Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/V.3
V.3 Het belang van taakverdeling
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242830:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
In gelijke zin Dumoulin, Ondernemingsrecht 2005/91.
Bulten 2012, p. 12-13. Idem onder anderen Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/185; Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 13.1, p. 215; Huizink, GS Rechtspersonen, art. 2:129a/239a BW, aant. 3.3; en Van Olffen, De Kluiver & Legein 2012, p. 30.
Althans, voor niet-structuurvennootschappen niet. Ik kom hier in § V.4.2 op terug.
Evenzo Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/441; Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 13.1, p. 215; Borrius 2012, p. 113; Bulten 2012, p. 12; Huizink, GS Rechtspersonen, art. 2:129a/239a BW, aant. 3.3; Salemink, MvO 2017, afl. 1-2, p. 14; en Schwarz 2017b, p. 139.
Dumoulin, Ondernemingsrecht 2012/90.
Op Curaçao, St. Maarten en de BES-eilanden zijn de uitvoerende bestuurders op grond van art. 2:18 lid 2 BWC/BW-SM/BW-BES belast met de dagelijkse gang van zaken. De niet-uitvoerende bestuurders houden in elk geval toezicht op de uitvoerende bestuurders, zo volgt uit art. 2:18 lid 4 sub d BWC/BW-SM/BW-BES. In art. 51 LVBA is een soortgelijke regeling te vinden.
Ik vermoed overigens dat Dumoulin bedoelde te zeggen dat een taakverdeling feitelijk zo zal groeien als een taakverdeling bij of krachtens de statuten ontbreekt. Dat is juist. Dat de uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders de iure hetzelfde takenpakket hebben wanneer een taakverdeling bij of krachtens de statuten ontbreekt, wil namelijk niet zeggen dat zij de facto ook dezelfde taken vervullen. Ik kom hier in § V.4.3 op terug.
Zie Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 3, p. 7 en 14 (MvT).
Zie Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 3, p. 7 (MvT).
Zie Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 3, p. 7 en 14 (MvT); Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 6, p. 15 (NV); en Kamerstukken II 2015/16, 34 491, 3, p. 16 (MvT).
Idem Dumoulin, Ondernemingsrecht 2012/90; en Kersten 2018, p. 28.
Zie ook Kamerstukken I 2010/11, 31 763, C, p. 15 (MvA).
Idem Schuijling & Kortmann 2017, p. 399.
HR 10 januari 1997, NJ 1997, 360 m.nt. Maeijer (Staleman/Van de Ven). Zie hierover § VII.3.2.4 en § VII.3.2.5.
Hetzelfde geldt voor aansprakelijkheid ex art. 2:138/248 BW en art. 2:216 BW.
Zie onder meer Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 3, p. 8-9 en 14 (MvT); en Kamerstukken I 2010/11, 31 763, C, p. 4 en 15-16 (MvA). Zie hierover § VII.3.2.4.
De laatste volzin van art. 2:9 lid 2 BW luidt als volgt: “Hij is voor het geheel aansprakelijk terzake van onbehoorlijk bestuur, tenzij hem mede gelet op de aan anderen toebedeelde taken [cursivering NK] geen ernstig verwijt kan worden gemaakt en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van onbehoorlijk bestuur af te wenden.” Hoewel dat niet expliciet uit de wet volgt, meen ik dat de taakverdeling ook in het kader van art. 2:138/248 lid 3 BW en art. 2:216 lid 3 BW van betekenis kan zijn. Ik licht dit in § VII.3.4.5 en § VII.4.3.4 toe.
Idem onder anderen Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 53.2, p. 1207; Bulten 2012, p. 16-17; en Strik, Ondernemingsrecht 2012/91.
Zie § VII.4.2.
Zie HR 8 december 2006, NJ 2006, 659; JOR 2007/38 (Ontvanger/Roelofsen) voor aansprakelijkheid jegens een crediteur van de vennootschap; HR 2 maart 2007, NJ 2007, 240 m.nt. Maeijer; JOR 2007/137 m.nt. Olden (Nutsbedrijf Westland) voor aansprakelijkheid jegens de vennootschap; en HR 20 juni 2008, NJ 2009, 21 m.nt. Maeijer; JOR 2008/260 m.nt. Borrius (Willemsen/NOM) voor aansprakelijkheid jegens een individuele aandeelhouder.
Aldus ook Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 53.2, p. 1208; en Croiset van Uchelen, TOP 2014/242. Zie in gelijke zin ook Rb. Utrecht 15 februari 2012, JOR 2012/243 m.nt. Willems (Fortis). Voor een analyse van deze uitspraak verwijs ik naar § VII.4.2.3.
Zie recentelijk HR 30 maart 2018, NJ 2018, 330 m.nt. Van Schilfgaarde; JOR 2018/234 m.nt. Kraaipoel (TMF).
Idem Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/185; Croiset van Uchelen, TOP 2014/242; Kortmann 1991, p. 66; en Schuijling & Kortmann 2017, p. 411.
In gelijke zin Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/185; Croiset van Uchelen, TOP 2014/242; Kortmann 1991, p. 66; en Schuijling & Kortmann 2017, p. 411.
Idem Schuijling & Kortmann 2017, p. 411, die de taakverdeling als een impliciete regeling van de interne draagplicht beschouwen.
Schuijling & Kortmann 2017, p. 411. In gelijke zin Croiset van Uchelen, TOP 2014/242.
Zoals hiervoor omschreven, vormt de taakverdeling tussen de uitvoerende bestuurders enerzijds en de niet-uitvoerende bestuurders anderzijds de kern van het monistische bestuursmodel.1 Een taakverdeling is evenwel niet verplicht. De statuten moeten op grond van art. 2:129a/239a lid 1 BW bepalen dat de bestuurstaken worden verdeeld over één of meer uitvoerende bestuurders en één of meer niet-uitvoerende bestuurders, maar dit betekent niet dat de taken ook daadwerkelijk over één of meer uitvoerende bestuurders en één of meer niet-uitvoerende bestuurders verdeeld moeten worden. Het verdelen van taken is niettemin essentieel voor een goed functioneren van het monistische bestuursmodel.
Ontbreekt een taakverdeling, dan behoren volgens Bulten alle bestuurstaken tot het takenpakket van iedere bestuurder.2 Ik onderschrijf haar standpunt. Uit de tweede volzin van art. 2:9 lid 1 BW volgt namelijk dat tot de taak van de bestuurder alle bestuurstaken behoren die niet bij of krachtens de wet of de statuten aan een of meer andere bestuurders zijn toebedeeld. De wet bevat geen taakverdeling.3 Zijn de taken ook niet bij of krachtens de statuten verdeeld, dan is iedere bestuurder dus met alle bestuurstaken belast.
Dit is niet anders wanneer de vennootschap het monistische bestuursmodel hanteert.4 Ontbreekt een taakverdeling bij of krachtens de statuten, dan bestaat er de iure geen verschil tussen de uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders. Dumoulin huldigt een ander standpunt. Hij betoogt dat art. 2:9 lid 1 BW dan zo moet worden uitgelegd dat de uitvoerende bestuurders belast zijn met het dagelijkse bestuur van de vennootschap, terwijl de niet-uitvoerende bestuurders tezamen met de uitvoerende bestuurders verantwoordelijk zijn voor de algemene gang van zaken.5 Dit gaat weliswaar op voor vennootschappen in het Caribische gedeelte van het Koninkrijk,6 maar Boek 2 BW biedt mijns inziens geen ruimte voor deze zienswijze.7 De opvatting van Dumoulin vindt evenmin steun in de wetsgeschiedenis. Integendeel. Tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel Wet bestuur en toezicht benadrukte de minister juist dat voor een negatieve formulering van art. 2:9 lid 1 BW is gekozen om te voorkomen dat bestuurstaken ‘tussen wal en schip’ vallen.8 Als een taak bij of krachtens de statuten aan een individuele bestuurder wordt toebedeeld, dan neemt de omvang van het takenpakket van deze bestuurder niet toe, maar neemt de omvang van het takenpakket van de overige bestuurders af.9 Taken die niet specifiek aan een individuele bestuurder zijn toebedeeld, vallen volgens de minister binnen het takenpakket van iedere uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurder.10 Tegen deze achtergrond is het dus zaak de bestuurstaken bij of krachtens de statuten over een of meer uitvoerende bestuurders en een of meer niet-uitvoerende bestuurders te verdelen.
Taken worden niet alleen in een monistisch bestuur verdeeld. Een taakverdeling is inherent aan een meerhoofdig bestuur.11 In de praktijk is een taakverdeling noodzakelijk om effectief en efficiënt te kunnen besturen. Wanneer de taken over de bestuurders zijn verdeeld, behoeft niet iedere bestuurder zich met alle bestuurstaken bezig te houden.12 Aangezien bestuurders veelal vanwege hun specifieke kennis en expertise worden benoemd, kunnen zij zich door de taakverdeling focussen op dat deel van de bestuurstaak waarin zij bijzonder deskundig zijn.13
De taakverdeling kan voorts een rol spelen in aansprakelijkheidsprocedures. Reeds in 1997 oordeelde de Hoge Raad in het arrest Staleman/Van de Ven dat ‘de taakverdeling binnen het bestuur’ een relevante omstandigheid is bij de beantwoording van de vraag of de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt.14
Bij collectieve aansprakelijkheidsgronden zoals art. 2:9 BW, is de taakverdeling niet relevant voor het vestigen van aansprakelijkheid.15 De taakverdeling laat het beginsel van collectieve verantwoordelijkheid en – in het verlengde daarvan – collectieve aansprakelijkheid tenslotte onverlet.16 De taakverdeling is daarentegen wel van belang voor de individuele disculpatiemogelijkheid van de bestuurders, zo volgt expliciet uit de laatste volzin van art. 2:9 lid 2 BW.17 Wanneer de niet-uitvoerende bestuurder op grond van de taakverdeling niet betrokken is geweest bij de normschending, treft hem in beginsel geen ernstig verwijt.18 Is de niet-uitvoerende bestuurder evenmin nalatig geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van de normschending af te wenden, dan ontkomt hij aan aansprakelijkheid. De disculpatiemogelijkheid van de niet-uitvoerende bestuurder komt in § VII.3.2.5 uitvoerig aan bod.
De taakverdeling is niet alleen relevant voor de individuele disculpatiemogelijkheid van de bestuurders, maar ook voor het vestigen van aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad.19 Voor aansprakelijkheid ex art. 6:162 BW is vereist dat de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt treft.20 Behoort de aangelegenheid waarop de aansprakelijkheid is gebaseerd niet tot het takenpakket van de bestuurder, dan zal van een persoonlijk ernstig verwijt doorgaans niet snel sprake zijn. De taakverdeling zorgt er dus voor dat de niet-uitvoerende bestuurder in beginsel een kleiner aansprakelijkheidsrisico loopt dan de bestuurder die primair verantwoordelijk is voor de uitoefening van de taak.21 In beginsel, want ook het onvoldoende houden van toezicht kan onder omstandigheden tot een persoonlijk ernstig verwijt leiden.22 Ik sta hier in § VII.4.2 bij stil.
De taakverdeling kan tot slot relevant zijn voor de onderlinge draagplicht van de aansprakelijke bestuurders.23 Zijn meerdere bestuurders hoofdelijk aansprakelijk, dan is ieder van hen op grond van art. 6:10 lid 1 BW verplicht bij te dragen voor het gedeelte van de schuld dat hem in hun onderlinge verhouding aangaat. Dat gedeelte wordt bepaald door de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen.24 Hierbij kan de taakverdeling een rol spelen.25
Vervult een bestuurder een aan hem toebedeelde taak onbehoorlijk, dan behoort op hem een zwaardere draagplicht te rusten voor de schade die daar het gevolg van is dan op de andere bestuurders.26 In navolging van Schuijling en Kortmann meen ik dan ook dat de niet-uitvoerende bestuurders in de regel een lichtere draagplicht behoren te hebben dan de uitvoerende bestuurders.27 De verantwoordelijkheid van de niet-uitvoerende bestuurders voor de vervulling van een uitvoerende taak zou namelijk ondergeschikt moeten zijn aan de verantwoordelijkheid van een uitvoerend bestuurder voor de vervulling van die taak.
Ik concludeer dat een goede taakverdeling essentieel is voor een goed functioneren van de figuur van de niet-uitvoerende bestuurder. De taakverdeling geeft in feite de omvang van zijn takenpakket weer. Ontbreekt een taakverdeling, dan mag hij alle bestuurstaken tot zijn takenpakket rekenen. Zijn de taken wel verdeeld, dan kan de niet-uitvoerende bestuurder zich primair toeleggen op de aan hem toegedeelde taken. De taakverdeling komt daarmee de efficiëntie en effectiviteit van het bestuur ten goede. Bovendien is de taakverdeling mogelijk relevant in eventuele aansprakelijkheidskwesties. Zij kan zowel een rol spelen in de disculpatiediscussie als bij de vestiging van aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad. Tot slot is de taakverdeling belangrijk voor de vaststelling van de onderlinge draagplicht van de aansprakelijke bestuurders.