Einde inhoudsopgave
Smartengeld 1998/7.2.2.1
7.2.2.1 Bestaan schade/toewijzen vordering
prof. mr. S.D. Lindenbergh, datum 21-06-1998
- Datum
21-06-1998
- Auteur
prof. mr. S.D. Lindenbergh
- JCDI
JCDI:BSD62970:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie o.m. HR 28 juni 1991, NJ 1991, 746 (epileptisch insult). Dit geldt zowel bij het vorderen van een bepaald bedrag als bij het vorderen van schadevergoeding op te maken bij staat. Zie voorts Schadevergoeding (Hartlief & Tjittes), art. 97, aant. 75.
In dezelfde zin A-G Franx in zijn conclusie (p. 979-980) voor HR 16 november 1984, NJ 1985, 270 (Miletic).
HR 19 februari 1988, Nj 1988, 469 (alleen kopje gepubliceerd).
Daarbij zij aangetekend dat de zaak bovendien speelde onder het oude recht, waarin (nog) onduidelijk(er) was onder welke omstandigheden een recht op smartengeld bestond
Dat geldt bijv. ook voor HR 2 mei 1997, NJ 1997, 366 m.nt. Ma (Kip/Rabo).
Een procespartij zal volgens artikel 177 Rv die feiten dienen te stellen en in beginsel ook dienen te bewijzen die nodig zijn voor het intreden van het rechtsgevolg dat zij beoogt. Met betrekking tot de vordering tot schadevergoeding brengt dit als regel mee dat de eiser in de dagvaarding - naast het stellen van de voor de grondslag van aansprakelijkheid vereiste feiten - zal kunnen volstaan met het stellen van feiten waaruit in het algemeen het geleden hebben van schade kan worden afgeleid.1 Met betrekking tot de vergoeding van immateriële schade rijst de vraag of dat voldoende is. Vrijwel iedere omstandigheid die aanleiding geeft tot procederen kan immers tevens een bron zijn van vermindering van welzijn en kan aldus worden geacht te duiden op de aanwezigheid van immateriële schade, terwijl in lang niet alle gevallen een recht op vergoeding van die schade bestaat. Anders dan bij vermogensschade, die in beginsel steeds en geheel voor vergoeding in aanmerking komt, stelt de wet op dit punt uitdrukkelijk grenzen. Het is dan ook in overeensternrning met artikel 177 Rv om de omvang van de stelplicht en bewijslast te bepalen met het oog op die grenzen.2 Dat betekent dat de eiser feiten zal dienen te stellen waaruit kan worden afgeleid dat het gaat om een geval waarin krachtens de wet recht op vergoeding van die schade bestaat. Dat wil zeggen dat hij zijn stellingen zal dienen te richten naar de eisen die de wet stelt voor het aannemen van een recht op smartengeld. De wet werkt in artikel 6:106 met een aanduiding van 'bronnen' van immateriële schade, zoals 'lichamelijk letsel, en 'andere persoonsaantastingen'. Is de aanwezigheid daarvan gesteld en voldoende aannemelijk gemaakt, dan mag er mijns inziens van worden uitgegaan dat sprake is van immateriële schade, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt.
In dat licht laten zich ook uiteenlopende uitspraken van de Hoge Raad begrijpen. Zo gaf volgens de Hoge Raad niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting het oordeel van een rechtbank:3
'...dat X met de door hem gestelde schadefactoren, te weten: 'spanningen', 'daarmee samenhangende gezondheidsproblemen' en 'verlies van waarde in de ogen van anderen', alsmede 'schade' tengevolge van de omstandigheid dat Y heeft 'getracht X' mogelijkheden om na zijn vertrek bij A actief bezig te zijn, te blokkeren', te weinig heeft gesteld om te kunnen dienen als grondslag voor een vordering tot vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade.'
In het licht van de strenge eisen die worden gesteld met het oog op een recht op vergoeding bij 'andere persoonsaantastingen' is een dergelijke gedachtegang inderdaad niet onbegrijpelijk.4.
Wel onbegrijpelijk achtte de Hoge Raad de motivering van een hof tot afwijzing van een smartengeldvordering in een geval waarin vaststond dat de benadeelde een aanval van epilepsie had geleden doordat hem tijdens zijn verblijf in een politiecel ten onrechte geen medicijnen waren verstrekt. Het hof had daartoe overwogen:
'Dat P materiële of immateriële schade door een epileptisch insult in zijn cel heeft geleden en in welke vorm die schade zich heeft voorgedaan, is door hem niet gesteld en ook niet gebleken en P heeft te dien aanzien geen bewijs aangeboden.'
De Hoge Raad acht die motivering te mager en stelt de regel voorop dat voor toewijzing van een vordering tot schadevergoeding voldoende is dat feiten worden gesteld en komen vast te staan waaruit in het algemeen het geleden zijn van schade kan worden afgeleid en dat het de rechter alsdan vrijstaat, mede met het oog op de aard van de schade, zonder nader bewijs aannemelijk te achten dat schade is geleden en de omvang hiervan vervolgens te schatten. De inleidende dagvaarding laat volgens de Hoge Raad geen andere conclusie toe dan dat P heeft gesteld dat hij als gevolg van een onrechtmatige daad van de gemeente een epileptisch insult heeft gehad en dat hij als rechtstreeks gevolg hiervan immateriële schade heeft geleden, waarmee P volgens de Hoge Raad aan zijn stelplicht heeft voldaan. Vervolgens overweegt de Hoge Raad:
'Voorts maakt 's hofs motivering niet duidelijk, waarom het (...) niet om een zodanige aantasting van de persoon zou gaan dat zonder nader bewijs kan worden aangenomen dat P - vergoedbare - immateriële schade heeft geleden, ook al zou hij bij het epileptisch insult geen lichamelijk letsel hebben opgelopen.'
De Hoge Raad lijkt hier wat minder streng dan in het eerstgenoemde geval. Hij vergt niet met zoveel woorden dat de benadeelde niet alleen de aanwezigheid van immateriële schade stelt, maar ook omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat voldaan is aan de eisen van artikel 6:106. Niettemin is de laatste overweging wel toegespitst op de eisen die artikel 6:106 aan een recht op vergoeding stelt.5