Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/VIII.3.2.1
VIII.3.2.1 Waarheidsvinding, verzekering van tenuitvoerlegging en bespoediging van de procedure
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS602093:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Het wetboek stelt op diverse plaatsen dat bevoegdheden kunnen worden aangewend ‘om de waarheid aan de dag te brengen’ (bijv. art. 67a lid 2 sub 4, 94a lid 1 en art. 125j) of ‘in het belang van het onderzoek’ (bijv. art. 57 lid 1, 126g Sv). Variaties daarop vindt men bijvoorbeeld in art. 126h Sv (‘indien het onderzoek dit dringend vordert’) en 151a Sv (‘met het oog op de waarheidsvinding’). Ook wanneer dwangmiddelen voor de waarheidsvinding een ondersteunende, middellijke functie vervullen, bijvoorbeeld als steundwangmiddel (zoals betreden, doorzoeken en aanhouden), of doordat zij de verdachte beletten het onderzoek te frustreren (bijv. voorlopige hechtenis ter voorkoming van collusie), dragen zij bij aan het vinden van de waarheid.
Dwangmiddelen zijn doelgebonden bevoegdheden. Daarvan heeft de wetgever zich herhaaldelijk bewust getoond door één of meerdere gronden voor de toepassing van elk dwangmiddel aan te wijzen, die als doel zijn te karakteriseren. Tegen veruit de meeste dwangmiddelen brengen de gronden waarop zij toelaatbaar zijn geen enkel op de onschuldpresumptie te baseren bezwaar mee.
Het merendeel van de dwangmiddelen is nauw verbonden met het onderzoek naar voor de strafprocedure relevante feiten.1 Wanneer een dwangmiddel tot doel heeft de waarheid te achterhalen, kan daarvan uiteraard niet worden gezegd dat het de schuld van de verdachte reeds op voorhand aanneemt. Dat onderzoek is immers juist onder andere gericht op de vraag óf de verdachte een strafbaar feit begaan heeft. Het gebruik van dwangmiddelen om de tenuitvoerlegging van mogelijke sancties veilig te stellen, impliceert evenmin schuld aan een strafbaar feit. Ook een onschuldige verdachte kan immers het risico een sanctie te moeten ondergaan niet willen lopen. Voorlopige hechtenis omdat de verdachte zijn mogelijke straf zal ontvluchten (zie art. 67a lid 1 Sv) en de inbeslagneming tot verhaal van eventueel op te leggen sancties (art. 94 lid 2 en art. 94a Sv) behelzen bijgevolg geen bejegening als schuldige. Voorts komt men in het Nederlandse strafprocesrecht dwangmiddelen tegen die het verloop van de procedure beogen te bespoedigen (art. 57 lid 1 en 61 lid 3 Sv). Ook deze grond komt mij in het licht van de onschuldpresumptie onproblematisch voor. De grond houdt immers geen verband met de schuld van de verdachte maar met het algemene belang strafzaken voortvarend af te doen. Dat belang bestaat, ongeacht of de verdachte schuldig of onschuldig is.