NJB 2024/319:‘Verbergen’ en ‘verhullen’ in art. 420bis lid 1, aanhef en onder a, Sr (witwassen): deze bestanddelen hebben betrekking op gedragingen die erop zijn gericht het zicht te bemoeilijken op – onder meer – de herkomst van een voorwerp en wie de rechthebbende op een voorwerp is. Die gedragingen moeten tevens geschikt zijn om dat doel te bereiken. In casu is het oordeel dat sprake is van verhullen ontoereikend gemotiveerd. Daartoe telt onder meer dat het hof bewezenverklaard heeft dat het verhullen van de herkomst van het geld en van de rechthebbende daarop heeft plaatsgevonden ‘op 28 augustus 2020’, terwijl het overleggen van de stukken en het afleggen van een verklaring daarover – die door het hof is aangemerkt als een ‘achteraf geconstrueerd samenstel van verzinsels’ – na die datum hebben plaatsgevonden. Partieel cassatieberoep, art. 429 Sv: bij een samengestelde tenlastelegging kan het cassatieberoep worden beperkt tot de beslissingen over onderdelen van de tenlastelegging waarin een zelfstandig strafrechtelijk verwijt is omschreven. In casu heeft het hof de tenlastelegging zo uitgelegd dat daarin sprake is van een impliciet primair en een impliciet subsidiair onderdeel. Het is aan de feitenrechter om de tenlastelegging uit te leggen. De uitleg die het hof aan de tenlastelegging heeft gegeven, is niet onverenigbaar met de bewoordingen daarvan. Nu het hof niet is toegekomen aan een beslissing over het (impliciet) subsidiair tenlastegelegde, is het cassatieberoep niet vatbaar voor de beperking die volgens de akte tot partiële intrekking van dat beroep is beoogd. Na terugwijzing ligt de gehele tenlastelegging weer ter beoordeling aan het hof voor.