Einde inhoudsopgave
Accountantsaansprakelijkheid (R&P nr. CA20) 2019/1.4.2.5
1.4.2.5 Fraude
mr. J.E. Brink-van der Meer, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. J.E. Brink-van der Meer
- JCDI
JCDI:ADS299329:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Algemeen
Juridische beroepen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Werkgroep toekomst accountantsberoep (2014), p. 12.
Accountantskamer 18 december 2015, ECLI:NL:TACAKN:2015:154 (klacht curatoren en collectief van crediteuren), r.o. 4.14.1.
Accountantskamer 18 december 2015, ECLI:NL:TACAKN:2015:154 (klacht curatoren en collectief van crediteuren), r.o. 4.14.6.
CBb 16 november 2017, ECLI:NL:CBB:2017:359 en ECLI:NL:CBB:2017:360 en Hijink & In ’t Veld (2018).
Gewezen wordt voorts op de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (WWFT) en de AFM-regeling incidentenmelding, welke in het onderhavige niet zullen worden uitgewerkt.
EU-verordening ‘Eisen wettelijke controles van financiële overzichten van OOB’s.
De verantwoordelijkheid van de accountant voor het onderkennen van het risico van fraude in het kader van de controle van financiële overzichten.
Het in aanmerking nemen van wet- en regelgeving bij een controle van financiële overzichten. Deze standaard wordt niet besproken. Ik verwijs naar NBA handreiking 1137 Corruptie, werkzaamheden van de accountant, d.d. 22 december 2016, voor een uitvoerige toelichting op deze standaard en de samenhang met standaard 240 (p. 7).
Campen (2013), p. 93-95.
Zie paragraaf 4.4.3.4 voor een nadere uitwerking van dit begrip.
Campen (2013), p. 93-95.
De kritiek op het functioneren van accountants heeft zich de afgelopen jaren vaak gericht op het onvermogen van accountants om fraudes te ontdekken bij de wettelijke controle.1 Ik heb er daarom voor gekozen kort fraude als apart onderdeel van de wettelijke controle te bespreken.
Fraude wordt in dit verband gedefinieerd als: i) afwijkingen in de financiële overzichten die voortkomen uit frauduleuze financiële verslaggeving en/of ii) afwijkingen die voortkomen uit de oneigenlijke toe-eigening van activa.2 Fraude van materieel belang betreft een opzettelijk handelen of nalaten waarbij misleiding wordt gebruikt om een wederrechtelijk voordeel te behalen en waarbij de aard of de omvang zodanig is dat beslissingen die in het maatschappelijk verkeer worden genomen op grond van de financiële verantwoording van de controlecliënt zouden kunnen worden beïnvloed door die misleiding (artikel 36 Bta).
Volgens NV COS 240 paragraaf A3 kan frauduleuze financiële verslaggeving tot stand komen door:
de administratieve vastleggingen of de daaraan ten grondslag liggende documenten op basis waarvan de financiële overzichten worden opgesteld te manipuleren, te vervalsen (met inbegrip van valsheid in geschrifte) of te wijzigen;
gebeurtenissen, transacties of andere significante informatie onjuist weer te geven in of opzettelijk weg te laten uit de financiële overzichten;
verslaggevingsprincipes met betrekking tot bedragen, classificatie, de wijze van presentatie of de toelichting opzettelijk verkeerd toe te passen.
Verantwoordelijkheden met betrekking tot fraude
Het bestuur en de raad van commissarissen zijn primair verantwoordelijk voor het voorkomen en het ontdekken van fraude. Het bestuur dient sterk de nadruk te leggen op het voorkomen van fraude alsmede op het ontmoedigen daarvan.3 Er dient in dit verband sprake te zijn van een adequaat opgezet en continu werkend stelsel van maatregelen van administratieve organisatie en interne controle. Desondanks kan fraude nog steeds voorkomen.
De accountant controleert de getrouwheid van de jaarrekening. De accountant kan deze taak naar behoren hebben uitgevoerd en toch niet hebben ontdekt dat er sprake is van fraude. Met een controleverklaring wordt immers slechts een redelijke mate van zekerheid beoogd dat de gecontroleerde jaarrekening geen afwijkingen van materieel belang bevat die het gevolg zijn van fraude of van fouten4 (zie paragraaf 1.4.2.6 omtrent de controleverklaring). Er bestaat een onvermijdelijk risico door de beperkingen die inherent zijn aan een controle, dat sommige afwijkingen in de financiële overzichten niet zullen worden ontdekt, zelfs wanneer de controle naar behoren is gepland en uitgevoerd overeenkomstig de wet- en regelgeving.5
Boekhoudfraude Weyl
Een duidelijk beeld van de verantwoordelijkheden bij fraude geeft de boekhoudfraude bij vleesverwerker Weyl. Bij de Weyl groep van vennootschappen is in 2010 een grootscheepse boekhoudfraude aan het licht gekomen, waarna de banken de financiering hebben stopgezet en de vennootschappen in de Weyl groep failliet zijn gegaan. De AFM, curatoren en een collectief van crediteuren dienen een klacht in tegen de accountant van Weyl. De accountant wordt onder andere verweten dat hij frauderisicofactoren heeft genegeerd en geen nadere stappen heeft gezet, terwijl hij wist van de fraude of die op zijn minst heeft vermoed. De Accountantskamer overweegt allereerst (conform NV COS 240) dat de primaire verantwoordelijkheid voor het voorkomen en ontdekken van fraude bij het bestuur en de raad van commissarissen van de gecontroleerde entiteit ligt.6 Van de accountant wordt volgens de Accountantskamer verwacht dat hij:
gedurende de gehele controle een professioneel-kritische instelling handhaaft (onder meer gericht op een risico op een afwijking van materieel belang als gevolg van fraude);
met zijn controleteam bespreekt waar de financiële overzichten van de entiteit vatbaar kunnen zijn voor een afwijking van materieel belang die het gevolg is van fraude, met inbegrip van de wijze waarop de fraude zou kunnen worden gepleegd;
ten aanzien van het frauderisico inlichtingen inwint bij het bestuur van de controlecliënt en inzicht verkrijgt in het toezicht dat wordt uitgeoefend door de raad van commissarissen;
overweegt of de verzamelde informatie een aanwijzing is voor het bestaan van één of meer frauderisico-factoren.
De Accountantskamer komt tot de slotsom dat de accountant ‘geen oog heeft gehad voor inherente risico’s of adequate waarborgen in de interne beheersing, en in het geheel g éé n frauderisico’s heeft onderkend, wat niet voorstelbaar is’. Voorts heeft de accountant niet gedaan wat hij zich in de controleaanpak omtrent het frauderisico had voorgenomen. De accountant is zowel met betrekking tot de controle van de jaarrekening 2008 als die van 2009, in zeer ernstige mate tekortgeschoten in wat NV COS Standaard 240 van hem eiste.7 Dit oordeel blijft in hoger beroep in stand.8
Wet- en regelgeving
In wet- en regelgeving9 zijn de volgende verantwoordelijkheden vastgelegd met betrekking tot (de constatering van) fraude. Allereerst de wetgeving. Is sprake van een redelijk vermoeden van fraude van materieel belang bij een wettelijke controle, niet zijnde een wettelijke controle bij een OOB, dan heeft de accountant in beginsel een meldingsplicht aan een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 141 Wetboek van Strafvordering (artikel 26 leden 2 en 3 Wta). De melding kan achterwege blijven indien de cliënt, na op de risico’s te zijn gewezen, onverwijld onderzoek doet en een plan opstelt met maatregelen om de fraude, voor zover mogelijk, ongedaan te maken en om herhaling van zodanige fraude te voorkomen, inclusief de termijn waarbinnen deze maatregelen zullen worden genomen (artikel 37 lid 1 sub a 1o Bta). De accountant dient vervolgens te beoordelen of het plan toereikend is en de maatregelen ook daadwerkelijk worden genomen (artikel 37 lid 1 sub b en c Bta). De accountant die een melding heeft gedaan, is niet aansprakelijk voor de schade die een derde dientengevolge lijdt, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat gelet op alle feiten en omstandigheden in redelijkheid niet tot melding had mogen worden overgegaan (artikel 26 lid 4 Wta).
Indien sprake is van een wettelijke controle bij een OOB dient artikel 7 van de EU Verordening ‘Eisen wettelijke controles van financiële overzichten van OOB’s’10 te worden toegepast. Bij een vermoeden (of redelijke gronden om te vermoeden) van onregelmatigheden, waaronder fraude, dient de accountant(sorganisatie) de gecontroleerde entiteit in kennis te stellen en deze te verzoeken de zaak te onderzoeken en passende maatregelen te nemen om deze onregelmatigheden aan te pakken en herhaling ervan te voorkomen. Indien de gecontroleerde entiteit de zaak niet onderzoekt, geldt een meldingsplicht. Een melding te goeder trouw van een onregelmatigheid vormt geen inbreuk op een op grond van een contract of van een wettelijke bepaling opgelegde beperking inzake de openbaarmaking van informatie.
Op het gebied van regelgeving zijn onder andere NV COS Standaard 24011 en 25012 relevant. Als gevolg van de grote boekhoudschandalen van enkele jaren terug zijn de regels met betrekking tot fraude de afgelopen jaren aangescherpt.13 NV COS 240 bespreekt de verantwoordelijkheden van de accountant met betrekking tot fraude in het kader van een controle van financiële overzichten. Daarbij dient gedacht te worden aan: een professioneel-kritische instelling,14 het vragen van inlichtingen bij bestuur en de raad van commissarissen over mogelijke fraude risico’s en evaluatie van de verkregen inlichtingen. Indien sprake is van een verhoogd risico op fraude is de accountant gehouden tot het verrichten van aanvullende werkzaamheden. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om het controleren van de handmatig ingevoerde journaalposten en het verifiëren van schattingen die door het management zijn gemaakt.15
Op 18 januari 2018 is de NBA Werkgroep Fraude van start gegaan. De werkgroep heeft als doel het verkleinen van de verwachtingskloof inzake de rol van de accountant ten aanzien van fraude (zie paragraaf 4.4.3.8 inzake de verwachtingskloof).
Tot slot kan een accountantsorganisatie verplicht zijn de overeenkomst te beëindigen, indien er na de aanvaarding of continuering van een opdracht bekend wordt dat sprake is van fraude (artikel 13 Bta).