konden beperken, zodat de Commissie verplicht was te beoordelen of er sprake kon zijn van een strategie die erop gericht was minstens even efficiënte concurrenten als Intel uit te sluiten, stond niets er dus aan in de weg dat zij voor het Gerecht opkwam tegen de elementen in deze beoordeling die betrekking hadden op de periode in kwestie die deel uitmaakte van de motivering van de litigieuze beschikking. Hieruit volgt dat het Gerecht geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 300 tot en met 302 van het bestreden arrest dezelfde benadering te volgen.
278
Het argument van de Commissie dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de onvolledigheid bij de toepassing van het AEC-criterium betreffende het deel van de inbreukperiode die heeft plaatsgevonden tot het einde van het derde belastingkwartaal van 2003, de analyse van de gehele inbreukperiode van november 2002 tot mei 2005 heeft aangetast, berust op een onjuiste lezing van punt 335 van het bestreden arrest. In dat punt heeft het Gerecht er namelijk op gewezen dat de conclusie in overweging 1406 van de litigieuze beschikking, volgens welke de aan HP verleende betwiste kortingen in de periode van november 2002 tot mei 2005 mogelijk een mededingingsverstorend uitsluitingseffect hadden, enkel niet rechtens genoegzaam was aangetoond ‘aangezien [de Commissie] voor de periode van 1 november 2002 tot en met 30 september 2003 niet [had] aangetoond dat er uitsluitingseffecten bestonden.’ Aldus heeft het Gerecht in punt 525 van het bestreden arrest erkend dat deze omstandigheid niet kon leiden tot nietigverklaring van de litigieuze beschikking voor de gehele inbreukperiode die voor HP in aanmerking was genomen. Derhalve heeft het Gerecht, zoals blijkt uit dat punt van het bestreden arrest, de nietigverklaring pas voor deze gehele periode uitgesproken na in de punten 485 tot en met 520 van dat arrest te hebben vastgesteld dat de Commissie het criterium betreffende de marktdekking van de betwiste kortingen niet naar behoren had onderzocht en de duur van die kortingen niet correct had geanalyseerd.
279
Hieruit volgt dat, anders dan de Commissie betoogt, het Gerecht de nietigverklaring van de litigieuze beschikking met betrekking tot de aan HP verleende betwiste kortingen niet heeft gebaseerd op de onvolledigheid die slechts een deel van de inbreukperiode betrof.
280
Het argument van de Commissie dat het Gerecht enkel de versterkingsfactor heeft onderzocht die is ontleend aan het risico dat de betwiste kortingen die aanvankelijk voor HP waren bestemd, worden verschoven naar een andere concurrent van HP, met uitsluiting van de versterkingsfactor die erin bestaat dat de Commissie voor Intel gunstige cijfers heeft gebruikt, moet eveneens worden afgewezen. In dit verband volstaat het erop te wijzen dat, gelet op de aard van de door het Gerecht vastgestelde tekortkoming, die erin bestaat dat elementen met betrekking tot het eerste deel van de inbreukperiode volledig ontbreken, een ‘versterkingsfactor’ die is gebaseerd op het gebruik van voor Intel voordelige elementen door de Commissie per definitie geen betrekking kon hebben op dat deel. Het Gerecht hoefde dus geen specifieke analyse aan deze factor te wijden.
281
Wat betreft het argument van de Commissie dat het Gerecht in feite van haar heeft geëist om verder te gaan dan een beoordeling van het vermogen van de betwiste kortingen om een concurrent die even efficiënt is als Intel uit te sluiten en om de door een versterkingsfactor teweeggebrachte uitsluitingseffecten te kwantificeren, blijkt uit de punten 328 en 329 van het bestreden arrest dat de door het Gerecht in punt 331 van dat arrest vastgestelde ontoereikende motivering in wezen betrekking heeft op de mogelijkheid dat de versterkingsfactor die bestaat in de verschuiving van de betwiste kortingen die aanvankelijk voor HP waren bestemd naar een andere concurrent van HP, toelaat om alle argumenten van Intel met betrekking tot de toepassing van het AEC-criterium af te wijzen en alle fouten in de litigieuze beschikking op dat punt te neutraliseren.
282
In dit verband heeft het Gerecht in punt 330 van het bestreden arrest opgemerkt dat het door de Commissie ter terechtzitting aangevoerde argument dat HP een aanbod van AMD om haar gratis een miljoen x86-CPU's te verstrekken slechts had geweigerd wegens de gevolgen die een aanvaarding voor haar relatie met Intel zou teweegbrengen, louter een niet-onderbouwde veronderstelling was, die het motiveringsgebrek in de litigieuze beschikking met betrekking tot de invloed van de versterkingsfactor bestaande in een verschuiving van de aanvankelijk aan HP verleende betwiste kortingen aan een van de concurrenten van HP op de uit de toepassing van het AEC-criterium voortvloeiende conclusies van de Commissie, niet kon verhelpen.
283
In dit licht blijkt uit de punten 321, 334 en 335 van het bestreden arrest, in hun onderlinge samenhang gelezen, dat het Gerecht heeft onderzocht of de overwegingen 1390 tot en met 1395 van de litigieuze beschikking, die betrekking hebben op de versterkingsfactoren, een motivering bevatten die kon ondervangen dat er geen elementen waren die als basis dienden voor de berekening van het vereiste aandeel van HP voor de twee maanden en de drie kwartalen waarvoor de toepassing van het AEC-criterium gebrekkig was gebleken.
284
In dit verband zij eraan herinnerd dat de mogelijkheid van de betwiste kortingen om een even efficiënte concurrent als Intel uit te sluiten, werd beoordeeld aan de hand van een in het kader van de toepassing van het AEC-criterium uitgevoerde vergelijking tussen het vereiste aandeel en het betwistbare aandeel van HP. Deze vergelijking steunt op haar beurt op een berekening waarbij rekening wordt gehouden met de hoogte van de betwiste kortingen, die verloren gaan wanneer de eraan ten grondslag liggende exclusiviteitsvoorwaarden niet worden nageleefd, het volume van de aankopen van HP alsmede de gemiddelde verkoopprijs en de gemiddelde vermijdbare kosten van Intel. Zoals blijkt uit de overwegingen 1393 en 1394 van de litigieuze beschikking, waarnaar in punt 321 van het bestreden arrest wordt verwezen, is de mogelijke verschuiving van deze kortingen naar een van de concurrenten van HP een kwantificeerbare parameter, die tijdens de contacten tussen HP en AMD ter sprake is gebracht en die een invloed kan hebben op onder andere het effect van het bij de berekening van het vereiste aandeel in aanmerking genomen verlies van die kortingen. Op soortgelijke wijze stelt de Commissie in overweging 1285 van de litigieuze beschikking, waarop de Commissie zich ter ondersteuning van dit onderdeel van het vierde middel beroept, dat de berekening van het vereiste aandeel voor HP in de litigieuze beschikking ‘is gebaseerd op de veronderstelling dat de kortingen die verloren kunnen gaan niet aan de concurrenten [van HP] worden overgedragen.’
285
Bijgevolg moest de Commissie, zoals het Gerecht in de punten 328 en 329 van het bestreden arrest heeft uiteengezet, indien zij zich wilde baseren op de mogelijke verschuiving van de aan HP verleende betwiste kortingen naar een concurrent van HP om aan te tonen dat die kortingen een even efficiënte concurrent als Intel konden uitsluiten ongeacht de leemten bij de toepassing van het AEC-criterium, de redenering uiteenzetten die de invloed aantoonde van deze verschuiving op een van de factoren die aan de berekening van het vereiste aandeel ten grondslag lagen.
286
Deze analyse van het Gerecht zou niet minder gegrond zijn indien, zoals de Commissie ter ondersteuning van dit onderdeel van het vierde middel aanvoert, overweging 1285 van de litigieuze beschikking aldus moest worden opgevat dat de parameters voor de berekening van het voor HP vereiste aandeel uitsluiten dat rekening wordt gehouden met de mogelijke verschuiving van de aan HP verleende betwiste kortingen naar een of meerdere concurrenten van HP. Indien een dergelijke verschuiving geen deel uitmaakt van de parameters van die berekening, kan zij de impact van de mededingingsverstorende uitsluiting immers alleen maar verergeren, zoals de Commissie in overweging 1392 van de litigieuze beschikking heeft opgemerkt. Zoals blijkt uit de punten 267 tot en met 280 van het onderhavige arrest, heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met zijn conclusie dat de Commissie niet had aangetoond dat de betwiste kortingen voor twee maanden en drie kwartalen van de inbreukperiode tot mededingingsverstorende uitsluiting konden leiden, zodat voor die periode geen rekening kan worden gehouden met een verergering van de impact van een mogelijke mededingingsverstorende uitsluiting, bij gebreke van een specifieke motivering in die zin.
287
Hieruit volgt dat het Gerecht — anders dan de Commissie betoogt — niet impliciet van haar heeft geëist om verder te gaan dan een beoordeling van het vermogen van de betwiste kortingen om een even efficiënte concurrent als Intel uit te sluiten, noch om de uitsluitingseffecten te kwantificeren. Het Gerecht heeft, teneinde te kunnen oordelen dat een versterkingsfactor als die welke de Commissie heeft aangevoerd toelaat om Intels argumenten betreffende de berekeningen die zijn gemaakt voor de toepassing van het AEC-criterium af te wijzen en de fouten in die toepassing te neutraliseren, alleen maar vastgesteld dat de factoren op basis waarvan dit vermogen kan worden erkend, evenals de belangrijkste factoren van die berekeningen, moeten blijken uit de motivering van de litigieuze beschikking waarbij de inbreuk wordt vastgesteld.
288
Gelet op het voorgaande moet het eerste onderdeel van het vierde middel worden afgewezen.
Tweede onderdeel: schending van de rechten van verdediging van de Commissie bij het onderzoek van de toepassing van het AEC-criterium ten aanzien van HP
— Argumenten van partijen
289
De Commissie stelt dat het Gerecht in de punten 316 en 317 van het bestreden arrest heeft geweigerd rekening te houden met bepaalde in de loop van het geding aangevoerde bewijzen. Deze bewijzen tonen aan dat, zelfs al werd Intels nieuwe argument betreffende de referentieperiode voor de toepassing van het AEC-criterium aanvaard, dit het resultaat van die toepassing niet zou aantasten. De weigering van het Gerecht om de weerlegging van Intels beweringen te onderzoeken schendt de rechten van verdediging van de Commissie om dezelfde redenen als die welke ter ondersteuning van het tweede middel zijn uiteengezet.
290
Intel betwist de gegrondheid van dit onderdeel van het vierde middel.
— Beoordeling door het Hof
291
Aangezien de Commissie, gelet op de door Intel tijdens de administratieve procedure aangevoerde argumenten en bewijzen, moest onderzoeken of deze onderneming een strategie ten uitvoer had gelegd die erop gericht was concurrenten die minstens even efficiënt waren als Intel uit te sluiten, stond het aan de Commissie om in de litigieuze beschikking aan te tonen dat de strategie in kwestie dergelijke uitsluitingseffecten kon hebben.
292
In casu blijkt uit de punten 316 en 317 van het bestreden arrest dat de Commissie zich voor het Gerecht voor het eerst in een document dat als bijlage bij de dupliek is overgelegd, heeft beroepen op een aanvullende berekening voor het tweede en het derde belastingkwartaal van het boekjaar 2003.
293
Zoals in punt 163 van het onderhavige arrest is uiteengezet, heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste opvatting door te weigeren rekening te houden met deze aanvullende berekeningen die de Commissie voor het eerst als bijlage bij de dupliek heeft overgelegd, temeer daar de Commissie niet betoogt dat zij de tardieve indiening ervan in eerste aanleg heeft gerechtvaardigd, zoals is vereist door artikel 85, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht.
294
Bijgevolg moet het tweede onderdeel van het vierde middel, en daarmee dit middel in zijn geheel, ongegrond worden verklaard.
Vijfde middel: onjuiste uitlegging van de toepassing van het AEC-criterium en van artikel 102 VWEU, onjuiste opvatting van het bewijs en schending van de rechten van verdediging van de Commissie bij het onderzoek van de toepassing van het AEC-criterium ten aanzien van Lenovo
Argumenten van partijen
295
De Commissie herinnert eraan dat het Gerecht bij zijn onderzoek van de toepassing van het AEC-criterium voor zover het ziet op Lenovo, zijn aandacht richtte op de vraag naar de waarde van twee voordelen in natura die Lenovo heeft gekregen in de vorm van kortingen in ruil voor een exclusieve bevoorrading bij Intel, en voor het verlies waarvan een even efficiënte concurrent als Intel haar compensatie had moeten bieden. Het betreft ten eerste de uitbreiding van Intels standaardgarantie van een jaar en ten tweede het toegankelijk maken van een distributieplatform van Intel in Shenzhen (China). In dit verband voert de Commissie aan dat het Gerecht in de punten 436 tot en met 439 van het bestreden arrest is voorbijgegaan aan de aard van de toepassing van het AEC-criterium, hetgeen heeft geleid tot een onjuiste definitie van een ‘even efficiënte’ concurrent als Intel en uiteindelijk tot schending van artikel 102 VWEU.
296
Bovendien heeft het Gerecht in punt 454 van het bestreden arrest de in de vorige punten van dat arrest vastgestelde beoordelingsfouten niet als ‘kennelijk’ aangemerkt. Gelet op de methodologische keuzen die een toepassing van het AEC-criterium vereist, kunnen volgens de Commissie enkel ‘kennelijke’ beoordelingsfouten leiden tot nietigverklaring van een op een dergelijke toepassing gebaseerde beschikking.
297
Ten tweede heeft het Gerecht, door zich te baseren op alle door Intel gemaakte kosten met inbegrip van de kosten betreffende het voor Lenovo toegankelijk maken van een distributieplatform, en niet alleen op de kosten die verband houden met de productie van CPU's, geen rekening gehouden met het feit dat de vraag die in het licht van artikel 102 VWEU uiteindelijk moet worden beantwoord, is of er sprake kan zijn van mededingingsverstorende uitsluiting als gevolg van de betwiste kortingen, die ook worden toegepast op het niet-betwistbare aandeel, dat veel groter is dan het betwistbare aandeel. Bijgevolg had de nadruk moeten liggen op de vraag of de even efficiënte concurrent als Intel in staat was het betwistbare aandeel van de behoefte van een OEM te verkrijgen, ondanks het feit dat hij op kleinere schaal opereert dan Intel.
298
Derhalve moeten niet zozeer de kosten van de betwiste kortingen voor de onderneming met een machtspositie in aanmerking worden genomen, maar wel het voordeel dat deze kortingen opleveren voor de begunstigde ervan, te weten de afnemer van de onderneming met een machtspositie. Deze benadering, die waarborgt dat de positie van de onderneming met een machtspositie niet in haar voordeel werkt bij de toepassing van het AEC-criterium, moet worden gevolgd ongeacht of de kortingen de vorm aannemen van betalingen in contanten dan wel in natura. Bovendien blijkt uit de door Intel overgelegde bewijzen dat zij niet van mening was dat de kosten in verband met het voor Lenovo toegankelijk maken van een distributieplatform deel uitmaakten van de gemiddelde vermijdbare kosten van een even efficiënte concurrent als Intel.
299
Hoe dan ook heeft het Gerecht in punt 438 van het bestreden arrest ten onrechte de benadering verworpen die de Commissie in de litigieuze beschikking heeft gevolgd en volgens welke een concurrent van Intel niet zou beschikken over een distributieplatform zoals dat waarover Lenovo kon beschikken, zodat die concurrent Lenovo een compensatie had moeten bieden voor het verlies van dit voordeel in natura.
300
Wat de uitbreiding van de standaardgarantie betreft, is het Gerecht voorbijgegaan aan het feit dat Intel aan Lenovo een niet-betwistbaar aandeel bleef verkopen dat veel groter was dan het betwistbare aandeel dat door de concurrent werd verkocht. Ervan uitgaande dat het storingspercentage van x86-CPU's tijdens de garantieperiode en de herstellings- of vervangingskosten gelijk zouden zijn, zouden de totale kosten om tegemoet te komen aan vrijwaringsvorderingen voor x86-CPU's van Intel in computers van Lenovo veel hoger zijn dan de kosten om tegemoet te komen aan vrijwaringsvorderingen voor computers van Lenovo met x86-CPU's van de even efficiënte concurrent als Intel. De gelijkwaardige efficiëntie van de twee producenten verandert dus niets aan het feit dat een even efficiënte concurrent als Intel, teneinde Lenovo ervan te overtuigen om af te zien van de uitgebreide garantie die Intel biedt in ruil voor exclusiviteit, zijn x86-CPU's zou moeten aanbieden tegen een prijs die de kosten van de vrijwaringsvorderingen compenseert die Lenovo niet aan Intel zou kunnen doorrekenen. Bij haar toepassing van het AEC-criterium heeft de Commissie de waarde van de uitbreiding van Intels standaardgarantie voor Lenovo dus terecht op dezelfde wijze behandeld als een korting in contanten.
301
Subsidiair heeft het Gerecht de rechten van verdediging van de Commissie geschonden door te weigeren het bewijs te onderzoeken dat de Commissie in de loop van het geding als bijlage D.39 bij de dupliek heeft overgelegd om Intels beweringen te weerleggen. Voor zover het Gerecht de door de Commissie als bijlage D.39 bij de dupliek overgelegde gegevens heeft onderzocht, waaruit volgens de Commissie volgt dat Intel de kosten van de voordelen in natura op 47 miljoen USD heeft geraamd, heeft het zijn weigering in punt 452 van het bestreden arrest om rekening te houden met een document met de titel ‘Intel Chart entitled 2006 v. 2007 Trend’, waaruit blijkt dat voor Intel de kosten van de uitbreiding van de standaardgarantie 23 miljoen USD bedroegen, niet gemotiveerd. Indien het Gerecht dit document buiten beschouwing heeft gelaten op grond dat het document bedoeld kon zijn om Intels voorstel tijdens de onderhandelingen met Lenovo in een gunstig daglicht te stellen, vormt deze grond een onjuiste opvatting van het document in kwestie omdat op dit document ‘Intel vertrouwelijk’ was vermeld.
302
Intel betwist de gegrondheid van het vijfde middel.
Beoordeling door het Hof
303
In punt 98 van het bestreden arrest heeft het Gerecht in herinnering gebracht dat Intel en Lenovo een intentieverklaring hadden gesloten, het Memorandum of Understanding van 2007 (hierna: ‘MoU 2007’), waarvoor een ongeschreven exclusiviteitsvoorwaarde gold. In punt 415 van dat arrest heeft het Gerecht verwezen naar overweging 1461 van de litigieuze beschikking, waarin de Commissie had verklaard dat het bedrag van de aan Lenovo verleende betwiste kortingen was vermeld in het MoU 2007, waarin voor het jaar 2007 was voorzien in financiële steun van 180 miljoen USD in de vorm van driemaandelijkse betalingen.
304
In punt 417 van het bestreden arrest heeft het Gerecht verwezen naar overweging 1463 van de litigieuze beschikking, waarin is gewezen op Intels argument dat alleen een bedrag van 138 miljoen USD relevant was voor de beoordeling van de hoogte van die kortingen. Zo wordt in punt 417 van dat arrest verduidelijkt dat van de financiële steun aan Lenovo van 180 miljoen USD in het MoU van 2007 slechts 135 miljoen USD in contanten was toegekend. De rest van deze steun zou zijn verleend in de vorm van voordelen in natura, namelijk de uitbreiding van Intels standaardgarantie van een jaar en het voorstel voor een beter gebruik van een distributieplatform van Intel in China. De Commissie heeft benadrukt dat Intel had aangevoerd dat de waarde van deze twee bijdragen in natura aan Lenovo weliswaar respectievelijk 20 en 24 miljoen USD bedroeg, maar dat de kosten ervan voor Intel aanzienlijk lager waren, namelijk 1,7 respectievelijk 1,3 miljoen USD. Intel had tevens aangevoerd dat, om te bepalen of een concurrent even efficiënt was als Intel, deze elementen niet aan de hand van hun waarde voor Lenovo, maar aan de hand van de economische kosten ervan voor Intel dienden te worden beoordeeld. Door deze kosten van 1,7 miljoen USD en 1,3 miljoen USD bij de financiële steun in contanten van 135 miljoen USD op te tellen, kwam Intel tot een bedrag van 138 miljoen USD.
305
In de punten 420 en 421 van het bestreden arrest zet het Gerecht uiteen dat de Commissie in de overwegingen 1466 en 1467 van de litigieuze beschikking dit laatste argument van Intel heeft afgewezen op grond dat de toepassing van het AEC-criterium vereist dat de prijs moet worden onderzocht waartegen een even efficiënte concurrent als de onderneming met een machtspositie — maar die geen machtpositie heeft — zijn producten aan een afnemer had moeten aanbieden om het verlies van de door de onderneming met een machtspositie toegekende voorwaardelijke voordelen te compenseren, welk verlies voortvloeit uit de verschuiving door deze afnemer van het betwistbare aandeel van zijn bevoorradingsbehoeften van de onderneming met een machtspositie naar die even efficiënte concurrent. Verder had de Commissie daaruit afgeleid dat er een raming moest worden gemaakt van het verlies voor de afnemer, aangezien de even efficiënte concurrent dit verlies zou moeten compenseren, en niet van de economische kosten voor de onderneming met een machtspositie, indien de twee cijfers uiteenliepen.
306
In de punten 433 tot en met 439 van het bestreden arrest heeft het Gerecht vastgesteld dat de methode die de Commissie heeft gebruikt om de hoogte van de aan Lenovo verleende betwiste kortingen te beoordelen, uitging van een veronderstelling die in strijd was met de in de overwegingen 1003 en 1004 van de litigieuze beschikking uiteengezette grondslagen van de toepassing van het AEC-criterium.
307
Dienaangaande heeft het Gerecht in punt 434 van het bestreden arrest benadrukt dat volgens overweging 1003 van de litigieuze beschikking de toepassing van het AEC-criterium tot doel heeft te onderzoeken of Intel, gelet op haar eigen kosten en het effect van de betwiste kortingen, zelf in staat zou zijn om in beperktere mate tot de markt toe te treden zonder verlies te lijden. Zo heeft het Gerecht in punt 435 van dat arrest benadrukt dat, zoals in overweging 1004 van de litigieuze beschikking is uiteengezet, de toepassing van het AEC-criterium een louter hypothetische exercitie is, in die zin dat moet worden bepaald of er sprake is van afscherming van de toegang tot de markt voor een concurrent die even efficiënt is als Intel — wat betreft de productie en levering van x86-CPU's van een gelijke waarde als die welke Intel aan haar afnemers aanbiedt — maar die geen even ruime verkoopbasis als Intel heeft.
308
Bovendien zij eraan herinnerd dat — zoals het Gerecht heeft uiteengezet in de punten 154, 157 en 158 van het bestreden arrest, die in punt 43 van het onderhavige arrest zijn weergegeven — het AEC-criterium zoals in casu toegepast de ‘effectieve prijs’ bepaalt, te weten de prijs waarvoor een even efficiënte concurrent als Intel zijn x86-CPU's had moeten aanbieden om een OEM te compenseren voor het verlies van een door Intel verleende exclusiviteitsbetaling en die vervolgens moet worden vergeleken met ‘het niveau van de haalbare kosten van Intel’, namelijk met de gemiddelde vermijdbare kosten. Een systeem van exclusiviteitsbetalingen kan even efficiënte concurrenten als Intel uitsluiten wanneer de effectieve prijs lager is dan de gemiddelde vermijdbare kosten van Intel. Zoals overigens in punt 44 van het onderhavige arrest is toegelicht wordt het — positieve of negatieve — resultaat van het AEC-criterium uiteindelijk bepaald aan de hand van een vergelijking tussen het betwistbare aandeel en het vereiste aandeel, waarbij laatstgenoemd aandeel het deel is van de behoeften van de afnemer van Intel dat een even efficiënte concurrent als Intel moet verkrijgen om zonder verliezen te kunnen toetreden tot de markt.
309
In dit verband blijkt uit punt 412 van het bestreden arrest, waarin wordt verwezen naar de overwegingen 1457 tot en met 1508 van de litigieuze beschikking, dat de omvang en de aard van de aan Lenovo verleende kortingen factoren zijn waarmee rekening is gehouden bij de berekening van het vereiste aandeel. Wanneer deze kortingen in contanten worden verleend, is de waarde ervan objectief en gelijk voor zowel Intel als de begunstigde van de kortingen. Worden zij daarentegen geheel of deels in natura verleend, moeten zij worden beoordeeld.
310
In dat kader moet worden opgemerkt dat het juist is dat de even efficiënte concurrent als Intel zijn producten moet aanbieden tegen een prijs die het verlies van de door de onderneming met een machtspositie verleende voorwaardelijke voordelen compenseert. Deze compensatie hoeft echter niet noodzakelijkerwijs de vorm te hebben van een geldelijk voordeel dat gelijk is aan de waarde van het voordeel in natura voor de betrokken afnemer. Ze kan bestaan in een voordeel in natura dat gelijkwaardig is aan het voordeel dat de afnemer zal verliezen als gevolg van zijn beslissing om zich voor het betwistbare aandeel te bevoorraden bij de concurrent van de onderneming met een machtspositie. Ook in dat geval doet het niet ter zake dat dit voordeel vanuit het subjectief standpunt van de begunstigde afnemer een waarde kan vertegenwoordigen die verschilt van de kosten die de even efficiënte concurrent als de onderneming met een machtspositie heeft moeten maken om dat voordeel aan die afnemer te verlenen.
311
Bijgevolg moet, overeenkomstig de grondslagen van de toepassing van het AEC-criterium, een korting die is verleend in de vorm van een voordeel in natura worden beoordeeld aan de hand van een hypothetische concurrent met een kostenstructuur die vergelijkbaar is met die van de onderneming met een machtspositie (zie in die zin arresten van 14 oktober 2010, Deutsche Telekom/Commissie, C-280/08 P, EU:C:2010:603, punt 198, en 19 januari 2023, Unilever Italia Mkt. Operations, C-680/20, EU:C:2023:33, punt 59).
312
Een dergelijke aanpak is temeer gerechtvaardigd daar zij, zoals het Gerecht in punt 190 van het bestreden arrest terecht heeft opgemerkt, eveneens in overeenstemming is met het algemene beginsel van rechtszekerheid. De onderneming met een machtspositie kan immers, door haar kosten in aanmerking te nemen, de rechtmatigheid van haar eigen gedrag beoordelen in het licht van de bijzondere verantwoordelijkheid die krachtens artikel 102 VWEU op haar rust, aangezien zij haar eigen kosten kent (zie in die zin arrest van 14 oktober 2010, Deutsche Telekom/Commissie, C-280/08 P, EU:C:2010:603, punt 202).
313
Zoals de advocaat-generaal in de punten 160 en 165 van haar conclusie opmerkt, kan evenwel niet worden uitgesloten dat de kosten van het voordeel in natura enigszins moeten worden aangepast om in aanmerking te kunnen nemen dat de even efficiënte concurrent geen machtspositie inneemt. Een dergelijke aanpassing kan nodig blijken wanneer de kosten van een concurrent die even efficiënt is als de onderneming met een machtspositie, worden beïnvloed door het feit dat deze concurrent alleen kan voorzien in het betwistbare aandeel van de afnemers, dat lager ligt dan het niet-betwistbare aandeel van deze afnemers dat door de onderneming met een machtspositie wordt bevoorraad.
314
Hieruit volgt — zoals de advocaat-generaal in punt 155 van haar conclusie opmerkt — dat het Gerecht, door in de punten 437 en 438 van het bestreden arrest vast te stellen dat de Commissie niet had geredeneerd alsof de hypothetische concurrent x86-CPU's aan Lenovo kon verkopen en haar daarbij in dezelfde omstandigheden als Intel voordelen in natura aanbood, en door in punt 439 van dat arrest te oordelen dat de Commissie zodoende is uitgegaan van een veronderstelling die in strijd is met de in de litigieuze beschikking uiteengezette grondslagen van de toepassing van het AEC-criterium, zijn beoordeling niet in de plaats heeft gesteld van een geldige analyse van de Commissie, maar dat het Gerecht een interne incoherentie in de in casu verrichte toepassing van het AEC-criterium aan het licht heeft gebracht.
315
Zoals het Gerecht overigens in punt 441 van het bestreden arrest opmerkt — zonder dat de Commissie dit in het kader van de hogere voorziening betwist — geeft de litigieuze beschikking geen antwoord op de vraag wat de kosten voor een even efficiënte concurrent zouden zijn geweest indien hij toegang tot een distributieplatform had moeten verlenen of via een eenvoudige omvorming zijn eigen reeds bestaande platform had moeten uitbreiden ten gunste van een OEM, zoals Intel aan Lenovo heeft voorgesteld, noch op de vraag welke kosten van toepassing zouden zijn geweest op een uitbreiding van de garantie.
316
Uit punt 428 van het bestreden arrest blijkt dat de Commissie een dergelijke analyse voor het eerst heeft overgelegd in bijlage D.39 bij de dupliek. Deze analyse valt echter buiten het kader van de motivering van de litigieuze beschikking, zodat het Gerecht er geen rekening mee kan houden, zoals in de punten 443 en 444 van het bestreden arrest is uiteengezet.
317
De subsidiaire grief van de Commissie waarmee zij aanvoert dat haar rechten van verdediging zijn geschonden (zie punt 301 van het onderhavige arrest), moet worden afgewezen om de in de punten 164 tot en met 167 van het onderhavige arrest uiteengezette redenen, waaruit volgt dat het Gerecht, door in punt 444 van het bestreden arrest te stellen dat het — zonder zijn eigen motivering in de plaats te stellen van die van de Commissie in de litigieuze beschikking — geen rekening kon houden met de elementen die voor het eerst als bijlage bij de dupliek waren overgelegd en dus niet kon afwijken van het kader van de motivering van die beschikking, geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en evenmin de rechten van verdediging van de Commissie heeft geschonden.
318
Verder heeft het Gerecht in punt 448 van het bestreden arrest de analyse in bijlage D.39 bij de dupliek ten overvloede onderzocht en verworpen op grond dat de kosten die volgens de Commissie worden gemaakt door een even efficiënte concurrent als Intel met een distributieplatform in China, verschillen van de waarde voor Lenovo van de voordelen in natura die de Commissie voor haar toepassing van het AEC-criterium in aanmerking heeft genomen. Hoe dan ook voert de Commissie niet aan dat deze door het Gerecht ten overvloede verrichte beoordeling op enigerlei wijze getuigt van een onjuiste opvatting van het bewijs.
319
Evenzo moet ook het argument van de Commissie worden afgewezen dat het Gerecht in punt 452 van het bestreden arrest, waarin het de bewijswaarde onderzoekt van het door de Commissie voor het eerst als bijlage D.41 bij de dupliek overgelegde document met de titel ‘Intel Chart entitled 2006 v. 2007 Trend’, geen rekening heeft gehouden met de in dat document vermelde kosten voor Intel als gevolg van de uitbreiding van de standaardgarantie, en de lagere kosten heeft aanvaard die in het aanvullende rapport Shapiro-Hayes zijn berekend.
320
Zoals blijkt uit de woorden ‘hoe dan ook’ in punt 451 van het bestreden arrest, heeft het Gerecht de bewijswaarde van dat document immers ten overvloede onderzocht. De Commissie betwist niet de primaire vaststelling van het Gerecht in punt 450 van dat arrest dat de gegevens uit dit document niet in de litigieuze beschikking zijn vermeld. Derhalve faalt het argument van de Commissie.
321
Uit de voorgaande overwegingen volgt dat het vijfde middel moet worden afgewezen.
Zesde middel: onjuiste beoordeling van de gevolgen die moeten worden verbonden aan de bij de toepassing van het AEC-criterium vastgestelde fouten
Argumenten van partijen
322
Subsidiair voert de Commissie het zesde middel aan, voor het geval het Hof de andere middelen ter ondersteuning van de hogere voorziening zou afwijzen. In dit verband voert de Commissie aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de gevolgen die moeten worden verbonden aan, ten eerste, de fouten die zijn vastgesteld betreffende de toepassing van het AEC-criterium en, ten tweede, het begrip ‘even efficiënte concurrent als Intel’ zoals dat voortvloeit uit het arrest in hogere voorziening.
323
Met name de vaststelling van fouten bij de toepassing van het AEC-criterium betekent niet dat Intel aan dat criterium voldoet en dat de betwiste kortingen de mededinging niet konden uitsluiten, maar enkel dat de Commissie in de litigieuze beschikking niet heeft aangetoond dat Intel niet aan dat criterium voldoet. Onder verwijzing naar haar hoofdopmerkingen over de terugverwijzing, die met name zijn gebaseerd op de overwegingen 1037 en 1038 van de litigieuze beschikking, herinnert de Commissie er in dit verband aan dat het in die beschikking vastgestelde ‘haalbare niveau van kosten Intel’ dat van de gemiddelde vermijdbare kosten is, hetgeen een conservatieve en voor Intel gunstige kostenbenchmark is, aangezien deze geen rekening houdt met de hoge vaste kosten die een concurrent van Intel zou moeten maken om op lange termijn een levensvatbare concurrent te blijven. Het feit dat Intel voldeed aan het AEC-criterium, waarbij rekening werd gehouden met de gemiddelde vermijdbare kosten, was dus slechts een van de omstandigheden die in aanmerking moesten worden genomen in het kader van de algehele beoordeling die noodzakelijk was voor de beantwoording van de vraag of de betwiste kortingen de mededinging konden uitsluiten. De Bondsrepubliek Duitsland voegt daaraan toe dat in bepaalde omstandigheden, zoals die van de onderhavige zaak, exclusiviteitsovereenkomsten ertoe kunnen leiden dat handelspartners minder geneigd zijn om gelijkwaardige aanbiedingen van concurrenten van hun leverancier te aanvaarden wegens de verbintenis die is aangegaan en de afhankelijkheid ten aanzien van het niet-betwistbare aandeel van de aangekochte producten.
324
Het Gerecht heeft dus, door een onjuiste opvatting van het argument van de Commissie in haar opmerkingen over de terugverwijzing, in de punten 518 en 519 van het bestreden arrest geoordeeld dat de loutere verwijzing naar de periode waarin Intel de betwiste kortingen heeft toegepast en naar het tijdsschema ervan op zich niet volstaat om, ondanks de conclusies die uit de toepassing van het AEC-criterium konden worden getrokken, definitieve conclusies over de aldus teweeggebrachte uitsluitingseffecten te schragen.
325
Hieruit volgt dat de conclusie van het Gerecht in de punten 526 en 527 van het bestreden arrest dat de Commissie niet heeft aangetoond dat de betwiste kortingen en betalingen mogelijk of waarschijnlijk mededingingsverstorende uitsluitingseffecten hadden, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Alvorens ter zake een standpunt te bepalen, had het Gerecht in het kader van een globale beoordeling van de omstandigheden van de zaak moeten onderzoeken of de toepassing van het AEC-criterium een bijzonder doorslaggevende factor in de litigieuze beschikking was en of de in die toepassing vastgestelde fouten voldoende significant waren om te leiden tot nietigverklaring van die beschikking.
326
Ten tweede negeert deze conclusie dat het begrip ‘even efficiënte concurrent’ niet uitsluitend is gebaseerd op overwegingen inzake prijzen en kosten. Dienaangaande blijkt uit punt 139 van het arrest in hogere voorziening dat de vraag of de betwiste kortingen een even efficiënte concurrent als Intel konden uitsluiten, ook afhangt van parameters als de keuze, de kwaliteit en de innovatie van de producten van die concurrent. Uit de punten 116 tot en met 122 en 134 van het bestreden arrest blijkt evenwel dat het Gerecht met deze criteria geen rekening heeft gehouden, hoewel zij relevant waren voor het begrip ‘efficiënte concurrent’, zoals AMD zou kunnen zijn, waarvan de producten zowel innovatief als efficiënt zijn en dus aantrekkelijk voor de OEM's.
327
Intel betwist de gegrondheid van dit betoog.
Beoordeling door het Hof
328
In de eerste plaats zij eraan herinnerd dat het aan de Commissie staat om de door haar vastgestelde inbreuken op de mededingingsregels te bewijzen en de elementen te leveren die rechtens genoegzaam het bestaan van de constitutieve elementen van een inbreuk bewijzen (zie in die zin arresten van 6 januari 2004, BAI en Commissie/Bayer, C-2/01 P en C-3/01 P, EU:C:2004:2, punt 62, en 16 februari 2017, Hansen & Rosenthal en H&R Wax Company Vertrieb/Commissie, C-90/15 P, EU:C:2017:123, punt 26).
329
Deze constitutieve elementen moeten blijken uit de motivering van de handeling waarbij de inbreuk wordt vastgesteld en de rechterlijke instanties van de Unie kunnen — zoals in de punten 138 en 163 van het onderhavige arrest is opgemerkt — deze niet wijzigen door in het kader van de rechtmatigheidstoetsing van artikel 263 VWEU hun eigen motivering in de plaats te stellen van die van de instelling die de betrokken handeling heeft verricht.
330
In de tweede plaats volgt uit de punten 175 tot en met 181 van het onderhavige arrest dat het verlenen van getrouwheidskortingen door een onderneming met een machtspositie weliswaar een inbreuk op artikel 102 VWEU kan vormen, maar dat de omstandigheid dat deze onderneming tijdens de administratieve procedure — onder overlegging van bewijs — betoogt dat haar gedraging de mededinging niet kon beperken en met name de verweten uitsluitingseffecten niet kon teweegbrengen, de Commissie ertoe verplicht een onderzoek te verrichten om te bepalen of die mogelijkheid bestaat.
331
Aangezien het bewijs van het daadwerkelijke of potentiële mededingingsbeperkende effect wordt beoordeeld in het licht van alle relevante feitelijke omstandigheden, is de Commissie in dat geval ertoe gehouden — zoals het Hof in punt 139 van het arrest in hogere voorziening heeft benadrukt — niet alleen de omvang van de machtspositie van de onderneming op de relevante markt en de marktdekking van de betwiste kortingen alsook de duur, de hoogte en de voorwaarden en de modaliteiten voor het verlenen van de betrokken kortingen te onderzoeken, maar ook na te gaan of er sprake kan zijn van een strategie die erop gericht is minstens even efficiënte concurrenten als die onderneming uit te sluiten.
332
Op basis van deze analyse moet de Commissie in dat geval voldoen aan haar in de punten 328 en 329 van het onderhavige arrest beschreven verplichting om, in de motivering van de beschikking die zij na haar onderzoek vaststelt, aan te tonen dat de gelaakte gedraging misbruik van machtspositie in de zin van artikel 102 VWEU oplevert.
333
In de derde plaats volgt uit de punten 142, 143, 147 en 149 van het arrest in hogere voorziening en met name ook uit de punten 30, 31, 152 tot en met 158, 175, 283, 285, 286, 297 tot en met 299, 339, 412, 413, 457 en 466 tot en met 468 van het bestreden arrest dat de Commissie op basis van de toepassing van het AEC-criterium, waarmee wordt beoogd de prijs te bepalen waartegen een even efficiënte concurrent als Intel zijn x86-CPU's had moeten aanbieden om een OEM te ‘compenseren’ voor het derven van de betwiste kortingen, in de litigieuze beschikking heeft gemotiveerd dat de betwiste kortingen een dergelijke concurrent konden uitsluiten en aldus de mededinging op een door artikel 102 VWEU verboden wijze konden beperken ten aanzien van de OEM's en MSH.
334
Zoals overigens volgt uit de punten 147 en 149 van het arrest in hogere voorziening, heeft het Hof de zaak terugverwezen naar het Gerecht gelet op het feit dat de Commissie het AEC-criterium had toegepast, opdat het Gerecht zou onderzoeken of de betwiste kortingen de mededinging konden beperken in het licht van Intels argumenten waarmee zij opkwam tegen vermeende fouten van de Commissie in het kader van die toepassing. Zoals het Gerecht in punt 523 van het bestreden arrest heeft opgemerkt heeft de Commissie, gelet op de resultaten van die toepassing, geconcludeerd dat de door Intel verleende betwiste kortingen en betalingen mogelijk of waarschijnlijk mededingingsverstorende uitsluitingseffecten hadden, aangezien zelfs een even efficiënte concurrent als Intel zou zijn belemmerd om in de bevoorradingsbehoefte aan x86-CPU's van Dell, HP, NEC en Lenovo te voorzien of om de verkoop door MSH van computers die met x86-CPU's van deze concurrent zijn uitgerust, te garanderen.
335
In dat kader volgt uit punt 157 van het bestreden arrest dat de Commissie bij de toepassing van het AEC-criterium rekening heeft gehouden met de gemiddelde vermijdbare kosten van Intel. Het staat vast dat de Commissie zich op deze kostenbenchmark heeft gebaseerd op grond dat, aangezien deze gunstiger is voor Intel, het feit dat het onmogelijk is voor de concurrent die even efficiënt is als Intel om dergelijke kosten te dekken, duidelijk aangeeft dat hij zijn winst opgeeft en verliezen lijdt wanneer hij verkoopt aan klanten die betrokken zijn bij de gedraging van de onderneming met een machtspositie, zodat de mededinging wordt uitgesloten.
336
In de vierde plaats blijkt uit de punten 485, 493 tot en met 495, 509 en 510 van het bestreden arrest dat de Commissie een aantal overwegingen van de litigieuze beschikking heeft gewijd aan het onderzoek van de dekkingsgraad van de betwiste kortingen en de duur daarvan, en dat verschillende van de punten inzake de duur vallen onder het deel van de litigieuze beschikking dat betrekking heeft op de toepassing van het AEC-criterium. Zoals in de punten 62 tot en met 76 van het onderhavige arrest is uiteengezet, heeft het Gerecht na een onderzoek in de punten 483 tot en met 521 van het bestreden arrest, waarvan de bijzondere elementen in hogere voorziening niet worden betwist, geoordeeld dat de Commissie het criterium betreffende de marktdekking van de betwiste kortingen niet naar behoren had onderzocht en de duur van die kortingen niet correct had geanalyseerd.
337
Derhalve heeft het Gerecht, zoals in de punten 80 tot en met 82 van het onderhavige arrest is uiteengezet, in de punten 524 tot en met 527 van het bestreden arrest geoordeeld dat de vastgestelde fouten in de toepassing van het AEC-criterium, de marktdekking van de betwiste kortingen en de duur van de toepassing van die kortingen, rechtvaardigden dat artikel 1, onder a) tot en met e), van de litigieuze beschikking nietig werd verklaard.
338
Gelet op de voorgaande overwegingen hoefde het Gerecht, alvorens de litigieuze beschikking gedeeltelijk nietig te verklaren, zich bij zijn onderzoek of de betwiste kortingen een even efficiënte concurrent als Intel konden uitsluiten, niet te baseren op andere elementen dan die waarop de Commissie had gesteund om die mogelijkheid vast te stellen.
339
In het bijzonder hoefde het Gerecht niet na te gaan of een dergelijke mogelijkheid kon worden vastgesteld aan de hand van een redenering zonder de door het Gerecht vastgestelde fouten, voor zover een dergelijke redenering niet zodanig coherent in de litigieuze beschikking is geformuleerd dat daaruit kan worden afgeleid dat zij het dispositief van die beschikking kan ondersteunen ongeacht onjuiste opvattingen ten aanzien van het recht of de feiten in de motivering die de conclusies van de Commissie ontkrachten.
340
Dienaangaande blijkt ten eerste uit de punten 133 tot en met 147 van het bestreden arrest dat de analyse in de litigieuze beschikking, die ertoe strekt aan te tonen dat de betwiste kortingen misbruik opleveren, ongeacht de conclusies die de Commissie aan de toepassing van het AEC-criterium heeft verbonden, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien zij uitgaat van de premisse dat de betwiste kortingen misbruik vormden, ongeacht of zij een even efficiënte concurrent als Intel kunnen uitsluiten. Wat ten tweede de toepassing van het AEC-criterium betreft, stelt de Commissie niet dat deze beschikking een aanvullend onderzoek bevat waarbij rekening wordt gehouden met een andere kostenbenchmark dan de gemiddelde vermijdbare kosten, op basis waarvan die mogelijke uitsluiting kan worden vastgesteld, noch dat zij in die beschikking heeft aangetoond dat de gelaakte gedraging ook andere bestanddelen bevatte die, ongeacht de conclusies die uit de toepassing van het AEC-criterium moesten worden getrokken, konden leiden tot een mededingingsverstorend uitsluitingseffect dat Intel nastreefde door het niet-betwistbare aandeel te gebruiken.
341
Derhalve heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 518 en 519 van het bestreden arrest te oordelen dat de loutere verwijzing naar de periode waarin Intel de betwiste kortingen heeft toegepast en naar het tijdsschema ervan op zich niet volstaat om, ondanks de conclusies die uit de toepassing van het AEC-criterium kunnen worden getrokken, definitieve conclusies over de aldus teweeggebrachte uitsluitingseffecten te schragen. Deze overweging lijkt temeer gerechtvaardigd in het licht van de vaststellingen van het Gerecht met betrekking tot, ten eerste, de marktdekking van de betwiste kortingen en de duur daarvan, in de punten 492 tot en met 500 respectievelijk 508 tot en met 515 van het bestreden arrest, en ten tweede, de betwiste kortingen zoals die zijn toegepast ten aanzien van NEC en MSH, aangezien de bijzondere elementen van de vaststellingen dienaangaande in hogere voorziening niet worden betwist.
342
Het argument van de Commissie dat het Gerecht geen rekening heeft gehouden met het feit dat AMD een ‘efficiënte’ concurrent is, zoals gedefinieerd in het arrest in hogere voorziening, omdat haar producten efficiënt, innovatief en aantrekkelijk zijn, is overigens evenmin relevant.
343
Zoals blijkt uit punt 435 van het bestreden arrest is de toepassing van het AEC-criterium immers louter een hypothetische exercitie om te kunnen bepalen of een concurrent die even efficiënt is als Intel wat betreft de productie en levering van x86-CPU's van een gelijke waarde als die welke Intel aan haar afnemers aanbiedt, maar die geen even ruime verkoopbasis als Intel heeft, van de markt wordt uitgesloten als gevolg van de betwiste kortingen. Hieruit volgt dat deze analyse losstaat van de daadwerkelijke mogelijkheid van AMD zelf om zich op de markt te handhaven. De analyse in kwestie kan dus aantonen dat de betwiste kortingen de mogelijkheid hadden om, in strijd met artikel 102 VWEU, een concurrent uit te sluiten die wordt verondersteld even efficiënt te zijn als Intel wat kosten, keuze, kwaliteit en innovatie betreft, ook al was AMD zelf niet uitgesloten, net zoals uit die analyse kan blijken dat er geen sprake was van een dergelijke mogelijkheid ondanks het feit dat sommige concurrenten van de onderneming met een machtspositie de markt hebben verlaten of daarop een marginale plaats hebben gekregen.
344
Uit het voorgaande volgt dat het zesde middel moet worden afgewezen, zodat de hogere voorziening in haar geheel moet worden afgewezen.
Kosten
345
Volgens artikel 184, lid 2, van zijn Reglement voor de procesvoering beslist het Hof over de kosten wanneer de hogere voorziening ongegrond is.
346
Ingevolge artikel 138, lid 1, van dat Reglement, dat op grond van artikel 184, lid 1, van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen voor zover dit is gevorderd.
347
Aangezien Intel en ACT hebben gevorderd om de Commissie in de kosten te verwijzen en deze laatste in het ongelijk is gesteld, dient zij te worden verwezen in de kosten.
348
Volgens artikel 140, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering, dat krachtens artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, dragen de lidstaten en de instellingen die in het geding hebben geïntervenieerd, hun eigen kosten.
349
Aangezien Intel en ACT hebben gevorderd om de Bondsrepubliek Duitsland in de kosten van de procedure te verwijzen, draagt de Bondsrepubliek Duitsland haar eigen kosten en die van Intel en ACT in verband met de interventie.
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart:
- 1)
De hogere voorziening wordt afgewezen.
- 2)
De Europese Commissie draagt haar eigen kosten en die van Intel Corporation Inc. alsook de kosten van Association for Competitive Technology Inc.
- 3)
De Bondsrepubliek Duitsland draagt haar eigen kosten en die van Intel Corporation Inc. en Association for Competitive Technology Inc. in verband met de interventie.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 24‑10‑2024
Conclusie 18‑01‑2024
Inhoudsindicatie
Hogere voorziening — Mededinging — Misbruik van machtspositie — Markt van microprocessoren — Beschikking houdende vaststelling van een inbreuk op artikel 102 VWEU en artikel 54 van de EER-Overeenkomst — Getrouwheidskorting — Kwalificatie als misbruik — Toepassing van het criterium van de even efficiënte concurrent — Algemene strategie — Eén enkele voortgezette inbreuk — Ingewikkelde economische beoordeling — Extrapolatie van economische gegevens — Verleende kortingen in de vorm van voordelen in natura
L. Medina
Partij(en)
Zaak C-240/22 P1.
Europese Commissie
tegen
Intel Corporation Inc.
I. Inleiding
1.
Deze conclusie betreft de hogere voorziening die door de Europese Commissie is ingesteld tot vernietiging van het arrest van 26 januari 2022, Intel Corporation/Commissie (T-286/09 RENV)2.. Dat arrest volgde op het arrest van het Hof van 6 september 2017, Intel/Commissie (C-413/14 P)3., waarbij het arrest van 12 juni 2014, Intel/Commissie (T-286/09)4., was vernietigd en de zaak naar het Gerecht was terugverwezen.
2.
Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat beschikking C(2009) 3726 definitief betreffende een procedure op grond van artikel [102 VWEU] en artikel 54 van de EER-Overeenkomst5. ten dele nietig moest worden verklaard.
3.
Meer in het bijzonder heeft het Gerecht vastgesteld dat de Commissie niet kon aantonen dat de exclusiviteitskortingen en betalingen van Intel ten bate van een aantal computerfabrikanten (Original Equipment Manufacturers; hierna: ‘OEM’) en een Europese distributeur van desktopcomputers, mogelijk of waarschijnlijk mededingingsverstorende effecten hadden en dus een schending van artikel 102 VWEU vormden.6. Volgens het Gerecht kon de Commissie dat niet aantonen omdat er in de litigieuze beschikking fouten waren gemaakt bij de toepassing van het criterium van de as efficient competitor (hierna: ‘AEC-criterium’) en daarnaast de marktdekking van Intels praktijk niet naar behoren was onderzocht en de duur van de kortingen niet juist was geanalyseerd.7.
4.
De Commissie betwist de benadering van het Gerecht en voert ter onderbouwing van haar hogere voorziening zes middelen aan. Met deze middelen verwijt de Commissie het Gerecht in wezen dat het de vraag in hoeverre de praktijken van Intel de mededinging konden beperken niet in het licht van alle relevante omstandigheden van de zaak algemeen heeft beoordeeld, dat het bewijzen onjuist heeft opgevat en blijk heeft gegeven van verscheidene onjuiste rechtsopvattingen met betrekking tot de toetsingsvereisten, dat het het AEC-criterium zoals dat in de litigieuze beschikking is toegepast onjuist heeft uitgelegd en dat het de rechten van verdediging van de Commissie heeft geschonden.
5.
Het Hof heeft verzocht om onderzoek van twee specifieke rechtsvragen, die betrekking hebben op het vierde en het vijfde middel. Met beide middelen wordt opgekomen tegen de wijze waarop het Gerecht het AEC-criterium heeft beoordeeld in verband met twee van de OEM's die voordeel hadden bij Intels praktijk. Deze conclusie is dan ook toegespitst op die middelen en met name op de vragen die daarin zijn opgeworpen ten aanzien van ten eerste de beoordelingsruimte van de Commissie bij toepassing van het AEC-criterium op een speciale gedraging, en ten tweede de beoordeling van kortingen die in de vorm van voordelen in natura zijn verleend.
II. Feiten en procedure
6.
De feiten en de procedure kunnen als volgt worden samengevat.8.
A. Voorgeschiedenis van het geding en administratieve procedure
7.
Intel Corporation (hierna: ‘Intel’) is een vennootschap die is gevestigd in de Verenigde Staten en zich bezighoudt met het ontwerpen, de ontwikkeling, de productie en het op de markt brengen van microprocessoren (hierna: ‘CPU's’), chipsets en andere halfgeleidercomponenten alsook van platformoplossingen voor gegevensverwerking en communicatieapparatuur.
8.
Naar aanleiding van een formele klacht die op 18 oktober 2000 was ingediend door Advanced Micro Devices, Inc. (hierna: ‘AMD’) en die op 26 november 2003 was aangevuld, is de Commissie op grond van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad een reeks onderzoeken begonnen.9.
9.
Op 26 juli 2007 heeft de Commissie Intel een mededeling van punten van bezwaar ter kennis gebracht over haar handelwijze ten aanzien van vijf grote OEM's, namelijk Dell, Hewlett-Packard Company (hierna: ‘HP’), Acer Inc., NEC Corp. en International Business Machines Corp. (hierna: ‘IBM’).
10.
Op 17 juli 2008 heeft de Commissie Intel een aanvullende mededeling van punten van bezwaar ter kennis gebracht over haar handelwijze ten aanzien van MSH, een Europese detailhandelaar in consumentenelektronica en de grootste detailhandelaar in Europa wat desktopcomputers betreft. Deze mededeling van punten van bezwaar had tevens betrekking op de handelwijze van Intel ten aanzien van Lenovo Group Ltd (hierna: ‘Lenovo’) en bevatte voorts nieuw bewijs omtrent de gedragingen van Intel ten aanzien van een aantal van bovengenoemde OEM's.
11.
Na verscheidene stappen in de procedure heeft de Commissie op 13 mei 2009 de litigieuze beschikking gegeven. Een samenvatting ervan is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie van 28 april 2004 (PB 2009, C 227, blz. 13).
B. Litigieuze beschikking
12.
Volgens de litigieuze beschikking heeft Intel zich van oktober 2002 tot december 2007 schuldig gemaakt aan één enkele voortgezette inbreuk op artikel 102 VWEU en artikel 54 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER) door een strategie toe te passen die erop was gericht een concurrent, te weten AMD, van de markt van CPU's met de x86-architectuur (hierna: ‘x86-CPU's’) uit te sluiten.
1. Relevante markt
13.
De producten waarop de litigieuze beschikking betrekking heeft, zijn CPU's — te weten x86-CPU's —, onderdelen van elke computer die essentieel zijn voor zowel de algemene prestaties als de totale kosten van het systeem. Zij worden vaak beschouwd als het ‘brein’ van de computer. Voor de fabricage van CPU's zijn technologisch geavanceerde, kostbare faciliteiten nodig. Vóór 2000 waren diverse fabrikanten van x86-CPU's op de markt actief. De meeste daarvan zijn echter van de markt verdwenen. In de litigieuze beschikking wordt opgemerkt dat Intel en AMD nagenoeg de enige bedrijven zijn die nog x86-CPU's vervaardigen.
14.
De geografische markt is als wereldomspannend gedefinieerd.
2. Machtspositie
15.
Gezien ten eerste het marktaandeel van Intel van 70 % of hoger tussen 1997 en 2007 en ten tweede de aanzienlijke barrières voor toegang tot en expansie op de betrokken markt — ten gevolge van de verzonken investeringen in onderzoek en ontwikkeling, intellectuele eigendom en productiefaciliteiten — is de Commissie tot de slotsom gekomen dat Intel in ieder geval in de periode waarop de litigieuze beschikking betrekking heeft, van oktober 2002 tot en met december 2007, een machtspositie op de genoemde markt heeft ingenomen.
3. Soorten gedragingen
16.
In de litigieuze beschikking zijn twee soorten gedragingen van Intel ten aanzien van haar handelspartners beschreven, te weten voorwaardelijke kortingen en onverbloemde concurrentiebeperkingen.
17.
In de eerste plaats heeft Intel volgens de litigieuze beschikking kortingen verleend aan vier OEM's, te weten Dell, Lenovo, HP en NEC, op voorwaarde dat zij al of vrijwel al hun x86-CPU's van Intel afnamen. Ook heeft Intel betalingen aan MSH toegekend, op voorwaarde dat zij uitsluitend met door Intel vervaardigde x86-CPU's uitgeruste computers verkocht.
18.
De conclusie van de litigieuze beschikking luidde dat de voorwaardelijke kortingen die Intel aan de OEM's had verleend, getrouwheidskortingen waren. Wat MSH betreft, is in de litigieuze beschikking vastgesteld dat het economische mechanisme van Intels voorwaardelijke betalingen aan die onderneming vergelijkbaar was met dat van de voorwaardelijke kortingen die aan de OEM's werden toegekend.
19.
Daarnaast bevatte de litigieuze beschikking een economische analyse van de mogelijkheid om met behulp van de kortingen een concurrent uit te sluiten die even efficiënt was als Intel, maar geen machtspositie innam. Meer in het bijzonder werd met deze analyse bepaald tegen welke prijs een even efficiënte concurrent als Intel zijn x86-CPU's had moeten aanbieden om een OEM te compenseren voor het derven van de korting van Intel. Een soortgelijke analyse is uitgevoerd voor de betalingen van Intel aan MSH.
20.
Op basis van het door haar verzamelde bewijs is de Commissie tot de conclusie gekomen dat de door Intel verleende voorwaardelijke kortingen en verrichte betalingen de getrouwheid van strategisch belangrijke OEM's en van MSH hebben verzekerd. Een bijkomend effect was dat het vermogen van concurrenten om op de merites van hun x86-CPU's te concurreren, aanzienlijk werd beperkt. De mededingingsverstorende gedragingen van Intel hebben bijgevolg geleid tot minder keuzevrijheid voor de consument en een geringere prikkel tot innovatie.
21.
In de tweede plaats stelde de Commissie, wat de onverbloemde concurrentiebeperkingen betreft, dat Intel bij betalingen aan drie OEM's, te weten HP, Acer en Lenovo, de voorwaarde heeft gesteld dat zij de lancering van producten met door AMD vervaardigde CPU's (hierna: ‘AMD-CPU's’) uitstelden of annuleerden en/of restricties hanteerden ten aanzien van de distributie van deze producten. De conclusie van de litigieuze beschikking luidde dat deze handelwijze van Intel de mededinging rechtstreeks schade had toegebracht en niet viel onder normale, op verdienste gebaseerde mededinging.
4. Misbruik en geldboete
22.
De Commissie kwam in de litigieuze beschikking tot de conclusie dat elk van de litigieuze gedragingen van Intel ten aanzien van de OEM's en ten aanzien van MSH misbruik in de zin van artikel 102 VWEU opleverde, en dat de afzonderlijke misbruiken bovendien een algemene strategie vormden die erop was gericht om AMD, Intels enige concurrent van betekenis, van de markt van x86-CPU's uit te sluiten. Deze misbruiken vormden derhalve samen één enkele voortgezette inbreuk op artikel 102 VWEU van oktober 2002 tot en met december 2007.10.
23.
Op grond van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 23, lid 2, onder a), van verordening nr. 1/2003 worden opgelegd (PB 2006, C 210, blz. 2), heeft de Commissie Intel een geldboete van 1,06 miljard EUR opgelegd.11.
C. Oorspronkelijk arrest
24.
Op 22 juli 2009 heeft Intel beroep ingesteld tot nietigverklaring van de litigieuze beschikking. De Association for Competitive Technology, Inc. (hierna: ‘ACT’) werd toegelaten tot interventie aan de zijde van Intel.
25.
Bij het oorspronkelijke arrest van 12 juni 2014 heeft het Gerecht het beroep in zijn geheel verworpen.
26.
Het Gerecht heeft in dat arrest in wezen geoordeeld dat de aan de OEM's verleende kortingen exclusiviteitskortingen waren, aangezien zij waren gebonden aan de voorwaarde dat de afnemer hetzij zijn totale behoefte aan x86-CPU's, hetzij een aanzienlijk deel van zijn behoefte van Intel zou betrekken. Bovendien heeft het Gerecht uiteengezet dat de vraag of dergelijke kortingen kwalificeerden als misbruik niet afhing van een analyse van de concrete omstandigheden met als doel vast te stellen of die kortingen de mededinging konden beperken, noch van aan de hand van het AEC-criterium vastgesteld bewijs voor potentiële mededingingsverstorende effecten.
27.
Het Gerecht heeft ten overvloede geoordeeld dat de Commissie in een subsidiair uitgevoerd onderzoek rechtens genoegzaam en op basis van een analyse van de concrete omstandigheden had aangetoond dat de door Intel aan respectievelijk Dell, HP, NEC en Lenovo verleende exclusiviteitskortingen en aan MSH verrichte exclusiviteitsbetalingen de mededinging konden beperken. Het Gerecht heeft anderzijds geoordeeld dat het niet nodig was te onderzoeken of de Commissie het AEC-criterium naar behoren en foutloos had gehanteerd.
D. Arrest in de eerste hogere voorziening
28.
Op 26 augustus 2014 heeft Intel hogere voorziening ingesteld tegen het oorspronkelijke arrest.
29.
Bij het arrest in de eerste hogere voorziening, dat op 6 september 2017 is gewezen12., heeft het Hof het oorspronkelijke arrest vernietigd en de zaak terugverwezen naar het Gerecht.13.
30.
Na afwijzing van het vijfde en het vierde middel, waarmee respectievelijk werd aangevoerd dat het Gerecht de criteria voor de bevoegdheid van de Commissie ten aanzien van de door Intel met Lenovo gesloten overeenkomsten en procedurele onregelmatigheden onjuist had toegepast14., heeft het Hof het eerste middel onderzocht en aanvaard. Met dat middel werd betoogd dat het Gerecht blijk had gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omdat het de omstreden kortingen niet had onderzocht in het licht van alle omstandigheden van de zaak.
31.
In dat verband heeft het Hof er ten eerste aan herinnerd dat artikel 102 VWEU geenszins tot doel heeft om een onderneming te beletten om door eigen verdienste de machtspositie op een markt te verwerven. Deze bepaling heeft evenmin tot doel om ervoor te zorgen dat minder efficiënte concurrenten dan de onderneming met een machtspositie op de markt aanwezig blijven.15. Gelet op de bijzondere verantwoordelijkheid die op een onderneming met een machtspositie rust om niet door haar gedrag afbreuk te doen aan een daadwerkelijke en onvervalste mededinging op de interne markt, mag zij echter onder meer geen praktijken toepassen die leiden tot de uitsluiting van haar even efficiënte concurrenten.16.
32.
Op basis daarvan heeft het Hof geoordeeld dat de beginselen die zijn geformuleerd in het arrest van 13 februari 1979, Hoffmann-La Roche/Commissie17., moeten worden verduidelijkt wanneer de betrokken onderneming tijdens de administratieve procedure, onder overlegging van bewijs, betoogt dat haar gedrag de mededinging niet kon beperken en met name niet de verweten uitsluitingseffecten kon hebben.18. In dat geval is de Commissie niet alleen ertoe gehouden de omvang van de machtspositie van de onderneming op de relevante markt en de marktdekking van de betwiste praktijk alsook de duur, de hoogte en de voorwaarden en de modaliteiten voor het verlenen van de betrokken kortingen te onderzoeken, maar is zij ook verplicht om na te gaan of er sprake is van een strategie die erop gericht is minstens even efficiënte concurrenten uit te sluiten.19.
33.
Voorts heeft het Hof geoordeeld dat indien de Commissie een AEC-analyse uitvoert in een beschikking waarbij wordt vastgesteld dat een kortingssysteem oneerlijk is, het Gerecht alle argumenten van de verzoekende partij dient te onderzoeken waarmee de gegrondheid wordt betwist van de vaststellingen van de Commissie met betrekking tot de mogelijkheid van uitsluiting door het betrokken kortingssysteem.20.
34.
Wat de litigieuze beschikking betreft, heeft het Hof opgemerkt dat het AEC-criterium een belangrijke rol heeft gespeeld bij de beoordeling door de Commissie van de mogelijkheid dat de betrokken kortingsregeling even efficiënte concurrenten zou uitsluiten.21. Bijgevolg was het Gerecht volgens het Hof verplicht om alle argumenten van Intel met betrekking tot dat criterium te onderzoeken.22. Doordat het Gerecht had geoordeeld dat niet hoefde te worden onderzocht of de door Intel voorgestelde alternatieve berekeningen juist waren23., had het ten onrechte geen rekening gehouden met het betoog van Intel waarmee zij opkwam tegen vermeende fouten van de Commissie in verband met het AEC-criterium.24.
E. Bestreden arrest
35.
Na de terugverwijzing is de zaak toegewezen aan de Vierde kamer (uitgebreid) van het Gerecht.
36.
Bij het bestreden arrest van 26 januari 2022 heeft het Gerecht de litigieuze beschikking ten dele nietig verklaard.
37.
Om te beginnen heeft het Gerecht gewezen op het voorwerp van het geding na de terugverwijzing.25. Meer bepaald heeft het Gerecht geconcludeerd dat het voorwerp van het geding in wezen betrekking had op de analyse van de vraag of de litigieuze kortingen de mededinging konden beperken in het licht van, ten eerste, de verduidelijkingen met betrekking tot de in het arrest in de zaak Hoffmann-La Roche geformuleerde beginselen en, ten tweede, de hoofd- en aanvullende opmerkingen van de partijen over de uit deze verduidelijkingen te trekken conclusies.26.
38.
Bovendien was het Gerecht van oordeel dat het de vaststellingen van het oorspronkelijke arrest met betrekking tot de juridische kwalificatie van de onverbloemde concurrentiebeperkingen en de onrechtmatigheid ervan in het licht van artikel 102 VWEU kon overnemen.27. Het Gerecht heeft ook de beoordeling overgenomen dat de litigieuze kortingen als ‘exclusiviteitskortingen’ kwalificeerden.28. Het Gerecht heeft evenwel geoordeeld dat deze kwalificatie, overeenkomstig het arrest van het Hof in de eerste hogere voorziening, niet betekende dat het AEC-criterium niet hoefde te worden toegepast voor de analyse van de vraag of die kortingen de mededinging konden beperken, Die kwalificatie volstond evenmin om die kortingen als misbruik in de zin van artikel 102 VWEU aan te merken.29.
39.
Wat de zaak ten gronde betreft heeft het Gerecht, na te hebben herinnerd aan de methode die het Hof heeft vastgesteld om te beoordelen of een kortingssysteem de mededinging kan beperken30. en aan de beginselen die voortvloeien uit het arrest in de eerste hogere voorziening31., de argumenten van Intel en ACT onderzocht.
1. Argumenten betreffende de juridische analyse van de Commissie
40.
In de eerste plaats heeft het Gerecht de argumenten onderzocht waarmee Intel en ACT hadden aangevoerd dat de litigieuze beschikking op een onjuiste juridische analyse was gebaseerd. In dat verband is het Gerecht tot de slotsom gekomen dat de Commissie het recht in de litigieuze beschikking onjuist had toegepast door ervan uit te gaan dat de litigieuze kortingen in strijd waren met artikel 102 VWEU omdat zij naar hun aard misbruik vormden, zonder noodzakelijkerwijs rekening te hoeven houden met de mogelijkheid van deze kortingen om de mededinging te beperken.32. Aangezien het AEC-criterium een belangrijke rol had gespeeld bij de beoordeling door de Commissie van de mogelijkheid dat de betrokken kortingen even efficiënte concurrenten zouden uitsluiten, heeft het Gerecht zich echter verplicht geacht om als tweede stap alle argumenten van Intel met betrekking tot dat criterium te onderzoeken.33.
2. Argumenten betreffende de fouten in de AEC-analyse
41.
In de tweede plaats heeft het Gerecht de argumenten met betrekking tot het AEC-criterium geanalyseerd. Deze analyse bestond uit vier onderdelen.
42.
Het eerste onderdeel had betrekking op de omvang van de toetsing door het Gerecht34., die zich volgens deze instantie overeenkomstig de rechtspraak van het Hof uitstrekte tot alle juridische en feitelijke gegevens van de beschikking van de Commissie, op basis van de door de verzoekende partij aangevoerde middelen en rekening houdend met alle door haar aangevoerde relevante gegevens. Het Gerecht heeft er evenwel aan herinnerd dat het in het kader van de wettigheidstoetsing van de handeling in kwestie zijn eigen motivering niet in de plaats kon stellen van die van de Commissie.
43.
Het tweede onderdeel bevatte algemene overwegingen betreffende het AEC-criterium en luidde als volgt:35.
- ‘152.
Het vertrekpunt van de toepassing van het AEC-criterium, zoals omschreven in de punten 1003 en volgende van de bestreden beschikking en door de Commissie in de onderhavige zaak gehanteerd, is dat Intel, met name gelet op de aard van haar product, haar reputatie en haar profiel, een onvermijdelijke handelspartner was en dat de OEM's steeds ten minste een deel van hun behoefte aan CPU's bij Intel zouden hebben gekocht, ongeacht de kwaliteit van het aanbod van de alternatieve leverancier. Bijgevolg waren de afnemers slechts voor een deel van de markt bereid en in staat om hun bevoorradingsbehoeften naar deze alternatieve leverancier te verschuiven (hierna: ‘betwistbaar aandeel’). Die hoedanigheid van onvermijdelijke handelspartner bracht voor Intel de mogelijkheid met zich mee om het onbetwistbare aandeel te gebruiken als hefboom om de prijs voor het betwistbare aandeel te verlagen.
- 153.
Zoals het Gerecht in punt 141 van het oorspronkelijke arrest heeft opgemerkt, gaat het in de bestreden beschikking gehanteerde AEC-criterium uit van het beginsel dat een even efficiënte concurrent die zich wil verzekeren van het betwistbare aandeel van de vraag waarin tot op dat moment werd voorzien door een onderneming met een machtspositie, de afnemer compensatie moet bieden voor de exclusiviteitskorting die hij zou verliezen indien hij een geringer dan het in de voorwaarde van exclusiviteit of quasi-exclusiviteit vastgestelde deel afneemt. Aan de hand van het AEC-criterium wordt bepaald of een concurrent die even efficiënt is als de onderneming met een machtspositie en die dezelfde kosten als die onderneming maakt, zijn kosten in dat geval nog steeds kan dekken.
- 154.
Het AEC-criterium, zoals toegepast in casu, bepaalt de prijs waarvoor een even efficiënte concurrent als Intel zijn x86-CPU's had moeten aanbieden om een OEM te compenseren voor het verlies van een door Intel verleende exclusiviteitsbetaling. Deze prijs wordt in het AEC-criterium ‘effectieve prijs’ of ‘EP’ genoemd.
- 155.
In beginsel omvat het gedeelte van de totale kortingen waarvoor een even efficiënte concurrent compensatie moet aanbieden, enkel het bedrag van de kortingen dat aan de voorwaarde van exclusieve bevoorrading is onderworpen, met uitsluiting van kwantumkortingen (hierna: ‘‘voorwaardelijk deel’ van de kortingen’). […] het AEC-criterium [verwijst] in casu, om enkel het voorwaardelijke deel van een betaling in aanmerking te nemen, naar de gemiddelde verkoopprijs (average sales price; hierna: ‘ASP’), te weten de catalogusprijs na aftrek van de voorwaardelijke kortingen.
- 156.
Hoe kleiner het betwistbare aandeel en bijgevolg hoe kleiner de hoeveelheid producten waarmee de alternatieve leverancier de concurrentie kan aangaan, hoe groter de waarschijnlijkheid dat de exclusiviteitsbetaling een even efficiënte concurrent kan uitsluiten. Indien het verlies aan betalingen die door Intel aan haar afnemer worden verricht moet worden verdeeld over een geringe hoeveelheid producten die in het betwistbare aandeel door de alternatieve leverancier worden aangeboden, leidt dit namelijk tot een aanzienlijke verlaging van de effectieve prijs. Het is dus waarschijnlijker dat deze effectieve prijs onder het haalbare niveau van de kosten van Intel ligt.
- 157.
De effectieve prijs moet worden vergeleken met het niveau van de haalbare kosten van Intel. Het in de [litigieuze] beschikking vastgestelde haalbare niveau van kosten van Intel is dat van de gemiddelde vermijdbare kosten (average avoidable cost; hierna: ‘AAC’).
- 158.
[…] [G]econcludeerd [kan worden] dat een systeem van exclusiviteitsbetalingen even efficiënte concurrenten de toegang tot de markt kan ontzeggen indien de werkelijke prijs lager is dan de AAC van Intel. In dat geval gaat het om een negatief resultaat van de toepassing van het AEC-criterium. Indien daarentegen de effectieve prijs hoger is dan de AAC, wordt een even efficiënte concurrent geacht zijn kosten te kunnen dekken en dus in staat te zijn om tot de markt toe te treden. In dat geval leidt de toepassing van het AEC-criterium tot een positief resultaat.
- 159.
In het licht van deze algemene overwegingen moet de gegrondheid worden onderzocht van verzoeksters argumenten dat de AEC-analyse talrijke onjuistheden bevat.’
44.
In het bijzonder blijkt uit het bestreden arrest36. dat het — positieve of negatieve — resultaat van het AEC-criterium, zoals gedefinieerd in punt 158 van dat arrest, volgens de door de Commissie gehanteerde methode uiteindelijk wordt bepaald aan de hand van een vergelijking tussen het betwistbare aandeel en het vereiste aandeel, aangezien laatstgenoemd aandeel het deel is van de behoeften van de afnemer dat vereist is om een even efficiënte concurrent zonder verliezen te kunnen laten toetreden tot de markt. Indien het betwistbare aandeel groter is dan het vereiste aandeel, leidt de toepassing van het AEC-criterium voor Intel tot een positief resultaat. De omgekeerde omstandigheid duidt op een negatief resultaat en duidt er dus op dat de litigieuze kortingen een concurrent die even efficiënt is als Intel kunnen uitsluiten.
45.
In het derde onderdeel wordt ingegaan op de bewijslast en het vereiste bewijsniveau.37.
46.
In het vierde onderdeel heeft het Gerecht de gegrondheid onderzocht van Intels argumenten dat het AEC-criterium in de litigieuze beschikking op meerdere punten onjuist is toegepast.38. Dat onderdeel bevat vijf subonderdelen, die elk betrekking hebben op de argumenten die Intel met betrekking tot de AEC-analyse in de litigieuze beschikking heeft aangevoerd voor de vier betrokken OEM's, te weten Dell, HP, NEC en Lenovo enerzijds en MSH anderzijds. Op grond van zijn analyse heeft het Gerecht Intels argument aanvaard dat de Commissie het AEC-criterium in de litigieuze beschikking op meerdere punten onjuist had toegepast.39.
3. Argumenten met betrekking tot de in punt 139 van het arrest in de eerste hogere voorziening bedoelde criteria
47.
In de derde plaats heeft het Gerecht de argumenten van Intel en ACT onderzocht dat de Commissie de in punt 139 van het arrest in de eerste hogere voorziening vermelde criteria niet juist had geanalyseerd.40.
48.
Dienaangaande heeft het Gerecht geoordeeld dat Intel op goede gronden kon stellen dat de analyse die in de litigieuze beschikking was verricht, op meerdere punten onjuist was omdat de Commissie het criterium van de marktdekking van de betwiste praktijk niet naar behoren had onderzocht en de duur van de kortingen niet correct had geanalyseerd.41.
4. Conclusie
49.
Het Gerecht heeft vastgesteld dat de Commissie, gelet op het voorgaande en aangezien de litigieuze beschikking op meerdere punten onjuist was doordat de Commissie, ten eerste, het AEC-criterium onjuist had toegepast en zij, ten tweede, de marktdekking van Intels praktijk niet naar behoren had onderzocht en de duur van de kortingen niet juist had geanalyseerd42., niet kon aantonen dat Intels exclusiviteitskortingen mogelijk of waarschijnlijk mededingingsverstorende gevolgen hadden en dus een schending van artikel 102 VWEU vormden.43.
50.
Het Gerecht is dan ook tot de slotsom gekomen dat de motivering van de litigieuze beschikking niet kon dienen als grondslag voor artikel 1, onder a) tot en met e), van die beschikking wat met name Intels exclusiviteitskortingen betrof. Dat artikel is bijgevolg nietig verklaard.44. Aangezien het Gerecht zich niet in staat achtte het bedrag van de geldboete met betrekking tot enkel de onverbloemde concurrentiebeperkingen vast te stellen, die werden geacht juist in het oorspronkelijke arrest te zijn vastgesteld45., heeft het ook artikel 2 van de litigieuze beschikking nietig verklaard.46. Ten slotte heeft het Gerecht artikel 3 van de litigieuze beschikking nietig verklaard voor zover het betrekking had op Intels exclusiviteitskortingen. Het Gerecht heeft het beroep verworpen voor het overige.47.
III. Conclusies van partijen voor het Hof
51.
Met haar op 5 april 2022 bij het Hof ingestelde hogere voorziening verzoekt de Commissie het Hof:
- —
het bestreden arrest te vernietigen, behalve punt 3 van het dictum;
- —
de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht, en
- —
de beslissing omtrent de kosten aan te houden.
52.
Bij beslissing van de president van het Hof van 5 augustus 2022 is de Bondsrepubliek Duitsland in de onderhavige zaak toegelaten tot interventie aan de zijde van de Commissie.
53.
Intel en ACT verzoeken het Hof de hogere voorziening af te wijzen en de Commissie in de kosten te verwijzen.
54.
In de onderhavige zaak heeft geen hoorzitting plaatsgevonden.
IV. Beoordeling
55.
Ter onderbouwing van haar hogere voorziening voert de Commissie zes middelen aan. De Commissie stelt met name het volgende:
- —
Het Gerecht heeft ultra petita geoordeeld, heeft het arrest in de eerste hogere voorziening onjuist toegepast en de vraag in hoeverre de praktijken van Intel de mededinging konden beperken niet algemeen beoordeeld (eerste middel).
- —
Het Gerecht heeft bij zijn toetsing van het AEC-criterium de rechten van verdediging van de Commissie geschonden (tweede middel).
- —
Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot het toetsingsniveau, de rechten van verdediging van de Commissie geschonden en het bewijs in het kader van het onderzoek van het AEC-criterium ten aanzien van Dell onjuist opgevat (derde middel).
- —
Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en de rechten van verdediging van de Commissie geschonden bij het onderzoek van het AEC-criterium ten aanzien van HP (vierde middel).
- —
Het Gerecht heeft het AEC-criterium en artikel 102 VWEU onjuist uitgelegd, het bewijs onjuist opgevat en de rechten van verdediging van de Commissie geschonden bij het onderzoek van dat criterium ten aanzien van Lenovo (vijfde middel).
- —
Voor zover de gedeeltelijke nietigverklaring van de litigieuze beschikking in het bestreden arrest berust op de daarin gemaakte beoordeling van de wijze waarop het AEC-criterium in de beschikking is toegepast, heeft het Gerecht in dat arrest niet de juiste consequenties verbonden aan zijn vaststellingen (zesde middel).
56.
Overeenkomstig het verzoek van het Hof is mijn analyse toegespitst op het vierde en het vijfde middel.
A. Vierde middel: verscheidene onjuiste rechtsopvattingen en schending van de rechten van verdediging van de Commissie in het kader van het onderzoek van het AEC-criterium ten aanzien van HP
57.
Met haar vierde middel betoogt de Commissie dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat in de litigieuze beschikking niet was aangetoond dat de kortingen die Intel aan HP had verleend, gedurende de gehele inbreukperiode een uitsluitingseffect teweeg konden brengen.
58.
Dit middel bestaat uit vier hoofdonderdelen. Met het eerste onderdeel stelt de Commissie dat niet naar behoren rekening is gehouden met haar beoordelingsmarge in ingewikkelde economische aangelegenheden, met het tweede dat niet in aanmerking is genomen dat Intel de referentieperiode tijdens de administratieve procedure impliciet had erkend, met het derde dat haar rechten van verdediging zijn geschonden, en met het vierde dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de juiste conclusie die voor de gehele periode van de betwiste praktijk moest worden getrokken.48.
59.
Na te hebben herinnerd aan de bevindingen van het Gerecht over de door Intel aan HP verleende kortingen, zal ik elk van die argumenten achtereenvolgens onderzoeken.
1. Bevindingen van het Gerecht over de door Intel aan HP verleende kortingen
60.
Uit het bestreden arrest blijkt dat Intel volgens de litigieuze beschikking voor de periode tussen november 2002 en mei 2005 twee overeenkomsten met HP had gesloten met betrekking tot desktopcomputers voor ondernemingen 49..
61.
De eerste overeenkomst (hierna: ‘HPA1-overeenkomst’) had betrekking op de periode van november 2002 tot mei 2004, en de tweede (hierna: ‘HPA2-overeenkomst’) had betrekking op de periode van juni 2004 tot mei 2005. In beide overeenkomsten gold voor het verlenen van kortingen door Intel de ongeschreven voorwaarde dat HP ten minste 95 % van haar behoefte aan x86-CPU's voor de uitrusting van haar computers bij Intel zou inkopen. Volgens de Commissie bleek uit de toepassing van het AEC-criterium dat die kortingen een mededingingsverstorend uitsluitingseffect konden hebben.50.
62.
Deze conclusie berust op een vergelijking tussen het vereiste aandeel voor HP en het betwistbare aandeel51. en op twee versterkingsfactoren.52.
63.
Voor de berekening van het vereiste aandeel voor HP, dat de kern van het onderhavige middel vormt, wordt in het bestreden arrest om te beginnen verwezen naar tabel nr. 34 van de litigieuze beschikking (hierna: ‘tabel nr. 34’).53. Zoals het Gerecht opmerkt, bevat deze tabel de parameters en concrete cijfers op basis waarvan de Commissie het vereiste aandeel voor HP heeft berekend. Die gegevens worden weergegeven in acht rijen, die betrekking hebben op elk van de betrokken kwartalen, vanaf het vierde kwartaal van het boekjaar 2003 tot en met het derde kwartaal van het boekjaar 2005.54.
64.
Ten tweede wordt in het bestreden arrest verwezen naar tabel nr. 35 van de litigieuze beschikking (hierna: ‘tabel nr. 35’)55., waarin de door de Commissie verrichte totale berekening van het vereiste aandeel voor HP in verband met de HPA1-overeenkomst en de HPA2-overeenkomst wordt weergegeven. Zoals het Gerecht opmerkt, vloeit deze totale berekening voort uit de som of het rekenkundig gemiddelde van de cijfers in tabel nr. 34.56. In het bestreden arrest wordt tevens opgemerkt dat de Commissie heeft vastgesteld dat het vereiste aandeel voor HP gedurende de gehele inbreukperiode stelselmatig groter was dan het betwistbare aandeel.57.
65.
Bovendien blijkt uit het bestreden arrest dat Intel voor het Gerecht heeft aangevoerd dat de litigieuze beschikking een aantal fouten bevatte, onder meer met betrekking tot de onderzochte inbreukperiode.58.
66.
Dienaangaande heeft het Gerecht erop gewezen dat tabel nr. 34 geen gegevens bevatte voor het eerste deel van de periode waarop de HPA1-overeenkomst betrekking had, namelijk de maanden november en december 2002, en ook geen gegevens voor de eerste drie kwartalen van het boekjaar 2003.59. De Commissie heeft de totale berekening van het vereiste aandeel voor HP in verband met de HPA1-overeenkomst, zoals vermeld in tabel nr. 35, evenwel verricht op basis van de som of van het rekenkundig gemiddelde van de cijfers in tabel nr. 34, met name op basis van de eerste drie regels van die tabel (Q4 FY03, Q1 FY04 en Q2 FY04).60.
67.
Bijgevolg heeft het Gerecht geconcludeerd dat de Commissie in haar berekeningen van het vereiste aandeel voor HP in verband met de HPA1-overeenkomst geen rekening had gehouden met de maanden november en december 2002 en de eerste drie kwartalen van het boekjaar 2003.61. Het Gerecht heeft daaraan in wezen toegevoegd dat de Commissie niet had gesteld dat het feit dat de waarden voor de drie ontbrekende kwartalen niet in haar berekeningen waren meegenomen, voortvloeide uit toeval of dat die waarden en die voor de drie ontbrekende kwartalen van de periode waarop die overeenkomst betrekking had identiek waren.62.
68.
Het Gerecht is dan ook tot de slotsom gekomen dat de berekening van het vereiste aandeel niet was gebaseerd op de volledige periode tussen november 2002 en mei 2005, waarvoor de Commissie meende te kunnen aantonen dat er sprake was van een uitsluitingseffect door de door Intel aan HP verschafte kortingen.63.
69.
Bovendien heeft het Gerecht het betoog van de Commissie van de hand gewezen dat het resultaat van een berekening op kwartaalbasis niet fundamenteel verschilt van het resultaat van de totale berekening die zou zijn gemaakt.64. Het Gerecht heeft voorts geoordeeld dat de aanvullende berekeningen die de Commissie in dupliek had overgelegd (bijlage D.17) niet-ontvankelijk waren en hoe dan ook niet als grondslag voor de conclusies van de litigieuze beschikking konden dienen.65.
2. Miskenning van de beoordelingsmarge van de Commissie in ingewikkelde economische aangelegenheden
a) Argumenten van partijen
70.
In de eerste plaats betoogt de Commissie, ondersteund door de Bondsrepubliek Duitsland, dat in het bestreden arrest is voorbijgegaan aan het feit dat het AEC-criterium een ingewikkelde economische beoordeling is, en ook aan de beoordelingsmarge waarover zij in dergelijke gevallen beschikt. Deze beoordelingsmarge omvat noodzakelijkerwijze de berekening van het vereiste aandeel van een onderneming met het oog de toepassing van het AEC-criterium, en in het bijzonder de keuze van de economische parameters alsook de referentieperiode op basis waarvan de Commissie dat aandeel berekent, hetgeen slechts marginaal door de rechter mag worden getoetst.
71.
Daarnaast bekritiseert de Commissie het oordeel van het Gerecht dat zij het vereiste aandeel voor HP had berekend op basis van onvolledige cijfers. De Commissie stelt dat zij zich terecht heeft gebaseerd op de cijfers van de laatste drie kwartalen waarop de HPA1-overeenkomst betrekking had. Deze cijfers werden namelijk voldoende representatief geacht voor de volledige periode, omdat de kortingsbedragen in die periode per kwartaal stabiel waren.
72.
Ten slotte betoogt de Commissie dat de cijfers op basis waarvan het vereiste aandeel is berekend voor de periode waarop de HPA1-overeenkomst betrekking had, die in tabel nr. 35 van de litigieuze beschikking zijn opgenomen, gunstig waren voor Intel. Indien de litigieuze beschikking was gebaseerd op de gegevens van de kwartalen daarvóór, zou het vereiste aandeel voor die periode nog hoger zijn geweest, wat erop zou hebben geduid dat Intels kortingen de concurrentie nog meer konden uitsluiten.
73.
Intel, ondersteund door ACT, is het oneens met dat betoog. Volgens Intel heeft de Commissie gekozen voor een AEC-analyse op kwartaalbasis om de door Intel gepleegde inbreuk ten aanzien van HP aan te tonen, en heeft de Commissie vervolgens in haar berekeningen niet alle gegevens opgenomen die nodig waren om aan te tonen dat er voor de volledige periode waarop de HPA1-overeenkomst betrekking had, sprake was van uitsluitingseffecten. Dat zij niet alle gegevens in aanmerking heeft genomen, komt niet doordat het om een ingewikkelde economische aangelegenheid gaat, maar is veeleer een feitelijke beoordeling. Bovendien betwist Intel dat de gemiddelde cijfers van de daaropvolgende kwartalen voldoende representatief waren om een inbreuk voor de volledige periode vast te stellen. In dit verband merkt Intel op dat die beoordeling eenvoudigweg niet voortvloeit uit de litigieuze beschikking en dat de aanvullende berekeningen die de Commissie in de gerechtelijke procedure heeft overgelegd, niet-ontvankelijk zijn verklaard.
b) Analyse
74.
Om te beginnen wijs ik erop dat het argument van de Commissie dat het AEC-criterium een ingewikkelde economische beoordeling vormt, ook geldt voor andere middelen die zij in deze hogere voorziening heeft aangevoerd. Een aantal van mijn overwegingen gaat daarom wellicht tevens op voor de door het Hof te verrichten analyse van de andere middelen die in deze conclusie niet specifiek aan bod komen.
75.
Volgens vaste rechtspraak hangt de mate waarin de Unierechter de analyses controleert die de Commissie op basis van de mededingingsregels van het Verdrag verricht, af van de beoordelingsmarge die aan elk betrokken besluit ten grondslag ligt en die wordt gerechtvaardigd door de complexiteit van de toepassing van die regels. Alleen zaken waarin het bestreden besluit op een ingewikkelde economische beoordeling is gebaseerd, moeten in beperkte mate worden getoetst.66.
76.
Deze rechtspraak, waarin de norm van een beperkte toetsing bij ingewikkelde economische beoordelingen is neergelegd, is door de Unierechter toegepast op alle gebieden van het mededingingsrecht67., sinds die rechtspraak voor het eerst in het arrest Consten en Grundig68. is geformuleerd. Op grond daarvan moet de Unierechter bij ingewikkelde economische vraagstukken enkel toetsen of de procedurevoorschriften in acht zijn genomen, of de motivering afdoende is, of de feiten juist zijn weergegeven en of er geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling dan wel van misbruik van bevoegdheid.69.
77.
Niettemin heeft het Hof er steeds aan herinnerd dat de beoordelingsmarge waarover de Commissie beschikt bij ingewikkelde economische beoordelingen, met name op het gebied van het mededingingsrecht, noodzakelijkerwijs gepaard gaat met bepaalde waarborgen die de Unierechter dient te toetsen.70.
78.
In dit verband heeft het Hof er in zijn arrest Tetra Laval71. op gewezen dat het de beoordelingsmarge van de Commissie in economische kwesties weliswaar erkent, maar dat dit niet wegneemt dat de Unierechter de interpretatie van economische gegevens door de Commissie mag toetsen. De Unierechter moet namelijk niet enkel de materiële juistheid van de aangevoerde bewijzen controleren, en de betrouwbaarheid en samenhang daarvan, maar hij moet ook vaststellen of die bewijzen het relevante feitenkader vormen voor de beoordeling van een complexe toestand, en of zij de daaruit getrokken conclusies kunnen schragen.72.
79.
Vervolgens heeft het Hof in de arresten KME Germany e.a./Commissie73. en Chalkor/Commissie74., die voortvloeien uit de eerdere vaststelling in het arrest Tetra Laval, benadrukt dat de Unierechter zich niet kan verlaten op de beoordelingsmarge van de Commissie om af te zien van een grondige toetsing in rechte en in feite.75.
80.
In de onderhavige zaak uit de Commissie algemene kritiek op de toetsingsmaatstaf die het Gerecht in zijn bestreden arrest heeft toegepast. De Commissie is van mening dat het Gerecht bij zijn onderzoek van het in de litigieuze beschikking toegepaste AEC-criterium — ook wat de door Intel aan HP verleende kortingen betreft — de in de rechtspraak vastgestelde grenzen voor rechterlijke toetsing heeft overschreden.
81.
Opgemerkt zij dat de Commissie niet de vraag opwerpt of zij over een beoordelingsmarge moet beschikken bij de keuze van het specifieke criterium aan de hand waarvan wordt bepaald of tariefpraktijken van een onderneming met een machtspositie een even efficiënte concurrent als deze onderneming kunnen uitsluiten.76. Noch het Gerecht in het bestreden arrest, noch verweerster in de onderhavige voorziening stelt ter discussie dat de Commissie het AEC-criterium heeft gebruikt om te beoordelen of de in de litigieuze beschikking bedoelde kortingen de mededinging volgens artikel 102 VWEU konden verstoren.
82.
Bovendien wordt, anders dan de Commissie stelt, niet betwist dat die instelling over een beoordelingsmarge moet beschikken bij de toepassing van het AEC-criterium op een specifieke gedraging en in het bijzonder bij de keuze van de economische parameters en de referentieperiode die moeten worden gebruikt om dit criterium op concreet gedrag toe te passen.
83.
Uit het bestreden arrest blijkt namelijk77. dat het AEC-criterium dat de Commissie in de litigieuze beschikking heeft toegepast in verband met de door Intel aan HP verleende kortingen, berustte op een econometrisch model dat de Commissie op kwartaalbasis heeft toegepast binnen een eerder door haar vastgesteld tijdvak van november 2002 tot mei 2005. Het Gerecht heeft dat in zijn arrest niet ter discussie gesteld. Volgens dat model moest enerzijds het vereiste aandeel en anderzijds het betwistbare aandeel worden berekend. Meer bepaald werd bij de berekening van het vereiste aandeel, dat in het onderhavige onderdeel van het middel aan de orde is, rekening gehouden met het voorwaardelijke deel van de kortingen die door de onderneming met een machtspositie waren verleend, met de gemiddelde verkoopprijs en de gemiddelde vermijdbare kosten van deze onderneming. Het positieve dan wel negatieve resultaat van de toepassing van het AEC-criterium werd uiteindelijk bepaald door de resultaten van de berekening van het voor HP vereiste aandeel en het betwistbare marktaandeel met elkaar te vergelijken.78.
84.
Ik wijs er in navolging van de Commissie op dat de berekening van het vereiste aandeel een groot aantal methodologische keuzen omvat en daarom als een ingewikkelde economische beoordeling moet worden beschouwd. De Commissie moet de parameters voor de berekening van dat aandeel dus zelf kunnen vaststellen, en de Unierechter mag deze slechts marginaal toetsen. Dit betekent dat de Unierechter bij de uitoefening van zijn ambt zijn eigen beoordeling niet in de plaats van die van de Commissie mag stellen79., tenzij de betrokken onderneming aanvoert dat er sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling en dit ook aantoont80..
85.
De berekening van het vereiste aandeel kan desondanks niet ontsnappen aan een rechterlijke toetsing wat betreft berekeningsfouten of selectieve dan wel onvolledige inaanmerkingneming van bewijsmateriaal. Juist in die gevallen moet de rechtspraak die voortvloeit uit het arrest Tetra Laval, zoals deze nadien is gewijzigd in de arresten KME Germany en Chalkor, in haar volle omvang worden toegepast. Het bewijsmateriaal op basis waarvan de Commissie een ingewikkelde situatie beoordeelt, moet namelijk materieel juist, betrouwbaar en samenhangend zijn, alle voor die beoordeling noodzakelijke gegevens bevatten en de daaruit getrokken conclusies kunnen schragen.
86.
In casu ben ik van mening dat het Gerecht de wijze waarop de Commissie het vereiste aandeel voor HP heeft berekend, op de door het Hof vereiste manier heeft beoordeeld.
87.
Uit het bestreden arrest blijkt namelijk dat het Gerecht om te beginnen in verband met de eerder door de Commissie zelf vastgestelde referentieperiode een toelichting heeft gegeven op de parameters die in tabel nr. 34 waren gebruikt voor de berekening van het vereiste aandeel voor HP, alsook op de beoordeling op kwartaalbasis op basis waarvan zij die berekening had verricht. Het Gerecht heeft vervolgens het resultaat uiteengezet van de totale berekening van het vereiste aandeel voor HP met betrekking tot de HP1-overeenkomst, zoals weergegeven in tabel nr. 35, die, zoals het Gerecht eveneens heeft opgemerkt, voortvloeide uit de som of het rekenkundig gemiddelde van de cijfers in tabel nr. 34. Vervolgens heeft het Gerecht erop gewezen dat die tabel geen gegevens bevatte voor het eerste deel van de periode waarop die overeenkomst betrekking had, meer bepaald voor de maanden november en december 2002 en de eerste drie kwartalen van het boekjaar 2003. Op basis daarvan kwam het Gerecht tot het oordeel dat de berekening van het vereiste aandeel voor HP niet als voor de gehele inbreukperiode bewezen kon worden beschouwd.81.
88.
Hieruit volgt dat de Commissie er, zoals Intel en ACT betogen, weliswaar voor heeft gekozen om het vereiste aandeel van HP in de vooraf afgebakende referentieperiode vast te stellen aan de hand van een AEC-analyse op kwartaalbasis, maar vervolgens heeft nagelaten om alle relevante en noodzakelijke gegevens in haar berekeningen op te nemen, zoals zij volgens de rechtspraak van het Hof wel behoort te doen. Het Gerecht is dan ook, zonder zich de beoordelingsmarge van de Commissie toe te eigenen, terecht tot de slotsom gekomen dat het bewijsmateriaal in de litigieuze beschikking haar conclusies over de uitsluitingseffecten van Intels kortingen voor de volledige periode waarop de HPA1-overeenkomst betrekking had, niet konden schragen.
89.
Bijgevolg moet de kritiek van de Commissie dat het door het Gerecht gehanteerde toetsingsniveau de grenzen van de rechtspraak van het Hof overschrijdt, mijns inziens worden verworpen.
90.
Voor zover de Commissie stelt dat zij zich op goede gronden kon baseren op de cijfers van de laatste drie kwartalen waarop de HPA1-overeenkomst betrekking had omdat deze cijfers voldoende representatief waren voor de volledige periode, moet het Hof bovendien onderzoeken of het, bij gebreke van concrete bewijzen, gerechtvaardigd kan zijn om wat betreft de begindatum van die periode een gevolgtrekking te maken door middel van extrapolatie.
91.
Zoals bekend wordt bij extrapolatie een schatting van een onbekende waarde gemaakt door een reeks bekende waarden uit te breiden. Daarbij is sprake van een vermoeden82., dat een terugkerend mechanisme is dat de bewijslast moet verlichten die (normaal gesproken) op de Commissie rust bij de vaststelling van een inbreuk — of een bestanddeel van een inbreuk — op de mededingingsregels van het Verdrag.83. Aangezien bij extrapolatie het onbekende uit het bekende wordt afgeleid, moet die extrapolatie bovendien op een concreet patroon berusten. Dit patroon is doorgaans gebaseerd op een tendens die voortvloeit uit de specifieke reeks vastgestelde waarden of, op zijn minst, uit normale ervaring of gezond verstand. Opgemerkt moet worden dat het patroon op basis waarvan waarden kunnen worden geëxtrapoleerd, moet worden gedefinieerd en verduidelijkt door de partij die de bewijslast draagt, behalve wanneer dat patroon voor de hand ligt.
92.
Ik kan me erin vinden dat de definitie van het patroon dat als grondslag voor de extrapolatie van gegevens kan dienen, in bepaalde gevallen binnen de beoordelingsmarge van de Commissie kan vallen, namelijk wanneer die definitie economisch ingewikkeld is. In de onderhavige zaak is dat echter niet eens aan de orde, want in het bestreden besluit wordt niet verwezen naar een representatief of regelmatig patroon waaruit blijkt dat de gegevens voor het tweede deel van de periode waarop de HPA1-overeenkomst betrekking had, ook van toepassing konden zijn op het eerste deel van die periode. Ik ben dan ook niet overtuigd door het argument van de Commissie dat de door het Gerecht vastgestelde weglating van economische gegevens voor die periode was te verklaren doordat zij bij de uitoefening van haar beoordelingsmarge gegevens bewust had geëxtrapoleerd.
93.
Dienaangaande heeft het Gerecht terecht opgemerkt dat de Commissie in de litigieuze beschikking niet heeft gesteld dat het bewijs van het vereiste aandeel voor HP voor de HP1-overeenkomst, zoals dat uit tabel nr. 35 bleek, voortvloeide uit toeval. De Commissie heeft evenmin aangevoerd dat de verschillende waarden in deze tabel voor de drie ontbrekende kwartalen en voor de drie daaropvolgende kwartalen identiek waren.84. Zo bezien heeft het Gerecht op goede gronden geoordeeld, zoals ook blijkt uit het bestreden arrest85., dat het van weinig belang was of de berekeningen van de Commissie per kwartaal of op algemene basis werden gemaakt, aangezien de maanden november en december 2002 en de eerste drie kwartalen van het boekjaar 2003 hoe dan ook nooit in aanmerking zouden zijn genomen.
94.
Hieruit volgt dat ook het argument van de Commissie dat de waarden van de laatste drie kwartalen van de periode waarop de HPA1-overeenkomst betrekking had waren geëxtrapoleerd naar het eerste deel van die periode, moet worden afgewezen.
95.
Ten slotte betoogt de Commissie dat de cijfers op basis waarvan zij het voor het tweede deel van de periode van de HPA1-overeenkomst vereiste aandeel had berekend, tussen de kwartalen stabiel waren en hoe dan ook gunstig waren voor Intel. In dit verband maak ik de korte opmerking, die mijn analyse in het kader van het derde onderdeel van het onderhavige middel86. onverlet laat, dat die beoordeling duidelijk niet uit de litigieuze beschikking voortvloeit en evenmin voor de hand ligt. Zoals ik later zal toelichten, kan dit in de onderhavige procedure dus geen rechtvaardiging vormen voor het feit dat het vereiste aandeel voor HP voor de volledige periode van de HPA1-overeenkomst niet op basis van alle noodzakelijke gegevens is berekend.
96.
Gelet op het voorgaande ben ik van mening dat het Gerecht niet kan worden verweten de beoordelingsmarge van de Commissie in ingewikkelde economische aangelegenheden niet te hebben geëerbiedigd — noch de andere in dit deel opgeworpen fouten te hebben begaan — door te concluderen dat de Commissie niet had aangetoond dat de kortingen die Intel aan HP had verleend, gedurende de gehele referentieperiode een uitsluitingseffect hadden.
97.
Het eerste onderdeel van het vierde middel van de Commissie moet mijns inziens worden afgewezen.
3. Impliciete erkenning door Intel tijdens de administratieve procedure
a) Argumenten van partijen
98.
In de tweede plaats betoogt de Commissie dat in het bestreden arrest ten onrechte elke bewijswaarde is ontzegd aan het feit dat de referentieperiode op basis waarvan het AEC-criterium op HP was toegepast, tijdens de administratieve procedure impliciet door Intel was erkend.
99.
De Commissie stelt ten eerste dat Intel in deze procedure niet was opgekomen tegen het feit dat het vereiste aandeel voor HP was berekend op basis van de referentieperiode in tabel nr. 35 van de litigieuze beschikking. Intel en haar economische adviseurs hadden hun eigen berekeningen gebaseerd op de door de Commissie voorgestelde cijfers en hadden voor de gestelde ontbrekende kwartalen geen alternatieve berekening voorgelegd. Ten tweede benadrukt de Commissie dat het, aangezien er volgens het arrest van het Hof in de eerste hogere voorziening nog steeds een wettelijk vermoeden bestaat dat exclusiviteitskortingen onrechtmatig zijn, aan Intel was om tijdens het onderzoek bewijzen over te leggen om aan te tonen dat haar kortingen de concurrentie niet konden uitsluiten.
100.
Intel bestrijdt die argumenten. Zij betoogt dat de Commissie tabel nr. 35 van de bestreden beschikking, die gegevens voor de drie kwartalen in kwestie bevat en als referentieperiode had gediend voor de berekening van het vereiste aandeel voor HP voor de volledige periode van de HPA1-overeenkomst, op geen enkel moment van de administratieve procedure aan Intel had verstrekt. Die tabel is voor het eerst gebruikt in de litigieuze beschikking, wat betekent dat de door de Commissie gekozen referentieperiode op geen enkel moment van de administratieve procedure door Intel was erkend. Hoe dan ook stelt Intel, in het verlengde van het bestreden arrest, dat er geen bepalingen zijn die de geadresseerde van een mededeling van punten van bezwaar verplichten om de inhoud van die mededeling in de loop van de administratieve procedure te betwisten.
b) Analyse
101.
Volgens de rechtspraak van het Hof moet, wanneer een onderneming waartegen krachtens de mededingingsregels van het Verdrag een onderzoek is ingesteld deze feiten niet uitdrukkelijk erkent, de Commissie de feiten bewijzen, terwijl die onderneming de vrijheid behoudt om te zijner tijd en met name tijdens de contentieuze procedure, alle verweermiddelen die haar nuttig lijken, aan te wenden.87.
102.
Bovendien heeft het Hof in het arrest in de zaak Knauf Gips88. gesteld dat er geen bepalingen van Unierecht zijn die de geadresseerde van een mededeling van punten van bezwaar in het kader van de artikelen 101 en 102 VWEU verplichten, de diverse in die mededeling aangevoerde elementen rechtens of feitelijk in de loop van de administratieve procedure te betwisten om het recht dit in de rechterlijke procedure te doen, niet te doen verwerken.
103.
Ten slotte volgt uit het arrest van het Hof in de eerste hogere voorziening uitdrukkelijk dat indien de Commissie het AEC-criterium toepast in een beschikking waarbij wordt vastgesteld dat een kortingssysteem oneerlijk is, het Gerecht alle argumenten van de verzoekende partij dient te onderzoeken waarmee wordt betwist dat de vaststellingen van de Commissie met betrekking tot de mogelijkheid van uitsluiting door het betrokken kortingssysteem gegrond zijn.89.
104.
Ik merk op dat het Gerecht in het onderhavige geval in zijn bestreden arrest90. terecht naar het arrest Knauf Gips heeft verwezen als antwoord op het argument van de Commissie dat Intel de referentieperiode op basis waarvan de Commissie het vereiste aandeel voor HP had berekend, tijdens de administratieve procedure niet had aangevochten. Deze rechtspraak, die in overeenstemming is met de verklaringen van het Hof in het arrest in de eerste hogere voorziening, is duidelijk over de beperkte waarde die de Unierechter in een beroep tot nietigverklaring toekent aan het standpunt dat een onderneming in de loop van de administratieve procedure heeft kunnen innemen.91.
105.
Uit de rechtspraak van het Hof volgt namelijk dat de expliciete of impliciete erkenning van elementen rechtens of feitelijk door een onderneming tijdens de administratieve procedure, de uitoefening van het recht van beroep voor het Gerecht waarover een natuurlijke of rechtspersoon beschikt krachtens artikel 263, vierde alinea, VWEU, niet mag beperken.92. De grondslag voor deze opvatting berust uiteindelijk op de fundamentele beginselen van de rechtsstaat en de eerbiediging van de rechten van verdediging, alsook op het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht, zoals gewaarborgd door artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.93.
106.
Hieruit volgt dus dat rechterlijke toetsing in procedures krachtens de artikelen 101 en 102 VWEU ondernemingen niet kan beletten om argumenten naar voren te brengen en zich te beroepen op feiten die zij tijdens de administratieve procedure niet hebben vermeld of betwist, noch om bewijs over te leggen waarover de Commissie niet beschikte toen zij haar bestreden beschikking vaststelde.94.
107.
De Commissie herinnert er evenwel aan dat het Hof in het arrest Knauf Gips tevens heeft geoordeeld dat de erkenning van elementen rechtens of feitelijk door een onderneming tijdens de administratieve procedure voor de Commissie, aanvullend bewijs kan opleveren bij de beoordeling van de gegrondheid van een beroep in rechte.95.
108.
In dit verband hoeft slechts te worden opgemerkt dat noch uit het bestreden arrest, noch uit de opmerkingen van de Commissie in de onderhavige zaak blijkt dat de Commissie met betrekking tot de door Intel aan HP verleende kortingen tijdens de administratieve procedure aanvullend bewijs had aangedragen — daaronder begrepen bewijs waaruit blijkt dat de referentieperiode die bij de toepassing van het AEC-criterium voor HP was gebruikt, impliciet door Intel was erkend — waarmee het vereiste aandeel voor HP voor de volledige periode van de HP1A-overeenkomst kon worden onderbouwd.
109.
Bijgevolg is de stelling in het door de Commissie aangehaalde arrest Knauf Gips niet relevant voor de onderhavige zaak.
110.
Tot slot ben ik, voor zover de Commissie met het onderhavige onderdeel van het middel aanvoert dat het hoe dan ook aan Intel stond om in de loop van het onderzoek bewijs aan te dragen om aan te tonen dat haar kortingen de concurrentie in de ontbrekende maanden en kwartalen van de referentieperiode niet konden uitsluiten, van mening dat dit argument weinig te maken heeft met haar stelling dat Intel die periode impliciet of expliciet had erkend voor de berekening van het vereiste aandeel voor HP.
111.
Dat argument moet in het licht van de in punt 103 hierboven aangehaalde rechtspraak, die — zoals reeds gezegd — volgt uit het arrest van het Hof in de eerste hogere voorziening96., hoe dan ook worden afgewezen. Die rechtspraak volstaat tevens voor de vaststelling dat het Gerecht geen blijk heeft gegeven van een onjuiste opvatting in zijn antwoord op het argument dat Intel de door de Commissie aangedragen referentieperiode tijdens de administratieve procedure voor haar eigen berekeningen heeft gebruikt. Zoals uit het bestreden arrest naar voren komt97., maakte die periode deel uit van de motivering van de litigieuze beschikking en kon zij dus voor het Gerecht worden betwist door rekwirante.
112.
Op grond van het bovenstaande ben ik van mening dat het Gerecht geen onjuiste beoordeling heeft gemaakt van de bewijswaarde van Intels standpunt tijdens de administratieve procedure met betrekking tot de referentieperiode die is gebruikt in het AEC-criterium op basis waarvan het vereiste aandeel voor HP is berekend.
113.
Het tweede onderdeel van het vierde middel moet mijns inziens worden afgewezen.
4. Schending van het recht van verdediging van de Commissie
a) Argumenten van partijen
114.
In de derde plaats voert de Commissie aan dat het Gerecht een fout heeft begaan door te weigeren rekening te houden met de aanvullende berekeningen die zij in de procedure bij het Gerecht, meer bepaald in bijlage D.17 bij de dupliek, heeft overgelegd om Intels argumenten inzake de inbreukperiode waarop de HPA1-overeenkomst betrekking had te weerleggen.
115.
Volgens de Commissie bleek uit die bijlage dat Intels argumenten geen afbreuk konden doen aan het resultaat van de toepassing van het AEC-criterium in de litigieuze beschikking met betrekking tot HP. Voorts stelt de Commissie dat het Gerecht Intel de mogelijkheid heeft geboden om nieuwe analyses over te leggen ter betwisting van de referentieperiode waarover het AEC-criterium ten aanzien van HP was toegepast, maar dat het de Commissie het recht heeft ontzegd om daarop te antwoorden. Dienaangaande baseert de Commissie zich hoofdzakelijk op het arrest in de zaak Dole Food en Dole Fresh Fruit Europe/Commissie.98.
116.
Intel is het daarmee oneens. Intel betoogt in wezen dat de stelling van de Commissie dat het haar moet worden toegestaan een nieuwe AEC-analyse voor het eerst in de gerechtelijke procedure voor te leggen, het bijzonder in het stadium van de dupliek, kennelijk in strijd is met de vaste rechtspraak van het Hof.
b) Analyse
117.
Het is van belang eraan te herinneren dat de Commissie in bijlage D.17 bij haar dupliek voor het eerst aanvullende berekeningen aan het Gerecht heeft overgelegd die waren gebaseerd op een door HP verstrekt cijfer voor twee van de drie ontbrekende kwartalen van de periode waarop de HPA1-overeenkomst betrekking had, namelijk het tweede en het derde kwartaal van het boekjaar 2003.99. Zoals ik reeds heb aangegeven100., wilde zij met die aanvullende berekeningen aantonen dat de berekening van het vereiste aandeel voor HP hetzelfde resultaat zou hebben opgeleverd indien de ontbrekende maanden en kwartalen wel in aanmerking waren genomen, omdat de bedragen van de door Intel aan HP verleende kortingen in de periode waarop de HPA1-overeenkomst betrekking had, stabiel waren. Uit bijlage D.17 bij haar dupliek bleek volgens de Commissie ook dat de berekening waarin de gegevens over de ontbrekende maanden en kwartalen wel waren verwerkt, een voor Intel minder gunstig resultaat opleverde dan de gemiddelde resultaten waarop de litigieuze beschikking was gebaseerd.
118.
In het bestreden arrest heeft het Gerecht geen gehoor gegeven aan het verzoek om die aanvullende berekeningen in aanmerking te nemen, door te verklaren dat, ten eerste, deze niet uit de bestreden beschikking naar voren kwamen en pas voor het eerst in de loop van de gerechtelijke procedure waren overgelegd. Naar oordeel van het Gerecht zou het, indien het rekening had gehouden met deze berekeningen, zijn eigen beoordeling in de plaats hebben gesteld van de motivering van de Commissie in de litigieuze beschikking, wat duidelijk indruist tegen de rechtspraak van het Hof.101. Ten tweede heeft het Gerecht, wat er ook van zij, in wezen vastgesteld dat het bedrag van de kortingen die Intel aan HP had toegekend slechts een van de parameters was die noodzakelijk waren voor de berekening van het vereiste aandeel voor HP en dat de informatie met betrekking tot de andere parameters, namelijk de omvang van de aankoop van HP en de gemiddelde verkoopprijs, nog steeds ontbrak. In dat verband heeft het Gerecht verklaard dat niets garandeerde dat de gegevens voor de maanden en de kwartalen die niet in aanmerking waren genomen met het oog op de toepassing van het AEC-criterium, niet verschilden van de gegevens van de onderzochte kwartalen.102.
119.
Om te beginnen moet worden opgemerkt dat het argument van de Commissie inzake schending van haar rechten van verdediging, voor zover zij in de onderhavige hogere voorziening niet betoogt dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting in zijn beoordeling van de aanvullende berekeningen in bijlage D.17 bij de dupliek, als niet ter zake dienend moet worden afgewezen.103. Wat de ontvankelijkheid betreft, ben ik hoe dan ook van mening dat het Gerecht op goede gronden heeft geweigerd om de inhoud van die bijlage in aanmerking te nemen.
120.
In dit verband herinner ik eraan dat de weigering om in de loop van de gerechtelijke procedure aanvullende argumenten van de Commissie te aanvaarden die tot doel hebben een inbreuk op de mededingingsregels van het Verdrag aan te tonen, vanuit verschillende invalshoeken kan worden bekeken, die zowel de vorm (externe wettigheid) als de inhoud (materiële wettigheid) van de door die instelling vastgestelde handeling betreffen.
121.
Volgens de rechtspraak van het Hof mag de Commissie in de procedure bij het Gerecht de motivering van een bestreden besluit in haar verweerschrift weliswaar nader toelichten, maar mag zij in die procedure geen volledig nieuwe gronden aanvoeren. Dit verbod is gebaseerd op het feit dat het aanvankelijke ontbreken van een motivering niet tijdens de procedure voor de Unierechter kan worden hersteld door de betrokkene pas tijdens die procedure in kennis te stellen van de redenen van het besluit104.. Zoals benadrukt door advocaat-generaal Kokott, is die grens voor het aanvoeren van nieuwe gronden van essentieel belang in strafrechtelijke en daarmee vergelijkbare procedures zoals een procedure krachtens artikel 102 VWEU.105.
122.
Voorts kan dat verbod berusten op de verplichting voor de Commissie om haar besluiten uitsluitend te baseren op bezwaren ten aanzien waarvan betrokken partijen hun commentaar hebben kunnen geven.106. De Commissie moet een onderneming tijdens de administratieve procedure namelijk in staat stellen naar behoren haar standpunt kenbaar te maken met betrekking tot de juistheid en relevantie van het bewijsmateriaal waarmee de Commissie de door haar gestelde inbreuk op het Verdrag heeft gestaafd.107. Die verplichting betreft, als een van de bestanddelen van de inbreuk, de daadwerkelijke duur.
123.
Ten slotte heeft het Hof, zoals het Gerecht in het bestreden arrest op goede gronden heeft vastgesteld, geoordeeld dat wanneer een rechter een weglating in de motivering van een bestreden besluit wijzigt door aanvullende redenen in aanmerking te nemen die niet in dat besluit voorkwamen, die rechter zijn beoordeling in de plaats stelt van die van het bestreden besluit en zodoende blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.108.
124.
Mijns inziens kon het Gerecht bijlage D.17 bij de dupliek volgens alle voorgaande — op de rechtspraak van het Hof gebaseerde — benaderingen niet-ontvankelijk verklaren, ook volgens de benadering die het in zijn arrest specifiek heeft gevolgd en die erin bestaat dat het zijn beoordeling niet in de plaats mag stellen van die van de litigieuze beschikking. Met een andersluidende bevinding zou het Gerecht naar mijn mening namelijk blijk hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door niet vast te stellen dat de Commissie de motiveringsplicht had geschonden, door niet vast te stellen dat Intels rechten van verdediging tijdens de administratieve procedure waren geschonden of door zijn eigen beoordeling in de plaats van die van de litigieuze beschikking te stellen.
125.
In antwoord op het voorgaande beroept de Commissie zich op het arrest Dole Food. In dat arrest heeft het Hof verklaard dat wanneer een kwestie voor het eerst in het inleidende verzoekschrift wordt opgeworpen, de Commissie, zonder het verbod op het aanvoeren van nieuwe gronden te schenden, haar in de litigieuze beschikking ingenomen standpunt mag verdedigen aan de hand van gegevens die in de loop van het geding zijn verstrekt.109.
126.
De feitelijke context van de zaak Dole Food en de onderhavige situatie zijn naar mijn mening evenwel niet hetzelfde. In het arrest Dole Food heeft het Hof de benadering van het Gerecht bevestigd dat de nadere toelichting die de Commissie voor het Gerecht had verstrekt, in wezen diende ter explicitering van de reeds in de litigieuze beschikking vervatte motivering.110. In de onderhavige zaak heeft het Gerecht daarentegen vastgesteld dat in de litigieuze beschikking niet is aangetoond dat het vereiste aandeel voor HP identiek zou zijn geweest voor het eerste deel van de periode waarop de HPA1-overeenkomst betrekking had indien de ontbrekende maanden en kwartalen in aanmerking waren genomen. De aanvullende berekeningen in bijlage D.17 bij de dupliek, die in de gerechtelijke fase voor het eerst door de Commissie zijn verstrekt, maakten dus nooit deel uit van de reeds in de litigieuze beschikking gevolgde motivering.
127.
Bovendien blijkt uit de conclusie van advocaat-generaal Kokott in de zaak Dole Food dat de bewijzen die de Commissie in die zaak aan het Gerecht had overgelegd zich in het onderzoeksdossier bevonden.111. Dit betekent dat de betrokken onderneming, anders dan in de onderhavige zaak, tijdens de administratieve procedure kennis had genomen van die informatie.
128.
Bijgevolg ben ik van mening dat het door de Commissie aangehaalde arrest Dole Food niet als onderbouwing kan dienen voor haar betoog.
129.
Gelet op het voorgaande heeft het Gerecht de rechten van verdediging van de Commissie volgens mij niet heeft geschonden door te weigeren om rekening te houden met de aanvullende berekeningen in bijlage D.17 bij de dupliek.
130.
Het derde onderdeel van het vierde middel van de Commissie dient naar mijn mening dan ook te worden afgewezen.
5. Onjuiste opvatting van het Gerecht met betrekking tot de juiste conclusie die voor de gehele periode van de betwiste praktijk moest worden getrokken
a) Argumenten van partijen
131.
De Commissie stelt dat, zelfs indien ervan wordt uitgegaan dat het Gerecht in het bestreden arrest op goede gronden kon oordelen dat de Commissie niet had aangetoond dat er voor de periode van november 2002 tot en met september 2003 sprake was van uitsluitingseffecten, dit niet afdoet aan de conclusie dat de door Intel aan HP verleende kortingen op zijn minst van oktober 2003 tot mei 2005 uitsluitingseffecten konden hebben.
132.
Intel is het daarmee oneens. Meer bepaald betoogt Intel dat in het bestreden arrest terecht is vastgesteld dat de Commissie het criterium inzake de marktdekking van de betwiste praktijk niet naar behoren had onderzocht en de duur van de kortingen niet juist had geanalyseerd, zodat de Commissie niet had aangetoond dat de kortingen die aan HP waren verleend, gedurende de gehele referentieperiode uitsluitingseffecten hadden.
b) Analyse
133.
Zoals reeds gezegd heeft het Gerecht in het bestreden arrest ten eerste vastgesteld dat de Commissie zich ten onrechte op het standpunt had gesteld dat zij op basis van haar berekening van het vereiste aandeel voor HP conclusies kon trekken met betrekking tot het uitsluitingseffect van die kortingen voor de gehele periode tussen november 2002 en mei 2005. Volgens het Gerecht had de Commissie het bestaan van dat effect voor de periode tussen november 2002 en september 2003 niet aangetoond.112.
134.
Daarnaast heeft het Gerecht in zijn onderzoek van de in punt 139 van het arrest in de eerste hogere voorziening vermelde criteria tevens vastgesteld dat de Commissie het criterium van de marktdekking van Intels praktijk en de duur ervan in de litigieuze beschikking niet naar behoren had onderzocht.113.
135.
Op basis van deze overwegingen heeft het Gerecht met betrekking tot de door Intel aan HP verleende kortingen voorts geconcludeerd dat, ook al moest worden afgeleid dat de toepassing van het AEC-criterium voor een deel van de inbreukperiode als een bewijs zou kunnen worden beschouwd, de fouten bij het onderzoek van de in punt 139 van het arrest in de eerste hogere voorziening vermelde criteria impliceerden dat het uitsluitingseffect van de kortingen niet rechtens genoegzaam was aangetoond.114.
136.
De kritiek op de redenering van het Gerecht is naar mijn mening ongegrond. Deze redenering strookt in feite met de punten 138, 139 en 141 van het arrest in de eerste hogere voorziening, waaraan ook in het bestreden arrest terecht wordt herinnerd.115. Volgens die rechtspraak moet de Commissie, indien een onderneming met een machtspositie tijdens de administratieve procedure — onder overlegging van bewijs — betoogt dat haar gedrag de mededinging niet kon beperken en met name niet de haar verweten uitsluitingseffecten kon hebben, onderzoeken of het kortingssysteem uitsluitingseffecten kan hebben door de toepassing van de vijf criteria die in punt 139 van het arrest in de eerste hogere voorziening worden genoemd. Wanneer de Commissie een AEC-analyse heeft verricht, maakt deze toets bovendien deel uit van de elementen waarmee zij rekening moet houden bij de beoordeling of het kortingssysteem de mededinging kan beperken.
137.
In de onderhavige zaak hoeft slechts te worden opgemerkt dat het Gerecht, voor zover het had geoordeeld dat de Commissie het criterium van onder meer de marktdekking van de betwiste praktijk niet naar behoren had beoordeeld, op goede gronden heeft geconcludeerd dat de uitsluitingseffecten van de door Intel aan HP verleende kortingen zelfs voor de periode tussen oktober 2003 en mei 2005 niet konden worden aangetoond.116.
138.
Hieruit volgt dat, anders dan de Commissie stelt, het Gerecht geen blijk heeft gegeven van een onjuiste opvatting met betrekking tot de juiste conclusie die voor de gehele inbreukperiode moest worden getrokken met betrekking tot de door Intel aan HP verleende kortingen.
139.
Het vierde onderdeel van het vierde middel moet mijns inziens worden afgewezen.
6. Voorlopige conclusie
140.
Gelet op het voorgaande kom ik tot de slotsom dat geen van de onderzochte onderdelen van het vierde middel naar mijn mening kan afdoen aan de conclusie van het Gerecht dat in de litigieuze beschikking niet was aangetoond dat de door Intel aan HP verleende kortingen voor de gehele periode tussen november 2002 en mei 2005 een uitsluitingseffect hadden.
141.
Bijgevolg moet het vierde middel worden afgewezen.117.
B. Vijfde middel: verscheidene onjuiste rechtsopvattingen, onjuiste opvatting van het bewijsmateriaal en schending van de rechten van verdediging van de Commissie in het kader van het onderzoek van de toepassing van het AEC-criterium ten aanzien van Lenovo
142.
Met haar vijfde middel komt de Commissie op tegen de beoordeling door het Gerecht van de wijze waarop het AEC-criterium in de litigieuze beschikking is toegepast ten aanzien van Lenovo. Meer in het bijzonder uit de Commissie kritiek op de wijze waarop het Gerecht de kwantificering van twee door Intel verleende voordelen in natura in ruil voor Lenovo's exclusiviteitsverplichting — namelijk de uitbreiding van Intels standaardgarantie van een jaar en een beter gebruik van een platform in Shenzhen (China) — heeft beoordeeld.
143.
De bevindingen van het Gerecht over dit specifieke vraagstuk kunnen als volgt worden samengevat.
1. Beoordeling door het Gerecht van de voordelen in natura die Intel aan Lenovo heeft verleend
144.
Uit het bestreden arrest volgt dat het Gerecht van oordeel was dat in het oorspronkelijke arrest was vastgesteld dat Intel en Lenovo een intentieverklaring hadden gesloten, het Memorandum of Understanding van 2007 (hierna: ‘MoU van 2007’), waarvoor een ongeschreven exclusiviteitsvoorwaarde gold.118. Uit het bestreden arrest blijkt tevens dat het bedrag van de door Intel aan Lenovo verleende kortingen volgens de Commissie was vermeld in dat memorandum, waarin voor het jaar 2007 was voorzien in financiële steun van 180 miljoen US-dollar (USD) in de vorm van driemaandelijkse betalingen.119.
145.
Bovendien heeft het Gerecht er in het bestreden arrest120. op gewezen dat Intel tijdens de administratieve procedure voor de Commissie had aangevoerd dat de relevante waarde voor de hoogte van de kortingen maar 138 miljoen USD bedroeg. Dit werd verklaard door het feit dat van de financiële ondersteuning van Lenovo van 180 miljoen USD in de MoU van 2007 slechts 135 miljoen USD in contanten was toegekend. De rest van de financiële ondersteuning zou zijn verleend in de vorm van voordelen in natura, namelijk de uitbreiding van Intels standaardgarantie van een jaar en het voorstel voor een beter gebruik van een platform van Intel in China. De Commissie heeft benadrukt dat Intel had aangevoerd dat de waarde van deze twee bijdragen in natura aan Lenovo weliswaar respectievelijk 20 en 24 miljoen USD bedroeg, maar dat de kosten ervan voor Intel aanzienlijk lager waren, namelijk 1,7 respectievelijk 1,3 miljoen USD. Volgens Intel dienden deze elementen voor de AEC-analyse niet aan de hand van hun waarde voor Lenovo, maar aan de hand van de economische kosten ervan voor Intel te worden beoordeeld. Intel kwam tot een bedrag van 138 miljoen USD door deze kosten van 1,7 miljoen USD en 1,3 miljoen USD bij de financiële steun in contanten van 135 miljoen USD op te tellen.
146.
Het Gerecht heeft tevens opgemerkt dat de Commissie Intels argument in de litigieuze beschikking heeft afgewezen op de grond dat Intel de beginselen van de AEC-analyse verkeerd had begrepen.121. Volgens de Commissie moest voor de AEC-analyse de prijs worden onderzocht waartegen een even efficiënte concurrent als de onderneming met een machtspositie — maar die geen machtpositie had — haar producten aan de afnemer had moeten aanbieden om het verlies van de door de onderneming met een machtspositie toegekende voorwaardelijke voordelen te compenseren, welk verlies zou ontstaan doordat die afnemer het betwistbare aandeel van zijn bevoorradingsbehoeften van de onderneming met een machtspositie verschuift naar die even efficiënte concurrent.122. Volgens de Commissie bleek daaruit duidelijk dat er een raming moest worden gemaakt van het verlies voor de afnemer, aangezien de even efficiënte concurrent dit verlies zou moeten compenseren, en niet van de economische kosten voor de onderneming met een machtspositie, indien de twee cijfers uiteenliepen.123.
147.
Anders dan de Commissie meent en in overeenstemming met Intels hoofdargument heeft het Gerecht in het bestreden arrest geoordeeld dat die instelling was uitgegaan van een veronderstelling die in strijd was met de in de litigieuze beschikking uiteengezette grondslagen van de toepassing van het AEC-criterium, die berustten op het beginsel dat de hypothetische concurrent even efficiënt is als Intel, met name vanuit het oogpunt van de kosten voor de uitbreiding van een platform of een garantie.124.
2. Onjuiste uitlegging van de toepassing van het AEC-criterium in de litigieuze beschikking en van artikel 102 VWEU
a) Argumenten van partijen
148.
De Commissie betoogt dat het Gerecht in zijn bestreden arrest blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting wat betreft de definitie van de aard van het in de litigieuze beschikking toegepaste AEC-criterium, wat uiteindelijk neerkomt op een onjuiste toepassing van artikel 102 VWEU. Volgens de Commissie heeft het Gerecht, vanuit het oogpunt van kostprijzen, de vraag of een concurrent in het kader van kortingen in de vorm van voordelen in natura even efficiënt is als een onderneming met een machtspositie, onjuist beoordeeld.
149.
De Commissie stelt om te beginnen dat het AEC-criterium een analysemiddel is waarvoor een aantal technische methodologische keuzen moeten worden gemaakt. De conclusies in de litigieuze beschikking over de door Intel aan Lenovo verleende kortingen konden dan ook alleen worden afgewezen indien er een kennelijke fout was begaan, welke fout niet door het Gerecht is vastgesteld.
150.
Bovendien heeft het Gerecht volgens de Commissie ten onrechte geconcludeerd dat de waarde van de door Intel toegekende voordelen in natura moest worden beoordeeld op basis van de kosten die deze voordelen meebrachten voor Intel, en niet op basis van de waarde van deze voordelen voor Lenovo. In dit verband herhaalt de Commissie in wezen het antwoord dat zij in de litigieuze beschikking heeft gegeven op het in punt 146 hierboven beschreven argument dat Intel tijdens de administratieve procedure had aangevoerd.
151.
Gesteld al dat de door Intel toegekende voordelen in natura hadden moeten worden onderzocht vanuit het oogpunt van de kosten die deze voordelen voor de onderneming hadden meegebracht, is het Gerecht er volgens de Commissie namelijk ten onrechte aan voorbijgegaan dat een kleinere concurrent dan Intel niet over een platform zou beschikken zoals het platform dat Intel aan Lenovo had aangeboden, en geen soortgelijke uitgebreide garantie voor zijn producten zou kunnen bieden. Die concurrent had het verlies door Lenovo van de door Intel toegekende voordelen in natura dan ook in contanten moeten compenseren.
152.
Ten slotte voert de Commissie aan dat het Gerecht, mocht het Hof bovengenoemde argumenten afwijzen, haar rechten van verdediging heeft geschonden door te weigeren om rekening te houden met bijlage D.39 bij de dupliek, die ertoe strekte Intels beweringen te weerleggen.
153.
Intel bestrijdt dit. Volgens Intel strookt de benadering van het Gerecht met de vaste rechtspraak van het Hof dat artikel 102 VWEU gericht is op even efficiënte — en niet minder efficiënte — concurrenten en in het bijzonder dat beoordelingen van tariefpraktijken gebaseerd moeten zijn op de kosten en de strategie van de onderneming met de machtspositie zelf. Volgens de eigen richtsnoeren van de Commissie met betrekking tot artikel 102 VWEU zal de Commissie gebruikmaken van informatie over de kosten van de onderneming met een machtspositie, indien deze beschikbaar is. Indien een andere benadering zou worden gevolgd, zou een onderneming met een machtspositie worden benadeeld wanneer zij efficiënter functioneert dan haar concurrenten en een product dus tegen lagere kosten aan een klant levert.
b) Analyse
154.
Vooraf merk ik ten eerste op dat tussen partijen niet in geding is of voordelen in natura als aan de orde in de onderhavige zaak in aanmerking hadden moeten worden genomen bij de toepassing van het AEC-criterium ten aanzien van Lenovo. Wat wel wordt betwist, is de wijze waarop deze voordelen voor de toepassing van dat criterium moeten worden berekend. Volgens de Commissie heeft het Gerecht de in de litigieuze beschikking uiteengezette beginselen die aan het AEC-criterium ten grondslag liggen, verkeerd begrepen en heeft het de wijze waarop dit criterium vanuit het oogpunt van kostprijzen moet worden toegepast, onjuist opgevat. Opgemerkt zij dat de toepassing van het AEC-criterium, volgens de rechtspraak van het Hof, zelfs nuttig is wanneer de gegevens van de desbetreffende praktijk niet in termen van geld zijn uitgedrukt, maar toch nog steeds kunnen worden gekwantificeerd.125.
155.
Ten tweede denk ik niet dat het Gerecht, anders dan de Commissie betoogt, de configuratie van het AEC-criterium of, in de woorden van de Commissie, de ‘methodologische keuzen’ die zij bij de definitie van dat criterium heeft gemaakt, in het bestreden arrest ter discussie heeft gesteld. Uit het bestreden arrest blijkt juist dat het Gerecht is nagegaan of het AEC-criterium was toegepast op de voordelen in natura die Intel aan Lenovo had verleend op een wijze die verenigbaar was met de grondslagen die de Commissie in de litigieuze beschikking specifiek voor dit criterium had gekozen. Zo bezien zou het Gerecht mijns inziens niet mogen worden verweten dat het zich de beoordelingsmarge van de Commissie heeft toegeëigend bij de vaststelling van het AEC-criterium. De beoordeling van het Gerecht heeft feitelijk betrekking op de interne consistentie van de toepassing van het AEC-criterium in dit specifieke geval.
156.
Wat de vraag betreft of het Gerecht de benadering die de Commissie heeft gevolgd in verband met de voordelen in natura die Intel had toegekend aan Lenovo, ten onrechte van de hand heeft gewezen, volgt correct uit het bestreden arrest126. dat de inherente logica van de wijze waarop het AEC-criterium in de litigieuze beschikking was toegepast erin bestond te onderzoeken of Intel, gelet op haar eigen kosten en de effecten van de kortingen, zelf in staat zou zijn om in beperktere mate tot de markt toe te treden zonder verlies te lijden. Het Gerecht heeft er voorts, zonder enige fout te begaan, op gewezen dat de AEC-analyse in de litigieuze beschikking was opgezet als een louter hypothetische exercitie, in die zin dat zij probeerde te analyseren of voor een concurrent die even efficiënt was als Intel — wat betreft de productie en levering van x86-CPU's van een gelijke waarde als die welke Intel aan haar afnemers aanbiedt — maar geen even ruime verkoopbasis als Intel had, sprake was van afscherming van de toegang tot de markt.127.
157.
Ik merk op dat het Hof in zijn rechtspraak heeft verklaard dat de beoordeling van tariefpraktijken gebaseerd moet zijn ‘op de kosten en de strategie van de onderneming met de machtspositie zelf’128. en meer in het bijzonder dat bij de toepassing van het AEC-criterium rekening moet worden gehouden met een hypothetische concurrent met een kostenstructuur die vergelijkbaar is met die van de onderneming met een machtspositie.129. Bovendien heeft het Hof verklaard dat de geldigheid van een dergelijke benadering wordt versterkt door het feit dat dit in overeenstemming is met het algemene beginsel van rechtszekerheid, aangezien de onderneming met een machtspositie, door haar kosten in aanmerking te nemen, de rechtmatigheid van haar eigen gedrag kan beoordelen in het licht van de bijzondere verantwoordelijkheid die krachtens artikel 102 VWEU op haar rust.130. De uitlegging door het Gerecht van de grondslagen voor de toepassing van het AEC-criterium in de bestreden beschikking lijkt dan ook aan te sluiten bij de rechtspraak van het Hof.
158.
Bovendien sluit die uitlegging aan bij de wijze waarop de verschillende parameters die nodig zijn om het AEC-criterium toe te passen volgens de bestreden beschikking moeten worden berekend. Zoals het Gerecht in het bestreden arrest verklaart131., is het AEC-criterium in die beschikking opgesteld om te bepalen of een concurrent die even efficiënt is als de onderneming met een machtspositie en die dezelfde kosten als die laatste onderneming heeft, nog steeds in mindere mate zijn kosten kan dekken. Derhalve staan de kosten van de onderneming met een machtspositie centraal in elke stap van de berekening die leidt tot de toepassing van het AEC-criterium, zoals beschreven in bijvoorbeeld de punten 43 en 83 van deze conclusie.
159.
Het klopt dat wanneer een exclusiviteitskorting wordt verleend in contanten, de waarde ervan objectief is en gelijk voor zowel de onderneming met een machtspositie als de begunstigde van de korting. Wordt die korting daarentegen in een andere vorm dan contanten verleend, dan kan de waarde voor die onderneming en de begunstigde verschillen, hetgeen de vraag doet rijzen hoe zij moet worden beoordeeld. Niettemin moet de logica van de berekening van die waarde in beide gevallen dezelfde grondslag hebben. Anders zou de vraag of een korting al dan niet een uitsluitingseffect kan hebben niet ten opzichte van de relevante marktdeelnemer worden beoordeeld. Zoals het Gerecht in het bestreden arrest terecht aangeeft132., staat in casu buiten kijf dat de relevante marktdeelnemer in beginsel een concurrent moet zijn die even efficiënt is als Intel en onder dezelfde voorwaarden als die onderneming met een machtspositie voordelen aanbiedt aan Lenovo.
160.
Het kan niet worden uitgesloten dat de laatstgenoemde waarde enigszins moet worden aangepast om in aanmerking te kunnen nemen dat de even efficiënte concurrent geen machtspositie inneemt en dat die concurrent mogelijk op kleinere schaal opereert. In de bestreden beschikking heeft de Commissie een voorbeeld gegeven van die situatie door, kort gezegd, te verwijzen naar de zaak waarin een concurrent die even efficiënt is als de onderneming met een machtspositie niet in staat zou zijn toegang te verlenen tot een vergelijkbaar distributieplatform of uitbreiding van de garantieperiode.133.
161.
Zelfs indien van die mogelijkheid wordt uitgegaan, rechtvaardigt dat niet dat een korting in natura met het oog op de toepassing van het AEC-criterium wordt beoordeeld op basis van de waarde die deze korting voor de begunstigde heeft. De kosten die door een concurrent die even efficiënt is als Intel moeten worden gemaakt voor het verlenen van toegang tot een distributieplatform hadden moeten worden berekend. Het Gerecht heeft derhalve terecht geoordeeld dat er een fout kleefde aan de cijfermatige beoordeling door de Commissie van de voordelen in natura die Intel aan Lenovo had aangeboden.134.
162.
Daarom moet de kritiek van de Commissie op de benadering van het Gerecht mijns inziens worden afgewezen.
163.
Voor zover de Commissie voor het overige aanvoert dat het Gerecht haar rechten van verdediging heeft geschonden doordat het heeft geweigerd om bijlage D.39 bij de dupliek in aanmerking te nemen, moet dat argument worden afgewezen om soortgelijke redenen als die welke tot in detail zijn uiteengezet in mijn analyse van het derde onderdeel van het vierde middel.135.
164.
In het bijzonder blijkt uit bijlage D.39 bij de dupliek dat, volgens de Commissie, zelfs indien werd erkend dat een concurrent die even efficiënt is als Intel een distributieplatform in China had, de kosten die nodig zouden zijn om dat platform toegankelijk te maken voor Lenovo aanzienlijk hoger zouden zijn dan de kosten van Intel om dat voordeel te bieden.
165.
Wat dat betreft wil ik enkel opmerken dat die analyse overeenstemt met mijn opmerking in punt 160 hierboven, waarin ik erken dat er een bepaalde aanpassing nodig zou kunnen blijken te zijn voor de berekening van de productiekosten van het vereiste aandeel om in aanmerking te kunnen nemen dat een concurrent die even efficiënt is als Intel op kleinere schaal opereert.
166.
Aangezien, zoals ook het Gerecht terecht opmerkt136., de Commissie deze vraag pas in de fase van de dupliek beantwoordt, mocht het Gerecht op goede gronden weigeren om de aanvullende analyse in bijlage D.39 bij de dupliek in aanmerking te nemen, zonder daardoor de rechten van verdediging van de Commissie te schenden.
3. Voorlopige conclusie
167.
Gelet op een en ander kom ik tot de slotsom dat de kritiek van de Commissie op de beoordeling door het Gerecht van het AEC-criterium zoals dat in de litigieuze beschikking op Lenovo is toegepast, met name wat betreft twee voordelen in natura die Intel in ruil voor Lenovo's exclusiviteitsverplichting heeft verleend, ongegrond is en moet worden verworpen.
168.
Het vijfde middel moet dan ook worden afgewezen.
V. Conclusie
169.
In het licht van de analyse in deze conclusie geef ik het Hof in overweging de hogere voorziening af te wijzen wat het vierde en het vijfde middel betreft.
170.
Ik laat mij niet uit over de vraag of de hogere voorziening moet worden afgewezen wat de overige middelen van de Commissie betreft, noch over de vraag welke partij krachtens artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof in de kosten moet worden verwezen.
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 18‑01‑2024
Oorspronkelijke taal: Engels.
EU:T:2022:19 (hierna: ‘bestreden arrest’).
EU:C:2017:632 (hierna: ‘arrest in de eerste hogere voorziening’).
EU:T:2014:547 (hierna: ‘oorspronkelijk arrest’).
Zaak COMP/C-3/37.990 — Intel (hierna: ‘litigieuze beschikking’).
Bestreden arrest, punt 526.
Bestreden arrest, punt 524.
Zie voor meer details het bestreden arrest, punten 1–61.
Verordening van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101 en 102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1).
Litigieuze beschikking, artikel 1.
Litigieuze beschikking, artikel 2.
Zoals gerectificeerd bij beschikkingen van 19 september en 24 oktober 2017 wat betreft de procestaal, het Engels.
Arrest in de eerste hogere voorziening, punten 149 en 150.
Arrest in de eerste hogere voorziening, punten 65 en 107.
Arrest in de eerste hogere voorziening, punten 133 en 134, waarin het Hof verwijst naar het arrest van 27 maart 2012, Post Danmark (C-209/10, EU:C:2012:172, punt 22).
Arrest in de eerste hogere voorziening, punten 135–137.
85/76, EU:C:1979:36 (hierna: ‘arrest Hoffmann-La Roche’).
Arrest in de eerste hogere voorziening, punt 138.
Zie het arrest in de eerste hogere voorziening, punt 139 (hierna: ‘in punt 139 van het arrest in de eerste hogere voorziening bedoelde criteria’).
Arrest in de eerste hogere voorziening, punt 141.
Arrest in de eerste hogere voorziening, punt 143.
Arrest in de eerste hogere voorziening, punt 144.
Arrest in de eerste hogere voorziening, punt 145.
Arrest in de eerste hogere voorziening, punt 147.
Bestreden arrest, punten 74–102.
Bestreden arrest, punt 85.
Bestreden arrest, punt 96.
Bestreden arrest, punten 97 en 98.
Bestreden arrest, punt 101.
Bestreden arrest, punten 116–122.
Bestreden arrest, punten 123–127.
Bestreden arrest, punt 145.
Bestreden arrest, punt 149.
Bestreden arrest, punten 150 en 151.
Bestreden arrest, punten 152–159.
Bestreden arrest, punten 175, 258, 260, 283, 285, 286, 297–299 en 334.
Bestreden arrest, punten 160–166.
Bestreden arrest, punten 167–481.
Bestreden arrest, punt 482.
Bestreden arrest, punten 483–520.
Bestreden arrest, punt 521.
Bestreden arrest, punt 524.
Bestreden arrest, punt 526.
Bestreden arrest, punt 527 en punt 1 van het dictum.
Zie punt 38 van deze conclusie.
Bestreden arrest, punt 529.
Bestreden arrest, punten 527–531.
In haar verzoekschrift voert de Commissie in een vijfde onderdeel bovendien aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door vast te stellen dat de litigieuze beschikking ontoereikend was gemotiveerd met betrekking tot de versterkingsfactoren. Volgens die beschikking leverde de toepassing van het AEC-criterium op HP negatievere resultaten op. Aangezien het Hof niet heeft verzocht om onderzoek van dat onderdeel, zal ik daaraan geen aandacht besteden.
Bestreden arrest, punten 288 en 289, waarin wordt verwezen naar de litigieuze beschikking, punten 338, 341, 413 en 1296.
Bestreden arrest, punt 288, waarin wordt verwezen naar punt 1406 van de litigieuze beschikking.
Bestreden arrest, punten 297–299, 303 en 304, waarin wordt verwezen naar de punten 1334–1337 en 1385–1389 van de litigieuze beschikking.
Bestreden arrest, punt 321, waarin wordt verwezen naar de punten 1390–1395 van de litigieuze beschikking. De versterkingsfactoren bestonden er ten eerste in dat de Commissie de voor Intel meest gunstige cijfers had gebruikt, en ten tweede dat indien HP voor haar aankopen naar AMD zou overschakelen, Intel op haar beurt de kortingen die oorspronkelijk voor HP waren bestemd, kon overdragen aan een andere concurrent die gebruikmaakte van haar x86-CPU's, zoals Dell.
Bestreden arrest, punt 303, waarin staat dat tabel nr. 34 is terug te vinden in punt 1334 van de litigieuze beschikking.
Die kwartalen worden aangegeven met een reeks afkortingen van Q4 FY03 tot en met Q3 FY05, waarbij ‘Q’ staat voor kwartaal en ‘FY’ voor boekjaar.
Bestreden arrest, punt 292, waarin staat dat tabel nr. 35 is terug te vinden in punt 1337 van de litigieuze beschikking.
Bestreden arrest, punt 304.
Bestreden arrest, punten 298 en 299, waarin wordt verwezen naar de punten 1385–1389 en 1406 van de litigieuze beschikking.
Bestreden arrest, punt 291.
Bestreden arrest, punt 303.
Bestreden arrest, punten 304 en 305.
Bestreden arrest, punt 307.
Bestreden arrest, punt 306.
Bestreden arrest, punt 307.
Bestreden arrest, punten 308–310.
Bestreden arrest, punten 316–318.
Zie in die zin arrest van 10 juli 2014, Telefónica en Telefónica de España/Commissie (C-295/12 P, EU:C:2014:2062, punt 54).
Zie met betrekking tot de ontwikkeling van de norm van beperkte toetsing voor ingewikkelde economische beoordelingen Jaeger, M., ‘The standard of review in competition cases involving complex economic assessments: towards marginalisation of the marginal review?’, Oxford Journal of European Competition Law & Practice, deel 2, nr. 4, 2011, blz. 295 e.v., en Da Cruz Vilaça, J. L., ‘The intensity of judicial review in complex economic matters — recent competition law judgments of the Court of Justice of the EU’, Journal of Antitrust Enforcement, deel 6, nr. 2, 2018, blz. 173 e.v.
Arrest van 13 juli 1966 (56/64 en 58/64, EU:C:1966:41, blz. 347).
Arrest van 11 juli 1985, Remia e.a./Commissie (42/84, EU:C:1985:327, punt 34).
Zie arrest van 21 november 1991, Technische Universität München (C-269/90, EU:C:1991:438, punt 14).
Arrest van 15 februari 2005, Commissie/Tetra Laval (C-12/03 P, EU:C:2005:87, punt 39; hierna: ‘arrest Tetra Laval’).
Die toets, zoals geformuleerd in het arrest Tetra Laval, wordt in verband met artikel 102 VWEU genoemd in het arrest van 10 juli 2014, Telefónica en Telefónica de España/Commissie (C-295/12 P, EU:C:2014:2062, punt 54), en in de arresten van het Gerecht van 10 april 2008, Deutsche Telekom/Commissie (T-271/03, EU:T:2008:101, punt 185); 30 januari 2007, France Télécom/Commissie (T-340/03, EU:T:2007:22, punten 163 en 165); 17 september 2007, Microsoft/Commissie (T-201/04, EU:T:2007:289, punten 379–381), en 1 juli 2010, AstraZeneca/Commissie (T-321/05, EU:T:2010:266, punt 32).
Arrest van 8 december 2011, (C-272/09 P, EU:C:2011:810; hierna: ‘arrest KME Germany’).
Arrest van 8 december 2011 (C-386/10 P, EU:C:2011:815; hierna: ‘arrest Chalkor’).
Zie arrest KME Germany, punt 102, en arrest Chalkor, punt 62.
Zie arrest van 19 januari 2023, Unilever Italia Mkt. Operations (C-680/20, EU:C:2023:33, punten 56 en 57), waarin het Hof in verband met het AEC-criterium heeft verklaard dat ‘dit begrip verwijst naar verschillende tests waarvan het gemeenschappelijke doel is te beoordelen of een praktijk kan leiden tot mededingingsverstorende uitsluitingseffecten’, en dat het AEC-criterium ‘slechts een van de methoden’ is aan de hand waarvan die effecten kunnen worden beoordeeld.
Zie punt 43 van deze conclusie.
Zie punt 44 van deze conclusie.
Zie in dat verband de conclusie van advocaat-generaal Kokott in de zaak Commissie/Alrosa (C-441/07 P, EU:C:2009:555, punt 90), waarin het arrest van 10 juli 2008, Bertelsmann en Sony Corporation of America/Impala (C-413/06 P, EU:C:2008:392, punt 145), wordt aangehaald.
Een voorbeeld is te vinden in het arrest van 10 april 2008, Deutsche Telekom/Commissie (T-271/03, EU:T:2008:101, punten 183 e.v.), bevestigd door het arrest van 14 oktober 2010, Deutsche Telekom/Commissie (C-280/08 P, EU:C:2010:603, punt 143).
Zie punt 68 van deze conclusie.
Ritter, C., ‘Presumptions in EU competition law’, Journal of Antitrust Enforcement, 2018, deel 6, blz. 193.
Een klassiek voorbeeld in het mededingingsrecht is het vermoeden van aansprakelijkheid van de moedermaatschappij. Zie arrest van 10 september 2009, Akzo Nobel e.a./Commissie (C-97/08 P, EU:C:2009:536). Een uitputtende lijst van vermoedens is te vinden in Ritter, C., op. cit., blz. 189–212, en Bailey, D., ‘Presumptions in EU competition law’, European Competition Law Review, deel 9, nr. 20, 2010, blz. 20.
Bestreden arrest, punt 306.
Bestreden arrest, punt 310.
Zie punten 117–129 van deze conclusie.
Arrest van 16 november 2000, SCA Holding/Commissie (C-297/98 P, EU:C:2000:633, punt 37).
Arrest van 1 juli 2010 (C-407/08 P, EU:C:2010:389, punt 89; hierna: ‘arrest Knauf Gips’).
Arrest in de eerste hogere voorziening, punt 141.
Bestreden arrest, punten 300–302.
Zie ook arrest van 11 juli 2013, Ziegler/Commissie (C-439/11 P, EU:C:2013:513, punten 57 en 58).
Arrest Knauf Gips, punt 90.
Arrest Knauf Gips, punt 91.
Zie in dit verband Van der Woude, M., ‘Judicial control in complex economic matters’, Journal of European Competition Law & Practice, deel 10, nr. 7, 2019, blz. 421.
Arrest Knauf Gips, punt 90.
Zie ook het arrest in de eerste hogere voorziening, punt 144.
Bestreden arrest, punt 302.
Arrest van 19 maart 2015 (C-286/13 P, EU:C:2015:184; hierna: ‘arrest Dole Food’).
Bestreden arrest, punten 316 en 317.
Zie punt 95 van deze conclusie.
Bestreden arrest, punt 317, waarin ook wordt verwezen naar punt 150 van dat arrest.
Bestreden arrest, punt 318.
Aan die opmerking wordt niet afgedaan door het beknopte argument dat de Commissie in een voetnoot bij haar hogere voorziening heeft aangevoerd en waarmee zij in wezen betoogt dat het bedrag van de kortingen ‘veruit’ de belangrijkste parameter is bij de berekening van het vereiste aandeel en dat de aan het Gerecht verstrekte aanvullende berekeningen die op basis van die parameter waren gemaakt derhalve volstonden om het vereiste aandeel voor HP voor de ontbrekende kwartalen te berekenen. Hier geldt de vaste rechtspraak dat argumenten die aan het Hof worden voorgelegd, naar behoren moeten worden uitgewerkt. Zie in die zin beschikking van 26 maart 2020, Magnan/Commissie (C-860/19 P, niet gepubliceerd, EU:C:2020:227, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie onder meer arrest van 28 juni 2005, Dansk Rørindustri e.a./Commissie(C-189/02 P, C-202/02 P, C-205/02 P— C-208/02 P en C-213/02 P, EU:C:2005:408, punt 463)
Zie de conclusie van advocaat-generaal Kokott in de zaak Dole Food en Dole Fresh Fruit Europe/Commissie (C-286/13 P, EU:C:2014:2437, punt 26).
Zie arrest van 14 mei 2020, NKT Verwaltung en NKT/Commissie (C-607/18 P, niet gepubliceerd, EU:C:2020:385, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie arresten van 24 januari 2013, Frucona Košice/Commissie (C-73/11 P, EU:C:2013:32, punten 89 en 90), en 21 januari 2016, Galp Energía España e.a./Commissie (C-603/13 P, EU:C:2016:38, punten 73, 78 en 79).
Arrest Dole Food, punt 38.
Zie in die zin arrest Dole Food, punten 34–38, gelezen in samenhang met arrest van 14 maart 2013, Dole Food en Dole Germany/Commissie (T-588/08, EU:T:2013:130, punten 46 en 47).
Zie de conclusie van advocaat-generaal Kokott in de zaak Dole Food en Dole Fresh Fruit Europe/Commissie (C-286/13 P, EU:C:2014:2437, punt 22).
Bestreden arrest, punten 319 en 334.
Bestreden arrest, punten 500 en 520.
Bestreden arrest, punt 525.
Punt 522 van het bestreden arrest, onder de kop ‘Vordering tot nietigverklaring van de [litigieuze] beschikking’. Zie ook punten 32 en 33 van deze conclusie.
Niettemin blijkt uit de hogere voorziening in de onderhavige zaak dat de Commissie met haar eerste middel opkomt tegen de vaststelling van het Gerecht over de beoordeling volgens de in punt 139 van het arrest in de eerste hogere voorziening vermelde criteria. Mocht het Hof dit eerste middel aanvaarden, dan moet het onderhavige onderdeel van het vierde middel in het licht van die overweging worden beoordeeld.
Die tussenconclusie zou zelfs juist blijven indien het Hof oordeelt dat het vijfde onderdeel van het vierde middel — dat zoals gezegd niet in deze conclusie aan bod komt — gegrond is. Dat onderdeel betreft de versterkende factoren die de resultaten van de toepassing van het AEC-criterium ten aanzien van HP verergeren, hetgeen, uit principe, niet kan volstaan om de fouten die het Gerecht volgens mijn analyse terecht heeft vastgesteld bij toepassing van dat criterium, te compenseren.
Bestreden arrest, punt 98, waarin wordt verwezen naar de punten 1045 tot en met 1208 van het oorspronkelijke arrest.
Bestreden arrest, punt 415, waarin wordt verwezen naar punt 1461 van de litigieuze beschikking.
Bestreden arrest, punt 417, waarin wordt verwezen naar punt 1463 van de litigieuze beschikking.
Bestreden arrest, punt 419.
Bestreden arrest, punt 420, waarin wordt verwezen naar punt 1466 van de litigieuze beschikking.
Bestreden arrest, punt 421, waarin wordt verwezen naar punt 1467 van de litigieuze beschikking.
Bestreden arrest, punten 433–439, waarin wordt verwezen naar de punten 1003 en 1004 van de litigieuze beschikking.
Zie in die zin arrest van 19 januari 2023, Unilever Italia Mkt. Operations (C-680/20, EU:C:2023:33, punt 59).
Bestreden arrest, punt 434, waarin wordt verwezen naar punt 1003 van de litigieuze beschikking.
Bestreden arrest, punt 435, waarin wordt verwezen naar punt 1004 van de litigieuze beschikking.
Arrest van 14 oktober 2010, Deutsche Telekom/Commissie (C-280/08 P, EU:C:2010:603, punt 198).
Arrest van 19 januari 2023, Unilever Italia Mkt. Operations (C-680/20, EU:C:2023:33, punt 59).
Arrest van 14 oktober 2010, Deutsche Telekom/Commissie (C-280/08 P, EU:C:2010:603, punt 202).
Bestreden arrest, punten 152, 154, 157 en 158. Zie ook punt 43 van deze conclusie.
Bestreden arrest, punten 437 en 439.
Bestreden arrest, punt 438.
Zie bestreden arrest, punt 455.
Zie punten 117–129 van deze conclusie.
Bestreden arrest, punt 441.